Plenair Nooren bij behandeling Gedeeltelijk verbod gezichtsbedekkende kleding



Verslag van de vergadering van 12 juni 2018 (2017/2018 nr. 33)

Status: gecorrigeerd

Aanvang: 19.31 uur


Bekijk de video van deze spreekbeurt

Mevrouw Nooren i (PvdA):

Voorzitter. Mijn fractie dankt de minister voor de gegeven antwoorden. Het debat tot nu toe laat zien dat door iedereen, door alle partijen in deze Kamer, belang wordt gehecht aan onderlinge communicatie met de mogelijkheid om elkaar in het gezicht te kijken. Dat hoeft niet tot dezelfde conclusies te leiden wat betreft de wenselijkheid van gezichtsbedekkende kleding. Dat is niet de kern van het debat vandaag. De vraag is en blijft of het noodzakelijk is om een wet aan te nemen om een verbod op gezichtsbedekkende kleding in te voeren en welk signaal je daarmee afgeeft. Het debatje daarnet ging daar ook over.

Op dit punt vindt mijn fractie het antwoord van de minister niet overtuigend c.q. niet eenduidig. Als ik de minister goed hoor, is de keuze gevallen op rechtszekerheid en uniformiteit. Er wordt gesproken over uniformiteit en tegelijkertijd is er ruimte voor eigen regels. De indruk van mijn fractie is dan ook dat de eenduidigheid die de minister beoogt met het wetsvoorstel niet wordt bereikt. Gaat het nu om het wegnemen van belemmeringen in onderlinge communicatie om de kwaliteit van de dienstverlening te bevorderen en de veiligheid te verbeteren? In de wetsbehandeling tot nu toe stond dat centraal. Er stond ook nog bij: op plaatsen waar dat zonder een dergelijk wettelijk verbod niet te regelen is. Dat was de kern van de wetsbehandeling tot nu toe, tot we in deze Kamer het debat aan de orde hebben. Maar als ik de minister hoor, gaat het haar daar niet om. Het gaat erom uniformiteit te regelen, een norm te stellen voor welke kleding je in onze maatschappij wenselijk acht, wat de PVV, maar ook de VVD en het CDA een belangrijke pijler onder dit wetsvoorstel vinden. Dat verbaast mij. Ik wil op dit punt graag helderheid hebben van de minister. De heer De Graaf heeft er ook al een aantal keren naar gevraagd. Gaat het nou om de kern van de wetsbehandeling tot nu toe? Of beoogt deze minister in dit kabinet iets anders?

Dan nog over de uitvoerbaarheid van de wet. Ik wil de minister toch nog een keer dringend vragen om helderheid te geven aan deze Kamer, en in het verlengde daarvan aan het werkveld, over waar de wet wel en niet van toepassing is, zeker als het gaat over zorginstellingen. Termen als "residentieel" en "privéruimte" liggen niet vast in het wetsvoorstel en, zoals ik al eerder aangaf, ook niet in de wetten over de zorg. Als zij die helderheid nu niet kan geven, zou mijn verzoek zijn dat als zij met de veldpartijen in gesprek gaat, zij wel die helderheid geeft. Anders krijg je het averechtse effect dat 6.000 instellingen weer tot een eigen interpretatie moeten komen. Dan heb je een wet en vervolgens krijg je huisregels die allemaal verschillend zijn. Dan bereiken we niets.

Er stonden nog twee vragen van mij open, namelijk over Thomashuizen en over zorg die geleverd wordt onder de Wet langdurige zorg op basis van een persoonsgebonden budget. Het is denk ik wel belangrijk voor een zorgveld waar inmiddels heel veel zorg via persoonsgebonden budgetten wordt geleverd om te kijken wanneer de wet wel geldt en wanneer niet, zeker omdat in die situaties weleens een boerka aan de orde kan komen.

Het is mooi om te zien dat de minister vertrouwen heeft in professionals in de zorg en het onderwijs. Dat vertrouwen hebben wij uiteraard ook. Dat gaat zo ver, zoals in de eerste termijn aan de orde is geweest, dat wij ervan overtuigd zijn dat je geen wet nodig hebt om de kwaliteit van de dienstverlening te borgen. Onze vraag blijft dan ook waarom wij met dit vertrouwen toch aankoersen op een wettelijk verbod. Dat is een puzzel waarover ik nog niet voldoende helderheid heb gekregen.

Ik heb ook nog een vraag op dit punt. Heb ik nu goed begrepen dat we straks een wet in stemming brengen, waarvan de regering bij monde van de minister tegen het zorgveld zegt: omzeilen als dat nodig is voor de kwaliteit van de zorg of de dienstverlening? Want de minister zei op enig moment dat de zorgverleners wel zo slim zijn om de wet aan de kant te zetten en te doen wat nodig is als dat voor de zorg noodzakelijk is. Wat is dan de waarde van een wet? Graag helderheid op dit punt. Wanneer mag de hulpverlener de wet naast zich neerleggen omdat hij dat zelf nodig vindt?

Daarmee kom ik ook op de handhaafbaarheid. Als het kan, zou ik toch graag een iets scherper antwoord willen hebben op de vraag wat er nu precies van medewerkers van betrokken instanties wordt verwacht en wat ze wel en niet moeten doen. Laten ze daarbij persoonlijke opvattingen een rol spelen? Of komen er niet alleen huisregels, maar komt er ook een soort gedragsrichtlijn? En wat betekent dat nu? Moeten mensen training krijgen in hoe ze daarmee moeten omgaan? Ik heb daar allerlei beelden bij, maar de minister heeft vast een heldere uitleg. Ik ben ook wel benieuwd welke consequenties het heeft als we niet handelen. Als je bijvoorbeeld kijkt naar het rookverbod — dat werd eerder ook benoemd — dan is duidelijk wat de consequenties zijn bij niet handelen. Maar als dit verbod ingaat, welke consequenties heeft het dan voor de buschauffeur, voor de dokter, voor de onderwijzer als hij niet handelt?

Ten slotte ben ik blij met de toezegging van de minister om het effect van de wet, de toegang van leden van het gezin — ik trek het maar even breed — tot cruciale sectoren als het onderwijs, de zorg, de rechtbank, het College voor de Rechten van de Mens, et cetera, te monitoren. En ik vroeg me af of er niet een landelijke veiligheidsmonitor is of een onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau dat dit soort thema's weleens aan de orde heeft, waarin het effect van zo'n wetsvoorstel kan worden meegenomen. Ik heb daarvoor zelf nog geen concreet voorstel, maar de minister misschien wel.

Op basis van de antwoorden in tweede termijn zal ik met mijn fractie het eindoordeel over het wetsvoorstel bespreken.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Nooren. Het woord is aan de heer De Graaf.