Plenair Van der Goot bij voortzetting behandeling Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026



Verslag van de vergadering van 19 mei 2026 (2025/2026 nr. 29)

Status: gecorrigeerd

Aanvang: 15.36 uur


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Van der Goot i (OPNL):

Voorzitter. Ik ben de laatste spreker, als het goed is, in dit debat. Het is, zoals ook door collega Huizinga is benadrukt, nog maar een maand geleden dat wij ons in de Eerste Kamer hebben gebogen over de asielwetten van het vorige kabinet. Het was de kwaliteit van de wetgeving die te wensen overliet. Dat was onder meer de reden waarom een van die wetten, de Asielnoodmaatregelenwet, het niet heeft gehaald. Was dat een gemiste kans, zoals minister-president Jetten op dat moment meende? Of erger nog, waren de tegenstemmers zelfs weglopers, zoals Brekelmans, leider van de VVD-fractie, in de Tweede Kamer meende te moeten zeggen na afloop van de stemming hier? Niet echt, want zoals bekend, volgende maand, al op 12 juni, zullen de strenge regels van het Europees Asiel- en migratiepact in werking treden, met daarin regels die tot doel hebben om Europabreed tot een gemeenschappelijk en geharmoniseerd asiel- en migratiebeleid te komen.

Het debat van vandaag laat zien dat we een heel eind zijn gekomen in de discussie. Waar staat de OPNL-fractie? Onze fractie is op het dossier van asiel en migratie een warm voorstander van een Europabrede aanpak. Daarmee creëren we immers in principe, zoals mevrouw Thijssen al aangaf, voor alle EU-landen en dus ook voor Nederland een gelijk speelveld zonder onderlinge beleidsconcurrentie. Dat helpt zowel op korte als op langere termijn enorm bij de uitvoering van het asiel- en migratiebeleid. Daarmee voorkomen we ook een waterbedeffect. Dat hebben we vandaag nog niet genoemd, maar wil ik toch expliciet benoemen.

Soms werd mij de afgelopen weken bezorgd gevraagd: "Wat doen jullie straks in de Eerste Kamer met het Europees Asiel- en migratiepact? Moeten jullie daar ook nog over stemmen?" Dat is uiteraard niet het geval. Ik wil maar zeggen: gelukkig is dat zo. Deze maand stemmen de leden van de Eerste Kamer niet over de geldigheid van de regels van het Europees Asiel- en migratiepact. Waarover dan wel? Over een Nederlandse wet die beoogt de uitvoering en implementatie van het Europees Migratiepact te regelen. Het is, kortom, een nationale wet. We stemmen niet over het Europese Asiel- en migratiepact. Waarom is dat van belang? Zelfs al zou de Eerste Kamer volgende week besluiten dit wetsvoorstel niet goed te keuren, dan nog treden de strenge Europese regels van het Asiel- en migratiepact met zijn negen verordeningen op 12 juni onmiddellijk in werking om zo grip te krijgen op de verdere harmonisatie van het asiel- en migratiebeleid. Dat was precies de reden waarom onze fractie in april tegen heeft gestemd.

Voorzitter. Zoals eerder al gezegd is de OPNL-fractie op het asiel- en migratiedossier een groot voorstander van een Europese aanpak. Ook pleit de OPNL-fractie ervoor dat Nederland zich binnen de EU maximaal inzet op uniforme en Europabrede wetgeving. Het goede nieuws is dat het Europese Asiel- en migratiepact is bedoeld om Europabreed zowel de bescherming van vluchtelingen te harmoniseren alsook om zo gezamenlijk meer grip op het asiel- en migratiebeleid te krijgen. Het doel van het pact is dus het beleid van de EU-lidstaten zo veel mogelijk te harmoniseren en te ondersteunen ten behoeve van de effectiviteit hiervan.

Dat brengt mij tot de volgende twee vragen. Ten eerste: kan de minister motiveren in hoeverre de onderliggende harmonisatie binnen Europa via deze nationale wetgeving, deze uitvoerings- en implementatiewet, dichterbij komt? Ik stel deze vraag aan de minister omdat hij twee tegenstrijdige boodschappen afgeeft. Allereerst de boodschap van harmonisatie doordat het Asiel- en migratiepact voor het overgrote deel bestaat uit rechtstreeks werkende verordeningen. Tegelijkertijd stelt hij dat ook nog een groot aantal nationale keuzes moet worden gemaakt die in meer of mindere mate uit het Asielpact voortvloeien. Kortom, toch ieder land weer zijn eigen feestje? Hoe moeten we dat bekijken?

Ten tweede: is het juist niet in het belang van Nederland en van de andere Europese landen dat we samen streven naar een beperkt en dus niet naar een groot aantal nationale keuzes, die koppen, zodat er een einde komt aan al die onderlinge beleidsconcurrentie tussen de lidstaten om te laten zien wie er het strengste asielbeleid heeft? Alsof het daarom gaat. Anders gezegd: leidt onderlinge beleidsconcurrentie niet juist tot een waterbedeffect en dus tot aanhoudende polarisatie en uitvoeringsproblemen, die dat bij ons en elders in Europa met zich meebrengt? De Raad van State wijst op de uitvoeringsproblemen en op de financiering daarvan. In de antwoorden van de minister zie je daar niets van terug.

Valt er inhoudelijk dan niets aan te merken op de strenge regels van het Asiel- en migratiepact? Welzeker. Dat is vandaag en trouwens ook eerder onder juristen en in de pers al vaker gebeurd. Maar ook hier geldt: de wet is wet. Het adagium "de wet is de wet" geldt niet alleen voor onze eigen Nederlandse Spreidingswet en voor de mensen die de ambtseed hebben afgelegd, maar ook voor de regels onder het Europese Asiel- en migratiepact.

Dan resten mij nog twee vragen voor de minister. Het pact verplicht lidstaten om een onafhankelijk toezichtmechanisme op te zetten voor de screening en de asielgrensprocedure. Kan de minister toelichten hoe dit toezichtmechanisme ervoor gaat zorgen dat beide Kamers in staat worden gesteld om toezicht te houden op de uitvoering van deze wet en van het pact?

Ten slotte. De Nationale ombudsman en de Kinderombudsman zijn een onafhankelijk onderzoek gestart naar de effecten van het pact op de fundamentele rechten en kinderrechten van asielzoekers. Komende uit Groningen weet ik hoe belangrijk de rol van de Nationale ombudsman is om de rechtsstaat te bewaken, omdat we zelf als politici tekortschieten. Ik ook als politicus, zeg ik daarbij. De resultaten worden deze zomer verwacht. Kan de minister toezeggen dat hij dit onderzoek zal betrekken bij de uitvoering van de wet en van het pact en dat hij beide Kamers daarover zal informeren?

Voorzitter. Er is gesproken over "grip op migratie", maar "grip op de uitvoering" lijkt nog meer een probleem te zijn. Mijn fractie kijkt met belangstelling uit naar de antwoorden van de minister.

De voorzitter:

Ik dank u wel. Wenst een van de leden nog het woord in de eerste termijn? Dat is niet het geval. Dan ga ik de vergadering schorsen tot 16.30 uur.