Naar hoofdinhoud Naar hoofdnavigatiemenu
T01296

Toezegging Onduidelijke terminologie in Europese mededingingsregelgeving (31.354)



De Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Reuten (SP), toe de minister van Justitie aan te spreken op onduidelijke terminologie in Europese regelgeving op het gebied van mededinging en dit punt zelf ook mee te nemen bij deelname aan de Concurrentieraad.


Kerngegevens

Nummer T01296
Status voldaan
Datum toezegging 22 maart 2011
Deadline 1 juli 2011
Verantwoordelijke(n) Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie
Kamerleden dr. G.A.T.M. Reuten (SP)
Commissie commissie voor Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (EL&I)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie overig
Onderwerpen Mededingingswet
Kamerstukken Aanpassing Mededingingswet ter invoering van gedragsregels voor de overheid (31.354)


Uit de stukken

Handelingen I 2010/11, nr. 21 - blz. 36-37

De heer Reuten (SP):

Mijnheer de voorzitter. In de schriftelijke behandeling van dit wetsvoorstel zijn reeds veel kwesties tussen Kamer en regering uitgewisseld, met – wat mijn fractie betreft – vaak bevredigende antwoorden van de regering, waarvoor dank. Ik kan mij vandaag derhalve beperken tot twee, niettemin nog prangende, kwesties. De eerste kwestie betreft het ontbreken van voldoende omschrijving van de term "concurrentie" en aanverwante termen. Dit raakt de kern van dit wetsvoorstel, maar het heeft uiteraard een wijdere strekking. De tweede kwestie betreft de delegatiebepaling betreffende de werkingsduur van het wetsvoorstel die strijdig is met de motie-Jurgens dienaangaande. De eerste kwestie beslaat zes punten.

Het eerste gaat over concurrentie. Waar de mond van vol is, houdt duidelijkheid vaak te wensen over. Dat economen al meer dan 200 jaar vermijden om een definitie van de term "concurrentie" te geven, wist ik. Maar wij houden ons hier bezig met wetgeving, en voor ons ligt een aanpassing van de Mededingingswet, een wet waarin geen omschrijving van mededinging of concurrentie wordt gegeven. De regering schrijft in de memorie van antwoord dat dit komt, omdat de Mededingingswet gestoeld is op de Europese Uniemededingingsregels waarin eveneens geen definitie van concurrentie wordt gegeven. Daar zijn wij mooi niet klaar mee. Een verzuim van de EU is geen grond voor verzuim in de Nederlandse wet en wetgeving. Ik dank de regering dat zij op ons verzoek hieromtrent de handschoen opgenomen heeft in de memories van antwoord.

De regering beschouwt mededinging en concurrentie als synoniemen. Zij geeft ten opzichte van de memorie van antwoord in de nadere memorie van antwoord een gecorrigeerde definitie van concurrentie. Voor de wetsgeschiedenis neem ik aan dat uitsluitend de laatste tot op dit moment geldig is. Deze definitie van concurrentie luidt: "De strijd tussen verschillende economische actoren om een aandeel in een beperkte markt voor een bepaald goed of een bepaalde dienst." Kort gezegd is concurrentie vooralsnog dus "marktaandeelstrijd". Ik constateer dat rendement kennelijk geen factor is. Ook constateer ik dat concurrentie zich kennelijk aan één zijde van de markt afspeelt. Het valt te bezien of de ontstentenis van die beide elementen houdbaar is. Hoe dan ook vraag ik de minister om bij de eerstvolgende wijziging van de Mededingingswet, deze of een verbeterde definitie daarin op te nemen. Voorts vraag ik de minister om de naam van die wet te wijzigingen in de hedendaagse, en voor burgers meer begrijpelijke titel "Concurrentiewet".

Ten tweede de aanpalende term "gelijke concurrentieverhoudingen". Daarmee komen we bij de doelstelling van het wetsvoorstel. "Gelijke concurrentieverhoudingen" moet dan in het licht van het voorgaande betekenen: "gelijke verhoudingen in de marktaandeelstrijd". De minister zal mij, neem ik aan, straks corrigeren indien ik een zijns inziens verkeerde interpretatie geef. Ik zou het overigens zeer op prijs stellen om eventuele herzieningen van definities door de minister – hier en bij andere punten – vlak voor het antwoord van de minister op een informeel briefje te krijgen.

