Plenair Van der Goot bij voortzetting behandeling Algemene Europese Beschouwingen



Verslag van de vergadering van 29 september 2026 (2026/2027 nr. 02)

Status: ongecorrigeerd

Aanvang: 15.52 uur

Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Van der Goot i (OPNL):

Voorzitter. Ik wil graag collega Steenkamp van harte feliciteren met zijn maidenspeech. Omdat hij zo vriendelijk was mijn naam te noemen, permitteer ik mij een kleine persoonlijke aanvulling op zijn omschrijving van Europa, een Europa dat begint bij onze landsgrens, bij Vlaanderen, Wallonië, Nedersaksen en Noordrijn-Westfalen. De persoonlijke aanvulling zou zijn dat Europa eigenlijk al aan onze kant van de grens begint, want wij horen ook bij Europa.

Voorzitter. Ik ben verheugd dat ik mede namens het CDA het woord mag voeren over twee thema's: grensoverschrijdende of, zoals men dat tegenwoordig noemt, grensoverstijgende samenwerking en de Benelux-unie als kraamkamer voor Europa. Die beide thema's komen aan de orde in allerlei verbanden en zijn vandaag ook al op verschillende manieren aan de orde geweest, behalve de grensoverstijgende samenwerking. Laat ik daar dus mee beginnen.

Op regeringsniveau worden voor grensoverstijgende samenwerking periodiek afspraken gemaakt tussen Den Haag en onze buren Noordrijn-Westfalen, België en Vlaanderen. Dit zijn afspraken op regeringsniveau om knelpunten te signaleren en op te lossen. Ook op decentraal niveau wordt gewerkt aan verbetering van de grensregionale samenwerking. Zo wordt sinds 2019 de jaarlijkse Grenslandconferentie tussen Nederland en Noordrijn-Westfalen gehouden. Voor wie de geografie van Noordrijn-Westfalen niet helemaal paraat heeft, zeg ik dat we daarmee een grens delen die ruwweg loopt van Enschede tot het Drielandenpunt bij Vaals.

Die Grenslandconferentie brengt mensen, overheden en andere partijen in Noordrijn-Westfalen en onze oostelijke provincies bij elkaar die werken aan het wegnemen van belemmeringen aan de grenzen, op thema's zoals veiligheid, inclusief de waterveiligheid, arbeidsmarkt en mobiliteit. De afgelopen jaren is een netwerk gecreëerd dat zich niet alleen over de grenzen maar ook over alle politieke niveaus en bestuursniveaus heen uitstrekt.

Helaas kent de grensregionale arbeidsmarkt obstakels voor bedrijven en werknemers die door dergelijke decentrale inspanningen niet worden opgelost. Zo'n obstakel is de manier waarop grensoverschrijdend telewerk fiscaal wordt belast. Daardoor functioneert het vrije verkeer van werknemers tussen de buurlanden suboptimaal en missen bedrijven en werknemers in de grensregio's kansen, wat de economische ontwikkeling van die regio's niet ten goede komt.

Aan Nederlands-Vlaamse kant hebben de regeringen van Nederland en Vlaanderen een Schakelpunt Grensbelemmeringen opgericht, dat deels uit Europese middelen wordt gefinancierd via het Interregprogramma Vlaanderen-Nederland. Het betreft hier een pilot voor drie jaar, van 2024 tot 2027. Dit schakelpunt heeft als taak oplossingen voor grensbelemmeringen in de grensregio te zoeken. In dit schakelpunt werken kennisinstellingen, de Universiteit Hasselt en expertisecentrum ITEM van de Universiteit Maastricht, nauw samen met regionale overheden en departementen, BZK, de Vlaamse overheid en de provincie Zeeland. Uiteindelijk moet dat resulteren in de agendering van een belemmering en een gedragen oplossing bij de bevoegde instanties, meestal regeringen, in Nederland en Vlaanderen.

Gisteren in Middelburg sprak minister Heerma met lovende woorden over dit Schakelpunt Grensbelemmeringen. Het werd positief genoemd. Kortom, dat smaakt naar meer. Daarom is mijn eerste vraag aan de minister of de Nederlandse regering de instelling van een soortgelijk Schakelpunt Grensbelemmeringen aan de grens met Duitsland overweegt, dat dan, als pilot, eveneens uit Europese middelen zou kunnen worden gefinancierd, bijvoorbeeld in het kader van het Interregprogramma Deutschland-Nederland. Zo ja, welke stappen op regeringsniveau zijn daarvoor nodig?

Dan mijn tweede thema: de Benelux Unie en het Europa van de meerdere snelheden. Ook dat is vandaag al door verschillende sprekers genoemd. Binnen de Europese Unie wordt veelvuldig gesproken over het Europa van de meerdere snelheden. Vaak wordt het nodig geacht om de vastgelopen besluitvorming in Europa los te trekken, zeker op dossiers waar unanimiteit vereist is. Al in het Verdrag van Rome in 1975 werd het idee van een Europa van meerdere snelheden omarmd. In de prioriteitenbrief van het Nederlands voorzitterschap van de Benelux Unie van 27 januari wijst de minister van Buitenlandse Zaken hier al op.

