Verslag van de vergadering van 19 mei 2026 (2025/2026 nr. 29)
Aanvang: 9.32 uur
Status: ongecorrigeerd
Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.
Aan de orde is de behandeling van:
-
-het wetsvoorstel Wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 en enkele andere wetten in verband met de uitvoering en implementatie van het EU-Asiel- en migratiepact 2026 (Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026) (36871).
De voorzitter:
Aan de orde is de behandeling van het wetsvoorstel 36871, Wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 en enkele andere wetten in verband met de uitvoering en implementatie van het EU-Asiel- en migratiepact 2026 (Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026).
De beraadslaging wordt geopend.
De voorzitter:
Ik geef het woord aan mevrouw Thijssen van GroenLinks-PvdA.
Mevrouw Thijssen i (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel, voorzitter. Voordat ik inga op het Migratiepact wil mijn fractie eerst stilstaan bij de gebeurtenissen in Loosdrecht afgelopen week. De gewelddadige rellen rond de komst van een asielzoekerscentrum hebben namelijk diepe indruk op ons gemaakt, maar ook op de stille meerderheid van Nederland. Intimidatie, brandstichting en hulpverleners de toegang blokkeren hebben niks met protest en demonstratierecht te maken; dat is volstrekt onacceptabel. Mijn vraag is niet alleen of de minister deze gebeurtenissen ondubbelzinnig veroordeelt, ik wil ook horen welke acties hij onderneemt om toekomstige gewelddadigheden tegen azc's te voorkomen. Ziet de minister dat voortdurende politieke escalatie, het ophitsen en het structureel neerzetten van migratie als crisis het risico vergroten dat maatschappelijke spanningen verder ontsporen? Graag een reactie.
Voorzitter. Onze partij is altijd een voorstander geweest van een Europees migratiepact dat zorgt voor snelle en zorgvuldige procedures aan de buitengrens, voor effectieve terugkeer van wie veilig terug kan en voor een evenredige verdeling tussen de lidstaten van wie kansrijk is. We zijn altijd voor een migratiepact geweest dat vergaande harmonisatie van Europese asiel- en migratiewetgeving organiseert met respect voor het Vluchtelingenverdrag, voor mensenrechten en ook voor medemenselijkheid. Wat ons betreft is de kernvraag van vandaag: wordt de beoogde harmonisatie, solidariteit en effectiviteit daadwerkelijk bereikt met het omvangrijke pakket dat vandaag voorligt?
Ik wil vandaag een soort doelmatigheidstoets voorhouden. Daarnaast heeft mijn fractie vanzelfsprekend ook de uitvoerings- en implementatiewet bekeken door de lens van de andere toetsen die in dit huis ons handelen bepalen. Daarbij ga ik kijken naar de rechtmatigheid: voldoet het pact aan internationale verdragen en wordt de rechtsbescherming van vluchtelingen, en in het bijzonder van kinderen, geborgd? Ik ga ook kijken naar de uitvoerbaarheid: zijn de uitvoerende organisaties in de asiel- en migratieketen voldoende toegerust om de grootste stelselwijziging in 25 jaar tijd goed te kunnen implementeren?
Dit leidt tot de volgende opbouw van mijn betoog. Ik zal eerst gaan stilstaan bij de beoogde doelen van het pact, dus harmonisatie en solidariteit. Daarna ga ik in op twee inhoudelijke punten die raken aan de rechtmatigheidstoets, namelijk gezinshereniging en kinderdetentie. Ik rond af met de vraag of de uitvoerende partijen in de asielketen klaar zijn voor de inwerkingtreding van het pact op 12 juni aanstaande.
Voorzitter. Ik zal beginnen met de hoofddoelen van het Migratiepact, namelijk harmonisatie van het Europese asielsysteem. Dat is een van de doelen. Voor ons is dit altijd een van de belangrijkste redenen geweest om voor een migratiepact te zijn, want voor een vraagstuk dat letterlijk en figuurlijk grensoverschrijdend is, is Europese samenwerking een noodzakelijke voorwaarde om te komen tot een rechtvaardig, effectief en ook duurzaam systeem. Maar in de gekozen opzet van dit Migratiepact wordt het idee van standaardisering eigenlijk al direct op de proef gesteld. Lidstaten krijgen namelijk ruime mogelijkheden om binnen bandbreedtes eigen keuzes te maken, waardoor verschillen blijven bestaan en zelfs kunnen worden vergroot. Nederland maakt binnen deze bandbreedtes veelal de keuze voor een contraproductieve invulling.
In december 2024 schreef toenmalig minister Faber het volgende. "Waar de verordeningen nog ruimte laten voor nationale keuzes, of met het oog op nadere invulling van de regels, kiest het kabinet voor een stringente interpretatie van de Unieregels. Zoals opgenomen in het regeerprogramma is het richtpunt van het kabinet dat Nederland structureel zal behoren tot de categorie lidstaten met de strengste toelatingsregels in de EU, en worden de asielprocedures verkort en versoberd tot het Europese minimum." Nederland positioneert zich hiermee in de Europese kopgroep van lidstaten die hardvochtig implementeren en daarmee wordt dus afgeweken van een evenwichtige Europese middenkoers.
Nederland heeft hierbovenop ook nog allemaal aanvullende nationale maatregelen opgenomen die juist niet voortvloeien uit de Europese verplichtingen en waarvan de rechtmatigheid en de uitvoerbaarheid ook nog eens twijfelachtig zijn. Ik denk hierbij aan maatregelen die gezinshereniging beperken, aan mogelijkheden om kinderen in detentie te stoppen en het afschaffen van de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Ik zal zo inhoudelijk ingaan op deze punten, maar voor nu mag het duidelijk zijn dat dit soort nationale koppen met het doel om harmonisatie te bespoedigen dit doel juist ondergraven.
Nederland gebruikt het Europese project dus voor het eigenbelang in plaats van het te benutten voor het gezamenlijke belang binnen de Europese Unie. Hoewel in algemene zin duidelijk mag zijn dat ruime bandbreedtes en nationale koppen niet voor harmonisatie zorgen, had ik in de voorbereiding op dit debat behoefte gehad aan een verfijnder beeld van de mate waarin Europese standaardisering plaatsvindt en hoe Nederland zich hierbinnen positioneert. Ik heb in de schriftelijke vragenronde daarom gevraagd om een volledige tabel op te nemen waarmee per lidstaat inzichtelijk wordt gemaakt in hoeverre nou van die bandbreedtes gebruik wordt gemaakt en in hoeverre daar nog nationale koppen bovenop worden gezet. Ik heb ook gevraagd om extra te kijken hoe zich dat verhoudt tot de punten die ik net noemde, zoals snelle procedures, kinderrechten en gezinshereniging.
Ik heb die tabel niet gekregen. Dat komt omdat die niet beschikbaar was. Ik snap dat de beantwoordingstermijn te kort was om dat zelf te gaan uitzoeken. Het is natuurlijk verleidelijk om hier nu een heel groot verhaal te houden over hoe dit hele wetgevingsproces is verlopen, dat er inderdaad te weinig tijd was voor een zorgvuldige behandeling en dat het ook een rommelig proces was vanwege al die interfererende wetten, maar dat ga ik niet doen. Ik wil wel alsnog vragen om die tabel te overhandigen. Als dat niet op korte termijn kan, dan houd ik daar interesse in, ook als dit pact mogelijk zal worden aangenomen volgende week.
Voorzitter. Naast harmonisatie was er voor mijn partij altijd een tweede reden om voorstander te zijn, namelijk de erkenning dat er een gezamenlijke verantwoordelijkheid bij de lidstaten ligt om het grensoverstijgende fenomeen migratie in goede banen te leiden. Aangezien sommige landen door hun ligging behoorlijk in de wind staan, meer dan andere, vindt onze fractie de verplichting tot het bieden van solidariteit binnen de asiel- en migratiebeheerverordening van grote toegevoegde waarde. Dankzij deze verordening komt er namelijk een solidariteitsmechanisme en dat is nodig om migratie op een goede en eerlijke manier op ons continent te kunnen verdelen.
Maar solidariteit is niet alleen binnen migratie van belang. Juist in deze geopolitiek woelige tijd is Europese solidariteit van levensbelang. Een sterk Europa kan alleen bestaan als lidstaten bereid zijn om elkaar ook op moeilijke dossiers vast te houden. Solidariteit is geen vrijblijvende keuze die alleen geldt wanneer het politiek goed uitkomt. Als lidstaten zich op zo'n fundamenteel onderwerp als migratie niet solidair opstellen, dan werkt dat onvermijdelijk door op andere dossiers waarin wederzijdse solidariteit cruciaal is. Ik denk dan bijvoorbeeld aan veiligheid, defensie en economische stabiliteit. Ook daarom is het dus zorgelijk dat Nederland er bij het migratievraagstuk voor kiest om de solidariteit af te kopen, terwijl de Europese Commissie zelf stelt dat de migratiedruk daarvoor helemaal niet hoog genoeg is. Hier zien we dat Nederland voor een eigen interpretatie en een eigen invulling kiest. Dit ondermijnt de doelen van het oorspronkelijke pact.
Ik heb twee vragen over dit solidariteitsmechanisme. Allereerst, de minister verwacht dat de instroom in Nederland door alle migratiemaatregelen gaat afnemen, al weten we dat niet zeker. De vraag is: bij welke instroom vindt de minister het geoorloofd om te stoppen met de afkoop? Dan mijn tweede vraag. Is de minister van mening dat de afkoop ondermijnend werkt voor het doel van meer Europese solidariteit en gedeelde verantwoordelijkheid? Zo ja, bij hoeveel lidstaten die kiezen voor afkoop, valt het solidariteitsmechanisme ineen?
Dan ga ik over naar de rechtmatigheidstoets. Ik startte mijn betoog met het feit dat wij altijd voor een migratiepact zijn geweest, waarbij maatregelen het Vluchtelingenverdrag, mensenrechten en medemenselijkheid respecteren. Toen de fracties van GroenLinks en de PvdA in het Europees Parlement over het Migratiepact stemden, waren we eigenlijk best wel tevreden over verschillende onderdelen van dit grote pact, bijvoorbeeld de hervestigingsverordening. Die regelt namelijk dat er veilige, legale routes voor kwetsbare vluchtelingen worden gestimuleerd. Dat is nodig tegen het verdienmodel van mensensmokkelaars en het zorgt er hopelijk ook voor dat minder mensen de oversteek wagen in gammele bootjes.
Er waren ook onderdelen binnen het pact waar onze fracties destijds meer moeite mee hadden. We zijn bijvoorbeeld nooit voorstander geweest van de asielprocedureverordening. Daarin zit namelijk een verplichte asiel- en terugkeergrensprocedure, die ervoor kan zorgen dat gezinnen met kinderen systematisch en langdurig worden vastgezet aan de buitengrenzen. Ook met de Eurodacverordening hebben we altijd moeite gehad. Die verhoudt zich ook slecht tot kinderrechten, want de leeftijd voor biometrische gegevensverzameling wordt hierin verlaagd van 14 naar 6 jaar. Bovendien kunnen straks gegevens ook gebruikt worden door politie en justitie voor opsporingsdoeleinden, zonder dat er sprake is van concrete verdenkingen of van een strafrechtelijke veroordeling.
Mijn vraag is: verschuift de database dan niet van een asielinstrument naar een bredere opsporingsdatabase? Daarmee zou namelijk het punt verzwakt worden dat het Europese Eurodacdatasysteem het doel heeft om samen verantwoordelijkheid te nemen voor het behandelen van asielaanvragen en te kijken welk land die verantwoordelijkheid dan ook op zich moet nemen. Is hier niet eigenlijk gewoon sprake van doelverschuiving? Mijn concrete vraag is: kan de minister ingaan op de vraag of hier sprake is van een doelverschuiving of van function creep?
Dan is er ook nog een derde onderdeel waar onze fracties nooit heel gelukkig mee zijn geweest, namelijk de Crisisverordening. Grensprocedures kunnen in tijden van crisis namelijk heel erg lang duren. Alle asielzoekers in deze procedures kunnen dan ook heel lang worden vastgezet. Wij vrezen daarom dat door deze verordening het risico toeneemt dat kansrijke asielzoekers teruggestuurd gaan worden naar landen waar zij mogelijk voor hun leven moeten vrezen.
Ik zei al dat ik de rechtmatigheidstoets wilde toepassen op vooral twee punten, namelijk gezinshereniging en kinderdetentie. Daar gaat mijn betoog nu over. Ik wil terug naar de onderdelen waar onze partij in eerste instantie wel positief over was, maar waar die positiviteit nu ver te zoeken is. In het Europees Parlement stemden de GroenLinks- en PvdA-fracties namelijk niet alleen over de asiel- en migratiebeheerverordening en de asielprocedureverordening. We hebben destijds ook voor de Opvangrichtlijn en de Kwalificatieverordening gestemd. Wij waren voor de Kwalificatieverordening, omdat die de huisvesting voor mensen die recht hebben op bescherming zou verbeteren. Een verblijfsvergunning zou sneller afgegeven worden en, heel belangrijk, het recht op een gezinsleven zou beter worden. Dat komt ook door de verplichte afgifte van vergunningen aan familieleden.
Wij waren ook altijd een voorstander van de Opvangrichtlijn. Daar hebben we ook in het Europees Parlement voor gestemd. Dat kwam door het principiële verbod dat daarin stond om kinderen in detentie onder te brengen. In deze verordening en deze richtlijn werden kinderrechten en het recht op gezinshereniging dus geborgd, maar wat zien we nu in de implementatiewetgeving gebeuren? Er is besloten om precies op deze twee onderdelen nationale koppen te zetten. Nederland kiest er dus voor dat kinderen in detentie terecht kunnen komen, en de mogelijkheid tot gezinshereniging wordt juist beperkt. Op deze twee punten doorstaat de implementatiewetgeving wat onze fractie betreft de toets op rechtmatigheid niet.
Hoe zit dit, wat is hier nou gebeurd? We zien dat de Faberwetten een plek hebben gekregen in de implementatiewetgeving van het Migratiepact. Dat is de Asielnoodmaatregelenwet, inclusief de novelle die een maand geleden in dit huis is weggestemd. Cruciale onderdelen van deze wetten zitten gewoon nog in het Migratiepact waar we vandaag de dag over spreken. Het gaat dan om zaken als het inkorten van de geldigheidsduur van een asielvergunning van vijf naar drie jaar, het afschaffen van de asielvergunning voor onbepaalde tijd en het afschaffen van de voornemenprocedure, maar het gaat dus ook nadrukkelijk om de maatregel om gezinshereniging bij nareis te beperken tot het kerngezin. Daar hebben we vier weken geleden uitvoerig over gedebatteerd en de minister zei toen, in het debat over die Faberwetten, "tegelijkertijd erken ik volmondig dat de nareisbeperkingen niet strekken uit het Europees Migratiepact". In dat debat werd ook het fabeltje eindelijk uit de lucht gehaald dat het tweestatusstelsel zoals Nederland daar invulling aan geeft, een verplichting is uit het Migratiepact.
Als het gevolg van het tweestatusstelsel wordt gezinshereniging voor nareizende gezinsleden van oorlogsvluchtelingen praktisch onmogelijk gemaakt. Met de wachttermijn van twee jaar en eisen die gesteld worden aan inkomen en huisvesting wordt de lat onbereikbaar hoog gelegd. Ik wil weten waarom het eigenlijk nuttig is om ouders en kinderen lang van elkaar te scheiden. Wat winnen we ermee als ouders de oorlog kunnen ontvluchten, maar hun kinderen moeten achterblijven? Hoe helpt het deze mensen om beter te kunnen integreren in Nederland, een van de doelen die in het regeerakkoord heel belangrijk worden gevonden? Concreet vraag ik, in navolging van de Raad van State: als er wel aan het huisvestingsvereiste en aan de inkomenstoets wordt voldaan, waarom is die wachttermijn van twee jaar dan eigenlijk nog nodig? Aan de voorwaarden voor goede integratie is daarmee immers al voldaan, wat ons betreft. Graag een reactie daarop. Mijn tweede vraag hierover is wat eigenlijk het doel is van die wachttermijn voor alleenstaande minderjarige asielzoekers. Waarom wil de minister hier zo graag aan vasthouden en hoe verhoudt zich dat dan tot het proportionaliteitsbeginsel?
We hebben de laatste weken heel veel e-mails ontvangen — die ontvangen we nog steeds — van bezorgde vluchtelingen die in Nederland verblijven. Een van die mails was van Fikret. Hij is een verpleegkundige uit Turkije die in een azc in Amsterdam verblijft. Hij schrijft dat hij opnieuw in angst leeft door de implementatiewet. Hij zegt: "Ik heb mijn aanvraag voor gezinshereniging ingediend volgens de regels die op dat moment geldig waren. Het idee dat deze regels achteraf kunnen veranderen, maakt mij diep onzeker. Mijn jongste kinderen zijn nu 12 en 15 jaar oud. Hun jeugd gaat voorbij terwijl wij gescheiden moeten leven. Als vader is het verschrikkelijk om je kinderen alleen via een scherm te zien opgroeien. Geen videogesprek kan ooit een echte omhelzing vervangen."
Fikrets constatering dat de regels achteraf kunnen veranderen, is gegrond. Voor de invoering van het tweestatusstelsel, de aanvullende nareisvoorwaarden en de beperking van de definitie van het kerngezin is immers geen overgangsrecht opgenomen. Er wordt hier gekozen voor onmiddellijke werking. Ook wie in een lopende procedure zit voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd valt vanaf 12 juni direct in het nieuwe systeem en heeft dus geen zicht meer op een vergunning voor onbepaalde tijd. Overgangsrecht wordt slechts toegepast bij reeds verleende verblijfsvergunningen asiel voor onbepaalde tijd en voor reeds gegeven voornemens. Ook voor lopende aanvragen ten aanzien van nareizende gezinsleden is dus geen overgangsrecht toegepast. Ik zei het al. Is de minister het ermee eens dat gebrek aan overgangsrecht mensen er terecht toe aanzet om een procedure te starten om de nieuwe regels niet op hen van toepassing te laten zijn? Is het dan ook niet beter om het hier niet op te laten aankomen? Rechtszaken die worden opgestart om nareisbepalingen te laten toetsen op schending van artikel 8 van het EVRM, zorgen ervoor dat de rechtsspraak verder vastloopt. In de ketenbrede uitvoeringstoets ten aanzien van nareis merken de uitvoerende organisaties immers op dat gezinsleden voor wie geen verblijfskaders meer zullen bestaan, naar verwachting zullen proberen om via artikel 8 van het EVRM in aanmerking te komen voor het verblijfsrecht. Het is hardvochtig om bij zo'n omvangrijke stelselwijziging met ingrijpende gevolgen voor de rechtsbescherming nauwelijks overgangsrecht toe te passen.
Voorzitter: Dittrich
Mevrouw Thijssen (GroenLinks-PvdA):
In de nota naar aanleiding van het verslag schrijft de minister dat een nieuwe nareisvoorwaarde uiteraard geen onaanvaardbare consequenties mag hebben voor het grondrecht op het gezinsleven. Maar vervolgens zegt hij gedecideerd "dat is ook niet zo". Maar dat weten we toch helemaal niet? Zoals de Ombudsman en de Kinderombudsman terecht constateren, is voor de Faberwetten en voor het Migratiepact geen kinderrechtentoets uitgevoerd op de maatregelen die hen raken, bijvoorbeeld op deze maatregelen van gezinshereniging en kinderdetentie.
Mijn vragen zijn daarom de volgende. Eén. Bent u bereid om alsnog een kinderrechtentoets uit te voeren op de maatregelen die minderjarigen direct raken? Twee. Bent u bereid om overgangsrecht te heroverwegen voor ten minste de lopende procedures ten aanzien van de vergunning voor onbepaald verblijf en verzoeken voor nareis bij gezinshereniging? Graag een reactie op deze twee punten.
Voorzitter. Ik ben nog niet klaar met het zorgelijke punt ten aanzien van het feit dat de deur wordt opengezet voor kinderdetentie in de grensprocedure. Waarom kiest Nederland er eigenlijk voor om totaal onschuldige kinderen in de gevangenis te stoppen? Hoe moet het dan met hun rechten, zoals het recht op onderwijs, het recht op spelen, het recht op kind zijn? Wat betekent dit voor hun zelfbeeld en voor hun latere integratie en het vertrouwen in de Nederlandse samenleving? In het verslag heb ik een aantal vragen opgenomen over het waarborgen van kinderrechten indachtig artikel 3 van het VN-Kinderrechtenverdrag en artikel 24 van het EU-Handvest. Ik lees in de stukken dat het opsluiten van kinderen in detentie een ultimum remedium is. Daardoor wordt ook benadrukt dat het een uitzondering is en hiertoe alleen wordt overgegaan als het in het belang van het kind is. Ik heb toen gevraagd naar concrete voorbeelden die illustreren wanneer het in het belang van het kind is om in detentie terecht te komen. Ik vond de beantwoording alleen niet overtuigend. Waarom is het beter voor een kind om bij een vermoeden van mensenhandel in de cel te zitten in plaats van in de reguliere opvang? En wanneer is het beter voor een kind om, in het geval van twijfel aan een gezinsband, in detentie te zitten in plaats van in reguliere opvang? Is het in dat laatste geval beter voor het kind als het hele gezin in detentie belandt, of is het beter voor dat kind als het hele gezin dan in de reguliere opvang verblijft?
Mijn twee vragen hierover zijn de volgende. Is de minister bereid om vanuit het perspectief van het kind te beredeneren wanneer het in haar of zijn belang is om in detentie te zitten? Omschrijf dan ook een wezenlijke situatie waarin hij of zij echt beter af is in detentie dan in de reguliere opvang. Twee. Er is een petitie, Geen kind in de cel, gestart, door een collectief van maatschappelijke organisaties. In opvolging van dit initiatief wil ik de minister vragen of hij bereid is om een aanvullende wetswijziging voor te bereiden waarin minderjarigen in de grensprocedure ook niet bij uitzondering in detentie terecht kunnen komen. Graag een reactie.
Ten slotte de uitvoerbaarheidstoets. Dat is het laatste onderdeel van mijn betoog. De vraag is of de partijen in de asielketen die een rol spelen in de uitvoering van deze wetgeving, voldoende klaar zijn op 12 juni aanstaande. Dat is over drieënhalve week. Door de brief die we vier weken geleden van de minister ontvingen, op 22 april, werd ik niet gerustgesteld. Op basis daarvan heb ik een viertal vragen.