Ik constateer dat de regering stelt dat "gelijke concurrentieverhoudingen" niet de doelstelling van de bestaande mededingingsbepalingen in de Mededingingswet is. Ik citeer nu: "Gelijke concurrentieverhoudingen vormen wel de doelstelling van dit wetsvoorstel, maar alleen voor zover het de financiering uit de algemene middelen betreft van economische activiteiten van overheden en het ten laste van de algemene middelen toekennen van voordelen aan overheidsbedrijven." Ik citeer nogmaals: "De regering definieert 'gelijke concurrentieverhoudingen' in het kader van dit wetsvoorstel als 'concurrentieverhoudingen waarbij overheden die economische activiteiten verrichten en overheidsbedrijven ten opzichte van concurrerende private ondernemingen geen concurrentievoorsprong hebben die samenhangt met de positie als overheid respectievelijk als overheidsbedrijf'."

Overheidsbedrijven – en de betreffende activiteiten – mogen dus geen aan de overheidsstatus verbonden voorsprong hebben in de marktaandeelstrijd. Mij lijkt de consequentie daarvan te zijn dat indien het bij de betreffende overheidsbedrijven en activiteiten niet om "marktaandeelstrijd" gaat, deze buiten het oogmerk van het wetsvoorstel vallen. Gegeven de definities van de regering kan ieder ander deze conclusie trekken. Ik teken het hier slechts aan voor de wetsgeschiedenis.

Ten derde de term "concurrentievoorwaarden". In het nader voorlopig verslag suggereerde mijn fractie dat de term "concurrentievoorwaarden" minder lastig te operationaliseren is dan "concurrentieverhoudingen". In de nadere memorie van antwoord schrijft de regering, deze opvatting te delen. Ik vraag de minister daarom, bij nieuwe wetsvoorstellen de term "concurrentieverhoudingen" te verbannen en de term "concurrentievoorwaarden" te hanteren, die vervolgens zoveel mogelijk geoperationaliseerd zou moeten worden.

Ten vierde "oneerlijke concurrentie". Ook deze term figureert in de diverse stukken bij dit wetsvoorstel. Het is een term die evenmin in de Mededingingswet voorkomt. Op een vraag van mijn fractie hieromtrent liet de regering weten, dat niet gedoeld werd op "oneerlijke handelspraktijken" zoals in bijvoorbeeld wetsvoorstel 30928, Implementatie Richtlijn oneerlijke handelspraktijken. De regering schrijft in de nadere memorie: "In de discussie over de markt- en overheidsproblematiek wordt vaak gesproken van 'oneerlijke concurrentie', omdat het als onrechtvaardig wordt ervaren dat overheden en overheidsbedrijven een concurrentievoorsprong hebben … In die betekenis wordt 'oneerlijke concurrentie' ook in de memorie van toelichting en andere parlementaire stukken ten aanzien van dit wetsvoorstel gebruikt." Mij dunkt dat dit vaag is. Zonder afbreuk te willen doen aan dergelijke gevoelens meen ik dat althans de regering in wetgerelateerde teksten misleidende terminologie zou moeten vermijden, zeker indien deze niet nader omschreven is. Zonder zijn weerwoord straks, neem ik voetstoots aan dat deze minister die opvatting deelt.

Ten vijfde "gelijk speelveld". Het ministerie van Economische Zaken. Landbouw en Innovatie maakt veelvuldig gebruik van de term gelijk of ongelijk speelveld. Dit maakt de terminologische wirwar nog groter dan die al is. Op onze vraag hiernaar stelt de regering in de nadere memorie, ik citeer verkort weergegeven: "De term 'gelijk speelveld' is … gebruikt als metafoor. In feite wordt er hetzelfde mee bedoeld als met 'gelijke concurrentieverhoudingen' voor zover het erom gaat de mogelijke bevoordeling van overheden … weg te nemen." De filosoof Hegel wees er al op dat metaforen bij begripsmatige kwesties armoede betuigen en vermeden moeten worden. Hier wordt weer eens duidelijk waarom. De regering – en ook de Europese Commissie – stelt veelvuldig dat een gelijk speelveld nastrevenswaardig is. Een gelijk speelveld in de zin van gelijke concurrentieverhoudingen mag dan de doelstelling van het onderhavige wetsvoorstel zijn – zo bleek uit het voorgaande punt twee – maar daar bleek ook – de regering schreef het – dat gelijke concurrentieverhoudingen geen doelstelling van de mededingingsregels in het algemeen zijn! Dus kan een gelijk speelveld voor deze regering niet algemeen nastrevenswaardig zijn.

