Naar hoofdinhoud Naar hoofdnavigatiemenu

Plenair Schouwenaar bij behandeling Modernisering Huurcommissie en introductie verhuurderbijdrage



Verslag van de vergadering van 29 mei 2018 (2017/2018 nr. 31)

Status: gecorrigeerd

Aanvang: 14.04 uur


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Schouwenaar (VVD):

Voorzitter. Het wetsontwerp waarover wij hier spreken, is door de VVD-fractie positief ontvangen. Maar tegelijkertijd ook met enige twijfelpunten. Bij de schriftelijke voorbereiding hebben wij enkele vragen gesteld. En wij danken de minister voor de beantwoording.

De fractie van de VVD onderschrijft het belang van een laagdrempelige voorziening, die klachten en geschillen oplost. Zeker bij woninghuur gaat dat heel veel mensen aan. De gehele sociale sector — met ruim twee miljoen woningen — heeft belang bij een goed werkende Huurcommissie.

In het algemeen gesproken verdient het aanbeveling om conflicten zo veel mogelijk aan de basis te beslechten. Dat is het werkterrein van de Huurcommissie. En ook van de interne en regionale klachtencommissies van de woningcorporaties. Samen verrichten zij al heel lang en goed hun taken. Dat is prima geregeld.

We hebben nu drie instanties die zich met huurklachten bezighouden: de kantonrechter, de Huurcommissie en de klachtencommissies. Dat lijkt veel, maar dat is niet. Want ze voorzien in een behoefte. Wel is het nodig hun onderlinge verhoudingen te regelen. Mijn fractie vraagt zich af of het wetsvoorstel die duidelijkheid biedt. Althans wat het nieuwe werkterrein van klachten met betrekking tot gedragingen betreft.

Is er een onderlinge hiërarchie: kantonrechter, Huurcommissie, klachtencommissie? Werken zij na elkaar? Moet de klager onderaan beginnen? De woorden "pas daarna" en "tot slot" in de memorie van antwoord wijzen daarop. Of werken zij niet na elkaar, maar naast elkaar? En valt er wat te kiezen? Daarom is duidelijkheid nodig. Zowel voor de huurder als de verhuurder. De huurder mag niet van het kastje naar de muur gestuurd worden. Maar partijen moeten ook niet gaan shoppen. Want dat leidt tot onnodige procedures.

Op pagina 1 van de memorie van antwoord schrijft de minister "Zo mag van de huurder verwacht worden dat hij zich in eerste instantie tot de verhuurder wendt." Dat vindt mijn fractie ook. Daarom zouden wij graag zien vastgelegd dat de klager pas bij de Huurcommissie terechtkan, als de procedure bij de klachtencommissie afgewerkt is.

Verder willen wij de minister vragen of interne en regionale commissies gelijk aan elkaar zijn. Want ook daarover moet duidelijkheid bestaan.

Mevrouw de voorzitter, mijn tweede punt betreft de leges. Een van de voorstellen is het gedifferentieerde legestarief. Mijn fractie heeft hier moeite mee. Wanneer een verhuurder meer dan drie keer in drie jaar een procedure bij de Huurcommissie verliest, dan wordt hij aangemerkt als veelgebruiker. Voor hem gaan de leges per zaak omhoog van €300 naar €1.400. Dat ziet mijn fractie als "een opzettelijke leedtoevoeging, gericht op gedragsverbetering". Of kort gezegd: straf, bedoeld om gedragsverbetering af te dwingen. De VVD-fractie is van mening dat het opleggen van straf behoort tot het terrein van het strafrecht en niet van het huurrecht. Het strafrecht biedt een diversiteit aan strafmodaliteiten en strafmaxima, afhankelijk van de ernst van het delict. En het biedt waarborgen voor de verdachte. Zo beschouwd komt deze tariefdifferentiatie neer op strafoplegging buiten het strafrecht om, zonder waarborgen voor de verdachte, de veelgebruiker. Acht de minister deze gang van zaken wenselijk?

