Senaat verwerpt motie over beroepsverbod



2 maart 2010

De Eerste Kamer heeft de motie-De Vries (PvdA) c.s. over het ‘beroepsverbod’ (EK 31.386, G) dinsdag 2 maart verworpen . De motie kreeg steun van de fracties van PvdA, SP, GroenLinks, D66, PvdD en de OSF. De fracties van CDA, VVD, ChristenUnie en SGP stemden tegen.

Senator De Vries (PvdA) heeft op 9 februari in het debat over het Verdrag van de Raad van Europa ter voorkoming van terrorisme (31.422 (R1853)) met steun van zijn collega Engels van D66 een motie ingediend waarin wordt uitgesproken dat een in de Wet Strafbaarstelling deelname en meewerken aan training voor terrorisme (31.386) opgenomen (nog niet in werking getreden) strafbepaling ‘een ongewenste extra drempel opwerpt voor het uitoefenen van het recht op vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van godsdienst.’ De motie richt zich in het bijzonder tegen de mogelijkheid de bijkomende straf van uitzetting uit een beroep op te leggen aan geestelijk leiders en onderwijzend personeel als door de rechter zou worden vastgesteld dat zij bij bepaalde uitingen bijvoorbeeld openlijk terroristische misdrijven zouden aanmoedigen.

VVD-woordvoerder Duthler zei in een stemverklaring dat ook de VVD de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van godsdienst hoog in het vaandel heeft en dat de VVD-fractie juist om deze grondrechten te beschermen de bijkomende straf van uitzetting uit een beroep ‘passend en proportioneel’ vindt. Woordvoerder Lagerwerf wees er namens de fracties van CU en SGP op dat minister Hirsch Ballin van Justitie heeft gezegd dat de rechter terughoudend behoort te zijn bij het opleggen van het beroepsverbod na een bewezen schuldigverklaring. CU en SGP vertrouwen er daarom op dat de rechter zich in voorkomende gevallen inderdaad terughoudend zal opstellen en niet keer op keer ook een bijkomende straf zullen opleggen.

Ook CDA-woordvoerder Van de Beeten zei dat de mogelijkheid van een bijkomende straf volgens zijn fractie ‘proportioneel’ is. SP-senator Kox wees er daarentegen op dat de regering de noodzaak van invoering van de mogelijkheid een beroepsverbod op te leggen niet heeft aangetoond. In het voorafgaande debat heeft senator De Vries er onder meer op gewezen dat wel een beroepsverbod kan worden opgelegd aan mensen met een beroep, maar niet aan mensen die een bedrijf leiden of een ambt uitoefenen. Dit onderscheid noemt De Vries ongerechtvaardigd.

Voordat de Eerste Kamer de motie De Vries verwierp, nam zij met algemene stemmen de ‘Goedkeuringswet Verdrag van de Raad van Europa ter voorkoming van terrorisme’ aan. Nu de motie-De Vries niet is aangenomen, heeft de Eerste Kamer geen bezwaren meer tegen het volledig inwerking treden van de Wet Strafbaarstelling deelname en meewerken aan training voor terrorisme.       


Deel dit item: