Plenair Binnema bij behandeling Minimaliseren van de gaswinning uit het Groningenveld



Verslag van de vergadering van 9 oktober 2018 (2018/2019 nr. 3)

Status: gecorrigeerd

Aanvang: 16.41 uur


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Binnema (GroenLinks):

Dank u wel, mevrouw de voorzitter. Het is een hele eer om nog maar een week na mijn beëdiging in dit huis al mijn maidenspeech te mogen houden. Ik dacht: als je er toch al bent, kun je maar beter meteen serieus van start gaan. En mijn maidenspeech gaat ook niet over het minste onderwerp, namelijk over de gaswinning in Groningen. Dat is een heel beladen onderwerp waarbij de Nederlandse overheid een lange, en in veel opzichten denk ik ook een pijnlijke historie met zich mee sjouwt. Het is ook een historie waarin het beeld slechts heel langzaam is gekanteld en de urgentie pas heel laat werd gevoeld. En tot op de dag van vandaag is er twijfel of in de rest van het land de ernst van de situatie eigenlijk wel voldoende wordt ingezien.

De naïeve versie van het verhaal over de gaswinning leerde ik op de lagere school in Appelscha, namelijk dat er jaren geleden in Groningen een gasbel was ontdekt. Ik hoorde dat inclusief bijbehorende Polygoonbeelden. Men zei dat we daar tot bijna in de eeuwigheid mee voort zouden kunnen. En op de middelbare school leerden we bij maatschappijleer over de begroting, en over hoeveel mooie dingen voor al dan niet linkse mensen er elk jaar toch konden worden gedaan met die aardgasbaten.

Als docent heb ik de afgelopen jaren de "casus gaswinning Groningen" — zo noem je dat in in zekere zin neutrale termen — regelmatig gebruikt om mijn studenten uit te leggen hoe bij zo'n beleidsonderwerp zo veel verschillende actoren en zo veel verschillende belangen bij elkaar komen, en hoe je dat niet alleen met bestuurskundige theorieën kunt verklaren, maar ook vanuit principes als "integer" en "democratisch bestuur" kunt beoordelen.

En ik vertel u niets nieuws als ik zeg dat die gaswinning elke keer heel veel stof voor discussie biedt. Er speelt vooral ook iets wat ligt tussen verbazing en verontwaardiging. Hoe kon het zo zijn dat al die tijd de balans tussen de lasten en de veiligheid voor de Groningers enerzijds, en de opbrengsten voor de Nederlandse Staat, en de zekerheid voor de gasafnemers anderzijds, zo scheef is geweest?

GroenLinks is in die zin dan ook verheugd dat de regering de keuze heeft gemaakt om de gaswinning af te bouwen naar wat in de komende tijd aanvaardbaar wordt geacht, en om op termijn af te bouwen naar nul. Maar juist ook in deze wat omslachtige formulering zitten onze grote twijfels en zorgen over de aanpak die hier is gekozen, die zich nu concreet uit in het nu voorliggende voorstel voor wijziging van de Gaswet en de Mijnbouwwet. Ik wil dat in een vijftal punten uiteenzetten.

Vele sprekers voor mij hebben gezegd dat zij zich realiseren dat zij in herhaling vervallen. Ook ik realiseer mij dat ik, zeker als twaalfde spreker, enigszins in herhaling zal vervallen, maar ik maak van deze gelegenheid gebruik. Het eerste punt betreft de timing en de samenhang van de diverse trajecten van wetgeving. Want naast het huidige voorstel spelen, direct daarmee verbonden, het instemmingsbesluit, die randvoorwaarden en consequenties tegelijk zijn, de operationele strategie, de afhandeling van de schade, de versterkingsoperatie en natuurlijk het hoofdlijnenakkoord met Shell en Exxon. En de ongemakkelijke druk op het debat van vandaag is de noodzaak om deze gewijzigde wetten vast te stellen als basis voor het instemmingsbesluit, dat op zijn beurt weer nodig lijkt te zijn om de nieuwe werkwijze met Shell en Exxon te legitimeren. Dat ongemak wordt bovendien gevoed — ook hierbij verval ik in herhaling — door de aanhoudende onzekerheid over afhandeling van schade, omvang en tempo van de versterking, en het wantrouwen dat daarmee is ontstaan. En het wordt gevoed door het zeer begrijpelijke gevoel in Groningen dat de situatie van week tot week lijkt te veranderen.