Eén. Ik wil van de minister weten of er een plan B klaarligt voor als het nieuwe ICT-systeem toch te veel errors en gebreken kent en snelle aanpassingen te ingewikkeld zijn.
Twee. In de uitvoeringstoets van september lezen we dat de werklast bij de IND omhoog zal gaan als gevolg van het pact, zelfs als de niet-onderbouwde veronderstelling uitkomt dat de instroom gaat afnemen door dit pact. Ook in de recente brief worden zorgen geuit over personele capaciteit. Is er bij de IND en bij andere ketenpartijen inmiddels voldoende personele capaciteit beschikbaar en toegerust met de benodigde bij- en omscholing om de nieuwe asielprocedure goed te kunnen uitvoeren? Zo nee, wat zijn de plannen om dit het hoofd te bieden?
Drie. De minister beloofde naar aanleiding van de motie-Westerveld/Ceder om vóór de inwerkingtreding met een plan van aanpak te komen om de liggende vragen af te handelen. Mijn vraag is of dat plan er inmiddels ligt. Kan de minister garanderen dat er dan voldoende capaciteit beschikbaar is om de liggende aanvragen zorgvuldig af te handelen?
Mijn allerlaatste vraag in dit blok gaat over de constatering die de minister zelf doet over de knelpunten van alle betrokken organisaties in de beroepsfase. Hij schrijft: "Met name rechtbanken, maar ook advocaten en de directie Juridische Zaken van de IND kampen momenteel met grote personeelstekorten." Vooral bij de asieladvocaten ontstaat een ernstig tekort door een hoge uitstroom en beperkte nieuwe aanwas. Tegelijkertijd wordt er juist een toenemende complexiteit verwacht van alle beroepszaken. Mijn vraag is daarom wat zijn plan als systeemverantwoordelijke is. Wat gaat hij doen om de voorziene problemen in de rechtspraak het hoofd te bieden?
In het hele blok van deze vragen over uitvoerbaarheid is de bottomline en de belangrijkste vraag: bent u bereid om na een jaar een invoeringstoets uit te voeren en daarna per monitoring een vinger aan de pols te houden? Hoe pakt de implementatiewet uit in de praktijk? Lopen de uitvoeringsorganisaties tegen knelpunten aan? Kan hierop worden bijgestuurd? Dat zijn dan de onderdelen van zo'n invoeringstoets. Ik heb ook een motie voorbereid op dit punt, maar ik hoop eigenlijk op een toezegging.
Tot slot, voorzitter. De minister schrijft in de brief van vier weken geleden dat "de impact van het Migratiepact op het aantal asielaanvragen in Nederland en op de terugkeer van afgewezen asielzoekers onzeker is". Dat roept bij mijn fractie de vraag op waarom er niet gewoon voor een zuivere implementatie van het Migratiepact is gekozen, zonder al die nationale koppen. Dan hadden de uitvoerende organisaties namelijk voor een minder complexe opgave gestaan, dan stond de rechtsbescherming van vluchtelingen en kinderen niet zo onder druk en dan had Nederland bijgedragen aan Europese harmonisatie en solidariteit. Juist wanneer de effectiviteit onzeker is, zou terughoudendheid met nationale aanvullingen voor de hand hebben gelegen. Graag een reactie.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Thijssen. Dan is nu het woord aan de heer Lievense van de BBB-fractie.
De heer Lievense i (BBB):
Goed, voorzitter, ik begin ook maar even bij de rellen van de afgelopen weken. Ook voor de BBB is er voor relschoppers natuurlijk geen enkele plaats in ons bestel. Wel wil ik met u voor het volgende waken. Naast die paar relschoppers, die de boel verstieren, zitten er natuurlijk ook gewoon normale mensen tussen, die daar demonstreren, die zich zorgen maken, die zich vervreemd voelen en daar uiting aan willen geven middels het belangrijke demonstratierecht dat wij met elkaar kennen.
De fractie van de BBB is blij, want gisterenavond is er nog overleg geweest tussen de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en de regering. Daar is uitgekomen dat er meer hulp komt vanuit de regering richting gemeenten. Wij hopen dat dat enig effect heeft.
Voorzitter. Wie de afgelopen jaren de debatten over asiel …
De voorzitter:
Ik zie dat de heer Nicolaï van de Partij voor de Dieren een interruptie heeft.
De heer Nicolaï i (PvdD):
Ik ben blij dat de BBB ook afstand neemt van die relschoppers, maar ik zou toch het volgende willen vragen. Het gaat om noodopvang. Waarom is die noodopvang nodig? Omdat alle voorzieningen van het COA vol zitten. Dat is u niet onbekend. Ik neem aan dat de heer Lievense weet dat een derde van de mensen die in die opvang zitten, statushouders zijn, die inmiddels al een vergunning hebben, en wachten op gewone huisvesting.
De heer Lievense (BBB):
Ja.
De heer Nicolaï (PvdD):
Nou is het 3,5 jaar geleden dat de heer Remkes in een rapport over stikstof zei: door het zo snel mogelijk uitkopen van die piekbelasters gaat het slot van de woningbouw af. Hoe komt het dat dat niet gebeurd is? Is dat niet door onder andere uw partij tegengehouden? Is uw partij dan eigenlijk ook niet medeverantwoordelijk voor het slot op de woningbouw en voor die een derde in de opvang die geen opvang krijgt?
De heer Lievense (BBB):
Ik wil graag buiten de stikstofdiscussie blijven, maar in het vervolg van mijn betoog krijgt u zeker antwoord op uw vragen. Als u goed luistert, mag u mij daar nog op interrumperen. Ik was namelijk nog niet begonnen!
De voorzitter:
De heer Nicolaï, kort.
De heer Nicolaï (PvdD):
Ik geloof er niets van, dat ik daar antwoord op krijg.
De heer Lievense (BBB):
Nou, de heer Nicolaï mag het vooral beluisteren, en anders hoor ik hem graag in een nieuwe interruptie.
Wie de afgelopen jaren de debatten over asiel en migratie in beide Kamers heeft gevolgd, weet inmiddels één ding zeker: het ontbreekt in Nederland niet aan analyses, rapporten, prognoses en morele beschouwingen. Het ontbreekt vooral aan grip: grip op instroom, grip op procedures, grip op terugkeer en misschien nog wel het meest grip op uitvoerbaarheid. En daar gaat dit debat vandaag natuurlijk uiteindelijk over.
In eerdere debatten over de asielwetten heb ik namens de fractie van de BBB gezegd dat de samenleving van de overheid mag verwachten dat migratie beheersbaar blijft en dat is geen extreme opvatting. Dat is inmiddels de basale verwachting van inwoners van dorpen, steden en regio's die dagelijks zien dat opvanglocaties permanent lijken te worden, de woningdruk verder oploopt en voorzieningen onder spanning staan. Mensen zien scholen die voller worden, huisartsenpraktijken die overbelast raken en gemeenten die steeds opnieuw tijdelijke noodmaatregelen moeten treffen en ondertussen krijgen inwoners vaak de indruk dat de overheid vooral bezig is met procesmanagement in plaats van met oplossingen. Dan helpt het niet wanneer de politiek in Den Haag vooral blijft praten alsof de praktijk zich vanzelf wel oplost.
Voorzitter. De BBB-fractie kijkt daarom met een praktische blik naar dit Europees Asiel- en Migratiepact, niet met Europese romantiek, niet met de illusie dat Brussel alles gaat oplossen, maar ook niet met de politieke reflex om iedere Europese afspraak per definitie af te wijzen, want de werkelijkheid is simpel: migratie stopt niet bij de landsgrens. Als Europese landen totaal verschillend beleid voeren, totaal verschillende toelatingspraktijken hebben en totaal verschillende terugkeerpercentages accepteren, dan verschuift de migratiedruk vanzelf naar landen waar procedures langdurig zijn en de kans op verblijf groter wordt. En laten we eerlijk zijn: Nederland heeft zichzelf de afgelopen jaren bepaald niet onaantrekkelijk gemaakt. Dat zit niet alleen in voorzieningen, maar ook in de duur van procedures, in de stapeling van mogelijkheden tot bezwaar en beroep en in het feit dat terugkeer vaak moeilijk afdwingbaar blijkt. Dat is geen verwijt aan individuele uitvoeringsorganisaties, maar wel een politieke constatering.
Juist daarom begrijpt de BBB-fractie de noodzaak van Europese afspraken over registratie, grensprocedures en terugkeer, maar — dat is voor ons cruciaal — afspraken op papier zijn nog geen werkelijkheid in de uitvoering. Dat punt is in eerdere debatten eigenlijk voortdurend teruggekomen. Wij hebben hier wetten behandeld waarvan iedereen wist dat de uitvoering ervan piepte en kraakte. De IND zit overvol, het COA draait op noodscenario's en gemeenten worden geconfronteerd met crisisopvang en ondertussen bleef de instroom hoog. Dan kan Europa prachtige verordeningen maken, maar uiteindelijk moet het wel landen bij de marechaussees, bij de IND-medewerkers, bij de opvanglocaties en bij de gemeenten die het gewoon moeten uitvoeren. En juist gemeenten hebben de afgelopen jaren vaak het gevoel gehad dat zij de problemen mochten oplossen die elders waren ontstaan: burgemeesters die noodopvang moesten regelen onder enorme tijdsdruk, gemeenteraden — dat is kwalijk zat — die nauwelijks nog konden sturen en omwonenden die zich soms niet gehoord voelden. Dat is voor de BBB-fractie de kernvraag: niet "klinkt het juridisch mooi?", maar "gaat dit in de praktijk leiden tot meer grip?"
Voorzitter. De regering zegt dat het pact gaat zorgen voor snellere procedures, betere registratie en effectiever terugkeerbeleid. Dat klinkt goed, maar deze Kamer heeft inmiddels voldoende ervaring om te weten dat er vaak een fors verschil zit tussen beleidsverwachtingen en uitvoeringsrealiteit. Daarom wil de BBB-fractie concreet van de regering horen hoeveel extra capaciteit nu daadwerkelijk beschikbaar is bij de IND, het COA en de rechtspraak. Welke ICT-aanpassingen zijn nog nodig? Hoe realistisch zijn de implementatietermijnen? Welke onderdelen lopen nu al vertraging op? Wat gebeurt er nu we weten dat andere lidstaten hun zaken niet op orde hebben? Ik doel dan vooral op de lidstaten die de grens van de EU vormen. Dat laatste blijft toch een ongemakkelijke waarheid in dit debat. Nederland implementeert meestal keurig, soms zelfs iets te keurig. Dat kan de ene keer voor de ene partij gunstig uitvallen en de andere keer voor de andere partij minder gunstig. Het migratievraagstuk wordt echter niet opgelost wanneer een deel van Europa afspraken uitvoert en een ander deel vooral persconferenties organiseert.
Voorzitter. De BBB-fractie maakt zich ook zorgen over de vraag hoe afdwingbaar sommige afspraken uiteindelijk zullen blijken. Als de grensregistratie in Zuid-Europa tekortschiet, als terugkeerafspraken onvoldoende functioneren en als secundaire migratie binnen Europa doorgaat, dan komt namelijk de druk uiteindelijk alsnog terecht bij landen als Nederland. Nu buurlanden strenger en strenger worden dan Nederland, dreigen wij echt het laagste punt te worden. Kan de regering daarom concreet aangeven welke waarborgen er zijn wanneer lidstaten structureel tekortschieten?
Mevrouw Perin-Gopie i (Volt):
Ik zit naar het betoog te luisteren van de collega van de BBB.
De heer Lievense (BBB):
Daar ben ik blij om.
Mevrouw Perin-Gopie (Volt):
Ik hoor hem heel veel zorgen uiten over wat er nou gebeurt als aan de grenzen van Europa de collega-lidstaten de verordening onvoldoende uitvoeren. Nu vraag ik mij af hoe de BBB dan aankijkt tegen de grensprocedure die Nederland instelt, waarin we zelfs bereid zijn om kinderen in detentie te plaatsen, en hoe dat zich dan volgens de BBB verhoudt tot de afspraken die de zuidelijke lidstaten al dan niet na zouden komen.
De heer Lievense (BBB):
Wij geloven in een mix van maatregelen. Wij geloven in de mix van maatregelen zoals die in het Migratiepact staat, maar ook zoals de regering deze in dit wetsvoorstel, aangenomen door de Tweede Kamer, aan ons voorlegt. Door mijn voorgangster is ook gevraagd naar de kinderdetentie. Ook ik ben benieuwd naar de beantwoording. U zet het heel zwaar aan, maar ik heb gelezen dat dat allemaal zo'n vaart niet zal lopen. We zullen het antwoord van de minister daarop afwachten. Ik kom daar graag in de tweede termijn op terug.
Mevrouw Perin-Gopie (Volt):
Ik ben ook heel benieuwd naar die antwoorden, maar ik zal mijn vraag even verduidelijken. Wij hebben de grensprocedure. Die is er voor de mensen die als eerste in Nederland aankomen.
De heer Lievense (BBB):
Ja.
Mevrouw Perin-Gopie (Volt):
En we hebben de reguliere asielprocedure. De heer Lievense heeft hele grote zorgen over lidstaten aan de grenzen van Europa die hun werk niet goed doen. Dan komen mensen dus door naar Nederland en dan zit je in de asielprocedure, maar niet in onze grensprocedure. Is collega Lievense dat met mij eens?
De heer Lievense (BBB):
Ik begrijp de vraag denk ik nog steeds niet helemaal goed. Ik geef nog een keer hetzelfde antwoord, denk ik. Wij geloven in de mix aan maatregelen. Wij geloven in het Migratiepact. Wij geloven in het pact dat zou moeten regelen dat in de lidstaten aan de grenzen de procedures werken. Daar ligt mijn zorg. Dat is de zorg van mijn fractie. Dat is de vraagstelling die ik nu poneer richting de regering. Ik vraag hoe de regering daarnaar kijkt. Daar zullen we eerst het antwoord op moeten afwachten.
De voorzitter:
De laatste keer, mevrouw Perin-Gopie.
Mevrouw Perin-Gopie (Volt):
Ik probeer het nog één keer. Er is een verschil tussen de grensprocedure en de reguliere asielprocedure. Mijn vraag aan de BBB is: als zij er grote zorgen over hebben dat de Europese lidstaten hun werk niet goed doen bij de uitvoering van het Europese Migratiepact, waarom is het dan nodig dat Nederland een zeer strikte grensprocedure gaat voeren waarin dus zelfs gezinnen en kinderen in detentie komen of überhaupt detentiemogelijkheden verruimd worden?
De heer Lievense (BBB):
De vraagstelling is wat mij betreft niet veranderd en mijn antwoord blijft hetzelfde. Ik wacht de beantwoording van de minister af. Ik zal u beloven dat ik er in de tweede termijn, na de beantwoording van de regering, op terugkom. Dat kunt u makkelijk vinden, maar meer kan ik er niet van maken.
De voorzitter:
Goed. Dan stel ik voor dat u doorgaat met uw verhaal.
De heer Lievense (BBB):
Hoe realistisch zijn de implementatietermijnen? Welke onderdelen lopen nu al vertraging op? En wat gebeurt er nu we weten dat andere lidstaten hun zaken niet op orde hebben? Dan doel ik vooral op de lidstaten die de grens van de EU vormen. Dat laatste blijft namelijk toch een ongemakkelijke waarheid in dit debat.
Voorzitter. Kan de regering concreet aangeven welke waarborgen er zijn wanneer lidstaten structureel tekortschieten? Welke mogelijkheden bestaan er om landen daadwerkelijk aan te spreken? Wat betekent dit pact uiteindelijk voor de Nederlandse situatie als delen van Europa de uitvoering simpelweg niet op orde krijgen? En gaan we nu eindelijk niet-kansrijke migranten weer uitzetten of teruggeven aan onze veilige buurlanden België of Duitsland? Slechts 2% van de asielzoekers komt ons land binnen via Schiphol.
Voorzitter. Tijdens eerdere debatten hoorden wij van meerdere partijen zorgen over rechtsstatelijkheid, mensenrechten en juridische houdbaarheid. Die zorgen moeten uiteraard serieus genomen worden. Maar de BBB-fractie wil ook benoemen dat voortdurende bestuurlijke verlamming ook gevolgen heeft voor de rechtsstaat. Wanneer procedures jaren duren, wanneer de opvang overvol raakt, wanneer gemeenten permanent in crisisstand staan en wanneer mensen zonder verblijfsrecht feitelijk niet terugkeren, dan tast dat uiteindelijk ook het vertrouwen in de overheid en in het systeem aan. Precies dat draagvlak staat onder druk.
Voorzitter. Inwoners accepteren best veel wanneer zij zien dat beleid eerlijk, uitvoerbaar en consequent is. Maar wat mensen moeilijk accepteren, is een overheid die voortdurend achter de feiten aanloopt en tegelijkertijd doet alsof alles onder controle is. Om eerlijk te zijn: "grip op migratie" is een verhulling. Het gaat niet om controle, maar om het verminderen van de instroom, het verhogen van de uitstroom en wie mag blijven, moet zich houden aan onze wetten en aanpassen aan onze normen en waarden.
Mijn fractie kijkt nog steeds met verwondering terug op hoe de vorige behandeling van asielwetten met de novelle inzake strafbaarstelling in deze Kamer verliep, als 60% tot 80% van de wetgeving die daar door een minimale meerderheid is afgekeurd, nu gewoonweg in het Migratiepact staat en dus in deze wet. Die verwondering is er ook over partijen die de afgelopen tien jaar volle steun gaven aan de voorbereiding van het Migratiepact, maar zich een paar weken geleden tegen de nationale Asielnoodmaatregelenwet keerden. Wij zijn blij dat de minister snel nieuwe wetsvoorstellen indient ter vervanging van de punten die zijn afgekeurd en niet in het Migratiepact of in deze wet staan.
Wij begrijpen dat de vervanging van de novelle na de zomer door de minister zal worden ingediend. We willen de minister vragen of hij nu het commentaar van de Raad van State wel ter harte gaat nemen en, net als bij bijna alle andere strafbaarstellingen in de Nederlandse wet, duidelijk wil aangeven, wat ons betreft in de memorie van toelichting, welke activiteiten de wet wél — willens en wetens langdurig helpen bij het zich verschuilen voor vertrek — en welke de wet juist niet strafbaar wil stellen, zoals het beruchte kopje soep. Graag een reactie van de minister op dit punt.
Voorzitter. De BBB-fractie blijft daarom hameren op het onderscheid tussen bescherming en migratiesturing. Mensen die vluchten voor oorlog of vervolging moeten bescherming krijgen. Daar staat BBB ook voor. Maar een systeem waarin procedures eindeloos duren, terugkeer nauwelijks plaatsvindt en de overheid steeds achter de feiten aanloopt, is uiteindelijk voor niemand humaan — niet voor inwoners, niet voor gemeenten en heel eerlijk gezegd ook niet voor de asielzoekers zelf, want ook zij hebben recht op duidelijkheid. Snelheid in procedures is niet alleen een bestuurlijk belang, maar ook een menselijk belang. Jarenlange onzekerheid helpt niemand vooruit.
Voorzitter. Een belangrijk onderdeel van dit pact is de grensprocedure. De regering zegt dat daarmee sneller onderscheid kan worden gemaakt tussen kansrijke en kansarme aanvragen. De BBB-fractie steunt dat uitgangspunt, maar dan moet het wel echt gebeuren. Mijn vraag aan de regering is simpel. Hoe voorkomt de regering dat ook deze procedures alsnog langdurig worden door bezwaar, beroep, capaciteitsproblemen en stapeling van regelgeving?
Nederland heeft inmiddels namelijk een indrukwekkende traditie opgebouwd in het ingewikkelder maken van uitvoeringsprocessen. Soms lijkt het wel alsof ieder probleem in Nederland wordt opgelost met een extra procedure, een extra toetsingsmoment of een extra uitzonderingsroute, terwijl uitvoeringsorganisaties juist vragen om eenvoud, duidelijkheid en werkbaarheid. Ook daarom kijkt de BBB-fractie nadrukkelijk naar de praktische gevolgen van dit pact, en niet alleen naar de bedoelingen ervan.
Voorzitter. Ook over terugkeer wil de BBB-fractie meer duidelijkheid, want uiteindelijk staat of valt de geloofwaardigheid van het migratiebeleid met de vraag of mensen zonder verblijfsrecht daadwerkelijk vertrekken, niet op papier, niet in beleidsbrieven, maar in de praktijk. Kan de regering ... Dat is de volgende zin.
De voorzitter:
Dat is de volgende zin. Mevrouw Thijssen van GroenLinks-Partij van de Arbeid.
Mevrouw Thijssen i (GroenLinks-PvdA):
Ik was eigenlijk wel positief verrast door uw betoog, waarin u zei dat het ook voor vluchtelingen niet goed is als ze lang in onzekerheid verblijven en dat er bij de beoordeling van dit omvangrijke pakket heel erg wordt gelet op uitvoerbaarheid. Als ik door de stukken heen ga en de uitvoeringstoetsen bekijk, valt mij juist op dat het nog veel langer kan duren om zekerheid te krijgen, juist ook omdat er zo'n complex systeem wordt opgetuigd, waarin ook veel naar de beroepsfase gaat verdwijnen, die nog langer kan gaan duren, want ook daar zijn grote tekorten in capaciteit en personeel. Het kan dus juist nog langer gaan duren. In de uitvoeringstoetsen zien we dat de uitvoering het hiermee nog moeilijker krijgt. De IND is daar ook helemaal niet klaar voor. Als dit twee van de belangrijke punten zijn, wat betekent dat dan voor uw eindoordeel over dit Migratiepact?
De heer Lievense (BBB):
In heb in het begin van dit betoog, maar ook bij de behandeling van de Asielnoodmaatregelenwet aangegeven namens mijn fractie dat op dit moment stilstaan geen optie meer is. Wachten is ook geen optie meer. Wij hebben uw kritische vragen natuurlijk gehoord en wij zijn heel benieuwd naar de antwoorden op die vragen. Misschien zijn het in sommige gevallen zelfs wat retorische vragen, die ook ik stel, net zo goed, om een antwoord te krijgen van de regering, maar niks doen — dat heb ik toen ook al aangegeven — is geen optie. We moeten ergens starten. Daarbij zal het Migratiepact, of we het nou leuk vinden of niet, gewoon in werking treden. We moeten dus met elkaar ergens starten, maar ik ben net zo benieuwd, namens mijn fractie, naar de reactie op de kritische kanttekeningen die mevrouw Thijssen namens de fractie van GroenLinks-Partij van de Arbeid plaatste.
