T04125

Toezegging Kamer informeren over toekomst Wet drempelverlaging omgang grootouders (36.364)



De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid zegt de Kamer, naar aanleiding van vragen van de leden Dittrich (D66), Janssen (SP), Van Gasteren (BBB), Van Rooijen (50PLUS), Van Toorenburg (CDA) en Vogels (VVD), toe dat zij zich zo spoedig mogelijk in de ministerraad zal beraden op de toekomst van dit wetsvoorstel en de Kamer hierover uiterlijk binnen vier weken per brief zal informeren. Als het wetsvoorstel wordt ingetrokkenen zal zij tevens in een afzonderlijke brief aangeven op welke alternatieve wijze en op welke termijn zij uitvoering wil geven aan de Motie van het lid Van Toorenburg c.s. (Kamerstukken II , 2020/21, 31 265, nr. 87) en daarbij ingaan op de tijdens het debat gemaakte inhoudelijke opmerkingen, waaronder die met betrekking tot internationale adviezen.


Kerngegevens

Nummer T04125
Status openstaand
Datum toezegging 10 maart 2026
Deadline 1 juli 2026
Verantwoordelijke(n) Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
Commissie commissie voor Justitie en Veiligheid (J&V)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen aanhouden
grootouders
intrekken
omgangsregelingen
Kamerstukken Wet drempelverlaging omgang grootouders (36.364)


Uit de stukken

Handelingen I 2025/26, nr. 20, item 7

Staatssecretaris Van Bruggen:

“(…) ik verzoek uw Kamer om de behandeling van het wetsvoorstel aan te houden voor een periode van maximaal drie maanden. Dit stelt mij in de gelegenheid om me binnen de ministerraad te beraden op de toekomst van het wetsvoorstel. Ik zal daar pleiten voor de intrekking van dit wetsvoorstel. Ik bericht uw Kamer graag zodra ik meer zicht heb op dat besluit.”

(…)

De heer Van Rooijen (50PLUS):

“(…) De staatssecretaris gaat terug naar de ministerraad en wil drie maanden de tijd nemen om zich goed te kunnen beraden, maar ze zegt eigenlijk ook dat ze gaat voorstellen om het wetsvoorstel in te trekken, zoals ik het begrepen heb. Kan dit dan niet ten spoedigste naar de ministerraad, zodat we zo snel mogelijk horen of u dat voorstel in de ministerraad heeft gedaan en wat deze daarover heeft geoordeeld?”

Staatssecretaris Van Bruggen:

“Ik heb met de drie maanden willen aangeven dat ik er zo snel mogelijk, uiterlijk voor de zomer, op wil terugkomen bij u. "Ten spoedigste" is voor mij ook de definitie hiervan. Wat mij betreft staat dit bij de eerstvolgende ministerraad op de agenda en nemen we hier een besluit over. Ik heb mijn standpunt daarin meegegeven.”

(…)

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

“Als de staatssecretaris de tijd wil gebruiken om op een andere manier tegemoet te komen aan de aangenomen motie in de Tweede Kamer om de drempel te verlagen en ervoor te zorgen dat grootouders toegang kunnen hebben tot omgang met hun kleinkinderen, dan ben ik daar benieuwd naar. (…)”

(…)

De heer Janssen (SP):

“(…) [ik] begrijp (…) ook heel goed wat mevrouw Van Toorenburg zegt. Het is ook goed dat de staatssecretaris dat helder aangeeft. De drie maanden vallen mij alleen wel een beetje rauw op het dak als erg lang, gelet op de manier waarop de staatssecretaris zich nu uit. Ik zou toch voor het volgende willen pleiten. Ik zou de staatssecretaris aan willen moedigen om het zo snel mogelijk te doen en om dan, als het wetsvoorstel wordt ingetrokken, in het bericht aan onze Kamer ook meteen even iets mee te nemen in de zin van "we gaan ermee aan de slag om te kijken wat er eventueel wel mogelijk zou zijn" en aan te geven op welke termijn dat zou kunnen zijn. Daarmee kan zij immers tegemoetkomen aan de zorgen van degenen die zeggen: ja, maar als dit het niet is, wat dan wel? Ik denk dat dit wellicht een faire route zou kunnen zijn als het kabinet besluit om hier niet mee verder te gaan.”

De voorzitter:

“(…) Wie kan leven met het voorstel van de staatssecretaris om op dit moment de behandeling van het wetsvoorstel aan te houden? Ik ga even de handen tellen. Dat lijkt op een zeer ruime meerderheid. Dan zijn wij het eens met uw voorstel.

Dan ligt vervolgens de vraag voor of dit drie maanden moet duren. Bent u in staat om dat sneller te doen dan drie maanden? Ik zie u knikken.”

