Plenair Van Ballekom bij Voortzetting Algemene financiële beschouwingen



Verslag van de vergadering van 17 november 2020 (2020/2021 nr. 10)

Status: gecorrigeerd

Aanvang: 21.31 uur


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Van Ballekom (VVD):

Voorzitter. Net als de heer Frentrop heb ik genoten van het debat.

De voorzitter:

Een ogenblikje. Heeft iedereen de lijst met spreektijden gekregen voor de tweede termijn? Ik krijg nu namelijk de indruk dat dat niet zo is. De woordvoerders hebben allemaal de lijst gekregen. Klopt dat, meneer Backer? Ja. Fijn. Meneer Van Ballekom, gaat uw gang.

De heer Van Ballekom (VVD):

Voorzitter. Net als de heer Frentrop heb ik genoten van het debat. Ik wil de regering danken voor het geven van de antwoorden. In mijn geval was dat ook niet zo vreselijk moeilijk, lijkt mij, hoewel er nog drie kleine verzoeken overblijven. Maar daar kom ik aan het eind van mijn tweede termijn op terug.

Allereerst vond ik het prachtig dat mevrouw Bikker van de ChristenUnie refereerde aan de pauselijke encycliek Fratelli tutti. Ik heb de heer Schalk tevergeefs willen verleiden de pauselijke encycliek Rerum Novarum te noemen van paus Leo XIII aan het eind van de negentiende eeuw. Daarin wordt aandacht gevraagd voor de verheffing van de arbeidersklasse.

De voorzitter:

Ik kan de heer Schalk nu niet tegenhouden.

De heer Schalk (SGP):

Ik heb gelukkig wel geciteerd, maar rechtstreeks uit de Bijbel; dat past iets beter bij mij.

De heer Van Ballekom (VVD):

Waar het mij om gaat, meneer Schalk, is dat ik duidelijk wil maken dat zelfs eind negentiende eeuw de rooms-katholieke kerk de verheffing van de arbeidersklasse als iets belangrijk zag. Ik vind het belangrijk om duidelijk te maken dat het sociale beleid niet een monopolistisch onderwerp is van slechts enkele politieke partijen. In die zin begrijp ik ook de woorden van de minister-president dat Nederland een door en door sociaal land is, een land waarop we trots mogen zijn, mede daarom. Een land waar de verschillen tussen rijk en arm en het bestrijden van armoede een permanente zorg van de regering zijn. Dat staat ook zo in de Grondwet. Dat is het dus ook voor deze regering, zeker in coronatijd.

Dat is ook uit de antwoorden van de minister duidelijk geworden. Er zijn namelijk stappen gezet om dit zo veel mogelijk te bestrijden. In het Blauwe Boekje dat hier vandaag meerdere keren besproken is, staat in paragraaf 1.5 dat de ginicoëfficiënt op basis van het besteedbaar inkomen al jaren min of meer stabiel is en dat Nederland zich bevindt tussen Duitsland en Zweden. Dat is toch geen extreem slechte positie, zou ik zeggen.

De heer Van Apeldoorn (SP):

Even een kleine correctie: de minister-president had het over een diep socialistisch land. Ik vroeg me af of de heer Van Ballekom het met de SP-fractie eens is dat we daar nog niet zijn. Dat hoor ik graag van hem. Maar als we daarnaartoe moeten gaan met de minister-president, dan sluit ik me daar graag bij aan.

De heer Van Ballekom heeft het nu over de ginicoëfficiënt van de inkomensongelijkheid, die vergeleken met sommige andere landen laag is. Er zijn ook landen die een lagere ginicoëfficiënt hebben, overigens. Wat ons betreft zou de ginicoëfficiënt nog wel een stuk naar beneden kunnen. Maar weet de heer Van Ballekom ook wat de ginicoëfficiënt is van de vermogensongelijkheid in Nederland?

De heer Van Ballekom (VVD):

Dat weet ik wel en daar heeft de minister ook heel duidelijk op geantwoord. Daarbij moet je het beeld betrekken van het pensioenvermogen en het eigendom van onroerend goed. Als je dat erbij betrekt, dan komt het heel anders uit dan de heer Van Apeldoorn, die hier impliciet solliciteert om onder de huidige minister-president te dienen, denkt.

