Plenair Prast bij behandeling Begroting Volksgezondheid, Welzijn en Sport 2023



Verslag van de vergadering van 24 januari 2023 (2022/2023 nr. 16)

Status: gecorrigeerd

Aanvang: 16.06 uur


Bekijk de video van deze spreekbeurt

Mevrouw Prast i (PvdD):

Dank, voorzitter. Dat is sneller dan ik dacht. Dank aan de staatssecretaris voor zijn antwoorden. Die hebben mij niet in alle opzichten gerustgesteld. Ik wil graag twee moties indienen.

De voorzitter:

Door de leden Prast, Hermans en Janssen wordt de volgende motie voorgesteld:

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat bewegen van groot belang is voor de gezondheid;

overwegende dat sportlessen in het vwo en hbo wel, maar in het mbo niet een verplicht onderdeel uitmaken van het curriculum;

overwegende dat jongeren in het mbo minder voldoen aan de landelijke beweegnorm dan jongeren op de havo / het vwo;

overwegende dat het kabinet gezondheidsachterstanden wil wegwerken;

overwegende dat jongeren ongeacht hun opleidingsniveau op school de kans moeten hebben om te investeren in hun gezondheid;

verzoekt de staatssecretaris om te onderzoeken of sportonderwijs kan terugkeren in het curriculum van het mbo, en hierover aan de Kamer te rapporteren,

en gaat over tot de orde van de dag.

Zij krijgt letter K (36200-XVI).

Mevrouw Prast (PvdD):

De motie is medeondertekend door de Fractie-Nanninga en de SP.

De staatssecretaris gaf in zijn reactie aan dat onderwijs en dus ook sportlessen in het onderwijs onder de begroting van VWS vallen. Maar deze motie gaat niet over geld. Deze motie gaat over het onderzoeken of sportonderwijs kan terugkeren in het kader van kabinetsbrede preventie.

Dan de tweede motie.

De voorzitter:

Mevrouw Prast, zullen we eerst de eerste motie even afhandelen? Dan kan die onderdeel uitmaken van de beraadslaging. Volgens mij is dat ook de bedoeling. Dan is eerst de vraag of er voldoende ondersteuning is voor de motie. Dat is het geval. Dan maakt de motie onderdeel uit van de beraadslaging en krijgt die de letter K. Gaat u verder.

Mevrouw Prast (PvdD):

Voorzitter.

De voorzitter:

Door de leden Prast en Hermans wordt de volgende motie voorgesteld:

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat veel zorgverleners als gevolg van hun professionele inzet zijn besmet, ook omdat zij aanvankelijk nog niet gevaccineerd konden worden en zonder mondkapje moesten werken;

overwegende dat dit bij sommigen van hen tot langdurige gezondheidsklachten heeft geleid (long covid);

overwegende dat veel zorgverleners met long covid (deels) arbeidsongeschikt zijn geraakt, iets wat een grote financiële en sociale impact heeft;

overwegende dat het van belang is deze groep financieel te compenseren;

verzoekt de regering om voor deze groep in de begroting van VWS een bedrag van 150 miljoen euro op te nemen, bijvoorbeeld in de vorm van een longcovidfonds voor zorgpersoneel, waarbij het bedrag dat in de begroting is opgenomen voor het coronatoegangsbewijs als dekking kan dienen,

en gaat over tot de orde van de dag.

Zij krijgt letter L (36200-XVI).

Mevrouw Prast (PvdD):

De motie is medeondertekend door de Fractie-Nanninga.

Ik wil hieraan toevoegen, binnen mijn spreektijd, dat ik weet dat het kabinet bezig is met het kijken naar een longcovidfonds. Echter, ze zullen daar alleen aan meedoen als eerst werkgevers en werknemers zelf tot een fonds zijn gekomen. Wat mijn fractie en naar ik verwacht meerdere fracties in deze Kamer betreft, zouden we daar niet op moeten wachten, maar zouden we als overheid hierin het voortouw moeten nemen.

De voorzitter:

Mevrouw Prast, nog even een vraagje over de motie. U zegt "de Fractie-Nanninga". Of is het alleen mevrouw Nanninga? Als het de Fractie-Nanninga is, dan moeten ze allemaal getekend hebben. Maar we kunnen dat wel oplossen, want we vragen gewoon of er voldoende steun is voor de motie. Dat is het geval, dus dan maakt de motie deel uit van de beraadslaging en krijgt die de letter L toegewezen.

Mevrouw Prast (PvdD):

Dank, voorzitter.

De voorzitter:

Dan is de vraag of een van de leden nog het woord wenst in de tweede termijn van de Kamer. Dat is niet het geval. Dan is mijn vraag aan de staatssecretaris of hij in de gelegenheid is om direct te reageren op de vragen van de Kamer of dat hij een schorsing wenst.

Staatssecretaris Van Ooijen i:

Ik heb een schorsing nodig.

De voorzitter:

Hoelang heeft u nodig?

Staatssecretaris Van Ooijen:

Vijf minuten.

De voorzitter:

Vijf minuten hoor ik. Ik zal u er ietsje bij geven.