Naar hoofdinhoud Naar hoofdnavigatiemenu
T01714

Toezegging Publieksvoorlichting over EU en faciliteren kennismaken studenten aan Europese instellingen (33.551)



De Minister van Buitenlandse Zaken zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid De Vries (PvdA), toe de Kamer te informeren over hoe bestaande publieksvoorlichting over de EU de burger beter kan bereiken en hoe het kennismaken van studenten en stagiaires met Europese instellingen kan worden gefaciliteerd. 


Kerngegevens

Nummer T01714
Status afgevoerd
Datum toezegging 16 april 2013
Deadline 1 januari 2014
Verantwoordelijke(n) Minister van Buitenlandse Zaken
Kamerleden prof.mr. K.G. de Vries (PvdA)
Commissie commissie voor Europese Zaken (EUZA)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen EU
voorlichting
Kamerstukken Staat van de Europese Unie 2013 (33.551)


Uit de stukken

Handelingen I 2012-2013, nr. 24 - blz. 19

De heer De Vries (PvdA): Onlangs bracht een delegatie uit deze Kamer een bezoek aan vertegenwoordigers van de Europese instellingen in Brussel. Het zou overigens goed zijn als alle volksvertegenwoordigers dat met regelmaat zouden kunnen doen. Dat geldt ook voor anderen. Als hoogleraar in Nijmegen kon ik constateren dat een bezoek van studenten aan Straatsburg vele malen leerzamer was dan het volgen van een aantal hoorcolleges. Goede voorlichting over Europa is ook van enorme betekenis. Het vorige kabinet heeft de ondersteuning van publieksvoorlichting over Europa afgeschaft. Kortzichtiger kon het haast niet. Wil de regering zich nog eens bezinnen op het faciliteren van bezoeken aan internationale instellingen en het ondersteunen van goede publieksvoorlichting?

Handelingen I 2012-2013, nr. 24 - blz. 23

[...]

De heer De Vries (PvdA):

De heer De Graaff gebruikt het woord "verdiensten". Daarover heb ik helemaal niet nagedacht. Ik spreek vooral over het fenomeen dat onbekend ook onbemind maakt en dat het voor mensen heel moeilijk is om over iets te spreken waarvan zij geen directe kennis hebben. Daarom noemde ik het voorbeeld van studenten die naar instellingen gaan en plotseling in drie dagen erachter komen wat er allemaal gebeurt en aan de orde is. Ook tijdens ons laatste bezoek aan Brussel was het volstrekt duidelijk dat alle leden van de delegatie – ik meen ook leden van de PVV-fractie – zeiden dat het toch interessant en leerzaam is om ter plekke te zien wat er gebeurt, waarmee men bezig is en waarover men spreekt. De pers moet schrijven waarover hij wil. Wat mij altijd verbaast bij de pers, is dat wij hier in Nieuwspoort zo veel journalisten hebben die het werk op het Binnenhof van seconde tot seconde volgen, maar dat men nog niet helemaal de slag heeft gemaakt naar Europa. Dat is een keuze die men zelf maakt. Op enig moment zal veel van het nieuws gecovered worden door niet 1 of 2 of 10 journalisten uit Nederland, maar misschien wel door 100 journalisten die in Brussel zitten en de besluitvorming daar volgen. Dat is helemaal aan de pers. Van de regering zou ik willen dat zij probeert om in alle objectiviteit voorlichting te geven over de instellingen, wat zij doen, waar zij staan en waarom zij in Brussel zitten en niet in Straatsburg bij de Raad van Europa. Het verbaasde mij dat zelfs studenten die met hun masteropleiding bezig zijn, soms helemaal geen idee hebben wat het verschil is tussen het Hof van Justitie in Luxemburg en het Europese Hof voor de Rechten van de Mens. Met die dingen moeten wij langzamerhand vertrouwd raken. Dat moet je in ieder geval weten, anders kun je er nooit een zinnig verhaal over vertellen.

De heer Marcel de Graaff (PVV):

Natuurlijk begrijp ik wat de heer De Vries hier zegt. Een stuk beeldvorming en algemene basiskennis over hoe Europa functioneert, zou je graag bij elke burger zien. Maar in hoeverre de Europese instituten binnen hun mandaat, dus binnen hun vanuit subsidiariteitsperspectief vastgestelde grenzen blijven, zal keer op keer kritisch moeten worden bekeken. Ik zie daar een rol weggelegd voor de nationale parlementen en de nationale pers. Hoe staat de heer De Vries tegenover een voorstel van de Commissie dat in wezen lijkt op persbreidel?

De heer De Vries (PvdA):

Ik ben altijd tegen persbreidel. U noemde de nationale regeringen niet. We spreken met deze minister, en ik zou willen dat men op zijn departement eens bekijkt of het wenselijk is om basale informatie over Europa beschikbaar te maken voor mensen en of het mogelijk is om hoogleraren, studenten en anderen die over Europa moeten nadenken, de kans te geven te zien wat daar gebeurt. Ik noemde daarbij de ervaringen van een delegatie uit deze Kamer, die constateert dat het altijd weer boeiend is om te zien wat er ter plekke gebeurt, en daaraan veel kennis ontleent over de manier waarop wordt gewerkt en nagedacht. Als de heer De Graaff mij zou willen steunen, zou ik hem zeer erkentelijk zijn.