Deze mogelijkheid van verdergaande regionale integratie binnen de Benelux is inmiddels opgenomen als artikel 350 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. De innovatieve stappen die de Benelux als proeftuin neemt, kunnen zo als voorbeeld dienen voor de afspraken op Europees niveau. Daarnaast is ook beïnvloeding van de EU-agenda makkelijker als de drie landen gezamenlijk optrekken. Dat laatste is dit jaar al duidelijk zichtbaar geworden in het externe optreden van de drie premiers, maar ook van minister van Buitenlandse Zaken, iets wat collega Steenkamp van het CDA ook al aanstipte.

Die proeftuingedachte kreeg vorig jaar een boost in de HJ Schoo-lezing van de Belgische premier. Bart De Wever wees erop dat verdergaande samenwerking nodig is, omdat we anders onze inwoners en onze bedrijven tekortdoen. Sindsdien zijn in het Belgische Federaal Parlement drie voorstellen voor resoluties ingediend om de samenwerking binnen de Benelux op een hoger plan te brengen. Zo wordt aangaande het verdiepen van de interne markt en het bevorderen van werknemersmobiliteit gevraagd om, ten eerste, de totstandkoming van een uniform statuut voor Benelux-grenswerkers op het terrein van belastingen, sociale zekerheid en telewerken. Ten tweede wordt in het Federaal Parlement gesproken over het 28ste regime, waar we het vandaag over hadden, EU Inc. Ze dringen aan op de totstandkoming van een analoog juridisch kader voor bedrijven in de drie landen, vooruitlopend op het EU Inc-voorstel, want dat is belangrijk voor start-ups en scale-ups. Het derde dat ze noemden was een ambitie om van een eenvoudige proeftuin uit te groeien tot een drijvende kracht achter de Europese concurrentieverhoudingen.

Kortom, ambities en ideeën te over, althans aan Belgische kant. Daarom mijn tweede verzoek, mijn tweede vraag aan de minister. Graag dringen de fracties van CDA en OPNL erop aan dat beide Kamers voor het einde van het Nederlandse voorzitterschap een brief ontvangen van de regering, met daarin beschreven langs welke lijnen Nederland de proeftuingedachte van de Benelux Unie nadere uitwerking wil geven. Ook lees ik graag de beantwoording van een paar vragen, die ik zal opsommen.

Meer dan eens constateren grensregio's dat er bij de nationale omzetting van EU-richtlijnen nieuwe onderlinge verschillen in regelgeving ontstaan tussen de Benelux-landen en met Duitsland. Deze onbedoelde gevolgen van de omzetting van EU-regels zouden zo veel mogelijk gemitigeerd moeten worden via gezamenlijke omzetting, of althans onderlinge afstemming bij de omzetting van EU-richtlijnen door de Benelux-landen. Mijn vragen voor de brief van de minister luiden als volgt. Is de regering bereid om zich ervoor in te zetten dat de drie Benelux-landen jaarlijks ten minste twee of drie richtlijnen aankondigen waarbij gezamenlijke omzetting of althans onderlinge afstemming bij de omzetting zal plaatsvinden? Zo nee, waarom niet? En zo ja, is Nederland bereid om zich er bij de andere Benelux-landen voor in te zetten dat het Benelux-parlement ten minste jaarlijks wordt geïnformeerd over de voortgang van de omzettingswerkzaamheden?

Dan een verder punt over EU-verordeningen. In verschillende gevallen laten EU-verordeningen ruimte aan lidstaten om op deelonderwerpen zelf aanvullende regels te stellen of worden lidstaten daar zelfs uitdrukkelijk toe opgeroepen. Dat kan bij wijze van voorbeeld het 28ste regime zijn, maar er zijn natuurlijk meer voorbeelden denkbaar. De vraag van het CDA en OPNL voor de brief is: is Nederland bereid om samen met de andere Benelux-landen te bezien of in die gevallen een gezamenlijk optreden past bij de voortrekkersrol van de Benelux Unie?

Voorzitter. Hiermee ben ik aan het einde van mijn bijdrage gekomen. Ik kijk uit naar de antwoorden van de minister.

De voorzitter:

Dank u wel. Ik zie een interruptie van mevrouw Ramsodit.

Mevrouw Ramsodit i (PRO):

De heer Van der Goot stelt terecht dat we in de Benelux-kraamkamer nog veel meer voor elkaar kunnen krijgen. Ik kan me voldoende voorstellen bij gezamenlijke omzetting van richtlijnen en samen optrekken bij verordeningen. In het volgende kader zou ik graag een reactie van de heer Van der Goot willen. Ik denk namelijk dat als je het hebt over het gezamenlijk implementeren of vormgeven van regelgeving op basis van een verordening, je eerst heel scherp moet hebben of die verordening niet de kaders omzeilt die we met elkaar hebben afgesproken ten aanzien van arbeidsrecht, sociaal recht en milieu. Dat is toevallig het geval bij het voorbeeld dat u noemt: het 28ste regime, EU Inc. Ik heb hier in de Kamer ook van de BBB en de SP zorgen gehoord over dat regime, dus mijn vraag is eigenlijk als volgt. Dit is slechts een voorbeeld, maar ik zou u willen uitdagen met een ander voorbeeld te komen, omdat ik denk dat het anders heel lastig wordt om in de Benelux handen en voeten te geven aan uw tweede, inhoudelijk goede suggestie.

