Verslag van de vergadering van 17 maart 2026 (2025/2026 nr. 21)
Status: ongecorrigeerd
Aanvang: 15.05 uur
Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.
Mevrouw Veldhoen i (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel, voorzitter. Het is een eer om ook namens beide andere fracties te spreken. Wij behandelen vandaag het wetsvoorstel Transparantie en tegengaan ondermijning door maatschappelijke organisaties. Dat is kort gezegd de Wtmo. Dit voorstel ligt er al lang. Het dateert nog van het derde kabinet-Rutte. Het beoogt ongewenste beïnvloeding via donaties aan maatschappelijke organisaties tegen te gaan. Daartoe introduceert het een deponeringsplicht voor stichtingen en grofweg twee nieuwe bevoegdheden: ten eerste de bevoegdheid van de burgemeester om informatie over de donaties op te vragen en ten tweede de bevoegdheid van de rechter om op vordering van het OM organisaties te bevelen activiteiten te staken die erop gericht zijn de democratische rechtsstaat of het openbaar gezag te ondermijnen. Het gaat hierbij om donaties vanaf €15.000, maar bij AMvB kan dit bedrag voor bepaalde landen met een hoog risico op ongewenste beïnvloeding worden verlaagd.
De fracties namens wie ik spreek willen vooropstellen dat maatschappelijke organisaties onmisbaar zijn in een democratische rechtsstaat. Het gaat om tienduizenden kerken, sportverenigingen, vrijwilligersorganisaties, mensenrechtenorganisaties en goede doelen. Zij organiseren burgers, signaleren misstanden, komen op voor minderheden, bieden tegenmacht en dragen bij aan het publieke debat. In een democratische rechtsstaat moet ruimte zijn voor een maatschappelijk middenveld dat vrij, onafhankelijk en zonder stigmatiserend of belemmerend toezicht zijn werk kan doen. Natuurlijk onderschrijven ook onze fracties het belang van de bescherming van de democratische rechtsstaat tegen ondermijning, maar laat ik meteen duidelijk zijn: wij zijn uiterst kritisch op de manier waarop dit voorstel dat beoogt te doen. Ik beperk me nu verder tot de twee meest knellende bevoegdheden.
Allereerst de bevoegdheid van de burgemeester om donatiegegevens op te vragen. Die bevoegdheid past niet bij diens openbare-ordetaak. Het opvragen van donatiegegevens is immers geen instrument om een concrete zich aandienende verstoring van de openbare orde te voorkomen of te beëindigen. De openbare-ordetaak strekt zich niet uit tot het in algemene zin tegengaan van ongewenste beïnvloeding of het voorkomen van criminaliteit. Dat rekt het begrip openbare orde te ver op en schuift de burgemeester een verantwoordelijkheid toe die niet aansluit bij diens wettelijke taak op grond van de Gemeentewet. Ook past deze bevoegdheid niet binnen het afwegingskader dat het ministerie van Binnenlandse Zaken zelf heeft ontwikkeld voor burgemeestersbevoegdheden.
Daar komt bij dat deze bevoegdheid op gespannen voet staat met het demonstratierecht en de vrijheid van meningsuiting. In de toelichting staat expliciet dat het opvragen van donatiegegevens zou kunnen helpen bij het beoordelen van risico's rond aangekondigde demonstraties, maar juist daar wringt het. Niet de ideologische achtergrond van een organisatie hoort bepalend te zijn, maar alleen de vraag of er concrete aanwijzingen zijn dat wanordelijkheden te vrezen zijn. Met het informatieverzoek kan daarnaast privacygevoelige informatie, bijvoorbeeld over religie of levensbeschouwing, worden gedeeld met de instanties genoemd in artikel 3, lid 4 van het voorstel. Een ander zwaarwegend bezwaar is dat tegen een informatieverzoek van de burgemeester geen bestuursrechtelijke rechtsbescherming openstaat. Natuurlijk kan zoals altijd de civiele rechter als rechtsrechter worden benaderd, maar juist wanneer grondrechten in het geding zijn, is een laagdrempelige bestuursrechtelijke rechtsgang noodzakelijk.