Vergeef mij een korte vergelijking die ongetwijfeld ergens scheef zal gaan. Met onze oudste zoon, hij is inmiddels 3, leg ik bijna dagelijks puzzels. Bij voorkeur legt hij elke dag dezelfde puzzel. Ik adviseer hem elke keer, te beginnen met de rand van de puzzel. Want die stukjes zijn herkenbaar en als je eenmaal de rand hebt, kun je makkelijker de rest van de puzzel leggen. Als ik de redernering van de minister goed begrijp, is wat we vandaag bespreken eigenlijk het voorstel dat hij randen biedt. We doen namelijk niet meer dan nodig, we gaan er niet buiten. De andere stukken van die puzzel komen de komende maanden eigenlijk vanzelf binnen die randen. We pakken nu een aantal stukjes uit de puzzel, maar juist omdat zo veel andere stukjes nog moeten worden gelegd en we niet zeker weten of die binnen die randjes horen, we niet zeker weten hoe die puzzel er uiteindelijk uit komt te zien, weten we ook niet zeker of op basis van wat we vandaag aan het bespreken zijn, ons die puzzel uiteindelijk gaat bevallen en hoe die puzzel er uiteindelijk uit komt te zien. En hoezeer ook in de beantwoording van de minister van zowel de vragen die zijn gesteld in dit huis, als van de vragen die eerder ook in de Tweede Kamer zijn gesteld, geprobeerd is om deze logica toe te lichten, en ondanks ook het belang om het vandaag hier te hebben over dit deel van de puzzel, bij ons is dat ongemakkelijke gevoel toch niet weg.

Het tweede punt is dat wat ons betreft veel nadrukkelijker moet worden benoemd dat de veiligheid van de Groningers vooropstaat. Ook dat is door vele spreker voor mij benoemd. Het veiligheidsaspect dient dan ook in de afweging explicieter te worden vermeld, te worden benoemd en te worden gewogen. Want naar onze indruk gebeurt er nu toch stellig het volgende. Het aspect veiligheid valt in twee onderdelen uiteen, namelijk enerzijds de veiligheid van de Groningers, die schade kunnen ondervinden, en anderzijds die van de afnemers van gas, die mogelijk niet, of niet genoeg geleverd krijgen. Die veiligheid wordt aan de ene kant gekoppeld aan een maatschappelijk belang, namelijk de gevolgen die onvoldoende leveringszekerheid met zich meebrengen. Maar aan de andere kant wordt het maatschappelijk belang van de onveiligheid van de Groningers eigenlijk niet in die zin meegewogen. Dus welk maatschappelijk belang — anderen noemen dat maatschappelijke ontwrichting — is juist ook verbonden met die veiligheid en onveiligheid van de Groningers als gevolg van bodembeweging?

En ten tweede: als inderdaad wordt gesteld dat niet meer, maar ook niet minder wordt gewonnen dan nodig, betekent dit wat ons betreft feitelijk dat de veiligheid van levering voorop staat, die nog een extra nadruk krijgt door het mee te wegen maatschappelijk belang dat aan die zekerheid van levering is gekoppeld. En hoewel de minister ook in de beantwoording van de vragen wijst op enkele mogelijkheden tot minder winning over te gaan in geval van onveiligheid voor de Groningers, dat eerste aspect, is het uitgangspunt van de wet met name om een maximum in te stellen. Oftewel, dat niet meer wordt gewonnen dan nodig wordt geacht. En dat staat toch op gespannen voet met het zwaarwegende belang dat eerder genoemd werd van de veiligheid van de Groningers. Ook hier herhaal ik wat onder anderen door de heer Reuten gezegd is dat de overweging uiteindelijk aan de minister is. Hij moet die achteraf motiveren. Het lijkt ons ook zeer wenselijk om meer inzicht te krijgen in hoe die afweging gaat plaatsvinden. Juist omdat die operationele strategie daarin zo'n cruciale rol speelt, aanvullend/vervangend ten opzichte van het instemmingsbesluit, denken we dat waar wel advies wordt gevraagd aan decentrale overheden en aan de NAM, het niet meer dan voor de hand liggend is dat de beide Kamers in die operationele strategie een rol spelen. We vragen dan ook om een toezegging van de minister om betrokken te worden bij het opstellen van die strategie.

Ten derde: wat GroenLinks mist, is zicht op hoe die afbouw van de gaswinning gaat plaatsvinden en hoe er invulling wordt gegeven aan het wel voorgenomen, maar niet vastgelegde streven om snel naar 12 miljard kuub te gaan, hopelijk binnen vier jaar, en in 2030 naar nul. Allereerst betekent dat een concreter beeld van tijdschema, prioriteiten en al dan niet dwingende instrumenten om die vraag naar laagcalorisch gas substantieel te verminderen. Dat gaat om technische middelen rondom hoogcalorisch gas en stikstof met de terechte opmerkingen die daarover zijn gemaakt door de Partij voor de Dieren, en anderzijds om afspraken die worden gemaakt met buitenlandse afnemers, België, Frankrijk en Duitsland en in het bijzonder ook die 170 grote bedrijven in Nederland. En ten tweede ook — dat hebben we ook in de Tweede Kamer aan de orde gesteld — de concrete vraag naar een afschakelplan. In welke volgorde, in welke prioriteit gaat wie van het gas af in de komende jaren? Welke keuzes worden hierin gemaakt, mede gezien het maatschappelijke belang en wanneer kan de minister daarover duidelijkheid geven? Want wat ons betreft is de volgorde: veiligheid voorop, en datgene wat daarvoor nodig is, en dat vervolgens vertaald in het reduceren van de vraag naar gas.