De heer Van der Goot (OPNL):

Dank u wel voor deze vraag. Wie afgelopen weekend de twee artikelen in Het Financieele Dagblad heeft gelezen, ziet het spanningsveld, met aan de ene kant Letta en Draghi, die met hun rapporten proberen de Europese kapitaalmarkt op zo'n niveau te brengen dat start-ups en scale-ups niet na een proefperiode uitwijken naar Amerika om aan financiering te komen. Daar is dat voorstel op gericht. De basis van het voorstel lijkt dus heel positief, maar …

De voorzitter:

Mevrouw Ramsodit.

De heer Van der Goot (OPNL):

Ik had daar graag nog twee zinnen aan willen toevoegen.

De voorzitter:

O, excuus.

De heer Van der Goot (OPNL):

In de reactie van het kabinet — vandaag ligt er een brief voor in de commissie J&V — wordt het probleem geschetst waar we tegenaan lopen. Het voorstel is in de grond genomen hartstikke belangrijk en hartstikke positief, maar in de uitwerking zijn er zorgen.

Mevrouw Ramsodit (PRO):

Ik denk dat u mij niet goed begrepen heeft. Het is natuurlijk goed om start-ups en scale-ups te stimuleren. Ik ben daar zelf ook ooit eens onderdeel van geweest. Alleen, zo'n parallel regime moet niet misbruikt worden. Daar zitten hele grote haken en ogen aan op dit moment. Eigenlijk is mijn vraag aan u dus een ander voorbeeld te nemen als u die kraamkamer wilt vormgeven. U zult binnen de Benelux namelijk vanuit ons in ieder geval geen draagvlak hebben ten aanzien van dit onderwerp en het in de kraamkamer oppakken ervan in de voortrajecten, want daar zit nog te veel risico, en het moet altijd vanuit unanimiteit.

De heer Van der Goot (OPNL):

Dank u wel voor deze aanvulling. Ik ben het eigenlijk met u eens dat dit in deze fase van het debat dat wij nu voeren, misschien een punt is waarover in de onderhandelingen nog geen overeenstemming is bereikt. Vandaar ook alvast mijn opmerking richting de minister. Dankzij de vraag van collega Ramsodit wil ik de minister graag uitdagen: als dit al een omstreden voorstel is — dat lijkt het vooralsnog te zijn — kan het kabinet dan met een ander voorstel komen, een voorstel dat voldoet aan de randvoorwaarden die ik genoemd heb? Ik wil me niet opknopen aan dit ene voorbeeld, maar kom met twee of drie voorbeelden waarvan het kabinet zegt: daarover gaan we met de andere Benelux-landen in gesprek.

De heer Hartog i (Volt):

Ik wil eigenlijk dezelfde vraag progressief en positief stellen. Stel dat je voortgaat, met alle haken en ogen enzovoort, op welke terreinen denkt de heer Van der Goot dan dat de Benelux een rol kan spelen? Is dat op arbeidswetgeving, is dat op notariële dingen, is dat op registratie, is dat op belastingen? Op welke terreinen denkt u dat de Benelux de eerste inzet zou moeten doen?

De heer Van der Goot (OPNL):

Wat me opvalt bij de Benelux is dat in het Verdrag tot instelling van de Benelux Unie op een aantal terreinen is vastgelegd wat de taken van de Benelux Unie zijn. Daar hoort het bevorderen van de arbeidsmarkt bij, het bevorderen van de interne markt, dus ook van de arbeidsmarkt. De fiscaliteit hoort daar bijvoorbeeld niet bij. In het debat in Europa zie je dat bepaalde bevoegdheden niet bij de Commissie of bij de Europese Unie liggen en andere bevoegdheden wel; er vindt vaak een weging plaats tussen die twee voorbeelden. Wat geeft dan de doorslag? Laten we even zeggen: fiscaliteit zou niet kunnen, zelfs al is het nadelig voor het vrije verkeer van werknemers.

Die discussie zou naar mijn smaak ook in de Benelux Unie gevoerd moeten worden. Even los van de casus als zodanig zie ik dan de noodzaak, ook bij grensoverschrijdend telewerk, dat wordt gezegd: wij willen het vrije verkeer van werknemers juist bevorderen en dat betekent dat we als drie Benelux-landen samen afspraken gaan maken over hoe we dat fiscaaltechnisch gaan oplossen. Al heeft de Benelux Unie als zodanig dat niet vastgelegd, het staat de drie landen natuurlijk absoluut vrij om samen in afspraken te zeggen: zo gaan we optreden. Die souplesse mis ik tot nog toe bij de uitleg van artikel 350 van het Verdrag van Lissabon en van het Verdrag tot instelling van de Benelux Unie.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik nu graag het woord aan de heer Van de Sanden namens de Fractie-Van de Sanden.