De heer Köhler (SP):

Voorzitter, mag ik via u aan de heer Schouwenaar vragen wat hij vindt van de redenering in de memorie van antwoord dat je, als het hoogste tarief dat je moet betalen niet meer dan het kostendekkende tarief is, niet kunt praten van een indirecte boete? Dat is dan eigenlijk geen strafoplegging.

De heer Schouwenaar (VVD):

Ik deel die redenering niet. Dat is duidelijk, hoop ik. Althans, dat wil ik duidelijk maken. Strafoplegging kun je louter bekijken vanuit de persoon van de verdachte; zo moet die dan ook heten. Dat is degene van wie je wilt dat hij zijn gedrag gaat aanpassen. Met de leges bevinden we ons in de sfeer van het bestuursrecht. Daar gaat het om het opheffen of herstellen van een situatie die in strijd is met de wet. Dat richt zich op de situatie. Dat is, denk ik, de bron van uw redenering. Ik richt mij op het doel en het gehanteerde middel. Het doel is gedragsverbetering van een individu. Het middel daartoe is een boete. Of die opbrengst van die boete verder toereikend is om de kosten van de huurcommissie te dekken doet niet zo veel ter zake. Boze tongen beweren dat er in het verkeer boetes worden uitgedeeld om de begroting van Justitie sluitend te krijgen. Ook dat doet niet zo veel ter zake.

Voorzitter. Wij onderschrijven de doelstelling dat iedereen zich aan de wet houdt. In casu een gedragsverbetering die gericht is op méér aandacht voor de huurprijsregelgeving. Maar het middel boete vindt mijn fractie minder geschikt. Verhuurders, ook veelgebruikers, maken gebruik van een wettelijke geschillenregeling. Dat is geen strafbaar feit. Dat behoort dan ook niet te worden bestreden met pseudo-boetes. Mijn fractie vraagt aan de minister of zij wil overwegen om af te zien van dit gedifferentieerde legestarief.

Een ander punt met betrekking tot de financiën is de verhuurdersbijdrage. Overigens een wat ongelukkige woordkeus in mijn ogen. Deze bijdrage wordt voor het grootste deel betaald door de corporaties, terwijl zij bij slechts 36% van de zaken betrokken zijn. Hoe valt dit te rechtvaardigen? Ziet de minister mogelijkheden om deze verhouding te verbeteren?

Mijn laatste punt betreft de benoemingsprocedure voor de zittingsleden. De VVD vindt het een goede zaak dat de voordracht van kandidaten door de koepelorganisaties komt te vervallen en dat de zittingsleden door het bestuur worden geworven door middel van een open sollicitatie. Maar het bestuur moet daarover wel overleggen met de koepels en de minister moet bij benoeming rekening houden met een gelijke vertegenwoordiging van de belangen van huurders en verhuurders. Bij deze bepalingen heeft mijn fractie twijfels. Het gaat om een belangrijk college. Weliswaar buitengerechtelijk, maar wel belast met belangrijke beslissingen op een belangrijk terrein. Daarbij passen uitsluitend eisen van deskundigheid en onpartijdigheid. Iedere verbinding met vertegenwoordiging van belangen van huurders of verhuurders doet afbreuk aan die onpartijdigheid. De belangen van huurders en verhuurders zijn het beste gediend met hun eigen optreden ter zitting tegenover een neutraal college. Wil de minister aangeven waarom zij gekozen heeft voor een rol voor de koepels in de benoemingsprocedures en voor een gelijkelijke vertegenwoordiging van de belangen van huurders en verhuurders?

Mevrouw de voorzitter. Al met al is het een goede zaak dat de taken van de Huurcommissie worden uitgebreid en dat de benoemingsprocedure wordt verruimd, maar de VVD-fractie is kritisch met betrekking tot de punten die ik genoemd heb: de terreinafbakening van de Huurcommissie en opzichte van de klachtencommissie, het gedifferentieerde legestarief, de verhuurdersbijdrage en de benoemingen.

De VVD-fractie kijkt uit naar de beantwoording door de minister.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Schouwenaar. Ik geef het woord aan de heer Lintmeijer.