Mevrouw Thijssen (GroenLinks-PvdA):
Een vervolgvraag. Als het dan zo belangrijk is dat er snel duidelijkheid komt en als het zo belangrijk is dat de uitvoerbaarheid toeneemt, zijn er dan bepaalde accenten waarvan u aan de regering, aan de minister zou willen vragen om die dan ook te verbeteren, op deze twee punten? Wil u daar zelf ook initiatief op nemen?
De heer Lievense (BBB):
Ik denk dat ik weet waar u heen gaat, want u heeft een motie aangekondigd. Ik voel 'm dus een beetje aankomen. Ik ga daarover nadenken. Ik ga eerst de beantwoording afwachten, ook van uw vragen, en kom daarop terug in de tweede termijn.
Mevrouw Thijssen (GroenLinks-PvdA):
Oké.
De voorzitter:
U gaat door met uw verhaal.
De heer Lievense (BBB):
Ik heb de pen vast, maar ik heb nog niet getekend. Dat heb ik al eens eerder in een ander debat tegen een collega van u gezegd.
De voorzitter:
Meneer Lievense, u gaat door met uw verhaal.
De heer Lievense (BBB):
Ja. Ja hoor, voorzitter. Dank u.
Even kijken. Kan de regering concreet aangeven welke instrumenten verbeteren, welke afspraken met landen van herkomst zijn gemaakt, welke afspraken met onze buurlanden België en Duitsland zijn gemaakt, hoe effectief die afspraken daadwerkelijk zijn en hoe dit wetsvoorstel de instroom gaat beperken, vooral van nareizigers? Op welke punten van wet- en regelgeving zal Nederland na het aannemen van dit wetsvoorstel nog minder streng zijn dan België en Denemarken, waar de instroom inmiddels toch sterk teruggelopen schijnt te zijn? Waar mag deze Kamer de regering over één of twee jaar op afrekenen? Zonder geloofwaardig terugkeerbeleid en beperking van nareizigers blijft ieder migratiestelsel uiteindelijk scheefgroeien. Dat zien we niet alleen in Nederland, maar dat zien we in heel Europa.
Voorzitter. De BBB-fractie hoort soms het verwijt dat partijen streng zouden zijn, maar inwoners verwachten simpelweg dat de overheid grip houdt op fundamentele zaken als wonen, veiligheid, voorzieningen en migratie. Dat is geen hardvochtigheid. Dat is goed bestuur. Juist daarom kijken we in dit debat minder naar politieke symboliek en meer naar de vraag of deze wet uitvoerbaar, handhaafbaar en effectief is, want eerlijk gezegd heeft Nederland weinig behoefte aan nog een stelsel dat op papier ambitieus oogt, maar in de uitvoering opnieuw vastloopt.
De BBB-fractie heeft deze wet uiteindelijk beoordeeld op één centrale vraag: leidt dit pakket daadwerkelijk tot meer grip op migratie en meer uitvoerbaarheid in de praktijk, niet theoretisch, niet Europees op papier, maar concreet merkbaar voor uitvoeringsorganisaties, gemeenten en inwoners? Wij zien voor de stemmingen dan ook eerst de beantwoording en de reflectie daarop van de regering, ook op de vele vragen die door mijn voorgangster zijn gesteld en die door degenen na mij nog gesteld zullen worden, tegemoet.
Voorzitter, dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Lievense. Dan krijgen we nu de Fractie-Van Gasteren. Ik geef het woord aan de heer Van Gasteren. Voordat de heer Van Gasteren naar de microfoon loopt: ik zie dat er toch nog een interruptie is. Ik hoor de heer Lievense zeggen dat hij al had afgerond en al was weggelopen van het spreekgestoelte. Dat is op zichzelf waar. Dan stel ik voor dat de heer Nicolaï de interruptie die hij wilde doen op de heer Lievense in zijn eigen termijn verwerkt en dat we verdergaan met dit debat. Het is waar dat de heer Lievense zijn verhaal had afgerond.
De heer Nicolaï (PvdD):
Voorzitter. Het is gebruikelijk dat er ook als het verhaal is afgerond nog een interruptie kan worden geplaatst. Nu bepaalt de heer Lievense eigenlijk hier de regels.
De voorzitter:
Nee, dat is niet zo. Die bepaal ik als voorzitter. De heer Lievense was klaar en is gaan zitten. U kwam toen naar de interruptiemicrofoon. De heer Van Gasteren staat al klaar voor zijn inbreng. Ik stel voor dat u wat u wilde zeggen in uw eigen termijn gaat zeggen. De heer Van Gasteren, aan u het woord.
De heer Van Gasteren i (Fractie-Van Gasteren):
Dank u wel, voorzitter. Als het gezegde "onder druk wordt alles vloeibaar" op deze wet van toepassing zou zijn, dan zaten wij hier vandaag diep onder water. De Kamer moet in een vrij rap tempo deze wet bespreken — die deadline is over vier weken — maar dat ontslaat ons er niet van om toch ons werk te doen, hoe moeilijk dat wellicht ook is. Daarnaast heb ik een tweede procedurele observatie. Bij de implementatie heeft de regering gekozen voor extra regels of kopregels. Waren deze nu in een separate wet gebracht, dan hadden wij die twee dingen separaat kunnen beoordelen. Dat kan nu helaas niet, dus ook die extra regels zullen we toch nog steeds met onze eigen normstelling moeten bekijken. Ik wil de regering wel oproepen om bij eventuele toekomstige gold-plating toch te proberen om dat in een separate wet te doen.
Voorzitter. De wet gaat ons dieper raken dan alleen maar de wetgevingstechniek. Nederland heeft een eeuwenlange traditie als rechtsstaat waarin we meer dingen doen dan volgens wetten of verdragen zouden moeten — de Republiek van de Zeven Provinciën was in de zeventiende eeuw al heel erg bekend als rechtsorde waarin de overheid gebonden was aan regels — en niet omdat het moet, maar omdat wij als samenleving hebben besloten dat rechtsbescherming een waarde op zichzelf is. Individuele toetsing en bescherming tegen willekeurig overheidsoptreden is geen gunst, maar een fundament van onze rechtsstaat. Die traditie heeft ons internationaal heel veel gezag gebracht en ook nationaal heel veel rust gegeven. De nationale koppen in dit wetsvoorstel keren die traditie om. Waar Nederland historisch meer rechtsbescherming bood dan het Europese minimum, kiest de regering er nu bewust voor om op onderdelen onder het niveau te zitten dat wij ons normaalgesproken hebben opgelegd. Dat is een historische breuk. De meest gezaghebbende internationale meting, de WJP Rule of Law Index 2025, toont aan dat Nederland al een dalende lijn vertoont, een ongewoon grote daling van een structureel in het verleden hoog presterende democratie. Dat vereist wel aandacht, denk ik.
Onze rechtsstaat gaat uit van vier wetgevende principes: rechtsbescherming, rechtszekerheid, overgangsrecht en hardheidsclausules. Deze principes zijn in onze rechtstraditie diep verankerd en, nogmaals, vormen geen zwakte van onze staatsindeling en rechtsstaat. Het is wat ons onderscheidt van totalitaire staten. Op al deze dimensies laat in het wetsvoorstel Nederland onze eigen Nederlandse historische norm achter. Is dat bewust? Is dat het begin van een trend of misschien een opportunistisch handigheidje voor nu? Vandaar mijn eerste vraag aan de minister: wat heeft de regering doen besluiten om af te wijken van deze toch wel historische norm?
Allereerst de rechtmatigheid. Een eerste observatie. Het wetsvoorstel bevat geen systematische grondrechtentoets per implementatiekeuze. Dat vinden wij een grote lacune. Ik kan er verder nu niks meer aan doen. Het is zoals het is. Dan is er nog een actueel Europees risico. De prejudiciële vraag van het Grondwettelijk Hof van België heeft ook impact op deze Nederlandse koppen. Een uitspraak van het Europees Hof kunnen we verwachten binnen twaalf tot achttien maanden. We staan dus nu vandaag op het punt om een wet vast te stellen waarvan de houdbaarheid niet vaststaat. Als het Hof restrictief oordeelt, geeft Nederland dan al meer dan een jaar uitvoering aan deze wet, met alle gevolgen van dien. We zijn dan namelijk een wet aan het implementeren die niet houdbaar is. Ik heb een vraag aan de regering. Er zijn blijkbaar geen juridische scenarioanalyses gemaakt. Althans, dat begrijp ik uit de beantwoording van de schriftelijke vragen. Op basis waarvan is dan wel gekozen voor deze aanpak?
Dan een tweede punt. Dat is het ontbreken of bijna ontbreken van een adequaat overgangsrecht. Op het moment van inwerkingtreding zijn er tienduizenden zaken in behandeling bij de IND en ook bij de rechtbanken, in diverse fasen van proces. De wet brengt fundamentele wijzigingen aan in de rechten voor die groep. Een rechtsstaat gaat uit van eerbiedigende werking van opgebouwde rechten. De regering kiest nu voor onmiddellijke werking voor iedereen en dat is geen weeffout. Dat is bewust beleid. Ik hoor dan graag van de minister waarom daar toch voor gekozen is.
Het derde punt. De wet kent geen hardheidsclausule en in het licht van de prejudiciële vragen is dat extra kwetsbaar. Want als het Hof oordeelt dat individuele toetsing verplicht is, heeft Nederland een vastgestelde wet die onmiddellijk materieel aanvechtbaar is door iedereen. Een hardheidsclausule had dus als juridisch vangnet kunnen dienen en past bovendien in de rechtsstatelijke traditie van het bieden van een uitweg voor schrijnende gevallen. De vraag aan de minister is dan ook: waarom toch afzien van die clausule als juridisch vangnet? Daarnaast is de vraag welke instrumenten de minister of de IND gaat hanteren om toch in schrijnende gevallen van deze strikte wettelijke regels af te wijken.
Voorzitter. Het kwam al eerder aan bod: de detentie van kinderen aan de grens. De minister heeft de Tweede Kamer toegezegd dat kinderen in de regel niet worden gedetineerd; een hele goede toezegging, maar eigenlijk onvoldoende. Immers, "in de regel" laat uitzonderingen open zonder dat duidelijk is wanneer dat dan wel gerechtvaardigd is en wie dat dan toetst. De wet geeft dus altijd nog de mogelijkheid tot kinderdetentie. Een ministeriële toezegging aan de Tweede Kamer bindt wellicht de uitvoering van dit kabinet, maar niet van een volgend. Wat vandaag wordt toegezegd, kan morgen dus worden ingetrokken, zonder wetswijziging. Misschien kan de minister toch toezeggen dat hij spoedig met reparatiewetgeving komt om kinderdetentie aan de grens wettelijk te beperken met expliciet genoemde verplichtingen om eerst alle alternatieven voor detentie uit te putten, met ook een rechterlijke toetsing vooraf.
Voorzitter. Dan de uitvoerbaarheid; het is al een aantal keren aan de orde geweest. Mijn bezorgdheid is op dit punt het grootst. De IND staat onder zware druk. Het is eigenlijk een groot raadsel — het kwam vandaag al aan de orde — waar we nu staan met de voorbereidingen, behalve dan dat ik ergens las dat op 12 juni niet alles gereed zal zijn. Dat geldt overigens ook voor alle andere landen en het is nog maar de vraag of en wanneer het pact echt gaat werken en of er dan sprake is van loze beloftes, waardoor de verwachtingen in het land onterecht hoog zullen zijn en de teleurstelling in de politiek wederom een duw neerwaarts zal krijgen. De vraag aan de minister sluit wellicht aan bij die van de spreekster van GroenLinks-Partij van de Arbeid: hoe gaat hij dit monitoren en rapporteren?
Dan de financiële paragraaf. Keuren wij volgende week met elkaar een wet goed met een te voorspellen gigantisch gat in de begroting waarvan de rekening uiteindelijk bij de samenleving terechtkomt? De ramingen zijn immers onvoldoende onderbouwd. De officiële kostenraming richt zich op de IND-capaciteit, de opvang en de IT, maar gaat uit van, wederom, niet-gevalideerde aannames. De geschiedenis van asielstelselwijzigingen leert dat de werkelijke kosten altijd hoger uitvallen. Daarnaast ontbreekt, en dat is eigenlijk het grootste gat, een raming van de kosten voor juridische procedures: de zaken die bij afwijzing de weg naar de rechter vinden. Een indicatief rekenvoorbeeld. Op basis van historische patronen, namelijk een afwijzingspercentage van 60%, een doorprocedeerpercentage van 30% van alle afgewezen zaken en gemiddelde proceskosten van tussen de €8.000 en €12.000 per zaak en 25% hoger beroep bij de Raad van State, kom ik met een tijdhorizon van vier jaar op een bandbreedte van, laag, 328 miljoen en, hoog, 832 miljoen. Mijn fractie presenteert dit als een orde van grootte; het is geen precisieberekening. Het illustreert echter wel dat er wellicht toch een groot gat is. Welke totale implementatiekosten verwacht de minister, met welke onzekerheidsmarges en welke beroepsscenario's? Is de minister bereid om toe te zeggen jaarlijks een financiële verantwoording aan beide Kamers te zenden over de werkelijke kosten van de implementatie afgezet tegen de ramingen en met een verklaring voor de significante afwijkingen?
Ten slotte nog een constitutioneel punt over de verhouding tussen de wetgever en de uitvoerende macht. Dit wetsvoorstel bevat een aantal aanzienlijke delegatiebepalingen waarbij wezenlijke onderdelen van het stelsel worden overgelaten aan een uitwerking bij algemene maatregel van bestuur. Maar deze AMvB's zijn niet beschikbaar voor discussie in dit huis. Dat betekent dus dat deze Kamer een wet aanneemt waarvan de kerninhoud onbekend is. Staatsrechtelijk is dat een probleem. Het legaliteitsprincipe vereist immers dat beperkingen van grondrechten hun grondslag hebben in een wet en niet in een algemene maatregel van bestuur. Natuurlijk is delegatie toegestaan, maar niet op de meest ingrijpende onderdelen en zeker niet zonder parlementaire controle. Kan de minister toezeggen dat de AMvB's van deze wet worden voorgehangen?
Voorzitter. Mijn fractie staat voor een evenwichtige beoordeling. Wij erkennen de Europese verplichting en de tijdsdruk. We zien de noodzaak van een geordend en humaan asiel- en migratiestelsel op Europees niveau en zien ook het belang van een strengere Nederlandse wetgeving. We zijn bereid om de implementatiewetgeving die deze doelen dient te steunen, maar er zijn dus ook gebreken. We staan voor een keuze die verder reikt dan het ene wetsvoorstel. Ik zei het al, Nederland heeft over vier eeuwen een rechtsstatelijke reputatie als toevluchtsoord, als rechtsorde en als land dat procedurele waarborgen als waarden op zichzelf beschouwd. Die reputatie is niet vanzelfsprekend en verdient vanuit deze chambre de réflexion volle aandacht. Ik kijk uit naar de beantwoording.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Van Gasteren. Ik zie dat er geen interrupties zijn. Dan gaan we door naar de volgende spreker. Dat is de heer Van de Sanden van de Fractie-Van de Sanden. Aan u het woord.
De heer Van de Sanden i (Fractie-Van de Sanden):
Dank, voorzitter. Vandaag wordt de Eerste Kamer geacht de haast van het kabinet te verwarren met staatsnood. Dat is de kern van wat hier gebeurt. In 1848, terwijl in Europa tronen wankelden, koos Nederland niet voor de barricade en niet voor de noodverordening. Thorbecke koos voor wetgeving, voor procedures en voor constitutie. Zijn inzicht luidde: het recht hoort niet dienstbaar te zijn aan de politieke waan van de dag, maar de politiek hoort dienstbaar te zijn aan het recht.
Het EU-Asiel- en Migratiepact werd vastgesteld in mei 2024. De datum van 12 juni 2026 stond vanaf dag één vast. In Nederland bereikte het wetsvoorstel de Tweede Kamer pas eind 2025, anderhalf jaar later. De Raad van State leverde vervolgens kritiek op de delegatiebepalingen, de proportionaliteit, de rechtsbescherming en de uitvoerbaarheid. En wat deed het kabinet? Vrij weinig, behalve hopen dat de klok zich zou ontpoppen als een meegaande oppositiepartij.
Nu, 24 dagen voor de deadline, wordt deze Kamer geacht in enkele weken af te handelen wat het kabinet in twee jaar niet op orde kreeg. Dat is geen urgentie; dat is uitgesteld huiswerk met constitutionele gevolgen. Mede daarom hebben senator Van Gasteren en ik vorige week op grond van artikel 68 van de Grondwet drie informatieverzoeken aan de regering gericht, met als termijn 22 mei aanstaande, ruim voor de stemming en redelijk, gegeven het belang van de vragen. Of en hoe de regering die termijn benut, zal meewegen in de eindbeoordeling.
Er is nog iets dat opvalt: deze Kamer heeft zich laten opjagen. Een plenaire behandeling werd ingepland voordat de bijna 100 pagina's aan beantwoording van ruim 300 vragen door deze Kamer waren gelezen. Sterker nog, dit gebeurde zelfs voordat die vragen überhaupt waren gesteld. Dat is niet de werkwijze van de chambre de réflexion. Dat is meer uitvoeren dan controleren.
Mevrouw Van Bijsterveld i (JA21):
Ik wil collega Van de Sanden graag een vraag voorhouden. We hebben dit in de commissie uitvoerig behandeld. De commissie heeft in meerderheid besloten dat het debat op 19 mei zou plaatsvinden als de antwoorden uiterlijk op 12 mei binnen zouden zijn.
De heer Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden):
Ja.
Mevrouw Van Bijsterveld (JA21):
Dus we doen met elkaar iets wat we democratisch hebben afgestemd in de commissie, zoals het hoort. Kunt u daarop reageren?
De heer Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden):
Zeker, daar kan ik op reageren. Dank voor de vraag. Het enkele feit dat het in de commissie zo is afgesproken, betekent nog niet dat dit een zorgvuldige voorbereiding is. Sterker nog, dit wetsvoorstel is de grootste wetswijziging op het gebied van het asielrecht van de afgelopen 25 jaar. Dit wetsvoorstel is van een omvang en complexiteit waar deze Kamer de afgelopen jaren, de afgelopen decennia, gemiddeld tien tot twaalf maanden over heeft gedaan. U kunt dat nazoeken. Hoelang hebben wij erover gedaan? Anderhalve maand. We hebben niet eens de gelegenheid gehad voor het stellen van schriftelijke vragen in de tweede ronde bij een wetsvoorstel dat zo omvangrijk is. Ongeacht het besluit van de commissie, neemt dat niet weg dat dit niet bepaald de voorbereidingstijd is die een dergelijk wetsvoorstel zou verdienen.
Mevrouw Van Bijsterveld (JA21):
Nogmaals, het is in de commissie bepaald. U kunt daar nu omheen buigen en maar blijven roepen dat het onzorgvuldig is, maar met alle respect: iedereen zat op het EU-Migratiepact te wachten, want dat was de heilige graal. Al die wetgeving waar we al wekenlang of maandenlang mee bezig zijn, zit in het pact. Dus het is natuurlijk niet nieuw wat hier voorligt.
De heer Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden):
Ik draai nergens omheen. Ik erken ook dat de commissie dit inderdaad zo heeft besloten. Technisch klopt dat, maar niet alles wat technisch klopt is ook wenselijk. Dit wetsvoorstel zou absoluut meer voorbereidingstijd verdiend hebben dan nu het geval is geweest.
Als laatste. Thorbecke ontwierp deze Kamer als rem op haast, niet als handlanger daarvan. In de wandelgangen hoorde ik de afgelopen weken vaak hetzelfde argument: als deze Kamer niet instemt, ontstaat er chaos. Dat argument houdt op drie gronden geen stand. Ten eerste. De Europese verordeningen werken rechtstreeks. Zij gelden met ingang van 12 juni, met of zonder deze wet.
Ten tweede. Het is juist dit wetsvoorstel dat chaos creëert. Geen integrale capaciteitsanalyse, geen overgangsrecht voor 132.000 lopende procedures, geen hardheidsclausule, een ICT-systeem dat niet gereed is, een plan van aanpak dat nog moet worden geschreven: dat is geen zorgvuldig wetgevingsproces, maar een sprong in het duister. Ten derde. Wie veroorzaakt deze chaos? Niet deze Kamer, niet de Raad van State, maar een regering die twee jaar wachtte en vervolgens haast inzet als politiek drukmiddel.
Tot zover de procedure, nu de inhoud. Het kabinet had één opdracht, namelijk het implementeren van het Migratiepact. Implementatie is precisiehandwerk, geen politieke gelegenheid om wensen mee te smokkelen die de Europese verordeningen niet vereisen. Toch is precies dat hier gebeurd: verzwaringen van detentieregimes, beperkingen in nareis die verdergaan dan het pact verlangt, aanscherpingen die Brussel nooit heeft voorgeschreven. Op de bagagedrager van een Europese implementatiewet wordt er zo een politiek programma meegefietst: "het strengste asielbeleid ooit".
Voorzitter. Dat is geen implementatie, dat is een sluiproute. Elk van die nationale koppen had als zelfstandige titel naar deze Kamer moeten komen, met eigen advisering, een eigen impactanalyse, eigen overgangsrecht, een eigen parlementaire weging, en niet als bijrijder van een wet die in de kern over iets anders gaat. Wie het strengste asielbeleid ooit wil voeren, mag dat uiteraard verdedigen, voor de kiezer, voor de rechter, voor de geschiedenis, maar niet weggemoffeld onder de vlag van een Europese implementatiewet. Dat is geen wetgevingstechniek, maar een verpakkingstruc.
Drie onafhankelijke adviesorganen bogen zich over dit wetsvoorstel: de Raad van State, de IND en de Adviesraad Migratie. Alle drie oordeelden negatief, niet op één punt, maar op meerdere fundamenten. De Raad van State schreef dat de delegatie van regelgevende bevoegdheden — collega Van Gasteren had het daar zojuist ook al over — onvoldoende is afgebakend. Het antwoord van de minister: men deed het vroeger ook zo. Dat is redeneren vanuit de afwezigheid van problemen, niet vanuit de aanwezigheid van oplossingen. De bewaring van minderjarigen kan oplopen tot twaalf maanden. De Raad van State vroeg om een proportionaliteitsonderbouwing. Het antwoord luidde, samengevat: het is eenvoudiger voor de IND.