Dat levert bij ons de vraag op hoe toekomstvast deze ambitie nu is, in de wetenschap dat wij proberen zaken voor een wat langere termijn vast te leggen, maar niet voor de eeuwigheid. Hoe moeilijk of hoe makkelijk maak je het voor toekomstige regeringen/parlementen om die koers om naar nul terug te gaan terug te draaien, te vertragen of anderszins spaken in het wiel te steken? Juist vanwege de enorme maatschappelijke discussie en de impact die het heeft om van het gas af te moeten, zoals het door velen gevoeld wordt, en tegelijkertijd ook de urgentie daarvan, lijkt het ons nu juist tijd om door te gaan pakken, niet alleen in termen van het intensiever en actiever betrekken van burgers — daar zullen we het bij een andere gelegenheid over hebben — maar met name ook om die ambitie om naar nul te gaan steviger wettelijk te verankeren en zo ook toekomstige regeringen en toekomstige Kamers zo veel mogelijk te binden. Wat ons betreft mag het uiteraard ook sneller dan in 2030.

Ten vierde: wat GroenLinks ook mist, is zicht op de voortgang van de schadeafhandeling en de versterking van met name de ruim 1.500 woningen met grote risico's. Wat is nou precies al gebeurd? Daar krijgen wij onprettige signalen over. Wat gaat er nog gebeuren en in welk tempo? De moeizame afhandeling van klachten en schademeldingen baart ons zorgen en met name ook de daaraan gekoppelde blijvende onzekerheid voor heel veel inwoners. Hoe ziet de minister hierin de oude en de nieuwe rol van de NAM en de oude en de nieuwe rol van de overheid? We wijzen daarbij met name op het belang van rechtszekerheid voor burgers en de noodzaak van transparantie en onafhankelijkheid. En wat betreft de versterking zien we dat de aanpak tot nu toe al het nodige heeft gekost qua inspanning, qua onderzoek, qua voorbereiding en dergelijke, maar er wel meer tempo mag gemaakt worden met de feitelijke versterking. En zijn er daarbij ook mogelijkheden om dat iets minder individueel en meer groepsgewijs in groepen woningen aan te pakken, ook in het licht van de aangescherpte eisen in het Bouwbesluit?

Dan het vijfde punt, volgens mij ook door mevrouw Klip naar voren gebracht: hoe goed hebben we nu eigenlijk in beeld wat er onder de grond gebeurt, ook in het licht van de discussie die we voeren over de Structuurvisie Ondergrond? Zoals gezegd, ook tijdens de technische briefing: het gas winnen gaat goed, maar wat gebeurt er eigenlijk onder de grond als het gas er eenmaal uit is? Je zou simpel kunnen zeggen: minder winnen betekent minder risico, maar zeker niet dat er geen bevingen meer kunnen zijn, ook niet als het gaswinnen voorbij is. We stellen die vraag ook in het licht van bijvoorbeeld zoutwinning, plannen voor geothermie, waar het Staatstoezicht kritisch op is geweest, die allemaal in een relatief klein gebied plaatsvinden, op verschillende dieptes, met verschillende technieken en met ten dele nog onbekende effecten. Het lijkt ons in elk geval verstandig daar enige terughoudendheid bij te betrachten en niet alles wat technisch mogelijk is ook meteen te gaan doen. GroenLinks vraagt de minister dan ook om in kaart te brengen, bijvoorbeeld in de vorm van een veiligheidseffectrapportage, wat nu de effecten zijn qua veiligheid voor omwonenden van al deze verschillende manieren waarop de winning van grondstoffen plaatsvindt en de Kamer hierover te informeren. En wat ons betreft is hier meer onderzoek buitengewoon welkom. Het lijkt ons goed daarbij juist de verbinding te leggen met de al eerder genoemde Structuurvisie Ondergrond.