Handelingen I 2010/11, nr. 21 - blz. 72

De heer Reuten (SP):

In het nader voorlopig verslag staat: "Onder gelijk speelveld verstaan wij hier gelijke concurrentieverhoudingen." Je kunt dus niet in zijn algemeenheid zeggen dat de doelstelling van het regeringsbeleid een gelijk speelveld is. Immers, de minister zegt dat gelijke concurrentieverhoudingen niet de doelstelling van het beleid in het algemeen zijn. Je kunt er niet omheen de termen duidelijk te definiëren. Dit is namelijk inconsistent. Je kunt niet zeggen dat gelijke concurrentieverhoudingen niet de doelstelling zijn van de Mededingingswet, terwijl een gelijk speelveld dat wel is. Immers, die zijn als identiek gedefinieerd.

Handelingen I 2010/11, nr. 21 - blz. 73

Minister Verhagen

Er wordt een nieuw element aan de Mededingingswet toegevoegd, namelijk de gelijke concurrentieverhoudingen tussen overheden die economische activiteiten verrichten, en private ondernemingen. Dat kun je een gelijk speelveld noemen. Het is een nieuw element, omdat het in de basis van de Mededingingswet niet zo voorkomt. Daarom is het expliciet als nieuw element opgenomen. Het is voldoende duidelijk wat wij wensen. Een extra verduidelijking vindt niet plaats. Als wij te zeer gaan afwijken van hetgeen in Europees verband gebruikelijk is – daarop is onze nationale mededingingspraktijk gebaseerd – dan maken wij het eerder onduidelijker dan duidelijker. Waar het expliciet nodig is, hebben wij het nieuwe element toegevoegd. Als wij echter van de weeromstuit alles op een andere wijze gaan formuleren dan in het Europese recht gebruikelijk, dan creëren wij meer onduidelijkheden dan duidelijkheden. Ik zie dus geen aanleiding voor een algehele herziening van de terminologie. Voor zover het in mijn vermogen ligt, zal ik het gebruik van ondubbelzinnige terminologie op het terrein van mededingingswetgeving bevorderen.

Handelingen I 2010-2011, nr. 21 - blz. 77

Minister Verhagen

Ik ben zeer blij dat de geachte senator Reuten zeer nadrukkelijk stelt dat over de uitgangspunten en de bedoeling geen verschil van mening bestaat. Ik heb hem ook toegezegd dat ik graag, los van de stappen die moeten voorkomen dat we wederom een aflaat moeten gaan verwerven, ook in de toekomst probeer om ondubbelzinnig te zijn wat het woordgebruik betreft. De heer Reuten heeft gevraagd om een notitie over de terminologie om daarover de discussie te kunnen voortzetten. Nu ben ik best bereid om privé, buiten deze Kamer, met de heer Reuten nog eens een debat te houden over de terminologie. Op zichzelf intrigeert mij dat ook als ik eerlijk ben. Maar wanneer ik als minister, gelet op de taakstelling van het aantal reorganisaties dat ik moet doorvoeren binnen het ministerie en gelet op het aantal ambtenaren dat bij de bezuinigingen betrokken is, nu opdracht ga geven om zo'n notitie van de zijde van het ministerie voor te bereiden, komen wij daar volgens mij niet echt verder mee, althans, in dit debat. Dit is namelijk een academische discussie, waar ik op zichzelf echt wel door getriggerd ben en die mij ook wel intrigeert. Maar ik heb al eerder gezegd dat juist het mededingingsrecht ook op Europees recht is gebaseerd, waardoor het in de praktijk eerder onduidelijkheid met zich meebrengt dan duidelijkheid, waarom het ons beiden zou gaan. In de nadere memorie van antwoord is hierop uitvoerig ingegaan. Ik denk dat een extra notitie daaraan niets toevoegt, los even van ons gezamenlijke debat. Mocht ik na dat debat, waartoe ik de heer Reuten graag uitnodig, dat wij in de koffiekamer of op een andere plaats kunnen voeren, dan toch tot de overtuiging komen dat er veel meer in zit en dat er veel meer mogelijk is dan ik hier nu zo schets, dan ben ik alsnog bereid om het ministerie toch opdracht te geven om die wijzigingen voor te bereiden. Ik wil zo ondubbelzinnig mogelijk zijn. Als ik echt ondubbelzinnig ben, moet ik nu zeggen: nee, ik kan die notitie niet toezeggen.