Handelingen I 2012-2013, nr. 24 - blz. 51-53

Minister Timmermans: Ik geef nog even een laatste reflectie hierop. De sterkste campagne was die waarin de mensen de vraag werd gesteld: weet je wel waar je ja tegen zegt? En dan begrijp ik ook de uitkomst. Dat was een goede campagne. Ja. Dat is voor mij ook een heel belangrijke les geweest. Je moet mensen wel iets voorleggen, maar tegelijkertijd ook hebben geregeld dat ze weten waar ze ja of nee tegen zeggen. Dat hadden we dus niet gedaan. Dat punt heeft ook de heer De Vries gemaakt in zijn betoog. Laat ik het zo formuleren: er is een enorm pedagogisch tekort ten aanzien van de betekenis van de Europese samenwerking. Terecht zei een van de leden – vergeef me dat ik niet meer weet wie, misschien de heer De Graaf, sorry – dat er jarenlang, decennialang geen aandacht voor was omdat het toch allemaal wel goed ging: laat maar lopen, het interesseert ons niet, het gaat wel goed. Dan slaat het om in: het gaat allemaal slecht. Dan zeggen de mensen: het interesseert ons niet, het gaat ons slecht, wij zeggen "nee". Misschien is het ook wel een heel belangrijk democratisch deficit dat wij als samenleving eigenlijk niet weten waarover wij spreken en oordelen. Wij hebben alleen het gevoel dat het niet goed zit, terwijl wij decennia lang het gevoel hadden dat het wel goed zat. Beide zijn in een democratie geen gezonde houding. De heer De Vries heeft gelijk. Ook van mijn kant zal er een grotere inspanning moeten komen om te proberen dat weer wat op te krikken.

De informatie is er vaak wel. Het is niet zo dat wij die informatie allemaal moeten maken. De toegankelijkheid van de informatie is echter onvoldoende geregeld. Ik moet er nog over nadenken, maar ik denk dat ik mij ga inspannen – ik kom daarop bij de Kamer terug – om een netwerk van academici te creëren, waarin wij de ontsluiting van wat er is, kunnen bevorderen. Wij hebben daarvoor tegenwoordig met het internet betere methoden. Ik wil mij daarover ook met Europese instellingen verstaan.

[...]

De heer De Vries (PvdA):

De minister hangt deze brainstorm op aan een suggestie die ik heb gedaan, namelijk om wat meer te doen aan het bekend maken van de bevolking met informatie. Ik weet niet of deze lijst van studies daarin een cruciaal element is. Ik sprak over publieksvoorlichting en over het faciliteren van het bezoeken van geïnteresseerde Nederlanders aan instellingen. Er hoeft vandaag geen concluderend antwoord te komen, maar ik zou het wel op prijs stellen als de minister over enige tijd zijn gedachten daarover aan deze Kamer zou willen voorleggen.

Minister Timmermans:

Dat wil ik graag doen. Alle publieksvoorlichting is beschikbaar gemaakt. Ik heb zelf toen ik staatssecretaris was samen met onderwijsinstellingen materiaal over de Europese Unie ontwikkeld en dat kan worden gebruikt. Wij moeten kijken waarom dat materiaal de mensen niet bereikt, waarom er zo veel mensen zijn die die kennis niet tot zich nemen, waarom er zo weinig wordt gereisd door studenten. Dat is overigens ook een zorg die ik had toen ik hoogleraar was. De vakantiereizen van studenten nemen toe, maar de studieperioden in het buitenland lijken vanuit Nederland af te nemen. Dat is een punt van zorg. Ik wil graag op die punten de heer De Vries tegemoetkomen en kijken wat wij kunnen doen.

De heer De Vries (PvdA):

Ik refereer nadrukkelijk aan het feit dat de heer Knapen ons indertijd kond heeft gedaan van het afkappen van activiteiten op dit gebied. Dat is dus geweest nadat de minister staatssecretaris was. Wij hebben een korte tijd gehad waarin wij studenten konden faciliteren om bijvoorbeeld naar de Raad van Europa te gaan voor belachelijk lage bedragen, ook in deze tijd. Dat is ook afgelopen. Er zal moeten worden nagedacht over een manier om dit structureel op te zetten. Ik zie dat graag tegemoet.

Minister Timmermans:

Ik herhaal dat het maken van materiaal niet meer nodig is. Het is er allemaal. Wij moeten zorgen dat het materiaal mensen bereikt en daarbij kan ik wel behulpzaam zijn. Ik wil nog iets toevoegen aan wat de heer De Vries zegt. Mede gedwongen door budgettaire krapte zet ik in mijn apparaat steeds meer studenten en stagiaires in, ook in de Raad van Europa en ook op andere plekken bij de PV EU. De kwaliteit die zij leveren is hoog en bovendien is het effect op hen van het kennismaken met de instellingen groot. Zij gaan vervolgens hun maatschappelijke carrière elders voortzetten. Ik zal er graag naar kijken. 


Brondocumenten


Historie