Staatssecretaris Van Bruggen:

“Ja, daar ben ik toe in staat. Ik denk dat het een mooi voorstel is van in dit geval de SP, die aangeeft: "Kom in de brief terug op de uitvoering van de motie. Zijn er mogelijkheden om deze positie wel te versterken? Kom niet met een aangepast wetsvoorstel in deze vorm. Dat moet ook duidelijk zijn." Maar we moeten echt wel goed kijken naar hoe we dit het beste tot uitvoering kunnen brengen. Ik zal dat meenemen in de brief die naar u gaat.”

De voorzitter:

“Dank u wel. Wij hebben dus besloten om de behandeling nu aan te houden. U heeft beloofd: dat ga ik zo snel mogelijk doen en daarbij zal ik ook ingaan op het verzoek dat in de motie is neergelegd.”

(…)

Mevrouw Vogels (VVD):

“Ik sluit mij van harte aan bij de woorden van collega Van Toorenburg dat het staatsrecht ons allemaal na aan het hart ligt, maar ik maak van de gelegenheid gebruik om op te merken dat de motie die destijds is aangenomen door de Twééde Kamer. Ik weet niet wat u allemaal in die brief wil gaan optekenen, maar mijn verzoek is in ieder geval om dat niet zonder medewerking van die Tweede Kamer te doen, want daar ligt het primaat van de politiek.”

De heer Dittrich (D66):

“De meerderheid heeft dus op verzoek van de staatssecretaris besloten dat we het gaan aanhouden, dus we houden geen tweede termijn. Daarom stel ik de volgende vraag. In mijn eerste termijn heb ik het over internationale adviezen gehad: het Verdrag van Istanbul, de Commissie van Venetië. Die commissie heeft gezegd: Nederland, je moet de positie van grootouders versterken. Mijn vraag is uiteindelijk: wilt u dat, samen met de antwoorden op alle andere nog niet beantwoorde vragen, dan ook opnemen in de brief die u aan de Eerste Kamer gaat sturen?”

Staatssecretaris Van Bruggen:

“Met dat laatste moet de heer Dittrich mij dan even helpen, maar vooral het eerste komt mooi samen met de oproep die mevrouw Vogels net deed, omdat de motie in de Tweede Kamer is aangenomen. Ik hoor ook de vragen, ik hoor ook wat er gezegd is over internationaal onderzoek en over de oproep die op dat moment in de Tweede Kamer gedaan is. Dat betekent dat ik daar in de brief ook in zijn algemeenheid op terug zal komen en dit onderdeel daar ook in mee zal nemen.”

(…)

De heer Van Gasteren (BBB):

“(…) kunt u toezeggen dat die brief in ieder geval niet zo gaat luiden dat er staat: ja, we trekken het in met deze mitsen en deze maren en dan moeten we dit onderzoeken? Dan zouden die drie maanden, als het om drie maanden gaat, immers zodanig worden overschreden dat we hier over een jaar nog staan. Dan zou ik liever volgende week na een tweede ronde gaan stemmen.”

Staatssecretaris Van Bruggen:

“(…) Kijk, de volgorde der dingen is dat het nu wordt aangehouden in uw Kamer, dat ik naar de ministerraad ga en dat we daar gaan bespreken hoe we met dit wetsvoorstel omgaan. Dat is volgens mij wat ik hier nu kan toezeggen. Het kan natuurlijk nooit de bedoeling zijn dat we met elkaar een hele lange brief met allerlei aanvullende onderzoeken gaan optuigen. Tegelijkertijd hoor ik de zorgen die ook in deze Kamer geuit zijn. Daar zal ik op een zorgvuldige manier bij u op terugkomen.”

De voorzitter:

“Dank u wel. Ik heb gehoord dat u eigenlijk in twee delen gaat antwoorden. Het eerste deel, de uitkomst van het gesprek dat u heeft met de ministerraad, kan sneller. Dat kan wellicht sneller dan drie maanden; misschien kan dat wel over vier weken. Laten we dat dan afspreken. Heb ik goed begrepen dat het andere deel, dat betrekking heeft op de inhoudelijke punten die hier zijn gemaakt en ook op een reactie op de motie die in de Tweede Kamer is aangenomen, u drie maanden gaat kosten?”

Staatssecretaris Van Bruggen:

“Daar ga ik op voorhand niet van uit, voorzitter, want ik heb ook mevrouw Van Toorenburg gehoord. Dat moet zorgvuldig, maar ik geloof niet dat dat per se veel langer hoeft te duren. Laten we hier dus goed naar kijken. Als blijkt dat de brief niet tegemoetkomt aan een goede inhoudelijke beantwoording, deel ik 'm in tweeën. Anders maakt één brief onderdeel uit van de beantwoording van de vragen die hier zijn gesteld plus het vervolg van dit wetsvoorstel.”

De voorzitter:

“Dus wij krijgen twee brieven. De eerste brief betreft de uitslag van de ministerraad. Voor de tweede brief kunnen we nu geen termijn stellen, omdat die misschien nog wat uitzoekwerk vergt, maar ik neem aan dat deze Kamer u daar ook aan zal herinneren; dat geldt zeker voor mevrouw Van Toorenburg.”


Brondocumenten


Historie

  • 10 maart 2026
    toezegging gedaan