Een burgemeester kán van deze bevoegdheden gebruikmaken, maar hoeft dat niet te doen. Dat stelt ons niet gerust. Wetten maken we immers niet alleen voor ideale omstandigheden en bevoegdheden creëren we niet alleen voor goedwillende bestuurders. Integendeel, wetten moeten juist bescherming bieden wanneer een bevoegdheid minder terughoudend wordt ingezet. In dit geval gaat het om een bevoegdheid die kan leiden tot onmiddellijke verdachtmaking van een maatschappelijke organisatie, zonder dat daarvoor de waarborgen gelden die wij in het strafrecht kennen. Het gaat hier immers om een bestuursrechtelijke bevoegdheid, waartegen, zoals ik al zei, geen rechtsmiddel openstaat.
Dan kom ik bij de tweede bevoegdheid, namelijk het rechtelijk ingrijpen op vordering van het OM. Dat kan leiden tot een door de rechter op te leggen stakingsbevel, een dwangsom of een tijdelijk verbod op het ontvangen van bepaalde donaties. Met het uitoefenen van deze bevoegdheid kunnen de verenigingsvrijheid van maatschappelijke organisaties en de vrijheid van meningsuiting in het geding komen. Artikel 10 van de Grondwet en artikel 11 van het EVRM vereisen dat een beperking voldoende voorzienbaar is, maar het centrale begrip "ondermijning" is onvoldoende begrensd. In de juridische literatuur is wel betoogd dat dit begrip zodanig vaag is dat het überhaupt niet als basis voor wetgeving kan dienen. Ook op aanwijzing van de Raad van State heeft de regering geprobeerd dat begrip nader te concretiseren, maar ook die uitleg biedt onvoldoende houvast. De regeling is daarmee onvoldoende voorzienbaar voor zowel maatschappelijke organisaties als burgers. Dit kan leiden tot willekeur in de handhaving en een chilling effect. Ook hier dreigt het gevaar van een preventieve beperking van de vrijheid van meningsuiting, wat in strijd is met de Grondwet. Natuurlijk toetst de rechter uiteindelijk, maar dat kan geen rechtvaardiging zijn om een bevoegdheid in te voeren die op gespannen voet staat met de grondrechten en rechtsbeginselen. De wetgever, en dus wij, moet ervoor zorgen dat zo'n bevoegdheid vooraf duidelijk, rechtvaardig en proportioneel is.
Voorzitter. Wij staan bepaald niet alleen in deze kritiek. De Afdeling advisering van de Raad van State was uiterst kritisch. Zij oordeelde dat de proportionaliteit, de effectiviteit en de noodzaak onvoldoende zijn aangetoond. Ook de verhouding tot de grondrechten en het Europees recht, waaronder het vrij verkeer van kapitaal, is volgens de afdeling onvoldoende uitgewerkt. Omdat het voorstel in de loop der tijd ingrijpend is gewijzigd, heeft de commissie voor J&V van deze Kamer een deskundigenbijeenkomst georganiseerd, zodat partijen zich konden uitlaten over het huidige voorstel, zoals het er nu uitziet. Opvallend was dat werkelijk alle uitgenodigde deskundigen uiterst kritisch waren. En wat misschien nog wel veelzeggender is: juist de partijen die deze wet zouden moeten uitvoeren, gaven aan daarmee niet belast te willen worden.
Het Genootschap van Burgemeesters en de VNG erkennen het doel, maar zeggen dat deze bevoegdheid niet bij de klassieke openbareordetaak van de burgemeester past. Het rekt het begrip "openbare orde" te ver op. Bovendien waarschuwen zij voor de politisering van het ambt, met risico's voor de neutrale positie en de veiligheid van burgemeesters. Ook het OM was uiterst kritisch over de uitvoerbaarheid. Het toezicht op maatschappelijke organisaties is geen kerntaak van het OM. Het OM waarschuwde ervoor dat het strafrecht opnieuw als een soort duizenddingendoekje wordt ingezet. Bovendien kan het OM niet zelfstandig informatie vergaren. Het is daarvoor afhankelijk van andere diensten, zoals de AIVD. Ook het OM onderstreepte dat het begrip "ondermijning" juridisch en praktisch moeilijk af te bakenen is en suggereert een gespecialiseerde toezichthouder.