Handelingen I 2010-2011, nr. 21 - blz. 77

De heer Reuten (SP)

Kunt u dan toch nog iets zeggen over het punt dat je over de onduidelijkheden die in wetten staan, tegen de rechter zegt: zoeken jullie het maar uit? Moeten wij niet zorgen voor een kwaliteit van wetten waardoor mensen zo min mogelijk naar de rechter gaan? Het kan dan misschien twee fte op uw ministerie kosten. Nee, die notitie kost u geen twee fte, het kost één fte misschien een maand. Gaat u dan eens bespreken met uw collega van Justitie hoeveel gerechtelijke procedures dit dan scheelt. Daarmee kun je ontzettend veel geld verdienen. Dus u maakt een notitie en dan heb je honderden procedures minder. Dat scheelt wat aan geld en beslag op de rechterlijke macht!

Handelingen I 2010-2011, nr. 21 - blz. 77

Minister Verhagen

Het probleem is nu juist dat we het over de veronderstelling niet eens zijn. Ik ben het wel volledig met u eens dat de wetgever duidelijk moet zijn en zo min mogelijk onduidelijkheid moet overlaten, juist omdat je anders hele discussies krijgt over de interpretatie, over de uitspraken van de rechter. Vandaar ook dat wij hetgeen hier gewisseld wordt bij de totstandkoming van een wet en bij de wetsgeschiedenis meenemen in de vraag wat er nu wordt bedoeld is. Op het moment dat de wetgever zo duidelijk mogelijk kan zijn, ben ik het van harte met u eens dat wij dat moeten nastreven.

Maar indien wij nu een terminologie zouden gebruiken die overeenkomt met hetgeen nu gezegd wordt, namelijk dat daarmee juridische procedures kunnen worden voorkomen, deel ik die veronderstelling niet. Dat heeft onder andere te maken met het feit dat juist het woordgebruik – of het nu om concurrentie of mededinging gaat – is gebaseerd op Europese mededinging. Gaan wij nu een andere terminologie hanteren dan die welke in de rechtspraktijk wordt gehanteerd, dan creëren wij eerder meer procedures en meer onduidelijkheid dan duidelijkheid. Dat is de veronderstelling. Die kan fout zijn, maar dat is het verschil van opvatting tussen ons beiden.

Handelingen I 2010-2011, nr. 21 - blz. 77

De heer Reuten (SP)

Daar voeg ik nog een punt aan toe. Ik vind dat Brussel ook duidelijker moet zijn.

Handelingen I 2010-2011, nr. 21 - blz. 77

Minister Verhagen

Goed. Dan gaan wij daar beginnen. Ik zal mijn collega van Justitie daarop aanspreken. Als ik deelneem aan de concurrentieraad, zal ik daartoe uiteraard ook zelf een poging doen.


Brondocumenten


Historie

  • 17 november 2011
    nieuwe status: voldaan
    Voortgang:
    documenten:
  • 7 juni 2011
    nieuwe commissie: commissie voor Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (EL&I)
  • 7 juni 2011
    commissie vervallen: commissie voor Economische Zaken (EZ)
  • 22 maart 2011
    nieuwe status: openstaand
  • 22 maart 2011
    toezegging gedaan