De heer Van Apeldoorn (SP):

Als we in een diep socialistisch land zouden leven, dan zou ik de minister-president graag steunen, maar dat is nog niet het geval. De ginicoëfficiënt voor vermogensongelijkheid ligt rond de 0,8. Nou kunnen we de discussie voeren of je pensioenen mee moet rekenen of niet. Wat mij betreft niet, want pensioenen zijn geen beschikbaar vermogen en geven ook geen directe economische beschikkingsmacht. Daar is heel wat literatuur over; laten we die discussie nu niet voeren. Maar ook als je de pensioenen buiten beschouwing laat, is die ginicoëfficiënt veel hoger dan voor de inkomensongelijkheid. Nederland kent een vermogensongelijkheid die nogal groot uitvalt, ook in internationale vergelijkingen. Daar is consensus over onder economen. Dat zegt de regering ook. Het staat nota bene in de Miljoenennota. De vraag is: als de heer Van Ballekom hier betoogt dat we een sociaal land zijn en linkse of andere partijen niet het monopolie hebben op sociaal beleid, dan is dat prima en mooi, dan incasseer ik dat graag en is dat winst, maar dan vraag ik me wel af wat de VVD vindt van die grote vermogensongelijkheid in Nederland. Zouden we daar niet wat aan moeten doen? En zo nee, waarom niet?

De heer Van Ballekom (VVD):

Daar zou consensus over zijn onder economen? Dat is het eerste onderwerp waarover ik bij economen consensus ontdek. Meneer Van Apeldoorn, toen in de eerste termijn de term "de meest verstokte liberalen" gebruikt werd, werd er nadrukkelijk in mijn richting gekeken. Zelfs de meest verstokte liberalen zouden erkennen dat de samenleving meer overheid nodig heeft. Deze verstokte liberaal vindt dat deze samenleving een efficiënte overheid nodig heeft en niet zozeer een grote overheid of meer overheid. Op het terrein van de efficiëntie is er nog heel wat te winnen, daaraan hoef ik de staatssecretaris en oud-collega Van Huffelen niet te herinneren.

Een liberale markteconomie heeft een sterke marktmeester nodig. Een liberale markteconomie beschermt geen monopolieposities. We weten allen dat onze Voorzitter diverse keren een programma heeft geschreven voor een bepaalde politieke partij. Dat heb ik ook twee keer mogen doen. In het programma voor de Europese verkiezingen van 2009 is de sterke marktmeester al opgenomen, dit ter geruststelling van de heer Vendrik, die vond dat het nieuwe geluid van de VVD in mijn eerste inbreng ontbrak.

Ik ben ook verheugd dat de minister het belang van een houdbare economische groei benadrukt. Noodzakelijk om de zwakkeren in de samenleving blijvend te kunnen steunen en zo de mogelijkheden voor een zinvol maatschappelijk bestaan te kunnen faciliteren. Ook noodzakelijk voor de instandhouding van bijvoorbeeld goede gezondheidszorg en goed onderwijs. In mijn filosofie en in die van mijn partij help je namelijk de minderbedeelden niet door de beter bedeelden te verarmen. Dan klopt het financiële plaatje ook niet, zoals gezegd. Houdbare economische groei is een veel efficiënter en effectiever middel.

Dan resten mij nog drie opmerkingen waarop ik graag nog een reactie zou willen hebben. Ten eerste ...

De voorzitter:

Meneer Van Ballekom, was dit het antwoord op de tweede vraag van de heer Van Apeldoorn? Ik wilde dit deel natuurlijk niet onderbreken, dat begrijpt u.

De heer Van Ballekom (VVD):

Ik dacht dat ik door mocht gaan.

De voorzitter:

Nee, meneer Van Apeldoorn had een tweede vraag gesteld. Ik heb u die rustig laten beantwoorden en nu is de derde beurt aan de heer Van Apeldoorn.

De heer Van Apeldoorn (SP):

Een antwoord op mijn tweede vraag heb ik niet gekregen. Ik vroeg de heer Van Ballekom wat de VVD-fractie vindt als het gaat om sociaal beleid en om verschillen tussen arm en rijk. Daar begon de heer Van Ballekom zijn betoog mee. Wat vindt hij van de grote vermogensongelijkheid in Nederland, die ook geconstateerd wordt door onze minister van Financiën in de Miljoenennota? Daar geeft hij geen antwoord op.

Nog even over de rol van de overheid. Een efficiënte overheid, die wensen wij allemaal, maar dat is niet altijd het geval, inderdaad. De minister-president, van dezelfde politieke familie als de heer Van Ballekom, heeft het volgens mij ook gehad over een sterke overheid, een overheid die als corrector kan optreden, in de woorden van de heer Van Kesteren, en ook als steunpilaar voor de economie. Ik vroeg mij af of bij deze VVD-fractie misschien ook het denken over de rol van de overheid evolueert, of niet. Daar komen we nog een andere keer op terug.

Graag nog even ingaan op mijn vraag over de vermogensongelijkheid en waarom we daar wel of niet wat aan zouden moeten doen.

De voorzitter:

Dat was uw derde.