Voorzitter. Efficiëntie is een prachtig begrip, maar niet wanneer het dient als argument om kinderen langer vast te zetten. Wanneer drie adviesorganen, die elkaar zelden eensgezind tegenkomen, op dezelfde punten dezelfde zorg uiten, dan is het niet langer eigenwijs om niet te luisteren, maar zelfs onbehoorlijk om niet te luisteren. 52.000 nareisaanvragen liggen open. Ik vroeg welk recht geldt voor aanvragen die zijn ingediend voor 12 juni, maar daarna behandeld. Het antwoord was: het nieuwe, strengere regime. Ik vroeg of er een risicoanalyse is gemaakt voor het ontbreken van overgangsrecht. Het antwoord was: nee. Ik vroeg of er een hardheidsclausule wordt overwogen. Het antwoord was: nee. Vier keer vroeg deze Kamer om fundamentele waarborgen en vier keer luidde het antwoord in feite: nee, dank u wel. Rechtszekerheid is geen dogmatische voorkeur van staatsrechtjuristen; het is een fundamenteel beginsel dat burgers mogen vertrouwen op het recht zoals dat gold op het moment dat zij handelden.
Voorzitter. Een vluchteling schreef mij afgelopen week: "Voor duizenden gezinnen, waaronder het mijne, staat niet alleen een procedure op het spel, maar het recht om als mens in waardigheid te leven." En hij heeft gelijk: de wet biedt hem geen overgangsrecht, geen hardheidsclausule, geen risicoanalyse, alleen een datum. Op pagina 64 van de nota naar aanleiding van het verslag staat misschien wel de meest veelzeggende zin van het hele dossier. Ik vroeg de regering of er een integrale capaciteitsanalyse was gemaakt. Het antwoord was: nee, er is geen integrale capaciteitsanalyse gemaakt, niet voor de IND, niet voor de rechtspraak, niet voor de advocatuur, terwijl dit — het is zojuist al gezegd — de grootste wijziging van het asielrecht betreft van de afgelopen 25 jaar.
De president van de Algemene Rekenkamer constateerde vorig jaar in NRC dat de asielbegroting in 23 jaar maar liefst 21 keer tussentijds moest worden bijgesteld. Zijn diagnose, en ik citeer: "Echt politieke onwil." Dat is de hoogste auditor van de rijksoverheid, niet een activist, maar iemand die jarenlang actief is geweest voor een van de coalitiepartijen. Met die diagnose op tafel vraagt het kabinet deze Kamer opnieuw erop te vertrouwen dat een wetsvoorstel zonder integrale capaciteitsanalyse uitvoerbaar is. Waar is dat vertrouwen op gebaseerd? Op hoop, op optimisme, of op het klassieke Haagse verschijnsel dat problemen pas bestaan wanneer ze in het journaal verschijnen?
Mijn fractie vraagt de regering dan ook om vier toezeggingen, niet in de vorm van politieke poëzie, maar klip-en-klare, ondubbelzinnige toezeggingen. Eén. Geen inwerkingtreding van de nareis- en tweestatusstelselbepalingen zolang er geen adequaat overgangsrecht bestaat voor de 52.000 lopende aanvragen. Rechtszekerheid is geen exotische hobby, maar een fundament van behoorlijk bestuur. Twee. De minister zegt dat het wetsvoorstel uitvoerbaar is. Dan kan hij ook een integrale capaciteitsanalyse overleggen, en wel vóór het koninklijk besluit en niet pas erna. Een stelselwijziging van deze omvang verdient meer dan bestuurlijk wensdenken als onderbouwing.
Drie. Is de minister bereid een voorhangprocedure toe te zeggen voor AMvB's die raken aan grondrechten, detentie en gezinsvereniging? Wanneer wetgeving zo veel delegeert, moet parlementaire controle sterker worden en niet zwakker. Anders verschuift het zwaartepunt van het recht stilletjes van het Binnenhof naar het Bezuidenhout. En vier, tot slot. Geen beleidsproza, maar harde uitvoeringscijfers aan beide Kamers binnen twaalf maanden na inwerkingtreding: doorlooptijden, achterstanden, gegrondverklaringen, cijfers. Aan elke onbeantwoorde of onvolledig beantwoorde vraag om een toezegging overweegt mijn fractie een motie te verbinden, niet uit obstructie, maar omdat de Eerste Kamer anders stemt over een wet waarvan zij de uitvoerbaarheid niet kan beoordelen.
Voorzitter. De Eerste Kamer heeft één fundamentele taak, namelijk beoordelen of wetgeving rechtmatig, uitvoerbaar en handhaafbaar is, niet of de coalitie haast heeft, niet of de minister politieke druk ervaart. Thorbecke ontwierp deze Kamer niet als administratief afhandelingsloket van de regering. Hij ontwierp haar als chambre de réflexion, de instelling die overeind blijft wanneer de politieke druk het grootste is, niet om populair te zijn, maar om te toetsen. En dan de belofte van een plan van aanpak: ja, het kabinet belooft een plan van aanpak en dat is op zichzelf bemoedigend. Het is alleen jammer dat wij moeten stemmen voordat dat plan er is.
Voorzitter, tot slot. Een rechtsstaat bewijst zijn waarde niet wanneer alles eenvoudig is. Hij bewijst zijn waarde juist wanneer de politieke druk groot wordt. De klok tikt. Iedere fractie wordt opgeroepen tot snelheid en de instituties moeten toch overeind blijven. Dit wetsvoorstel bevat verstrekkende nationale keuzes die verder gaan dan het Europees pact vereist, zonder overgangsrecht, zonder hardheidsclausule, zonder integrale uitvoeringsanalyse, zonder overtuigende beantwoording van fundamentele rechtstatelijke vragen. Dan is het aan deze Kamer om te doen waarvoor zij is ontworpen, namelijk standhouden. De rechtsstaat is immers geen obstakel voor beleid, maar de voorwaarde waaronder het beleid legitiem kan zijn. Wanneer deze Kamer die voorwaarde uit het oog verliest omdat de agenda dringt, dan schiet niet alleen het kabinet tekort, maar ook wij in deze Kamer in de uitvoering van onze taak.
Ik zie met belangstelling uit naar de beantwoording van de minister.
De voorzitter:
Voordat u weggaat ...
De heer Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden):
Ik zou niet durven, voorzitter!
De voorzitter:
... zie ik dat er een interruptie is van de heer Van Hattem van de PVV. Gaat uw gang.
De heer Van Hattem i (PVV):
Een heel korte interruptie. Toch een vraag aan de heer Van de Sanden. Van wie was de uitspraak dat deze Kamer grond noch doel heeft?
De heer Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden):
Ik denk dat u het antwoord daarop op dit moment waarschijnlijk beter weet dan ik.
De heer Van Hattem (PVV):
Dat was de voortdurend door u aangehaalde heer Thorbecke. Dus telkens als u zegt dat hij deze Kamer ontwierp voor heel de trits zaken die u opnoemt: Thorbecke was juist de minst grote fan, laat ik het zo maar noemen, van deze Eerste Kamer.
De heer Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden):
Had u ook nog een vraag, meneer Van Hattem, of was dat het?
De heer Van Hattem (PVV):
Nee. Ik voeg dit alleen even toe omdat hier te pas en te onpas Thorbecke wordt aangehaald.
De heer Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden):
Waarvan akte, zou ik dan zeggen. Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. U was klaar met uw betoog. Dan gaan we nu luisteren naar mevrouw Perin-Gopie van Volt, die ook spreekt namens de fractie Visseren-Hamakers.
Mevrouw Perin-Gopie i (Volt):
Dank u wel, voorzitter. U mag mij overigens gewoon aanspreken met alleen Perin, als u wilt. Om het makkelijker te maken. Dank u wel.
Vandaag spreken we over de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026, een wet die volgens de minister noodzakelijk is voor de invoering van het Europese Asiel- en Migratiepact, maar die in werkelijkheid veel meer doet dan alleen implementeren. Deze wet is niet slechts een technische omzetting van Europees recht. Zij betekent een fundamentele stelselwijziging van het Nederlandse asielbeleid, de grootste wijziging in 25 jaar. Tijdens de technische briefing gaven juristen van het ministerie bovendien aan dat hier sprake is van een dermate omvangrijke stelselwijziging dat zij het opmerkelijk vonden hoe snel de parlementaire behandeling gaat in deze Kamer. Grote stelselwijzigingen vragen een zorgvuldige beoordeling door deze Kamer en ik concludeer dat we deze wet onzorgvuldig en snel hebben behandeld. De Eerste Kamer is geen politiek scorebord. Wij toetsen wetten op uitvoerbaarheid, handhaafbaarheid en rechtsstatelijkheid, maar ook op de verenigbaarheid met grond- en mensenrechten. Juist bij wetgeving die diep ingrijpt in levens van mensen, in de uitvoering en in de werking van onze rechtsstaat moeten wij scherp zijn.
Het eerste punt dat ik wil maken, is dat deze wet veel verder gaat dan wat noodzakelijk is op grond van het Europese pact. Het wetsvoorstel bevat namelijk vele nationale koppen. Ik weet dat deze Kamer vele tegenstanders kent van nationale koppen. De Raad van State is ook opvallend helder over deze koppen. De Afdeling advisering stelt expliciet dat Nederland op meerdere onderdelen kiest voor aanvullende nationale verzwaringen die niet dwingend voortvloeien uit het pact. Daarbij noemt de Raad van State onder andere het tweestatusstelsel zoals wij dat in Nederland willen vormgeven, de strengere nareisvoorwaarden, het afschaffen van de asielvergunning voor onbepaalde tijd, het verkorten van vergunningen en het afschaffen van de voornemenprocedure. Ook uit de ambtelijke briefing aan deze Kamer blijkt dat het kabinet kiest voor verkorting en versobering van procedures tot het Europese minimum. Daarmee is dit debat nadrukkelijk een debat over nationale politieke keuzes en juist nationale politieke keuzes horen door deze Kamer vol te worden getoetst op de proportionaliteit, de uitvoerbaarheid en de rechtsstatelijkheid.
Volt en de Fractie-Visseren-Hamakers hebben fundamentele vragen bij deze keuzes. Waarom kiest de minister ervoor om de grensprocedure in plaats van de reguliere procedure toe te passen op aanvullende categorieën boven op wat Europees verplicht is, zeker nu juist de procedures gepaard gaan met verkorte termijnen, beperkte rechtsbescherming en een groter risico op onzorgvuldige besluitvorming? Waarom kiest de minister ervoor om de asielvergunning voor onbepaalde tijd af te schaffen, terwijl dit niet uit het pact voortvloeit? Internationale bescherming moet ook daadwerkelijk beschermen. Een systeem waarin mensen voortdurend opnieuw moeten procederen over hun verblijfsrecht ondermijnt rechtszekerheid, participatie en integratie. Bovendien zal het leiden tot extra verlengingsprocedures, extra druk op de IND en extra belasting van de rechtsspraak.
Nu zijn er al schrijnende situaties waarin mensen jarenlang moeten wachten op een beslissing over hun asielaanvraag en tegen de tijd dat mensen eindelijk hun verblijfsvergunning krijgen, is die dan al feitelijk verlopen. Het is namelijk zo dat je asielvergunning, als je die krijgt, ingaat op de datum dat je de aanvraag deed en we zien dus nu al situaties waarin mensen een verlopen verblijfsvergunning krijgen. Mijn vraag aan de minister is hoe hij gaat voorkomen dat deze wet de druk op de IND vergroot en deze situaties dus juist vaker voor gaan komen, ook nu de vergunningen korter zullen zijn.
Voorzitter. Dan de uitvoerbaarheid. De minister schrijft aan deze Kamer dat alle organisaties in de migratieketen zich voorbereiden op de grootste stelselwijziging in 25 jaar. Tegelijk lezen we dat het nieuwe ICT-systeem van de IND niet op tijd gereed is en dat noodgedwongen moet worden doorgewerkt met aanpassingen in het oude systeem. De minister schrijft ook dat het onvermijdelijk is dat zich na 12 juni onvolkomenheden zullen voordoen. Daarnaast erkent de minister de personeelstekorten bij rechtbanken, de tekorten aan asieladvocaten en een toenemende druk op de beroepsfase. Dan vraag ik me toch af waarom de minister er juist in deze context voor kiest om nationale koppen op het pact te zetten. Waarom kiest de minister niet voor een zo sober en uitvoerbaar mogelijke implementatie?
En dan de rechtsbescherming. De minister kiest ervoor om de asielprocedure fors te versoberen. Nationale processtappen worden geschrapt, beroepstermijnen verkort en procedures versneld en daarbij verdwijnt ook de voornemenprocedure. Hier wordt het echt heel zorgelijk, want de minister erkent zelf dat door het afschaffen van de voornemen- en zienswijzeprocedure besluiten waarschijnlijk meer onvolkomenheden zullen bevatten en beroepen vaker gegrond verklaard zullen worden. De minister zegt hiermee feitelijk: we verwachten meer fouten in de besluiten, maar we vinden die snelheid belangrijker. Volt en de Fractie-Visseren-Hamakers vinden dat zeer problematisch, zeker in het vreemdelingenrecht. Waar besluiten diep ingrijpen in levens van mensen, mag snelheid nooit de enige maatstaf zijn en juist daarom is onafhankelijke juridische ondersteuning essentieel. Onze fracties vinden het onwenselijk dat de wet onvoldoende borgt dat juridische counseling daadwerkelijk onafhankelijk van de beslissingsautoriteit wordt georganiseerd. Effectieve rechtsbescherming vereist immers dat mensen toegang hebben tot deskundige en onafhankelijke begeleiding, zeker in versnelde procedures met verstrekkende gevolgen.
Dan de positie van kinderen in de opvang. We weten inmiddels dat veel kinderen in asielopvanglocaties langdurig wachten op onderwijs. De Inspectie van het Onderwijs, gemeenten en maatschappelijke organisaties trekken daar al langer over aan de bel. Tegelijkertijd scherpt de herschikte Opvangrichtlijn juist de onderwijsverplichting aan. Kinderen moeten binnen twee maanden daadwerkelijk toegang krijgen tot onderwijs, waar dat nu drie maanden is en die driemaandentermijn wordt nu ook al niet voor alle kinderen gehaald. De minister kiest voor versnelde procedures en strengere maatregelen. Hoe gaat hij tegelijkertijd voldoen aan de aangescherpte onderwijsverplichting? Hoe wordt gemonitord of kinderen in opvanglocaties daadwerkelijk tijdig onderwijs ontvangen en welke instantie wordt verantwoordelijk voor toezicht en handhaving? Ik vraag ook welke consequentie de minister eraan verbindt als kinderen maandenlang geen onderwijs krijgen. De Leerplichtwet geldt immers voor alle kinderen die zich in Nederland bevinden. Voor Nederlandse ouders geldt dat de overheid snel optreedt wanneer kinderen zonder geldige reden thuiszitten. Hoe voorkomt de minister dat voor kinderen in de opvang in de praktijk een lagere standaard geldt? Hoe wordt specifiek geborgd dat ook kinderen in noodopvanglocaties, crisisopvang en gezinnen die frequent worden overgeplaatst daadwerkelijk structureel toegang krijgen tot regulier onderwijs?
Voorzitter. Dan specifiek de positie van kinderen rondom de grensprocedure. Wij hebben stevige zorgen over grensdetentie en vreemdelingenbewaring van kinderen. Detentie van kinderen op basis van hun migratiestatus is nooit in het belang van het kind. Er is geen kinderrechtenorganisatie die zich kan vinden in de lijn van de minister dat kinderen in detentie horen. Ik constateer bovendien dat het pact detentie voor kinderen niet verplichtstelt. Toch kiest Nederland ervoor om grensdetentie en vreemdelingenbewaring voor kinderen structureel mogelijk te maken. Waarom, vraag ik de minister. Hoe verhoudt dit zich tot artikel 3 van het Kinderrechtenverdrag, waarin het belang van het kind de eerste overweging moet vormen? Ik vraag de minister of hij kinderen heeft geraadpleegd en heeft gevraagd hoe zij aankijken tegen grensdetentie en vreemdelingenbewaring. Onderdeel van de kinderrechtentoets is namelijk om ook kinderen te bevragen. De minister schrijft in de beantwoording dat minderjarigen in uitzonderlijke gevallen in grensdetentie of vreemdelingenbewaring kunnen worden geplaatst, onder andere wanneer er sprake is van signalen van mensenhandel, mensensmokkel of twijfel over gezinsbanden.
De heer Van Hattem i (PVV):
Ik wil mevrouw Perin van Volt toch iets vragen. Zij heeft het over kinderen, maar in veel gevallen gaat het over de categorie van 16- en 17-jarigen die vooruit worden gestuurd als alleenstaande minderjarige vreemdelingen om alvast een brug te slaan richting de Europese Unie om vervolgens voor de hele familie gezinsmigratie te kunnen afdwingen. Op die manier wordt het perfide netwerk van mensensmokkelaars in stand gehouden, juist over de rug van minderjarigen die hier vervolgens ook nog met alle mogelijke problemen te maken krijgen qua opvang en zo. Kan mevrouw Perin aangeven hoe het niet in detentie plaatsen van bepaalde groepen minderjarige vreemdelingen die zich hier melden, zich verhoudt tot de effectieve aanpak van het perfide stelsel van mensensmokkelaars?
Mevrouw Perin-Gopie (Volt):
Wij hebben ons te verhouden tot kinderrechtenverdragen waarin expliciet staat dat het nooit in het belang van een kind is, zeker niet in een migratieprocedure, om het in een gevangenis te stoppen. Bovendien regelt de minister bij de grensprocedure niet dat alleenstaande minderjarigen in grensdetentie komen; die zijn daarvan uitgesloten.
De heer Van Hattem (PVV):
Maar is het dan wel in het belang van kinderen, van minderjarigen of hoe je ze ook wilt noemen, dat dit netwerk van mensensmokkel in stand blijft, met alle gevolgen en risico's van dien?
Mevrouw Perin-Gopie (Volt):
Ik vraag mij dan heel erg af of mensensmokkel nou wordt voorkomen door kinderen die slachtoffer zijn van mensensmokkel in de gevangenis te stoppen. Volgens mij stoppen we dan de verkeerde personen in detentie. We zouden mensensmokkelaars moeten aanpakken en die in detentie moeten stoppen, niet kinderen.
De voorzitter:
De laatste keer, meneer Van Hattem.
De heer Van Hattem (PVV):
Je moet dit maximaal afschrikken. Je moet proberen dit op alle mogelijke manieren juist te voorkomen. Als daar detentie voor nodig is, is die dus juist hard nodig om te voorkomen dat er nog meer mensen hiernaartoe kunnen komen. Wij zitten hier anders met de overlast en de problemen. Dit blijft anders een aanlokkelijk middel om migratie richting de Europese Unie in stand te houden. Is mevrouw Perin het daarmee eens?
Mevrouw Perin-Gopie (Volt):
Ik ben het daar natuurlijk helemaal niet mee eens! Volt staat voor een democratische rechtsstaat. In een democratische rechtsstaat hebben we ons te verhouden tot alle rechten die wij mensen gunnen, onder andere tot onze grondrechten, waarin we ook kinderen beschermen, en tot het internationale Kinderrechtenverdrag, dat zegt dat kinderen gewoon in vrijheid moeten kunnen leven, bij hun familie moeten kunnen opgroeien en dat zij recht hebben op onderwijs. Dat is in detentie allemaal niet mogelijk. Detentie is bedoeld voor criminelen. Ik ben het helemaal eens met iedereen die zegt dat criminelen de gevangenis in moeten. Daar is dus geen twijfel over mogelijk.
De voorzitter:
U vervolgt uw betoog.
Mevrouw Perin-Gopie (Volt):
Ja. Even kijken. Waar was ik gebleven?
Ik constateer dus dat het pact detentie van kinderen niet verplicht stelt. Toch kiest Nederland ervoor om grensdetentie en vreemdelingbewaring van kinderen structureel mogelijk te maken. Ik vraag de minister waarom hij dat doet. O, dit had ik volgens mij al gezegd. Nou ja.
Hoe verhoudt het plaatsen van kinderen in detentie zich tot artikel 3 van het Kinderrechtenverdrag, waarin het belang van het kind de eerste overweging moet vormen? Heeft de minister kinderen geraadpleegd en gevraagd hoe zij aankijken tegen het plaatsen van kinderen in grensdetentie of vreemdelingenbewaring? De minister schrijft in de beantwoording dat minderjarigen in uitzonderlijke gevallen in grensdetentie of vreemdelingenbewaring kunnen worden geplaatst, onder andere wanneer er sprake is van mensenhandel, mensensmokkel of twijfel over gezinsbanden. Dat wringt. Slachtoffers van mensensmokkelaars zijn in de eerste plaats kwetsbare personen, die bescherming, gespecialiseerde opvang en zorgvuldige begeleiding nodig hebben. Dat geldt zeker voor minderjarigen. De Opvangrichtlijn noemt slachtoffers van mensenhandel expliciet als personen met een bijzondere opvangbehoefte. Tegelijkertijd lezen we in de beantwoording van de minister dat juist signalen van mensenhandel aanleiding kunnen vormen om minderjarigen en gezinnen in bewaring te plaatsen. Wij vragen de minister daarom hoe dit zich verhoudt tot het uitgangspunt van detentie als ultimum remedium, de verplichting uit de Opvangrichtlijn om bijzondere opvangbehoeften tijdig vast te stellen en het uitgangspunt dat het belang van het kind de eerste overweging moet zijn.
Voorzitter: Vos
Mevrouw Perin-Gopie (Volt):
Kan de minister toelichten waarom een mogelijk slachtoffer van mensenhandel in een gesloten setting terecht zou moeten komen in plaats van in een beschermingsgerichte opvangvoorziening. Hoe krijgen deze kinderen in asieldetentie of vreemdelingenbewaring toegang tot hun recht op onderwijs? Welke specifieke alternatieven voor detentie zijn er ontwikkeld voor mogelijke slachtoffers van mensenhandel, waaronder kinderen? Kan de minister expliciet toezeggen dat gezinnen met kinderen die mogelijk slachtoffer zijn van mensenhandel, nooit in grensdetentie of vreemdelingenbewaring worden geplaatst? Als deze toezegging niet gedaan wordt, overweeg ik op dit punt een motie in te dienen.