Het College voor de Rechten van de Mens wees op de druk die dit voorstel zet op de vrijheid van vereniging, de privacy en de vrijheid van meningsuiting. Meld- en bewaarplichten rond donaties kunnen bovendien een afschrikwekkend effect hebben. Donateurs en organisaties gaan zich anders gedragen, uit angst voor toezicht of sancties. Het college waarschuwt nadrukkelijk voor willekeur en voor een chilling effect. Goede Doelen Nederland gaf aan dat kerken, sportverenigingen, vrijwilligersorganisaties en goede doelen vrezen voor een ongerechtvaardigde beperking van de grondrechten. En dat terwijl de noodzaak van de nieuwe bevoegdheden niet overtuigend is aangetoond. Daarnaast wees men op onnodige regeldruk en administratieve lasten. Privacy First benadrukte ten slotte dat de noodzaak voor grootschalige donateursregistraties niet is aangetoond en dat deze wet risico's creëert voor onnodige en disproportionele gegevensverzameling, gegevensverwerking en gegevensdeling. Ook in de juridische literatuur is de toon niet milder. Onlangs werd in het Nederlands Juristenblad gesproken van "een sterk staaltje slechte wetgeving". Het artikel eindigde met de hoop dat de Eerste Kamer dit voorstel naar de prullenbak verwijst.
Voorzitter. Wat doet al deze kritiek met de minister? Dat is een algemene vraag. Ik heb ook nog een aantal concrete vragen. Wat is zijn reactie op de fundamentele kritiek op de noodzaak, de proportionaliteit, de rechtmatigheid en de uitvoerbaarheid? Wat is zijn reactie op het oordeel van onze burgemeesters, namelijk "deze bevoegdheid past niet bij onze rol; leg deze bevoegdheid niet bij ons"? En wat is zijn reactie op het oordeel van het OM, namelijk "wij kunnen hier in de praktijk weinig mee; zet ons hier niet voor in"?
Ik heb ook een vraag over de uitleg van artikel 3, lid 7 van het voorstel. Zien wij het goed — dat lezen we ook in de toelichting bij dit artikel — dat op grond van dit artikel Justis, de politie, bureau Bibob, de Belastingdienst, de AIVD, de MIVD, DNB, de AFM, het BFT en de FIU op grond van hun bestaande wettelijke taken de bevoegdheid hebben om het bestuur van een maatschappelijke organisatie te verzoeken om inzicht te geven in de herkomst, het doel en de omvang van de verkregen donaties? Zie ik ook goed dat daarbij niet de eis geldt van voorafgaand overleg met het OM? Graag een concrete reactie op deze vraag.
Voorzitter. Ik kom tot een afronding. Ik kom terug bij waarmee ik begon: het belang van maatschappelijke organisaties in onze democratische rechtsstaat, het belang van een vrije ruimte waarbinnen deze organisaties kunnen opereren. In verschillende Europese landen is sprake van een shrinking civic space. Ik denk aan landen als Hongarije, Polen en Roemenië. De Parlementaire Assemblee van de Raad van Europa heeft in een aantal resoluties uitgesproken dat overheden onnodige, willekeurige of disproportionele beperkingen moeten vermijden. Daarbij was zij in het bijzonder kritisch op beperkende wetgeving rond registratie en financiering. Ook werd uitdrukkelijk gewaarschuwd voor politiek-bestuurlijk toezicht. De bevoegdheden die dit voorstel in het leven roept, vinken al deze vakjes aan. Dat kan wat onze fracties betreft maar tot één conclusie leiden, maar we wachten de antwoorden van de minister af.
Dank u wel.
De voorzitter:
Ik dank u wel. Dan geef ik nu graag het woord aan de heer Dittrich van de fractie van D66.