De heer Van Ballekom (VVD):

Ik denk dat daar in de huidige voorstellen van deze regering al heel wat aan gedaan is. Met betrekking tot de sterke overheid, heb ik het gehad over een efficiëntere overheid. Dat is, denk ik, de meest sterke die er is. Over een betere rol voor de overheid heb ik gezegd dat de overheid ervoor moet zorgen dat er goede marktmeesters zijn om de liberale markteconomie overeind te houden. Dat stond al in een van de programma's van mijn partij, in 2009. Dat hoeft overigens niet per se een overheid te zijn. Dat kan ook een toezichthouder zijn, zoals de AFM bijvoorbeeld.

De heer Vendrik (GroenLinks):

We hebben het zojuist met de staatssecretaris gehad over de BIK: twee keer 2 miljard en over wat dat nou oplevert. Dan zoek ik toch even dat oordeel van die verstokte liberaal, die chagrijnig wordt als doelmatigheid in het geding is. Hoe zit dat nu voor de heer Van Ballekom? Vier miljard, met amper effect.

De heer Van Ballekom (VVD):

Ik weet niet of de heer Vendrik daarop zit te wachten, maar dan zou ik een belangrijk deel van mijn eerste inbreng moeten herhalen.

De voorzitter:

Nee, nee, dat lijkt mij geen goed idee.

De heer Van Ballekom (VVD):

Dat lijkt mij ook geen goed idee. Daarin heb ik al gezegd dat we het een bijzonder goed instrument vinden en dat mijn collega Pauline Geerdink daar bij het Belastingplan verder op in zal gaan. Ik ben niet erg onder de indruk dat er zo nu en dan een verschuiving plaatsvindt van de investeringen die naar voren gehaald worden in 2021 en 2022, want ik denk dat dat een goede zaak is. De staatssecretaris heeft net ook gezegd dat daarbovenop nog additioneel extra investeringen worden gedaan van 7,5 miljard. Dus ik denk dat ons enthousiasme alleen maar is toegenomen.

De heer Vendrik (GroenLinks):

We hebben hier echt te maken met een parel van doelmatigheid, hoor ik.

De heer Van Ballekom (VVD):

Ik was onder de indruk van de beantwoording van de vragen door de staatssecretaris.

De voorzitter:

Vervolgt u uw betoog.

De heer Van Ballekom (VVD):

Ik heb nog drie vragen. Ten eerste heb ik het verzoek om duidelijker onderscheid te maken tussen regulier beleid en coronagerelateerd beleid, omdat de Raad van State daar ook op heeft aangedrongen. Met suppletoire begrotingen krijg je niet altijd een duidelijk zicht op wat regulier is en wat niet regulier is. Ik vraag de regering om dat voor het begrotingsjaar 2021 iets systematischer te doen dan voor het afgelopen jaar is gedaan. Ik neem het de regering niet kwalijk, want het was een chaotisch jaar.

Op mijn tweede opmerking hoef ik maar een heel kort antwoord te hebben: ja of nee. Stelt u zich het hypothetische geval voor dat uit dat investeringsfonds de Lelylijn wordt aangelegd, hypothetisch dus. Krijgt het parlement dan voorafgaande goedkeuring ja of nee? Ik heb het niet over allerlei kleine, bedrijfsmatige innovatieve projecten — daar willen we ons niet mee bemoeien, want daar zijn anderen voor — maar hiervoor wil ik deze vraag aan de minister stellen.

Dan de derde vraag, voorzitter, ik kan het niet laten. Het MFK is geblokkeerd door Hongarije en Polen vanwege de rechtsstatelijkheidsverordening. Is dat voor de regering een reden om deze verordening nu werkelijk handen en voeten te geven? Want als deze echt wordt bestudeerd, is het eigenlijk een wassen neus, een beetje gatenkaas en dus een perfecte mogelijkheid om in overleg met onze vrienden in Europa dit nu werkelijk handen en voeten te geven.

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Van Ballekom.

De heer Van Ballekom (VVD):

Ik zou het hierbij willen laten. Ik wil u namens mijn fractie nogmaals danken voor de gedachtenwisseling. Ik hoop dat ik bij de volgende Algemene Financiële Beschouwingen op andere zaken de nadruk kan leggen dan het overwinnen van de coronacrisis.

Tegen de heer Van Rooijen wil ik nog zeggen dat België 67 ministers kent, waarvan 7 van Volksgezondheid, wat de coronacrisis niet echt beter heeft bestreden, en ook nog 5 ministers van Financiën, en dat voor 11 miljoen inwoners.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Van Ballekom. Dan is het woord aan de heer Vendrik namens de fractie van GroenLinks.