Onze fracties maken zich daarnaast zorgen over het tweestatusstelsel en de aanvullende voorwaarden voor het nareizen van subsidiair beschermden. Een wachttijd van twee jaar en aanvullende inkomens- en huisvestingseisen betekenen in de praktijk dat gezinnen langdurig van elkaar gescheiden kunnen raken. Dit raakt direct aan het recht op een gezinsleven, aan kinderrechten, aan de menselijke maat en bovendien aan vragen over proportionaliteit en gelijke behandeling. Zeker voor minderjarige kinderen is een langdurige scheiding van de ouders ingrijpend. Onze fracties vragen de minister daarom hoe hij dit proportioneel acht, juist nu de minister zelf erkent dat deze aanvullende voorwaarden niet rechtstreeks voortvloeien uit het Migratiepact.
Onze fracties vragen de minister daarnaast hoe hij omgaat met situaties waarin gezinsbanden in de praktijk evident bestaan maar in het land van herkomst niet formeel konden worden vastgelegd. Denk bijvoorbeeld aan pleegkinderen die na oorlog of vervolging worden verzorgd door familieleden zonder dat adoptie juridisch heeft kunnen worden geformaliseerd.
Ook vraag ik hoe de minister voorkomt dat deze wet in de praktijk discriminerend uitpakt voor lhbtiq+-personen voor wie in het land van herkomst het onmogelijk of zelfs strafbaar is om te trouwen. Hoe verhoudt dat zich tot artikel 8 van het EVRM, de Gezinsherenigingsrichtlijn en de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens?
Voorzitter. Tot slot de wetgevingskwaliteit. De Raad van State is kritisch op de grote hoeveelheid delegatiebepalingen in dit wetsvoorstel. Volgens de Afdeling advisering worden te veel wezenlijke keuzes doorgeschoven naar lagere regelgeving. Dat raakt aan een principieel punt: het primaat van de wetgever. Juist bij wetgeving die raakt aan vrijheid, gezinsleven en rechtsbescherming moet voor onze Kamer helder zijn welke keuzes worden gemaakt, welke waarborgen gelden en waar de grenzen van de overheidsbevoegdheden liggen. Daar komt nog bij dat het nieuwe stelsel buitengewoon complex wordt. Er is een rechtstreekse inwerkingtreding van EU-verordeningen, er is nationale wetgeving, er komen nog AMvB's, ministeriële regelingen en er is het overgangsrecht of, beter gezegd, het gebrek aan overgangsrecht. Het loopt allemaal door elkaar en daar kunnen wij als Kamer nu nog geen oordeel over vellen. Onze fracties onderschrijven dat Europese samenwerking noodzakelijk is. De vraag is of deze complexiteit de rechtszekerheid ten goede komt.
Voorzitter. Onze fracties onderschrijven dat Europese samenwerking noodzakelijk is om migratie efficiënt en humaan vorm te geven, maar bij de implementatie van het Asiel- en Migratiepact slaat deze minister de plank mis. Wij zien vandaag een wet die verder gaat dan Europees noodzakelijk, die extra druk legt op een al overbelaste uitvoering, die rechtsbescherming versobert, die fundamentele vragen oproept over kinderrechten en die op onderdelen schuurt met goede bestuurswetgeving. Juist in tijden van politieke druk moet deze Kamer blijven doen waarvoor zij bestaat: waken over de kwaliteit van wetgeving, de uitvoering van beleid en de fundamenten van de democratische rechtsstaat.
Ik kijk uit naar de beantwoording van de minister. Dank u wel.
De voorzitter:
Ik dank u wel. Dan geef ik graag het woord aan de heer Nicolaï van de Partij voor de Dieren.
De heer Nicolaï i (PvdD):
Dank u wel, voorzitter. Er is door de voorgaande drie sprekers eigenlijk een bijzonder indrukwekkend betoog gehouden, dat erop ziet dat wij als Eerste Kamer moeten waken voor de rechtsstatelijkheid. Daar ben ik blij mee. Er is gesproken over het ontbreken van overgangsrecht, over niet-verantwoorde aanscherpingen, over het opsluiten van kinderen en over delegatiebepalingen die volgens de juristen niet deugen. Ik sluit me daar namens de fractie van de Partij voor de Dieren bij aan. Ik wil die lat gebruiken om in concrete voorbeelden te toetsen hoe je tegen een aantal onderwerpen in deze wetgeving moet aankijken.
Hoe het ook zij, er wordt ook door de minister niet ontkend dat er meer beroepszaken komen, dat er kortere termijnen komen, dat er een grotere complexiteit komt en dat er nieuw recht komt waar iedereen zich opnieuw over moet gaan buigen. Dat heeft grote gevolgen voor de rechtspraak. Aan de gevolgen voor de IND en voor de advocatuur zijn door voorgaande sprekers al woorden gewijd. Ik wil het hebben over de gevolgen voor de rechtspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en de Raad voor de rechtspraak hebben gewaarschuwd dat de uitvoeringslasten enorm zullen zijn. De Raad van State heeft de financiële gevolgen nog niet in kaart gebracht, de rechtspraak wel. In de memorie van toelichting worden cijfers genoemd die inmiddels alweer achterhaald zijn als je kijkt naar de laatste brief van de Raad voor de rechtspraak. In die laatste brief gaat het volgens de raad om meer dan 54 miljoen per jaar, terwijl andere werklasten, die moeilijk becijferd konden worden, nog niet eens zijn meegenomen. Het gaat om gevolgen voor de personele capaciteit, de organisatorische gevolgen, scholing en ICT-systemen.
De regering erkent die toename, maar zegt anderzijds dat de exacte gevolgen nog moeilijk te preciseren zijn. Ik citeer. "Vanuit het ministerie komen de nodige financiële middelen beschikbaar om de gevolgen te mitigeren." "Te mitigeren." De betekenis van "mitigeren" is verzachten, matigen. Dat door het ministerie niet al op voorhand wordt toegezegd dat de financiering van de extra werklast voor de rechtspraak volledig zal worden opgevangen, belooft weinig goeds. Bovendien blijft het de vraag of er wel voldoende deskundige juristen zullen zijn te vinden om het extra werk te kunnen verrichten. Als die zekerheid er niet is, staat de uitvoerbaarheid van de wetgeving op de tocht.
Onze vragen aan de minister. Vraag één. Kan de minister toezeggen dat de financiering van de extra uitvoeringslasten volledig zal worden gerealiseerd? De tweede vraag. Waarop is de verwachting gebaseerd dat de rechtbanken en de Raad van State in staat zullen zijn om de benodigde personele capaciteit op korte termijn uit te breiden? In de memorie van toelichting is aangegeven dat het ministerie "in gesprek blijft over de uitvoerbaarheid van de regelgeving en de daartoe benodigde middelen en maatregelen". "In gesprek blijft." Vraag drie. Kan de minister toezeggen dat hij de Kamer over de uitkomsten en de voortgang van die gesprekken nog dit jaar nader informeert?
Voorzitter. De kwestie van de mogelijke overbelasting van de rechtspraak is temeer van belang omdat een aantal voorschriften van het ontwerp meebrengen dat de termijn waarbinnen de rechter uitspraak moet doen wordt verkort. Kennelijk wordt dat gezien als een stap die leidt tot verkorting van de hele procedure. Maar wat zijn de gevolgen? Laten we daar eens even naar kijken. Wat zijn de gevolgen als de rechter niet binnen de wettelijke termijn uitspraak doet wanneer deze rechter te kampen heeft met een niet te dragen taakverzwaring omdat uitbreiding van de personele capaciteit feitelijk niet mogelijk is gebleken of de financiële middelen daarvoor niet zijn toegekend? Nu komt het. In het algemeen geldt dat als het de rechter niet lukt om binnen de termijn uitspraak te doen, er geen juridische gevolgen zijn. Voor bestuursrechtjuristen is dat normaal, maar een aantal hier aanwezigen kijken daar wellicht van op. Zo bezien is de suggestie dat kortere uitspraaktermijnen in de wet vanzelf leiden tot verkorting van de procedure een dode mus. Mijn vraag aan de minister, vraag vier: erkent de minister dat voor alle beroepen, anders dan bij vreemdelingenbewaring, geldt dat met het verkorten van de uitspraaktermijnen niet kan worden afgedwongen dat de procedure wordt bekort?
Voorzitter. Het ontwerp kent op dit punt niet alleen dode mussen, maar ook een akelige roofvogel. Als namelijk beroep is ingesteld tegen de beschikking tot vreemdelingenbewaring, heeft het overschrijden van de uitspraaktermijn door de rechter wél consequenties. Die gevolgen zijn niet mals. Als het de rechtbank als gevolg van overbelasting niet lukt om binnen de wettelijke uitspraaktermijn op zo'n beroep te beslissen, wordt volgens artikel 94, vijfde lid, van het ontwerp "de vrijheidsontnemende maatregel onmiddellijk opgeheven". Dat is een vergaand gevolg. Dat maakt duidelijk dat de minister met vuur speelt als hij niet bereid is om de taakverzwaring van de rechtspraak volledig te financieren. Vraag vijf aan de minister: ziet onze fractie het goed dat als de rechtbanken niet in staat worden gesteld om de taakverzwaring op te vangen en als gevolg daarvan uitspraaktermijnen niet kunnen halen, een in bewaring genomen vreemdeling als gevolg daarvan uit detentie zal moeten worden ontslagen? Ik ben benieuwd naar het antwoord van de minister, want zo'n gevolg zou toch wel bizar zijn.
Op twee andere punten getuigt het ontwerp van voorstellen die bij nadere beschouwing ook enigszins bizar overkomen. Om te beginnen de regeling van de beroepstermijn die de vreemdeling in acht moet nemen. Artikel 67 van de Procedureverordening geeft aan dat de termijn voor het indienen van beroep minimaal twee weken en maximaal een maand mag bedragen. Dat is de bandbreedte. De huidige beroepstermijn in de Vreemdelingenwet bedraagt vier weken, wat al korter is dan de zes weken die volgens de Algemene wet bestuursrecht voor alle beroepen geldt. Die termijn van vier weken wordt nu in het wetsvoorstel ineens gehalveerd met als argument dat dit de doorloop in de asielketen zou bevorderen: twee weken. De Nederlandse Orde van Advocaten heeft aangegeven dat het een advocaat van een vreemdeling alleen al meer dan een week kost om zijn schriftelijke advies over wel of niet in beroep gaan met zijn cliënt te delen: het moet met de post, die post komt ergens bij een opvanglocatie, dan moeten er afspraken gemaakt worden waar kaartjes voor moeten worden besteld, enzovoort. De halvering van de beroepstermijn naar twee weken is in dat licht al, naar mijn oordeel, onaanvaardbaar.
Hoe gaat dit in de praktijk? Er zitten hier meerdere juristen die weten hoe dat gaat. Wie een bizar korte termijn krijgt om in beroep te gaan, neemt het zekere voor het onzekere en stelt meteen pro forma beroep in en ziet dan later wel of dat beroep kan worden gehandhaafd. Wat is dus het gevolg van die verkorting? Die verkorting leidt in de praktijk tot meer rechtszaken. En meer rechtszaken betekent meer oponthoud en meer financiële gevolgen en een belasting van de hele keten. Mijn vraag aan de minister is of hij nog eens kan uitleggen wat die halvering van de beroepstermijn voor winst oplevert. Ik zie dat niet, de Raad van State ziet dat niet en de Nederlandse Orde van Advocaten ziet het ook niet. Als de minister het wel ziet, dan hoor ik graag wat hij dan ziet.
Een ander bizar punt betreft de regeling van de juridische counseling. Artikel 16 van de Procedureverordening bepaalt dat lidstaten kosteloze juridische counseling moeten bieden tijdens de administratieve procedure. Die dienst omvat begeleiding bij en de uitleg over de administratieve procedure met inbegrip van informatie over rechten en plichten én bijstand bij de indiening van het verzoek van die vreemdeling. In feite gaat dit dus om rechtsbijstand buiten de beroepsfase. Terecht heeft de Raad van State opgemerkt dat de lidstaten er ook voor mogen kiezen om tijdens de administratieve fase kosteloze rechtsbijstand aan te bieden. Daarom stelt de Nederlandse Orde van Advocaten ook voor om deze kwestie te regelen in de Wet op de rechtsbijstand, waarin uitvoering wordt gegeven aan artikel 18 van de Grondwet, onze Grondwet, die het grondrecht van recht op bijstand regelt.
De Raad van State heeft ook geoordeeld dat — ik citeer — "het met het oog op het primaat van de wetgever nodig is dat de regeling van de juridische counseling op hoofdlijnen op wettelijk niveau wordt vastgelegd". Anderen zijn daar ook al op ingegaan. In het ontwerp is dat advies genegeerd, want de regeling van die counseling wordt op het laagste niveau vastgesteld: niet bij wet, wat de Raad van State eigenlijk vereist, niet bij algemene maatregel van bestuur, maar door het ministerie zelf. Sterker nog, in een brief aan de Tweede Kamer zijn meteen de asieladvocaten buitenspel gezet. Ik citeer: "De uitvoering van deze taken zal niet aan de asieladvocatuur worden gevraagd." Dat is het standpunt van de minister. En nu komt het, want de minister sluit die brief af met een onheilspellende zin, luidende: "Gelet op het voorgaande heb ik de IND gevraagd de uitvoering van deze taken op zich te nemen." Lezen we hier dat de IND, dus de tegenspeler van degene die asiel vraagt de taak gaat krijgen om de asielzoeker bij te staan en te informeren? Dat zou toch wel heel bizar zijn. Ik zie de minister al nee knikken. Mijn vraag aan de minister, vraag zeven, is: is het echt het voornemen van de minister om die taken bij de IND te beleggen? Zo ja, hoe verdraagt zich dat met de tekst van artikel 19 van de Procedureverordening?
Dan vraag acht. Als het de bedoeling is, en dat hoop ik dan maar, dat de IND niet zelf die taken mag gaan uitvoeren, maar wel zelf mag gaan beslissen wie als counselor mag optreden, is dat dan niet ook wat bizar? Dan ga je namelijk in feite je tegenspeler het recht geven om de rechtsbescherming te regelen.
Voorzitter. Tot slot kom ik bij een belangrijk onderwerp uit het ontwerp, waarbij iedere bestuursrechtjurist z'n wenkbrauwen zal fronsen, namelijk het schrappen van de voornemenprocedure, omdat daarmee winst zou worden geboekt in het kader van het verkorten van de procedure. We, anderen, hebben het hier over the rule of law gehad. We hebben het over de rechtsstaat gehad. Het verdedigingsbeginsel is een van de oudste rechtsbeginselen dat in de literatuur en de rechtsspraak als rechtsbeginsel is erkend tussen burger en overheid. Nog voordat de artikelen 4.7 en 4.8 in de Algemene wet bestuursrecht, waarin de hoorplicht is geregeld, in die wet kwamen te staan, werd het verdedigingsbeginsel in de rechtspraak allang erkend en toegepast als rechtsbeginsel.
In het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie vinden we dat beginsel in artikel 41 verwoord, maar het werd in 1979 al als rechtsbeginsel door de Europese rechter erkend, in een arrest dat tot de basisstof voor rechtenstudenten behoort. Het rechtsbeginsel houdt niet alleen in dat de burger gelegenheid moet krijgen om zijn standpunt toe te lichten, maar vooral — en nu komt het — ook om zich te verdedigen tegen het voorgenomen oordeel van het bestuur, als dat zou leiden tot een voor hem nadelige beslissing.
Voorzitter. De hoorplicht, ook in dit ontwerp, geldt gewoon uit hoofde van de procedureverordening. Daar ontkomt de IND niet aan, ook al staat in het ontwerp dat de artikelen 4.7 en 4.8 Awb niet in acht hoeven worden genomen. Ik noem twee artikelen. In artikel 11 van de procedureverordening wordt voorgeschreven dat er een persoonlijk onderhoud over de ontvankelijkheid dient plaats te vinden en in artikel 12 is een persoonlijk inhoudelijk onderhoud voorgeschreven.
Een bestuursrechter die zal moeten controleren of aan die verplichtingen is voldaan, ontkomt er niet aan om na te gaan of met de verzoeker is besproken welke weging de IND in zijn hoofd heeft en of de verzoeker de gelegenheid heeft gekregen daarop te reageren. Dat maakt immers onderdeel uit van de toepassing van dat verdedigingsbeginsel als rechtsbeginsel dat de rechter in acht zal moeten nemen. Als de IND ertoe neigt om de aanvraag niet-ontvankelijk te verklaren op een van de in artikel 38 bepaalde gronden voor niet-ontvankelijkheid, dan zal dat aan de orde moeten worden gesteld en zal aan de verzoeker moeten worden gevraagd op welke gronden hij meent dat die niet-ontvankelijkheid niet aan de orde is. Als je artikel 11, tweede lid, van de procedureverordening leest, dan staat dat daar ook gewoon. In het inhoudelijke gesprek tijdens het horen zal aan de orde moeten komen dat en waarom er volgens de IND onvoldoende grond is voor toewijzing van het verzoek en zal de verzoeker gevraagd worden, daarop te reageren.
Voorzitter. Als dat het spel is dat moet plaatsvinden, is dat exact wat de voornemenprocedure voorschrijft. Als die geschrapt wordt uit de wet, dan zal de rechter in het kader van de toetsing van het in beroep bestreden besluit aan het verdedigingsbeginsel het proces van vraag en antwoord doorlopen, dat anders vooraf in de voornemenprocedure zou hebben plaatsgevonden. Het gevolg van het schrappen van die procedure zal dan zijn dat besluiten door de rechter zullen worden vernietigd als bij de toepassing van artikel 11 en 12 van de procedureverordening dat proces van vraag en antwoord achterwege is gebleven en de verzoeker dus in zijn rechten van verdediging is geschaad.
Voorzitter. Dat gevolg is zowel door de Raad van State als door de Nederlandse Orde van Advocaten goed beargumenteerd beschreven. Het schrappen van de voornemenprocedure zal niet leiden tot tijdwinst en het verkorten van de procedure; integendeel. Sterker nog, ook de IND wordt geschaad.
Ik wil tot slot toch nog citeren uit de brief van de Nederlandse Orde van Advocaten, want daarin wordt heel helder uitgelegd wat er gebeurt als de voornemenprocedure geschrapt wordt. "Het werk wordt bovendien voor de IND niet minder. Want als de IND de visie en nadere toelichtingen of argumenten die thans op een presenteerblaadje worden aangeleverd in de zienswijze niet in de bestuurlijke fase verneemt, dan zal de IND die ten minste vernemen in de gerechtelijke fase, en alsnog daarop moeten reageren. Kortom, voor zover er al tijdwinst te boeken zou zijn, gaat deze direct weer verloren in de beroepsfase. De adviescommissie is er, op basis van de kennis die zij heeft van het proces waarin de asieladvocatuur naast de IND de grootste speler is, van overtuigd dat het afschaffen van de voornemenprocedure niet zal leiden tot tijdwinst, maar juist tot tijdverlies. Immers, wanneer direct na het voornemen de zienswijze wordt ingediend, staat bij de beslisambtenaar die moet reageren op die zienswijze het hele dossier nog scherp op het netvlies. Maar als de informatie die te vinden is in de zienswijze pas ter kennis komt van de IND in de beroepsfase, zal dit moeten worden beoordeeld door iemand die nog niet is ingewerkt, van een andere afdeling van de IND."
Voorzitter, ik sluit af met mijn laatste vraag aan de minister. Is de minister met het oog hierop bereid om af te zien van de inwerkingtreding van de voorschriften van het ontwerp die betrekking hebben op het schrappen van de voornemenprocedure en om met spoed een wetsvoorstel in te dienen waarbij die voorschriften worden ingetrokken? Ik zeg u meteen dat ik op dat punt een motie overweeg. Ik zie met belangstelling de beantwoording van de vragen tegemoet.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik graag het woord aan de heer Janssen van de SP.
De heer Janssen i (SP):
Voorzitter, dank u wel. Ik zal mij vandaag vooral richten op het stelsel van het pact en ik zal niet de behandeling van een aantal weken geleden over gaan doen. Wat daar gezegd is, zoals "geen kinderen in de cel" et cetera en de vragen die de collega's al gesteld hebben, staan nog steeds. Daar sluit ik me van harte bij aan.
Voorzitter. Het is voor de SP een raadsel waarom deze minister ook met dit wetsvoorstel blijft voortmarcheren onder de vlag van "het strengste asielbeleid ooit" van het kabinet-Schoof, want dat is wat er gebeurt. We hebben vorige week via de Wet open overheid allemaal kennis kunnen nemen van de beschamende manier waarop het kabinet-Schoof probeerde het noodrecht in te zetten en het parlement te passeren. Is dit ook de werkwijze waarop deze minister van plan is om zijn portefeuille vorm te geven, is mijn eerste vraag aan de minister.
Voorzitter. De Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 is ingevuld conform het regeerprogramma uit 2024 van het kabinet-Schoof, aldus de memorie van toelichting bij dit wetsvoorstel. Dat regeerprogramma uit 2024 van het kabinet-Schoof bevatte echter ook de volgende tekst. "Tegelijkertijd moet Europese wetgeving niet verder gaan dan strikt noodzakelijk. Wat betreft dit kabinet komen er geen nieuwe nationale koppen op Europees beleid." Vervolgens presenteerde het kabinet-Schoof dit wetsvoorstel zijnde een verzameling nationale koppen op Europese wetgeving en neemt het kabinet-Jetten dit onverkort over; hoe ongeloofwaardig wil je het maken?
Voorzitter. De Raad van State heeft in zijn advies ook nadrukkelijk gewezen op de aanwijzingen 9.4 en 9.5 van de aanwijzingen voor de regelgeving. "Met deze invulling wordt niet voldaan aan het uitgangspunt dat bij de implementatie en uitvoering van Europese verordeningen en richtlijnen in de Nederlandse nationale rechtsorde in de regeling geen extra nationaal beleid wordt meegenomen (zuivere/beleidsarme implementatie) en dat de wijze van implementatie zo min mogelijk lasten oplegt (lastenluwe implementatie)." Hoe vindt de minister zelf dat het gelukt is om met dit wetsvoorstel zuiver, beleidsarm en lastenluw het Asiel- en Migratiepact te implementeren, is mijn vraag. Graag een reactie.
