Plenair Bikker bij behandeling Ontwerpbesluiten Omgevingswet



Verslag van de vergadering van 30 mei 2017 (2016/2017 nr. 29)

Status: gecorrigeerd

Aanvang: 21.33 uur


Bekijk de video van deze spreekbeurt

Mevrouw Bikker i (ChristenUnie):

Voorzitter. Ik dank de minister voor opnieuw de enthousiaste beantwoording van alle vragen die door mijn fractie zijn gesteld, maar ook van de vragen van mijn collega's. Ik heb met belangstelling naar de beantwoording geluisterd.

De belangrijkste normen bepalen het beleid en zij vormen ook vaak de kern van regelgeving. Voor de fractie van de ChristenUnie is het heel belangrijk dat uiteindelijk de inhoud leidend blijft en dat niet het proces leidend wordt. Dat is precies het gevaar bij een kaderwet. Het is voorstelbaar. Het is ook een logische eerste stap die de minister heeft gezet. Maar het is nu wel spannend hoe de Kamer haar rol van medewetgever waar kan maken, om de regelgeving die volgt, en ook om deze AMvB's gedragen te laten zijn door de volksvertegenwoordiging. Het komt er voor de fractie van de ChristenUnie daarom juist op aan dat de wet ook de kern bevat. We moeten voorkomen dat de grens tussen wet en AMvB vervaagt, en dat daarmee eigenlijk het verschil steeds grauwer wordt. Dat is niet nodig en dat is ook niet dienstig aan een representatieve democratie. Dat wil ik hier toch meegeven.

Tot mijn groot enthousiasme heeft de minister echter tijdens dit debat, meer dan in de schriftelijke beantwoording, laten blijken dat ze gevoel krijgt voor dat spanningsveld. Na deze wijze woorden van de minister gaat dat gevoel vast ook indalen in haar ministerie. Dat geeft moed.

Dat leidt er ook toe dat ik blij ben met haar toezegging om juist op dit spanningsveld mee te geven in het toezenden van deze AMvB's en de invoeringswet aan de Raad van State, en ook met haar toezegging dat consciëntieus gewogen zal worden wat vervolgens het advies van de Raad van State is ten aanzien van de dragende normen. Ik heb het echt over de uitgangspunten, niet over de kleine cijfertjes, niet over de dijkvakken, maar het moet wel precies. Met die uitgangspunten moet consciëntieus worden omgegaan.

Ik snap dat de minister graag van de snelheid en de helderheid is. Dat is helemaal logisch voor een minister van verkeer en van veel meer. Maar het gaat er uiteindelijk wel om dat we hier wetten vaststellen die gedragen worden. Dan worden die wetten ook duurzaam en is die stelselontwikkeling, die belangrijke erfenis van de minister, ook voor de lange termijn houdbaar.

Op het terrein van de waterveiligheid noteer ik nog iets meer beweging dan bij de andere normen, wat ik zojuist schetste. Daar dank ik de minister voor. Die waterveiligheidsnormen worden namelijk niet gestut door een richtlijn zoals de Kaderrichtlijn Water of de Richtlijn betreffende de luchtkwaliteit en schonere lucht. Immers, de Richtlijn betreffende overstromingsrisico's stelt geen normen. Dat is het grote verschil met de andere. Daarom is het goed als de uitgangspunten onder onze nieuwe waterveiligheidsnormen, die net, per 1 januari van dit jaar van kracht zijn geworden, alsnog op wetsniveau worden verankerd. Maar voor nu is mijn fractie tevreden dat de minister dan wel haar opvolger — wij weten niet hoe lang het allemaal zal duren — bij de invoeringswet alsnog welwillend zal kijken naar en goede notie zal nemen van wat de Raad van State zal adviseren. Wat de wens van de ChristenUnie-fractie is, is de minister inmiddels genoegzaam bekend.

Ook wat de watertoets betreft lijkt de minister de redelijkheid zelve. Ik zou dus bijna meegaan in haar benadering, die ik als welwillend pragmatisch neer zou willen zetten. Toch lijkt het mijn fractie beter om de gekozen benadering voor de watertoets met betrekking tot de omgevingsplannen door te trekken naar de inmiddels ook voor de gemeenten geldende omgevingsvisies, in lijn met het Bestuursakkoord Water 2011, ook gelet op de grote impact van klimaatverandering en het belang van een waterrobuuste inrichting. Wij zijn hier spaarzaam met moties, maar toch dien ik na wat twijfel een motie in, omdat ik dit punt graag alsnog op termijn geborgd zou willen zien.

De voorzitter:

Door de leden Bikker, Diederik van Dijk, Vos, Teunissen en Meijer wordt de volgende motie voorgesteld:

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat onder meer klimaatverandering Nederland voor de opgave plaatst om blijvend te werken aan een waterrobuuste ruimtelijke inrichting;

overwegende dat de Omgevingswet wel een grondslag biedt voor het stellen van instructieregels voor gemeentelijke omgevingsplannen en provinciale omgevingsverordeningen en projectplannen maar nog niet voor omgevingsvisies, terwijl deze inmiddels ook door alle gemeenten moeten worden opgesteld;

overwegende dat het ruimtelijke planproces om tot een omgevingsvisie te komen, daarmee op dit moment onvoldoende borgt dat de opvattingen van de waterbeheerder vroegtijdig ingebracht worden;

overwegende dat in het Bestuursakkoord Water (2011) is afgesproken de watertoets uit te voeren bij alle ruimtelijke plannen die van belang zijn voor het waterbeheer, waaronder structuurvisies;

verzoekt de regering, het stellen van instructieregels voor omgevingsvisies mogelijk te maken in de invoeringswet Omgevingswet en de vroegtijdige betrokkenheid van de waterbeheerder bij omgevingsvisies te borgen door een instructieregel hiertoe in het Besluit kwaliteit leefomgeving op te nemen,

en gaat over tot de orde van de dag.

Zij krijgt letter T (33118).

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Ik constateer met vreugde dat de minister nu niet alles kan vastleggen in het Digitaal Stelsel Omgevingswet, want het is juist een kenmerk van digitale ontwikkelingen dat wij die niet allemaal precies van tevoren kunnen plannen. Tegelijkertijd moet het wel werken op het moment dat de wet van kracht wordt. Dat is voor mijn fractie essentieel. Daarom kan ik mij volledig aansluiten bij de goede woorden die collega Flierman daarover sprak.

De minister beseft dat er duidelijkheid moet zijn over de planning op het moment dat de invoeringswet van kracht wordt, alsook over een aantal aanvullingswetten. Dat is inherent aan zo'n grote stelselwijziging maar ook onbevredigend. Waar stemmen wij dan nu immers mee in? Waar geven wij nu akkoord voor? Wat ligt er op termijn nog bij de invoeringswet voor? Wanneer is het huis van het omgevingsrecht, om bij mijn beeldspraak van de eerste termijn te blijven, nu echt op orde? De fractie van de ChristenUnie wil daarom nu een slag om de arm houden. Wij kunnen pas zeggen of het een goed plan is wanneer wij dit geheel kunnen overzien en de vraag kunnen overzien of wij hiermee echt recht doen aan een omvattend degelijk omgevingsrecht. Daarmee doen wij alleen recht aan de belangrijke ontwikkelingen die de minister hiermee in gang zet, en aan de belangrijke gevolgen voor eigenlijk iedereen in dit land. Dat is immers het mooie van het omgevingsrecht: wij rijden straks allemaal weer door die omgeving naar huis.