Mevrouw de voorzitter. Ik rond af. Ik begon met het optimistische en redelijk zorgeloze verhaal dat ik op mijn lagere school leerde over de gaswinning en hoe dat tot in de eeuwigheid allemaal goed zou blijven gaan. Appelscha ligt, zoals sommigen van u wellicht weten, aan de rand van Friesland, in Ooststellingwerf, meer Drents, meer import, weinig Fries. Veel van mijn leraren waren niet Fries, mijn klasgenoten niet en ikzelf was ondanks mijn achternaam import. Maar een uitdrukking kreeg ik in die tijd wel mee: Fryslân boppe, Grinslân yn'e groppe. En hoeveel waarheid blijkt er helaas de afgelopen jaren in dat tweede deel te hebben gezeten. Het is wat GroenLinks betreft dan ook onze dure plicht, te voorkomen dat dit zich in de toekomst nog verder kan voordoen, dat deze situatie substantieel verbetert en Groningers zich veilig kunnen weten. Ik heb in deze bijdrage willen aangeven dat GroenLinks de koerswijziging van de minister en het perspectief van gaswinning naar nul in grote lijnen kan onderschrijven, maar we twijfels bij en zorgen hebben over de mate waarin de veiligheid van de Groningers voorop staat, twijfels hebben bij de zekerheid en het tempo van de afbouw, twijfels hebben bij de afhandeling van de schade en de voortgang van de versterking. Die zijn met het voorliggende wetsvoorstel nog niet weggenomen. We kijken dan ook met belangstelling de beantwoording van de minister tegemoet.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Binnema. Blijft u even staan, als ik u vragen mag.

Mijn hartelijke gelukwensen met uw maidenspeech. Het was overigens niet de eerste keer dat u vanaf deze plek in deze zaal sprak, maar daar kom ik nog op terug. Wat ik wel bijzonder vind, is dat u vorige week beëdigd bent en huppekee een week later al uw maidenspeech houdt. Ik kan mij eerlijk gezegd — maar mijn geheugen speelt mij misschien parten — niet herinneren dat dat in de zeventien jaar dat ik nu lid ben van deze Kamer ooit zo snel is gebeurd. De ene week beëdigd, de volgende week al de maidenspeech. Complimenten daarmee.

Maar staat u mij toe iets van uw achtergrond te schetsen. U heeft politicologie gestudeerd aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Aansluitend bent u, eveneens aan de VU in Amsterdam, in 2009 gepromoveerd. Sinds dat jaar werkt u als docent en onderzoeker aan de Universiteit Utrecht in de Bestuurs- en Organisatiewetenschap. Een belangrijk thema in uw onderzoek is het lokaal bestuur en dan in het bijzonder bewonersparticipatie, lokale democratie en de rol van politieke partijen. Op dit moment bent u universitair docent en coördinator van het masterprogramma Bestuur en Beleid.

Aan het begin van deze eeuw begon uw politieke carrière. Zo was u van 2003 tot 2011 voor GroenLinks lid van Provinciale Staten in Noord-Holland. U was woordvoerder Ruimtelijke Ordening, Verkeer & Vervoer, Financiën en Openbaar Bestuur. Na de verkiezingen voor Provinciale Staten in 2007 was u fractievoorzitter van GroenLinks in Noord-Holland. In die hoedanigheid — ik refereerde er zojuist al even aan — sprak u in deze zaal in juni 2010 tijdens het provinciebezoek aan de Eerste Kamer over "Voetbalmetaforen en het middenbestuur". U noemde de provincies de middenvelders van het Huis van Thorbecke. Ik ben benieuwd hoe u dan naar de Eerste Kamer kijkt: zijn wij de spitsen of juist de keeper?

Vorige week, 2 oktober 2018, bent u beëdigd als lid van de Eerste Kamer en, ik zei het al: vandaag houdt u al uw maidenspeech, en er is best wel forse belangstelling van de kant van de Kamer.

Naast uw werk en de politiek bent u tevens maatschappelijk actief. Zo bent u onder andere lid van twee lokale rekenkamers en trainer — ik dacht even dat u voetbaltrainer bent, maar dat is niet zo — bij de GroenLinks Academie. Ook online bent u al jaren bijzonder actief. In 2011 werd u zelfs uitgeroepen tot beste webpoliticus. Volgens de jury is uw digitale communicatie "persoonlijk en interactief". Zelf zei u destijds daarmee door te willen gaan, zelfs als u niet in de Eerste Kamer zou komen. Welnu, u bent nu hier. Ik verwacht nu dus dat u daar zeker mee doorgaat.

Voordat ik u nog een keer van harte welkom heet, zeg ik u dat u voor vijftien minuten had ingeschreven en dat er nog ruim drieënhalve minuut over was. Mijn advies aan u is: iets langzamer spreken is prima. Ik wens u nogmaals van harte welkom en we kijken uit naar uw verdere inbrengen in de Eerste Kamer. Ik ga u feliciteren. Daarvoor moet u voor het rostrum gaan staan.

Voordat ik u ga feliciteren, vraag ik eerst of een van de leden in de eerste termijn nog het woord wenst. Dat is niet het geval. Dan schors ik de vergadering voor de dinerpauze. Ik ga nu de heer Binnema feliciteren. Ook de andere leden kunnen u feliciteren.