Voorzitter. Voor de SP-fractie is de wijze waarop de minister de uitvoering van het Asiel- en Migratiepact vorm denkt te kunnen geven, onbegrijpelijk. Bij alle maatregelen zoekt de minister de absolute ondergrens op van wat nog mag van Europa, of althans van wat de minister denkt dat nog mag. De minister maakt hierbij naar mijn mening een cruciale denkfout. De uitvoering van het Asiel- en Migratiepact is meer dan het uitvoeren van een aantal, op zichzelf staande, individuele maatregelen. Het pact is een stelsel van maatregelen. Alles hangt met elkaar samen en alles werkt op elkaar in. Dit betekent dat je voor de juridische houdbaarheid ook naar het stelsel als geheel moet kijken en niet alleen naar de afzonderlijke maatregelen. De optelsom van de maatregelen kan tot een stelsel leiden dat strenger is dan toegestaan. De uitkomst is namelijk meer dan de som der delen. En dat brengt de houdbaarheid van het Nederlandse stelsel in gevaar.
Dat juridische risico wordt nog vergroot naarmate maatregelen verder aan de onderkant van wat nog is toegestaan, worden vormgegeven. De maatregelen in deze wet zijn de absolute bodem. Lager mag niet; het is de bodem. Niet omdat het van Europa moet, maar omdat het kabinet-Jetten daarvoor kiest en daarmee de uitvoering tot een juridische schietschijf maakt. Door de grenzen van het toelaatbare, de juridische bodem, op te zoeken, lokt de minister zelf de gang naar de rechter uit. Erkent de minister dit? Waarom kiest hij hiervoor?
Voor een stabiele uitvoering van een stelsel van vergunningen, welk stelsel dan ook, is rechtszekerheid cruciaal. Met dit stelsel, gebaseerd op de juridische bodem, neemt de minister wat de SP betreft onaanvaardbare risico's voor de uitvoering. Ieder juridisch vangnet ontbreekt. Bij de minste tegenslag zakken de maatregelen door de bodem. De juridische vormgeving aan de ene kant en de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid aan de andere kant zijn communicerende vaten. Naarmate juridische maatregelen wankeler worden, zullen de risico's voor de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid toenemen. De minister heeft die keuze nu gemaakt. Dan moet niet straks de rechter de schuld krijgen als de minister terechtgewezen wordt. Dat is een rechtstreeks gevolg van de keuzes die de minister maakt en verdedigt. Erkent de minister dit? Graag een reactie.
Kan de minister nog eens toelichten waarom dit kabinet ervoor heeft gekozen om de aanpak van kabinet-Schoof een-op-een door te zetten? Een correctie door de rechter betekent immers dat de uitvoering meteen onder druk komt te staan voor gelijke zaken. Waarom is er niet meer juridische zekerheid voor de uitvoering ingebouwd, weg van de bodem en met meer juridisch vangnet? De wil om te procederen neemt af naarmate de zekerheid van afwijzing toeneemt. Ik kan dat vanuit mijn eigen vergunningverlenende praktijk voor de grote risicovolle bedrijven in Nederland onderschrijven en onderbouwen. Met iets minder strenge maatregelen, maar meer juridische zekerheid haal je uiteindelijk betere resultaten met minder procedures. Waarom kiest de minister hier niet voor? Is dit eigenlijk wel overwogen of is er gewoon doorgegaan waar kabinet-Schoof ophield? Dat is mijn vraag aan de minister.
Voorzitter. Kijkend naar de afzonderlijke inhoudelijke onderdelen van de wet heeft de SP nog een aantal vragen. We hebben de afgelopen week veel mails ontvangen met verhalen van mensen met vooral een Turkse achtergrond. Dat waren mensen in procedure of mensen die al een status hebben. De vraag die zich daarbij bij mij opdrong, is of er bij de uitvoering van het Asiel- en Migratiepact een samenloop is met het Associatieverdrag tussen de EU en Turkije uit 1963 en de standstillbepaling uit 1980. Klopt het dat Turkse vluchtelingen of subsidiair beschermden die langere tijd rechtmatige arbeid in loondienst verrichten, een voortgezet verblijfsrecht op grond van artikel 6 van Besluit 1/80 opbouwen als zij aan de voorwaarden van die bepaling voldoen? En klopt het dat zij in Nederland, vanwege de standstillbepaling van artikel 13 van dat besluit zelfs al na drie jaar legale arbeid een duurzaam verblijfsrecht krijgen? Zo ja, wat betekent dit voor de nareis van familieleden? Weet de minister om welke aantallen dit gaat? Ik krijg graag een verduidelijking van de minister op deze vragen over wat het EU-Turkije-associatieverdrag betekent voor de uitvoering van dit pact en of daarmee het pact buiten werking blijft voor sommige groepen.
Voorzitter. Het ontbreken van overgangsrecht voelt vreselijk oneerlijk. Het leven van wachten in onzekerheid is moeilijk en zwaar; de dagelijkse gang naar de brievenbus. Maar het zicht op een stip aan de horizon kan die zwaarte verlichten. Veel mensen zien die stip op de horizon nu verdwijnen. Mijn vraag aan de minister is of het niet invoeren van overgangsrecht een eigen keuze van het kabinet-Jetten is of dat dit dwingend vanuit het pact is voorgeschreven. Had Nederland mogen kiezen voor overgangsrecht en, zo ja, waarom is die keuze niet gemaakt door dit kabinet? Graag een uiteenzetting door de minister.
Voorzitter. Het al dan niet slagen van dit pact zal voor een groot deel afhangen van de uitvoering van wat ik gemakshalve nog maar even de Dublindoctrine blijf noemen: dat asielzoekers kunnen worden teruggestuurd naar het land waarin zij de EU binnen zijn gekomen en een aanvraag hadden kunnen doen. We kunnen na zoveel jaar — ik ga op dat dossier ook meer dan twintig jaar terug — zo langzamerhand met elkaar wel vaststellen dat Dublin aantoonbaar niet heeft gewerkt. Waarom zou dat nu wel gaan werken, vraag ik de minister. Bij de technische briefing heb ik die vraag op een andere wijze gesteld om de ambtenaren niet met een politieke vraag te belasten, maar ik vraag het nu aan de minister.
Zou Dublin werken, dan worden immers bijna alle asielzoekers teruggestuurd naar Spanje, Cyprus, Italië en Griekenland. Daarbij zouden alle asielzoekers na drie maanden ook mogen gaan werken in die vier landen. Is dat hoe de minister het voor zich ziet? Zou het pact zo moeten gaan werken? Hoe realistisch is dat? Griekenland heeft al aangegeven dat dit niet uitvoerbaar is en dat het ook niet zo uitgevoerd zal worden wat de Grieken betreft. Begrijpelijk, zeg ik daarbij, want eerder hebben de zuidelijke landen namelijk al ervaren dat de solidariteit van de noordelijke landen voor wat betreft het overnemen van asielzoekers alleen op papier bestond. Die ervaring hebben zij al opgedaan. In de praktijk kwam daar namelijk niets van terecht, van die solidariteit.
Ik begrijp hun gerechtvaardigde scepsis over waarom het nu anders zou zijn, zeker als landen als Nederland al vooraan in de rij staan om te melden dat Nederland dat overnemen wel af gaat kopen voor meer dan €20.000 per asielzoeker. Het is toch zo dat je niet naar believen maar af kunt kopen, dat er een maximum is aan het aantal asielzoekers dat door andere landen dan Spanje, Cyprus, Italië en Griekenland kan worden afgekocht? Het is toch zo dat als dat maximum bereikt is, een verplicht en bindend solidariteitsmechanisme in werking treedt, waarbij asielzoekers over de andere Europese landen worden verdeeld en daarnaar worden doorgestuurd, en dat landen daar gedwongen aan moeten meewerken? Het is een Europese spreidingswet in dit pact. Graag een duiding van de minister van of dit klopt en over welke aantallen we dan spreken als het gaat om Nederland. Bij welke aantallen treedt dit mechanisme in werking en welke aantallen zal Nederland dan alsnog in eigen procedure moeten nemen naast de al gedane afkoop? Ik hoor het graag van de minister.
Een realistische voorbode van hoe het kan gaan, zijn de mensen uit de Palestijnse gebieden die met een door Griekenland verleende status mogen doorreizen en zich inmiddels voor een herhaalde aanvraag in Nederland melden. Kan de minister uitleggen of Griekenland hier vooruitlopend op de inwerkingtreding van het pact conform het pact heeft gehandeld of dat we hier al een voorbode zien van wat we vaker mee zullen gaan maken? Graag een reactie van de minister.
Voorzitter. Over de Spreidingwet gesproken, kom ik nog op het volgende. Dat moet mij toch even van het hart. Ik ben verbijsterd door het feit dat mensen die de eed hebben afgelegd voor een publiek ambt en daarbij hebben gezworen of beloofd trouw te zijn aan de Grondwet en gezworen of beloofd hebben de Nederlandse wet te eerbiedigen en na te leven, menen dat dit voor de Spreidingswet niet zou gelden. Iedere burgemeester of wethouder die meent de Spreidingswet niet na te hoeven leven, ieder raadslid of parlementslid dat dat meent, handelt in strijd met die ambtseed. En het als Kamerlid en al helemaal als fractievoorzitter van de tweede regeringspartij oproepen van burgemeesters, wethouders en raadsleden om zelf maar te bepalen of ze een wet naleven, is het oproepen om te handelen in strijd met de door hen afgelegde ambtseed. Zo'n oproep is ongehoord en verwerpelijk. Dat geldt overigens ook voor ministers, en zeker ook voor een vicepremier, die niet volmondig uitspreken dat de Spreidingswet zolang die niet overbodig is onverkort moet worden uitgevoerd, conform de eed die zij als ministers ten overstaan van de Koning hebben afgelegd. Dit moest mij even tussendoor van het hart.
De voorzitter:
Daarover een interruptie van de heer Van Hattem.
De heer Van Hattem i (PVV):
Ook even tussendoor, voorzitter. Ik heb toch een vraag aan de heer Janssen van de SP. De Spreidingswet, of de asieldwangwet zoals ik 'm liever noem, bestaat niet uit mechanisch medebewind. Dus als een burgemeester, een lokale bestuurder of wie dan ook in het publieke domein zegt "we gaan 'm niet onverkort uitvoeren", dan zegt die niks verkeerds, want de wet biedt juist gelegenheid voor overleg voordat er onverkorte uitvoering wordt gevraagd. Deelt de heer Janssen mijn opvatting dat er geen sprake is van mechanisch medebewind en dat daarmee eigenlijk niks verkeerds wordt gezegd als iemand zegt: wij gaan 'm niet onverkort uitvoeren?
De heer Janssen (SP):
Nee, want als iedereen dat zegt, hebben we dus geen uitvoering van de wet. Daarmee is het in strijd met het naleven van de in Nederland geldende wetten. Dat geldt zeker voor mensen die oproepen om vooral als gemeente die wet niet uit te voeren.
De heer Van Hattem (PVV):
Ik hoorde hier in het debat helaas ook allerlei oproepen om vooral illegaliteit niet aan te pakken, om die niet strafbaar te maken, om die illegalen hier maar hun gang te laten gaan. Dat zijn toch ook mensen die vooral weinig te maken willen hebben met onze rechtsstaat en onze wetten. Ik heb heel veel parlementariërs, volgens mij ook van de SP, ook horen zeggen: we willen die illegalen gewoon hun gang laten gaan als die er lak aan hebben als er een uitspraak is gedaan dat ze dit land moeten verlaten, en het dan maar tolereren als ze lak hebben aan onze wet- en regelgeving. Hoe verhoudt zich dat dan tot de opvattingen van de heer Janssen van de SP?
De heer Janssen (SP):
A heb ik dat niet zo gezegd, dus de heer Van Hattem verzint dat waar ik bij sta. Ten tweede is het zo dat wij hier in dit parlement de minister en de regering tot van alles kunnen oproepen: tot medemenselijkheid, tot kijken of er oplossingen zijn voor mensen die in de problemen zitten of voor ongedocumenteerden. Daar kunnen wij de regering toe oproepen. Er is niks mis mee om in het parlementaire debat de regering tot zaken op te roepen. Het is iets anders als wij gemeenten, of burgemeesters of wethouders of raadsleden, oproepen om de wet niet na te leven. Dat vind ik een groot verschil en daar trek ik de grens.
De heer Van Hattem (PVV):
Het is juist een grote vorm van medemenselijkheid om te voorkomen dat een leefomgeving totaal wordt verziekt met een afgedwongen azc in een gemeente en dan een oproep te doen richting een gemeente of een minister om te voorkomen dat er een azc komt via die verschrikkelijke Spreidingswet of asieldwangwet. Dat is toch juist ook medemenselijkheid? Of ziet de heer Janssen dat soms niet als medemenselijkheid richting onze eigen inwoners?
De heer Janssen (SP):
Nee. De heer Van Hattem en ik hebben totaal verschillende opvattingen over medemenselijkheid. Zoals hij in het debat een paar weken geleden zei: ik heb niks met gevoel. Dat laat hij ook steeds weer blijken.
Voorzitter. Ik heb gezegd wat ik wilde zeggen over de ambtseed en de oproepen om vooral de wet niet na te leven. Maar wat zich hier in ieder geval duidelijk toont, is dat je niet 43 COA-locaties kunt sluiten, vaak tegen afspraken met gemeenten in, en duizenden werknemers van de IND en het COA kunt ontslaan, zoals minder dan tien jaar geleden is gebeurd door VVD-staatssecretaris Dijkhoff, want daarvan zien wij nu de gevolgen. Gemeenten zeggen terecht: "Je hoeft niet meer bij mij aan te kloppen. We hadden destijds een afspraak. Die is door het kabinet geschonden, dus kom nu niet opnieuw bij mij aan." Ik begrijp dat.
Voorzitter. De SP voorziet grote problemen bij de uitvoering van de Nederlandse invulling van dit pact. Dat mag duidelijk zijn. De uitvoerende instanties zijn niet klaar en de rechterlijke macht heeft aangegeven vast te zullen lopen door de gekozen invulling, maar het lijkt de minister niet te raken. Het beleidstoneel van "het meest strenge asielbeleid ooit" wordt ook door het kabinet-Jetten uitgedragen en voortgezet. Naar de mening van de SP is het land niet gebaat bij het op papier meest strenge asielbeleid ooit. Het land is gebaat bij het meest uitvoerbare, rechtvaardige en rechtmatige asielbeleid ooit, een beleid dat standhoudt bij de rechter en recht doet aan de situaties van mensen, en dat niet voortdurend moet worden bijgesteld omdat de juridische bodem van het stelsel van dun ijs blijkt te zijn in plaats van stevig beton. Het nu voorliggende wetsvoorstel is juridisch namelijk een Elfstedentocht over één nacht ijs. Wees niet verbaasd als u met uw uitvoering door het ijs zakt, zeg ik tegen de minister, want u had dit kunnen weten, maar koos er zelf voor, tegen beter weten in. Daar is het land niet mee geholpen en de mensen om wie het gaat al helemaal niet.
Ik kijk uit naar de beantwoording van mijn vragen door de minister.
De voorzitter:
Ik dank u wel. Dan geef ik graag het woord aan de heer Schalk van de SGP.
De heer Schalk i (SGP):
Dank u wel, mevrouw de voorzitter. Je zou kunnen zeggen dat er reikhalzend is uitgezien naar de behandeling van het Europees Asiel- en Migratiepact. Althans, bij de behandeling van de Asielnoodmaatregelenwet werd door een aantal partijen gezegd dat die helemaal niet nodig was, omdat het pact er toch aan kwam. Ik ben benieuwd of al die partijen nu het pact ook gaan steunen, maar dat zal nog moeten blijken.
Mevrouw de voorzitter. Bij het debat en de stemmingen rond de novelle en de Asielnoodmaatregelenwet heb ik uitvoerig uit de doeken gedaan hoe de SGP aankijkt tegen barmhartigheid in het asiel- en migratiedossier. Kortweg: rechtvaardigheid en barmhartigheid gaan hand in hand vanaf het moment dat iemand in Nederland arriveert en asiel aanvraagt. Vanaf dat moment zijn er rechten en plichten. Dat is de rechtvaardigheid. Vanaf datzelfde moment zijn er ook mensen en middelen: de barmhartigheid. Bij het debat over de Asielnoodmaatregelenwet zat de sleutel tot het borgen van barmhartigheid in de novelle. Helaas hebben een aantal partijen die borging van barmhartigheid afgewezen. Voor de SGP was dat de reden om tegen de Asielnoodmaatregelenwet te stemmen, omdat barmhartigheid niet ondergeschikt mag zijn aan de grip op asiel.
Bij rechtvaardigheid hoort overigens ook dat er op een moment een beslissing valt: je mag hier blijven of niet. Als je die beslissing niet durft te nemen, dan is het asielbeleid failliet en is de overheid haar gezag kwijt. En als je het wél aandurft — en de SGP durft dat aan, op goede gronden — dan is de barmhartigheid niet plotseling verdwenen. Nee, ook dan worden uitgeprocedeerde asielzoekers tot het laatste toe geholpen. Onder die voorwaarde vindt de fractie van de SGP het niet meer dan logisch dat het kabinet met maatregelen komt om grip te krijgen op asiel. Ik heb daar nog wel een vraag bij aan de minister. Kan hij aangeven welke onderdelen er zijn gemist doordat de Eerste Kamer de Asielnoodmaatregelenwet heeft verworpen? Op welke wijze hoopt hij dat te repareren en welk tijdpad heeft hij daarbij voor ogen?
Hoe dan ook, door het Asiel- en Migratiepact wordt de asielinstroom beperkt door meer opvang aan de Europese grenzen, strakkere termijnen voor asielaanvragen en een versnelde grensprocedure voor kansarme asielzoekers. Of dat allemaal gaat lukken, is een belangrijke vraag. Vandaag beperk ik me tot een paar vraagstukken die wat mij betreft nog om een oplossing vragen.
Allereerst noem ik het overgangsrecht, met name voor de vergunningen die van vijf naar drie jaar gaan. Normaliter worden bestaande zaken getoetst aan de wetgeving zoals die was op het moment dat de aanvraag werd gedaan, de toetsing ex tunc, tenzij de wet voorschrijft dat bestaande zaken volgens de nieuwe regels worden beoordeeld, de toetsing ex nunc. Daarbij is het uitgangspunt dat het wettelijke regime geldt dat het beste uitpakt voor de aanvrager. Kan de minister uitleggen hoe dat gaat werken? Ik noem bijvoorbeeld iemand die in januari van dit jaar een aanvraag deed voor een vergunning van vijf jaar en die pas uitsluitsel krijgt nadat de wet, hopelijk, is aanvaard en het pact in werking treedt. Op dat moment staat drie jaar in de wet. De aanvrager raakt dus eigenlijk twee jaar kwijt. Dat gaat ongetwijfeld leiden tot juridische procedures en het zal worden aangevochten bij de rechter. Klopt het dat die bestaande aanvragen straks onder de nieuwe regels worden beoordeeld en daardoor tot een negatiever besluit leiden dan wanneer ze onder de oude regels zouden zijn beoordeeld? Wat is het risico dat dit leidt tot procedures, met een grote kans dat de rechter besluit dat bestaande aanvragen vanwege de positievere uitkomst voor de aanvrager onder het oude recht moeten worden beoordeeld?
Mevrouw de voorzitter. Binnen de EU zijn afspraken gemaakt over de verdeling van asielzoekers, waarbij lidstaten verplicht asielzoekers moeten opnemen, tenzij ze hun aandeel afkopen, waardoor de asielzoekers in een andere lidstaat kunnen worden opgevangen, het zogenaamde solidariteitsmechanisme. Er wordt wel gesproken over de Europese spreidingswet, net ook al genoemd. Nu was de SGP geen voorstander van de Spreidingswet in Nederland. De zorgen die we daar destijds over hadden, worden vandaag helaas bewaarheid. Maar goed, een Europese spreidingswet bekijken we ook met de nodige zorg, vooral omdat deze nieuwe verdeelafspraken voor Nederland niet per se positief uitpakken. Anderzijds zijn het Europese afspraken, die niet in nationale wetgeving hoeven worden omgezet. Daarom zijn deze afspraken geen onderdeel van het Asiel- en Migratiepact, hoewel ze er wel nauw mee verbonden zijn. Kan de minister aangeven wat nu eigenlijk de consequenties zijn van deze niet in het Asiel- en Migratiepact opgenomen afspraken? Hoe gaat Nederland daar op de korte en langere termijn invulling aan geven?
Mevrouw de voorzitter. De ontbrekende schakel in het pact en in de Europese afspraken betreft de terugkeerverordening. Die is er nog niet. Op 26 maart heeft het Europees Parlement wel een Terugkeerverordening aangenomen. Op dit moment lopen daarover de onderhandelingen met de Europese Raad en de lidstaten. Er wordt dus wel aan gewerkt, met afspraken over detentiecentra, opsporing, uitzetting et cetera. Maar daarom heb ik de volgende vragen. Wat is de inzet van de minister bij deze afspraken? Blijft hij daarbij ondubbelzinnig inzetten op het verplicht wederzijds erkennen en uitvoeren van de terugkeerbesluiten, in lijn met de motie-Diederik van Dijk/Yeşilgöz? Wat de SGP betreft blijven de Dublinafspraken gaan over die nationale keuzes van andere lidstaten, oftewel de afspraak dat het eerste aankomstland verantwoordelijk blijft voor de opvang van asielzoekers, zodat we asielhoppen tegengaan. Kan de minister toezeggen dat dit zijn inzet is in de onderhandelingen in de EU en dat hij hier stevig op inzet?
Mevrouw de voorzitter. Met alle begrip voor privacy en gevoeligheid rond persoonsgegevens: we maken het onszelf wel heel moeilijk als het gaat over de privacy van asielzoekers, want hun hele hebben en houden wordt bekeken en besproken, maar we mogen blijkbaar niet hun telefoon gebruiken om te checken waar ze allemaal al geweest zijn. Een gegevensdrager bij uitstek, die frauderende asielzoekers zomaar kan ontmaskeren, mogen we niet gebruiken. Het zou bij de toetsing van een aanvraag helpen als de IND digitale gegevensdragers kan uitlezen om te zien of de data van bijvoorbeeld de mobiele telefoon overeenkomen met de gegeven verklaring. Trouwens, alle bellen moeten toch eigenlijk gaan rinkelen als een asielzoeker niet wil meewerken aan de check van zijn eigen verhaal? Dat is toch raar?
In de praktijk gebeurt dat uitlezen overigens wel, vaak omdat het nodig is omdat er geen andere informatie beschikbaar is om een aanvraag te beoordelen. Echter, omdat er geen juridische grondslag is voor het uitlezen, is het eigenlijk strijdig met de privacywetgeving. In deze gevallen gebeurt het meestal omdat de aanvrager er toch toestemming voor geeft. Maar ook daarvoor geldt dat het niet automatisch tot rechtmatigheid leidt, omdat er sprake kan zijn van machtsongelijkheid tussen de aanvrager en de medewerker van de IND. Zolang er geen duidelijke wettelijke bevoegdheid is, is dit dus wel problematisch en schuurt het. Door het niet wettelijk te regelen, houd je een bestaande onwettige praktijk in stand die tot een grotere inbreuk op de privacy leidt dan wanneer er een wettelijke grondslag met concrete waarborgen zou worden gesteld. Juist daardoor, door een wettelijke bevoegdheid te creëren, kunnen nadere waarborgen gesteld worden die er nu niet zijn. Mijn vraag is of de minister met spoed met wetgeving komt waardoor de IND de bevoegdheid krijgt om gegevensdragers uit te lezen zonder dat dit tot concrete privacyschendingen leidt.
Mevrouw de voorzitter. Met het wegstemmen van de Asielnoodmaatregelenwet is ook een belangrijk element weggevallen dat door een deugdelijk amendement van de SGP in de Tweede Kamer was ingevoegd, en wel over de asieldwangsommen. Maar liefst 79 miljoen euro is over de balk gesmeten vorig jaar. Die rechterlijke dwangsom willen we natuurlijk kwijt. De IND smeekt ook om afschaffing. Mijn collega Diederik van Dijk heeft opnieuw een amendement van die strekking ingediend in de Tweede Kamer. Mijn vraag is of de minister kan toezeggen dat hij dat amendement gaat omarmen en gaat uitvoeren op korte termijn. Ik weet dat dat daar deze week speelt, maar het is ook wel van belang om te weten op welke manier de minister daar nu naar kijkt. Als daar geen heldere toezegging op komt, overweeg ik een motie op dit punt.
Mevrouw de voorzitter. Bij de behandeling van de Asielnoodmaatregelenwet werden er wisselende signalen uitgezonden door belangrijke instanties. Ik heb daarom de volgende vragen. Is er nu wel voldoende draagvlak voor dit wetsontwerp? Is het uitvoerbaar door de IND en waarom is alleen bijvoorbeeld Ter Apel klaar voor de nieuwe werkwijze, zoals vanmorgen — althans, bij mij vanmorgen — bekend werd?
De heer Janssen i (SP):
Nog even terug naar de dwangsommen. Dwangsommen zijn geen boetes, maar dwangsommen zijn bedoeld om aan een ongewenste situatie een einde te maken.
De heer Schalk (SGP):
Ik heb het woord "boete" ook niet gebruikt.
De heer Janssen (SP):
Nee, dat zeg ik ook niet. Ik geef even de context. Dwangsommen zijn er om aan een ongewenste situatie een einde te maken. Vindt collega Schalk het nu belangrijker dat aan die ongewenste situatie, namelijk capaciteitsgebrek, opstropende dossiers et cetera, een einde wordt gemaakt en gaat hij daar een motie voor indienen zodat dwangsommen vanzelf niet meer nodig zijn, of gaat hij alleen zeggen: die dwangsommen moeten weg, maar we laten die oorzaak ongemoeid?
De heer Schalk (SGP):
Dat zijn een beetje onvergelijkbare grootheden, vind ik. Ze zijn wel aan elkaar gekoppeld omdat het asieldwangsommen zijn. Natuurlijk wil iedereen in dit land, ook de SGP, dat de procedures zorgvuldig maar snel worden gevolgd. Als dat nu niet haalbaar is — en het blijkt dus niet haalbaar te zijn — zijn die asieldwangsommen het resultaat daarvan en daar willen we vanaf. Dat heeft niets te maken met de vraag of ik het wel of niet van belang vind dat mensen die om asiel vragen zorgvuldig en snel worden geholpen.
De heer Janssen (SP):
Het zijn geen onvergelijkbare grootheden. Het ene is het gevolg van het andere. Je kunt geen dwangsom opleggen als er geen situatie is waarin je een dwangsom kan opleggen. Daarom is mijn vraag: vindt de heer Schalk het belangrijker dat er een einde komt aan de situatie van oplopende achterstanden, of vindt hij het belangrijker dat we het dwangmiddel dat we nog hebben, te weten die dwangsommen, wegnemen?
De heer Schalk (SGP):
Uiteraard vind ik het allereerst belangrijk, als je het hebt over oorzaak en gevolg, dat de oorzaak weggenomen wordt. Dat is natuurlijk het allerbelangrijkste. Maar als dat niet haalbaar is om de een of andere reden, bijvoorbeeld door te veel instroom, waardoor de procedures langer duren dan men van tevoren heeft kunnen inschatten, vind ik niet dat we vervolgens geld moeten gaan rondpompen via dwangsommen en dergelijke. Daarom is het wat mij betreft heel belangrijk dat we van die dwangsommencyclus af komen. Dat zegt niets over de manier waarop we snelheid moeten maken met de procedures.
De voorzitter:
Tot slot de heer Janssen.
De heer Janssen (SP):
De situatie is ontstaan door duizenden mensen te ontslaan bij de IND en door jarenlang te bezuinigen op de IND. Daardoor is deze situatie gecreëerd, en niet alleen door de instroom. Ik ben in ieder geval blij dat wij het met deze interruptie even in de context hebben kunnen plaatsen en dat duidelijk is dat het allerbelangrijkste is dat we de oorzaak wegnemen waardoor er dwangsommen kunnen worden opgelegd.
De heer Schalk (SGP):
Ja.
De voorzitter:
U vervolgt uw betoog.
De heer Schalk (SGP):
Nou, misschien nog even in antwoord op de vraag. Inderdaad, als de oorzaak weggenomen wordt, zijn die dwangsommen niet eens meer nodig. Maar we kunnen blijkbaar niet helemaal voorkomen dat procedures soms langer duren dan wij willen. Er zijn situaties, die de heer Janssen ongetwijfeld kent, waardoor er een veel grotere stroom op gang kwam dan wij ooit hadden gedacht. Dan kun je zelfs een IND die misschien wel op volle sterkte is, niet verwijten dat ze dat niet allemaal kan afhandelen. Dan is het ook helemaal niet raar dat je vervolgens zegt: daar moeten we dan geen dwangsommen aan koppelen.
Voorzitter. Mijn allerlaatste punt gaat over de actualiteit. Gisteren werd bekend dat er vliegende teams komen om gemeenten te helpen die gevolgen van de Spreidingswet ondervinden. Mijn vraag aan de minister is welke expertise er in die vliegende teams zit. Wordt daar ook een vliegende rechter aan toegevoegd? Oftewel: is de minister bereid om te onderzoeken of snelrecht mogelijk is, gelet op wat zich op dit moment afspeelt bij sommige asielcentra of beoogde asielcentra?
Wat is de stand van zaken rond de wijziging van de Wet openbare manifestaties in verband met het verbod op gezichtsbedekkende kleding bij demonstraties? In 2018 heb ik een motie ingediend over een onderzoek hiernaar. Het wordt hoog tijd om dit punt op te pakken. Dat is ook de afgelopen weken weer heel duidelijk geworden bij de rellen, die geen recht doen aan hetgeen in Nederland zou moeten gebeuren.
Ik zie uit naar de reactie van de minister. Dank u wel.
De voorzitter:
Ik dank u wel. Ik wil graag kort schorsen om even de benen te strekken enzovoorts.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering en geef graag het woord aan de heer Van Hattem namens de fractie van de PVV.
De heer Van Hattem i (PVV):
Dank, voorzitter. Voordat ik nader inga op de inhoud van dit wetsvoorstel, wil ik eerst de blik richten op waar het eigenlijk om gaat: het beschermen van onze Nederlandse bevolking tegen de massale asielmigratie. Hoe groot de terechte zorgen van veel mensen in ons land zijn, heb ik gisterenavond weer mogen meemaken. Op het stadhuis van Den Bosch kwamen tientallen inwoners van het dorp Engelen inspreken over een voorgenomen asielopvanglocatie voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen. Zonder overleg met de omgeving of met de gemeenteraad wijst het college een plek aan voor een periode van vijftien jaar lang om amv's op te vangen uit landen als Eritrea, Afghanistan en Somalië. Een doorstroomlocatie waar elke keer opnieuw 50 amv's geplaatst worden, met name vanuit Ter Apel. Waarom zou je voor maar liefst vijftien jaar een opvanglocatie moeten vastleggen als we nu zogezegd een effectief werkend migratiepact zouden krijgen? En dat pal naast de enige uitvalsweg van het dorp, waar degelijks vele scholieren en anderen langs moeten fietsen. Afgelopen zomer heeft deze gemeente al onder hoge druk gestaan door gewelddadigheden gepleegd in de binnenstad, met name rond de kermis, door groepen Syrische amv's. Mensen zijn niet gek. Ze weten welke ellende hun te wachten staat.
Jonge moeders kwamen inspreken die vreesden voor de veiligheid van hun kinderen. Het onbezorgde leven van hun dorpsgemeenschap wordt in één klap op de helling gezet. Jongedames van net 18 jaar voelden zich beklemd omdat ze niet meer zomaar alleen op stap kunnen gaan met de fiets. Enkele citaten. "Het gaat erom dat een paar incidenten genoeg zijn om je onveilig te voelen als vrouw." "Hoeveel steekpartijen heeft u nodig voordat u ingrijpt?" "Het gevoel van veiligheid was altijd vanzelfsprekend, tot nu." Hardwerkende ondernemers op het aanliggende bedrijventerrein ervaren nu al tekortschietende handhaving. Keurige burgers met goed onderbouwde informatie, powerpointpresentaties met overduidelijke cijfers, onder andere van het WODC die keihard duidelijk maken hoezeer asielzoekers en met name minderjarige asielzoekers oververtegenwoordigd zijn bij criminaliteit en overlast.
De heer Schalk i (SGP):
Ik heb eigenlijk een punt van orde. Ik vond het heel goed van u, voorzitter, dat u ons een paar minuten rust gaf, maar nu is een groot aantal fracties nog niet aanwezig. Ik heb geen ogen in mijn rug, maar ik begrijp dat ze inmiddels binnen zijn.
De voorzitter:
Ze zijn gehaald en er komen er nog meer. De heer Van Hattem vervolgt zijn betoog.
De heer Van Hattem (PVV):
Dank, voorzitter. Het is inderdaad goed als zo veel mogelijk fracties meekrijgen wat de zorgen zijn vanuit het dorp Engelen in de gemeente Den Bosch, zoals ik net schetste. Al deze mensen voelden zich in de steek gelaten door hun gemeente; niet betrokken, slecht geïnformeerd. De gemeente die deze amv-opvang afdwingt, mede op basis van een brief van deze minister: reden genoeg voor mij om komende donderdag een demonstratie van deze inwoners van Engelen te ondersteunen, samen met de heer Wilders vanuit de Tweede Kamer. Laat deze minister zich ook in Engelen zien om de gevolgen van zijn asielbeleid aan te horen? Ik hoor het graag.
De heer Van de Sanden i (Fractie-Van de Sanden):
Mijn vader zou, als hij dit zou hebben gehoord, in het Tilburgs hebben gezegd: unne schone jas zonder kneupe, da worde nie wèrum van. Ik ben geboren en getogen in zo'n wijk waar die Nederlanders wonen waar u het over heeft, waar u voor zegt op te komen. Kunt u aan die mensen uitleggen waarom er aan deze jas wél knopen zitten?
De heer Van Hattem (PVV):
Het punt is dat die mensen niet gek zijn, zoals ik net al zei. Die weten welke onveiligheid, welk gevaar er uitgaat van massale asielopvang in dit land. We hebben het de afgelopen zomer gezien met Syrische amv's, die voor gewelddadigheden hebben gezorgd in en rond de kermis. We zien op tal van plaatsen in het land dat het gewoon hartstikke misgaat. Er zijn jonge meiden die niet meer op het fietspad durven fietsen. Die terechte zorgen zijn er. Daar moeten we onze inwoners niet aan blootstellen. Dat is gewoon het hele verhaal.
De heer Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden):
Dat is volgens mij geen antwoord op de vraag die ik stelde. De vraag die ik stelde was: waarom werkt dit wetsvoorstel? Waarom bewerkstelligt dit wetsvoorstel hetgeen wat u zegt? Misschien in het verlengde daarvan: kunt u ook eens zeggen hoeveel vragen u in aanloop naar de plenaire behandeling van dit wetsvoorstel heeft gesteld?
De heer Van Hattem (PVV):
Ik kom zo meteen op hoe dit wetsvoorstel zich hiertoe verhoudt. Naar mijn idee is het heel kort samengevat als volgt. Het is leuk en aardig dat er nu op Europees niveau een aantal afspraken worden gemaakt, maar het komt er uiteindelijk op neer wat wij hier landelijk gaan doen. Dan is wat mij betreft één ding gewoon kei- en keihard nodig: die instroom meteen afkappen en zorgen voor een asielstop. Dat is wat we echt hard nodig hebben. Je kunt zulk soort locaties blijven openen, zo'n Migratiepact tot in lengte van jaren uitvoeren met solidariteitsmechanismes, maar wat we écht nodig hebben is een asielstop.
De voorzitter:
Tot slot, meneer Van de Sanden.
De heer Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden):
Ik heb geen antwoord gehoord op de vraag hoeveel vragen de PVV heeft gesteld in aanloop naar de plenaire behandeling.
De heer Van Hattem (PVV):
Daar kan ik kort over zijn. Ik heb ervoor gekozen om zelf geen schriftelijke vragen in te dienen, juist om dit hier snel plenair te kunnen behandelen, gelet op de invoeringstermijn van 12 juni. De vragen stel ik hier in het plenaire debat. Bovendien betreft het hier voornamelijk Europese verordeningen, die rechtstreeks werkend zijn. Er heeft in de Tweede Kamer ook al een uitgebreide behandeling plaatsgevonden. Ik heb ervoor gekozen om het hier in het plenaire debat te doen en niet in de schriftelijke rondes.
De heer Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden):
Met heel veel omhaal van woorden is het antwoord dus: nul.
De heer Van Hattem (PVV):
Daarom stel ik de vragen ook hier. Dat hoeft ook niet per se in schriftelijke rondes. Ieder kiest zijn eigen methodes om vragen te stellen. Als de heer Van de Sanden mij de afgelopen elf jaar in dit parlement heeft gevolgd, weet hij dat ik over het algemeen de nodige vragen stel en zal stellen.
De heer Griffioen i (D66):
Is collega Van Hattem het met mij eens dat het meestal geen rustgevende werking heeft als fractieleiders van de Tweede of Eerste Kamer naar protesten gaan? Twee. Bent u het met mij eens dat het misschien veel beter is om met elkaar in gesprek te gaan in plaats van dat via protesten te doen?
De heer Van Hattem (PVV):
Het is juist goed als mensen met elkaar in gesprek gaan. Daarom is het juist goed dat fractieleiders uit de Eerste en Tweede Kamer bij demonstraties van onze burgers komen kijken en naar hun zorgen komen luisteren. Het zou ook goed zijn als D66 dat zou komen doen. Ik zie meneer Paternotte of uw landelijk politiek leider, meneer Jetten, niet zo gauw bij zo'n demonstratie verschijnen, terwijl ze bij de grootste partij in onze Tweede Kamer en in onze regeringscoalitie zitten. Dan mag je toch ook verwachten dat die eens een keer naar de zorgen van burgers komen luisteren? Maar nee, er worden alleen maar veroordelingen uitgesproken richting terecht bezorgde burgers. Nu krijgen ze in een keer vliegende brigades op hun dak. Er is gewoon een hele grote zorg in Nederland over die asielopvang. Mensen weten dat er risico's zijn. Mensen zitten er niet op te wachten. Dan moet je juist, zoals u terecht zegt, in gesprek gaan. Maar je moet er dan als parlementariër, als volksvertegenwoordiger, juist naartoe gaan.
De heer Griffioen (D66):
Dank voor uw antwoord. U heeft mijn tweede vraag beantwoord, maar niet mijn eerste vraag.
De heer Van Hattem (PVV):
Je staat hier als volksvertegenwoordiger, dus je moet je ook onder het volk begeven. Als het volk er terecht voor kiest om te gaan demonstreren tegen een asielopvanglocatie, tegen een amv-opvanglocatie, dan is het ook goed als daar publieke belangstelling voor is vanuit ons parlement. Het is dus juist een vorm van democratische betrokkenheid om dat op die manier vorm te geven. Ik denk dat het juist olie op het vuur is om weg te blijven bij zulk soort zaken waar burgers zich uitspreken.
De voorzitter:
De heer Griffioen, tot slot.
De heer Griffioen (D66):
Zou het misschien toch een goed idee zijn als u, als u daar bent, ervoor pleit dat die protesten heel vreedzaam moeten zijn, dus zonder geweld? Bent u daar een groot voorstander van?
De heer Van Hattem (PVV):
Ik heb nooit gepleit voor geweld. Ik spreek me altijd uit tegen geweld. Er moet altijd vreedzaam gedemonstreerd worden, maar met alle mogelijke democratische middelen moeten inwoners zich kunnen verzetten tegen zulk soort dwangbesluiten. Ik moedig het ten zeerste aan om op die manier keihard in verzet te komen. Protest hoort daar dus ook bij.
De voorzitter:
U vervolgt uw betoog.
De heer Van Hattem (PVV):
Ja, ik vervolg mijn betoog.
Van deze minister mag worden verwacht dat hij ingrijpt om de asielinstroom in te dammen, maar verder dan loze woorden over grip op migratie zien we hem niet komen. Maatregelen om de asielinvasie te stoppen blijven uit. Dit kabinet pakt juist door om meer azc's af te dwingen. Een asielstop weigert hij pertinent. De dwangwet zet hij harder in dan ooit. Grensbewaking wordt afgeschaald. Dit kabinet schermt met het voorliggende Migratiepact als oplossing, maar zonder als Nederland zelf doortastend op te treden, zal er weinig veranderen, integendeel zelfs. Zolang asielmigranten eerst zes, zeven of zelfs acht veilige landen kunnen doorkruisen en er soms jarenlang kunnen verblijven alvorens in Nederland asiel aan te vragen, zijn zij niet op de vlucht voor onveiligheid, maar op jacht naar onze welvaart: naar gratis huizen, uitkeringen, gezinshereniging en noem maar op. Door dit te blijven accepteren, blijft bovendien het perfide verdienmodel van mensenmokkelaars in stand. Met het voorliggende pact worden weliswaar enkele stappen gezet om dit aan te pakken, zoals de strengere grensprocedure, maar onze grenzen moeten veel steviger gesloten worden voor de asielmigratie. Aan het solidariteitsmechanisme uit het pact moet Nederland helemaal niet mee willen werken, want met solidariteit met onze eigen bevolking heeft dat niks te maken. Kan de minister aangeven waarom hij er niet, net als bijvoorbeeld Hongarije, vol op heeft ingezet om Nederland hier niet aan mee te laten doen?
Sowieso halen andere EU-lidstaten ons rechts in voor wat een strenger asielbeleid betreft. Deze week werd nog duidelijk dat in België het aantal asielaanvragen sneller daalt dan het Europees gemiddelde door nieuwe crisismaatregelen. Het is een daling van 27% ten opzichte van vorig jaar. Dit komt doordat ze de regels voor gezinshereniging strenger hebben gemaakt en het leefloon van migranten hebben gekoppeld aan integratie-inspanningen, aldus De Telegraaf. Ook werd het weigeren van opvang voor asielzoekers die al in een andere EU-lidstaat bescherming kregen, nog verder toegepast. Kan de minister aangeven hoe de Nederlandse regels zich nu verhouden tot die van België en de andere ons omringende landen? Is hij bereid om, binnen de regels en ruimte van het Migratiepact, zich ook in de verdere uitwerking in te zetten voor een zo streng mogelijk asielbeleid binnen de EU?
Het lijkt er nu namelijk op dat de asielinstroom die in België vermindert, veel harder in Nederland aankomt. Wekelijks zijn er zo'n 1.000 nieuwe aankomsten in de asielinstroom. Ter Apel puilt alweer uit, boven de 2.000 personen. Overal is de minister extra asielopvang aan het afdwingen bij gemeenten. Gisteren kwam premier Jetten met de aankondiging van een ambtelijke dramploeg om gemeenten nog harder asielopvang bij hun inwoners te laten forceren. In plaats daarvan zou er een speciaal team moeten komen om onze grenzen te bewaken en te sluiten voor de asielinvasie. Wanneer gaat het kabinet daar nu echt iets aan doen? Het is alleen maar besluiteloosheid en tegenwerking van nota bene de grootste coalitiepartij, D66, die het vertikt om op nationaal niveau, in deze Kamer en op Europees niveau — dan heb ik het over de Terugkeerverordening — in te stemmen met strengere asielmaatregelen. In plaats daarvan leunen ze achterover en leunen ze op dit Migratiepact. Laat de oplossing maar uit Brussel komen, denken ze dan.
Het is echter een surrogaatoplossing, want dit pact maakt de Europese procedures weliswaar iets strikter en strenger, maar het valt of staat met de bereidheid om ook nationaal maatregelen te nemen. Anders zul je als individuele lidstaat door de andere landen worden uitgespeeld in het asielcircus. Nederland kan het zich niet veroorloven om het braafste jongetje van de EU-klas te zijn. Bovendien zitten er binnen het Migratiepact ook genoeg oordelen waar we niet vrolijk van worden, zoals de voortdurende gratis juridische bijstand voor asielzoekers gedurende de gehele procedure. Daarvan zullen met name weer de activistische asieladvocatuur en de ngo-sector gaan profiteren. Het is dus zeker niet zaligmakend.
Voor zover er al maatregelen worden genomen, lijken deze ook weer getorpedeerd te worden, van binnenuit. Binnen de Raad van Europa gaan er alweer stemmen op om dit Migratiepact veel strikter te laten voldoen aan de hoogdravende mensenrechtenstandaarden van het EVRM. Ook de deze week door de Raad van Europa afgegeven Verklaring van Chișinau kan hiermee eindigen als een wassen neus. Kan de minister aangeven welke inspanningen hij zal verrichten om deze uitholling vanuit Straatsburg te voorkomen?
Voorzitter. Het gaat bij deze implementatiewet om de implementatie van voornamelijk rechtstreeks werkende EU-verordeningen. Daar kunnen wij vrijwel niets aan veranderen, maar we kunnen wel binnen de regels de maximale ruimte opzoeken om een zo streng mogelijk beleid te voeren. Maar het gaat dus ook om de uitvoering, en daar lijkt Nederland, net als andere landen, nog helemaal niet klaar voor, zoals bijvoorbeeld blijkt ten aanzien van de Eurodacverordening voor het beheren van de persoonsgegevens van asielmigranten. Kan de minister aangeven wat hiervan de vorderingen zijn?
Kan hij in dit kader ook aangeven of hij bereid is om te onderzoeken hoe te voorkomen dat asielzoekers gegevensdragers wissen of weggooien vlak voordat ze de EU binnenkomen, bijvoorbeeld door sancties te nemen als deze last minute gewist blijken te zijn? Is hij bereid ervoor te zorgen dat deze gegevensdragers ook verplicht uitgelezen kunnen worden? Graag een reactie.
Voorzitter. We kunnen er lang of kort over zijn, maar ik sluit af met de belangrijkste vraag: is de minister nu echt bereid om grip op migratie te krijgen en zich niet alleen maar blind te staren op dit Migratiepact, maar ook zelf als Nederland een asielstop in te voeren en de instroom ook echt terug te dringen? Want onze Nederlanders nog langer laten zuchten onder deze asielinstroom en een parade van tienduizenden nareizigers, is pas echt hardvochtig. Graag een reactie.
De heer Schalk (SGP):
Ik denk dat de heer Van Hattem weet dat hij mij aan zijn kant heeft als het gaat over het indammen van de asielinstroom. Maar ik heb hem wel heel zware woorden horen gebruiken over een asielstop en helemaal niemand meer binnenlaten. Dan zou ik toch even willen kijken of er bij de heer Van Hattem ook nog gedachten zijn over barmhartigheid voor mensen die daadwerkelijk ernstig vervolgd en misschien met de dood bedreigd worden. Is er helemaal geen enkele ruimte voor die gedachte?
De heer Van Hattem (PVV):
Ik ben vooral barmhartig met onze eigen inwoners, die op dit moment jarenlang op wachtlijsten staan voor sociale huurwoningen en die de veiligheid in hun leefomgeving bedreigd zien. Dat vind ik de barmhartigheid die op de eerste plaats moet komen. In hoe wij ons verhouden ten aanzien van asiel een migratie, verschillen wij toch op een belangrijk punt van de SGP. De SGP heeft ervoor gezorgd dat de strafbaarstelling van illegaliteit niet door kon gaan, want het verhaal over dat kopje soep vond de SGP toch belangrijker dan het hele pakket. Met al die verhalen van kerkelijk asiel en dergelijke willen wij ook niets te maken hebben. Maar in grote lijnen vind ik het wel belangrijk dat er een aanpak komt en daarop kunnen we elkaar misschien wel vinden.
Als ik hoor wat de heer Schalk van de SGP daarover zegt, dan denk ik: het is essentieel dat we kijken naar wie hier binnenkomt. Mensen die hier binnenkomen, komen door vijf, zes, zeven, acht veilige landen, waar ze soms al jarenlang hebben verbleven. Iemand die bijvoorbeeld uit Syrië komt, zat vaak al jarenlang in Turkije, in een veilig land, gaat vervolgens naar Griekenland en komt dan over heel de Balkan of via de Middellandse Zeeroute naar Nederland toe, of vanuit Duitsland, waar ze soms jarenlang zitten. Die mensen vangen wij hier op. Die bieden wij plaatsen, schaarse plekken in asielzoekerscentra.
Die bieden wij vervolgens huizen aan, die bieden wij uitkeringen aan. Ooit bieden we ze de Nederlandse nationaliteit aan. Dat is gewoon pertinent onjuist. Dan zeg ik: als mensen echt in gevaar verkeren, is opvang in de regio de oplossing, in hun eigen regio en dus niet in onze regio. Dat is waarvan we uit moeten gaan. We moeten mensen dus niet naar Nederland laten komen en we moeten ze al helemaal niet hiernaartoe halen.
De heer Schalk (SGP):
Misschien is het voor de geschiedschrijving wel even van belang om over datgene wat in ieder geval onderdeel van het antwoord van de heer Van Hattem was, namelijk dat de SGP de Asielnoodmaatregelenwet zou hebben laten klappen omdat een kop soep belangrijker was, te zeggen dat dat niet zo was. Daarover hebben we gezegd: juist die barmhartigheid mag niet ten koste gaan van de grip op asiel. Ik denk dat we de sleutel tot barmhartigheid juist hadden met de novelle. Die is door de PVV te gronde gegaan. Dat vond ik heel erg jammer. Daardoor konden wij die Asielnoodmaatregelenwet niet meer steunen.
Terug naar de vraag die ik had. Als ik het goed begrijp, gaat de heer Van Hattem er in ieder geval wel van uit dat er blijkbaar mensen zijn die asiel aanvragen omdat ze niet anders kunnen en dat die geholpen moeten worden, misschien ver weg, maar desnoods in Nederland.
De heer Van Hattem (PVV):
"Desnoods in Nederland" heeft u mij niet horen zeggen. Kijk, er zijn altijd problemen in de wereld en mensen die niet meer veilig in hun eigen land kunnen blijven, maar die gaan niet heel ver op zoek naar het land dat in een uithoek van Europa ligt. Nee, die gaan kijken waar ze echt veilig terechtkunnen. De grootste groepen die op de vlucht zijn, zitten in hun nabije buurlanden. Dat zijn niet de mensen die via allerlei mensensmokkelnetwerken hier naar Europa toe komen. Dat zijn juist de asielprofiteurs die op zoek zijn, op jacht zijn, naar onze welvaart en niet naar hun veiligheid. Daar moeten we het woord "barmhartigheid" totaal niet op toepassen. Die barmhartigheid is er juist voor onze eigen inwoners.
De voorzitter:
Tot slot, meneer Schalk.
De heer Schalk (SGP):
Misschien moeten we nog een keer verder doorpraten over wat barmhartigheid uiteindelijk betekent. De mooiste definitie die ik ooit heb gehoord, was "in praktijk gebrachte liefde". Dat betekent dat je ook iets overhebt voor mensen die misschien geen Nederlander zijn, maar wel diep in de problemen zitten.
De heer Van Hattem (PVV):
In de praktijk gebrachte liefde laten wij blijken aan de mensen die wel Nederlander zijn. Voor hen zijn wij verkozen in dit parlement en ook in de Tweede Kamer. Daar laten we zien dat wij er staan voor die mensen, dat we voor hen barmhartig zijn, dat we de liefde voor ons eigen Nederland en voor onze eigen mensen op de eerste plaats stellen en dat we juist niet het helpen van anderen ten koste laten gaan van de Nederlander, want die hebben wij het meeste lief als PVV.
De heer Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden):
Een asielstop en dan het liefst met onmiddellijke ingang: dat klinkt mij toch echt als de jas zonder knopen waar we het zojuist over hadden. Mijn vraag aan collega Van Hattem is dan ook: hoe denkt hij daar knopen aan te gaan zetten? Met andere woorden: hoe denkt u te kunnen gaan realiseren hetgeen u, niet voor het eerst en mogelijk ook niet voor het laatst, hier noemt, namelijk een asielstop met onmiddellijke ingang? Hoe denkt u die te gaan realiseren, ook in het licht van de door Nederland gemaakte internationale afspraken, zeg maar "verplichtingen"?
De heer Van Hattem (PVV):
Op zich is dat een interessante vraag, want we zien nu in verschillende Europese lidstaten dat die al een bepaalde vorm van asielstop invoeren. We hebben het eerder gezien in Griekenland en Duitsland, en in Oostenrijk ten aanzien van gezinshereniging. Er zijn verschillende landen die hebben gezegd: we gaan het op deze manier niet meer doen. Daar zijn dus inderdaad mogelijkheden voor, ook binnen het Europees recht. Ik vind dat we ons als Nederland daar gewoon keihard voor moeten maken en dat we ervoor moeten zorgen dat de asielaanvragen in Nederland gewoon tot een nulpunt komen.
De voorzitter:
Ik zie de heer Griffioen nog. Meneer Griffioen.
De heer Griffioen (D66):
Ik wil collega Van Hattem even in herinnering brengen dat het vorige kabinet is gevallen door de PVV, terwijl die de minister van Asiel en Migratie had met strenge conceptwetgeving. Als je het kabinet dan laat vallen, loop je een risico dat die niet uitgevoerd wordt. De vorige sprekers hebben allemaal aangegeven dat in deze implementatiewetgeving heel veel strenge dingen zitten boven op het pact en toch zegt u dat het kabinet-Jetten helemaal niets doet. Hoe kunt u dat dan stellen, gegeven het feit dat er heel veel strenge extra maatregelen in deze nationale wetgeving komen?
De heer Van Hattem (PVV):
Inderdaad, dankzij het toen nog missionaire kabinet-Schoof en met name dankzij de asielminister mevrouw Faber zijn de nodige strenge maatregelen toch nog in de implementatie van dit pact terechtgekomen. Daar ben ik inderdaad wel over te spreken, maar het komt natuurlijk altijd aan op de uitvoering. Die ligt bij het huidige kabinet. Dan hebben we de implementatie van het pact als één ding, maar in het gehele asielbeleid moet natuurlijk veel meer gebeuren. Ik heb in mijn betoog duidelijk gezegd dat het nationale beleid uiteindelijk het belangrijkste is en dat we er daar voor moeten zorgen dat er veel meer gebeurt. Ik hoor de minister elke keer zeggen: een asielstop gaat onder mijn verantwoordelijkheid niet gebeuren. Het afschaffen van de Spreidingswet, de asieldwangwet, wordt ook nicht im Frage gesteld. Het punt is dus dat we eigenlijk veel meer hadden moeten doen. De heer Griffioen van D66 zegt: kijk, het is gevallen en daarmee waren de maatregelen weg. Nee, het is juist gevallen omdat er niet de bereidheid was bij de andere coalitiepartijen, een groot deel daarvan, om die maatregelen te nemen, om dat tienpuntenplan dat we als PVV hadden voorgesteld uit te voeren, om juist te zorgen dat er meer strengere maatregelen zouden komen, dat daadwerkelijk het strengste asielbeleid van Europa zou worden gevoerd. Als daarin tekort wordt geschoten, wat hebben wij er dan mee te winnen? Dan is het juist belangrijk om te zorgen dat we hier wel op doorpakken en als die bereidheid er niet is, dan moet je er ook gewoon duidelijk paal en perk aan stellen.
De heer Nicolaï i (PvdD):
Ik heb goed beluisterd wat de heer Van Hattem naar voren heeft gebracht. Ik weet ook dat zijn partij veel kiezers heeft onder de Joodse Nederlanders. Mijn vraag die dan toch eigenlijk opkomt is, als het gaat over een asielstop, eigen volk eerst en dat soort verhalen, is of de heer Van Hattem dan ook vindt dat wij in de jaren '37, '38, '39, voor de Tweede Wereldoorlog aanving, ook in Nederland hadden moeten zeggen: eigen volk eerst en de Joden komen er niet in?
De heer Van Hattem (PVV):
Ik vind het allereerst buitengewoon ongepast om deze vergelijking te maken. Als de heer Nicolaï namens de Partij voor de Dieren, of wat daar ook van afgesplitst is of niet, hier het woord staat te voeren, dan heeft hij het over de positie van de Joden. Wij als PVV staan duidelijk keihard achter onze Joodse medelanders en daar is het gewoon juist de grootste zorg dat zij bedreigd worden in hun bestaan, juist door de massale asielmigratie, juist door met name die islamitische asielimmigratie die heel bedreigend is voor Joden. Joden kunnen in Nederland niet meer veilig over straat door al die Palestinagekken die hen bedreigen, die ervoor zorgen dat als er ergens een Joodse school is daar bewaking voor moet staan, dat hun kinderen niet meer veilig zijn. Heel veel Joodse Nederlanders zeggen juist: we gaan weg uit dit land omdat het hier niet meer veilig is. De situatie is dus precies omgekeerd. Het stoppen van asielmigratie uit met name islamitische landen, waar gewoon de grootste Jodenhaters vandaan komen, is juist de beste bescherming van onze Joodse Nederlanders. Daarom zetten we ons er keihard voor in om onze Joodse Nederlanders te beschermen tegen het vileine antisemitisme dat door met name islamitische groepen en hun linkse meelopers in dit land wordt geuit en steeds openlijker wordt geuit. Dat is zeer, zeer zorgelijk. Daarom moeten we ervoor zorgen dat die asielmigratie keihard gaat stoppen.
De heer Nicolaï (PvdD):
Maar dan gaat het dus niet over een asielstop. Dan gaat het erover dat je bepaalde mensen niet tot Nederland wilt toelaten. Collega Schalk stelde een vraag over barmhartigheid, en bij ons allemaal leeft de vraag: zijn er dan niet mensen, los van uit welk land ze komen en los van welke bedoeling ze hebben, die in dusdanige problemen zijn gekomen dat we moeten zeggen "die moeten we in ons land opvangen"? Daar hoorde ik de heer Van Hattem over zeggen: er moet sowieso een asielstop komen; Nederlanders gaan voor. Dan had hij het dus ook goed gevonden dat de Nederlandse bevolking in 1938, 1939 had gezegd: er komt geen Jood ons land binnen. Dat was mijn vraag. Die vraag wordt niet beantwoord door naar de situatie te verwijzen waar de heer Van Hattem het over heeft, maar het is wel een reële vraag die ik aan de heer Van Hattem wil voorleggen. Want toen ging het ook over het opvangen van mensen die op dat moment in de problemen zaten.
De heer Van Hattem (PVV):
Ik laat me hier niet de rigide bagger die de heer Nicolaï staat te verkondigen in de mond leggen.
De voorzitter:
Laten we het netjes houden. We gaan niet dat soort woorden … We proberen dit gesprek netjes af te ronden.
De heer Van Hattem (PVV):
Voorzitter, dan wil ik u vragen om de heer Nicolaï tot de orde te roepen. Die maakt hier een verschrikkelijke vergelijking, die totaal ongepast is. Het zijn woorden die ik niet heb gebruikt en die ook totaal niet in verhouding staan. Als u mij erop aanspreekt dat ik het "rigide bagger" noem … Ik blijf er volkomen achter staan, want het slaat totaal nergens op om die vergelijkingen te maken met de jaren dertig. Maar dat is wel wat de heer Nicolaï hier verkondigt. Wij staan hier gewoon een debat te voeren over een strenger asielbeleid. Als er zulke vergelijkingen worden gemaakt met de verschrikkelijkste tijd uit onze geschiedenis, dan verwacht ik van de voorzitter dat zij juist de heer Nicolaï tot de orde roept en aangeeft dat zulke uitspraken totaal, totaal ongepast zijn, ook ongepast in de richting de slachtoffers van het regime in die tijd.
De voorzitter:
Wij voeren hier het debat en we gebruiken daar nette woorden voor. Vragen mogen gesteld worden, en ik zie dat we klaar zijn met deze interruptie.
De heer Van Hattem (PVV):
Dank, voorzitter. Dan sluit ik hierbij mijn eerste termijn in deze behandeling af.
De voorzitter:
Tot slot voor lunchpauze geef ik graag het woord aan de heer Walenkamp van de Fractie-Walenkamp.
De heer Walenkamp i (Fractie-Walenkamp):
Voorzitter, dank voor het woord. Kansen geven, grenzen stellen. Laten we er alstublieft voor zorgen dat de echte vluchtelingen Nederland hun wijkplaats kunnen blijven noemen. Die migranten zijn er. De Nederlandse belangen en ook de actuele zaken in Europa vragen nu om duidelijkheid, om heldere, strenge maar wel rechtvaardige wetgeving. Het Asiel- en Migratiepact dat voorligt, heeft heel wat goede punten en moet op nationaal niveau worden ingevuld. Het ontbreekt namelijk nu aan grip op migratie. We staan in het debat dadelijk op een kruispunt. Ik heb een aantal vragen en stel ze, gezien de tijd, puntsgewijs.
Eén. Graag vraag ik uw aandacht voor een lacune in artikel 9, het overgangsrecht. In bijna alle wetgeving wordt wel een hardheidsclausule toegepast. Dat is in dit geval zeer handig, maar helaas niet toegepast. Dit juridische vangnet ontbreekt. Waarom?
Twee. Onder bepaalde voorwaarden en als onze vragen naar behoren worden beantwoord, kunnen wij instemmen met dit pact. Ik heb een aantal heel gerichte vragen. Kinderdetentie ligt ons als een zware steen op de maag. U geeft aan dit alleen toe te passen als het in het belang van het kind is. Dan moeten we daar wel heel goed op letten en secuur zijn. U geeft ook aan "in het belang van de openbare orde". Als het in het belang van verwachte mensenhandel is, kan ik mij daar nog iets bij voorstellen. Concreet: kunt u dat wat specificeren en ook garanties geven? Wij hebben daar grote zorgen over, ook over het onderwijs. Ik zal hier niet heel Homo ludens van Johan Huizinga aanhalen, de spelende mens, maar een kind moet kind kunnen zijn. Daar maak ik mij grote zorgen over.
Het volgende punt. Hoe gaat u er concreet voor zorgen met hoge prioriteit veiligelanders, derdelanders, Syrische asielzoekers die moeten terugkeren, ook daadwerkelijk te laten terugkeren? Hoe sneller u dit waarmaakt, hoe meer draagvlak er ook zal zijn bij grote groepen in dit land voor echte opvang. Dat moeten we echt zoeken, want echte opvang en echt draagvlak moet vergroot worden. Hoe ziet u dat? Graag een reactie.
Strikte uitvoering van grenscontroles. Nederland moet mijns inziens het Europees Asiel- en Migratiepact strak handhaven, inclusief strenge biometrische controles en registratie in Eurodac aan de Europese buitengrenzen. Hoe gaat de minister dit garanderen? Hier liggen grote kansen, zeker nu we een Nederlandse leidinggevende op Frontex hebben. Korte lijntjes dus. Hoe gaat het kabinet zorgen voor optimale uitvoering door Frontex?
Zes. Dublinprincipes. Asielzoekers moeten hun procedure verplicht afwachten in hun eerste land van aankomst. Dat gaat nu al jaren fout. Het gebeurt gewoon niet. Hoe gaat u er met dit Migratiepact beter voor zorgen dat de regels wel zuiver en sneller worden toegepast, juist om die echte vluchteling goed te kunnen blijven opvangen?
Zeven. Streng nationaal beleid is hard nodig. Wij kijken dan graag naar Denemarken. Het Deense model, met onder andere een opt-outsysteem, wat in Nederland wel lastig is, heeft een aantal voordelen, ook om de opvangkosten terug te dringen, de instroom te beperken en juist de echte vluchtelingen te blijven opvangen. Ziet u hier ook heil in, heil en zegen? Ziet u hier ook toekomst in? Zo nee, waarom niet? Zo nee, wat dan wel? Acht internationale verdragen. Het internationale VN-Vluchtelingenverdrag dateert van 1951. Het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens stamt uit 1950. Die verdragen moeten allang en breed met pensioen. Wordt het niet tijd om die te actualiseren? Hoe kijkt u daarnaar? Welk perspectief ziet u?
Een ander punt is dit, een precair punt. Recent heeft de Raad van Europa aangegeven dat er qua wetgeving nog wel wat te actualiseren valt. Ook daar, in andere landen, liggen kansen.
Negen. In de Tweede Kamer zijn meerderheden om de internationale juridische kaders te herzien, zodat ook de nationale staten effectiever migranten kunnen uitzetten. Ik zie wel grote verschillen tussen de modellen. We hopen dat dit wordt verbeterd met dit pact. We maken ons daar wel zorgen over.
Een groot punt: de werklast voor de IND zal beduidend toenemen. Hoe gaat u ervoor zorgen dat met de benodigde financiën, meer capaciteit en omscholing betere en snellere herbeoordelingsprocedures worden georganiseerd?
Elf. Gevolgen voor de uitvoering en de rechtspraak. Het Asiel- en Migratiepact schrijft veel regels dwingend voor, maar laat op een aantal punten ook ruimte voor nationale invulling. Bij deze invulling kiest de Nederlandse regering ervoor om aan te sluiten bij de maatregelen die ook onderdeel uitmaken van de voorstellen voor de Asielnoodmaatregelenwet en de Wet invoering tweestatusstelsel. Hoe verhoudt zich dat met het feit dat de eerste wet niet is aangenomen? Ik zie daar toch wat discrepanties, ook juridisch. Graag uw reactie hierop.
Welke problemen voorziet de minister, nu de Asielnoodmaatregelenwet niet is aangenomen? Welke reparaties gaat u toepassen?
Twaalf. Deze nationale invulling en onmiddellijke werking volgen niet dwingend uit het Asiel- en Migratiepact en kunnen leiden tot extra lasten voor de uitvoering van de rechtspraak. Hierover zijn al eerder opmerkingen geplaatst. Gezien de tijd sluit ik me daarbij aan.
Dertien. Nieuw is onder meer dat het Unierecht in bepaalde gevallen een versnelde behandelingsprocedure of asielgrensprocedure voorschrijft, bijvoorbeeld wanneer een vreemdeling afkomstig is uit een veilig land. Er worden solidariteitsmechanismes geïntroduceerd. Ook is er een verantwoordelijkheidsverdeling tussen lidstaten en de EU. Daarbij komt ook een crisis- en overmachtssituatie om de hoek kijken. De vraag hierbij is of Nederland structureel de versnelde procedures kan en ook daadwerkelijk gaat toepassen. Daar hebben wij nog wel wat vragen over, zeker met betrekking tot de Dublinverordening, die niet of nauwelijks wordt toegepast.
De ligging van de Nederlandse Staat betekent dat bijna niemand hier als eerste binnenkomt; het gaat altijd via andere landen. Hoe gaat u dit beter organiseren?
Dit was even heel kort mijn bijdrage in eerste termijn. We zien uit naar de beantwoording van de vragen en we hopen dat u de zorgen kunt wegnemen. Dank voor uw aandacht.
De voorzitter:
Ik dank u wel. Dank ook voor uw korte bijdrage.
De beraadslaging wordt geschorst.
De voorzitter:
Ik schors de vergadering tot 13.30 uur voor de lunchpauze.
De vergadering wordt van 12.31 uur tot 13.32 uur geschorst.