Plenair Barth bij behandeling Wet maatschappelijke ondersteuning 2015



Verslag van de vergadering van 7 juli 2014 (2013/2014 nr. 37)

Status: gecorrigeerd

Aanvang: 22.03 uur


Mevrouw Barth i (PvdA):

Voorzitter. De politieke en maatschappelijke discussie over de Wmo 2015 is de afgelopen maanden gepaard gegaan met veel emotie. Veel mensen voelen zich bang en onzeker over de gevolgen van de wet. Als PvdA-fractie begrijpen we die zorgen heel goed. Sinds de invoering van de AWBZ is ons stelsel van langdurige zorg niet zo ingrijpend veranderd als nu. Dat mensen angstig zijn over de toekomst van de zorg, voor zichzelf of hun geliefden, bewijst de grote betrokkenheid die bijna alle Nederlanders bij dit onderwerp hebben.

Mevrouw Slagter-Roukema i (SP):

Ik wil mevrouw Barth dan even het volgende vragen. Het klinkt natuurlijk wel heel empathisch als zij het heeft over angstige mensen en grote betrokkenheid, maar wat doet de PvdA daar dan aan? Het wetsvoorstel dat wij vandaag bespreken, wordt door de PvdA en de staatssecretaris gepresenteerd. Mensen zijn betrokken, maar hoe betrokken is de PvdA bij hun angst?

Mevrouw Barth (PvdA):

Ik vind het jammer dat mevrouw Slagter een wat cynische toon aanslaat in relatie tot die betrokkenheid. Ik heb net zeven zinnen van mijn inbreng uitgesproken. Als mevrouw Slagter benieuwd is naar wat wij vinden van dit wetsvoorstel, dan is het misschien verstandiger dat zij mij ietsje langer aan het woord laat. Dan wordt het vanzelf helder, denk ik.

Mevrouw Slagter-Roukema (SP):

Ik wil mevrouw Barth dan toch vragen: hoezo jammer?

Mevrouw Barth (PvdA):

Hoezo jammer? Ik begrijp u niet, sorry.

Mevrouw Slagter-Roukema (SP):

Mevrouw Barth zegt: ik vind het jammer. Hoezo vindt u het jammer dan?

Mevrouw Barth (PvdA):

Ik vind het jammer dat u cynisch doet over die betrokkenheid omdat daar volgens mij geen reden voor is.

Te midden van zulke hoogoplopende gevoelens is het geen eenvoudige opgave om een afweging over een wet te maken. Mensen die boos of verdrietig zijn omdat ze hun vertrouwde woonplek of hun baan verliezen, verdienen een open oor en een warm hart, en dat willen wij graag geven. Maar er is nog een werkelijkheid, die ook aandacht verdient, die meer vraagt om een alert oog en een scherp verstand: de realiteit van de langdurige zorg zoals we die nu in Nederland georganiseerd hebben.

Recentelijk verscheen er een aantal berichten dat ons weer eens met de neus op de feiten drukte. Zo kwam 12 juni jongstleden het rapport uit van de Inspectie voor de Gezondheidszorg over de ouderenzorg. Dat kwam tot de conclusie, na een bezoek aan alle instellingen voor ouderenzorg, dat de medewerkers weliswaar sterk gemotiveerd zijn voor hun werk, maar dat "bij meer dan de helft van de verpleeg- en verzorgingshuizen de kennis, vaardigheden en beschikbaarheid van medewerkers niet passen bij de zorgbehoefte van de cliënten. Die zorgbehoefte wordt steeds complexer, maar de deskundigheid van het personeel groeit onvoldoende mee." Een tweede feit kwam enkele weken geleden naar voren uit een enquête onder de leden van brancheorganisatie voor ouderenzorg ActiZ, over de herbestemming van verzorgingshuizen die met sluiting bedreigd worden. In 55% van de gevallen waarin een gebouw mogelijk dicht moet, lukt het vinden van alternatieven voor sluiting niet omdat gebouwen zwaar verouderd zijn: te kleine kamers, gedateerd sanitair, slechte isolatie, anonieme hoogbouw en te weinig of te kleine liften. Zulke berichten komen hard aan. Maar ze hakken er nog veel harder in, als we beseffen hoeveel geld we in Nederland aan de langdurige zorg besteden. In de systematiek van de AWBZ vergt het slechts een Koninklijk Besluit om iets aan het pakket toe te voegen. Zo kon de langdurige zorg haast ongemerkt en zonder heldere politieke sturing uitdijen tot waar we nu staan: de absolute koploper in de wereld met uitgaven aan medische langdurige zorg. Zo'n 28 miljard euro gaat er per jaar naartoe, bijna 4% van ons bruto binnenlands product. Het gemiddelde van de OESO ligt op nog geen 1,4%.

Dit alles leidt tot een harde conclusie. Terwijl we er bijna drie keer zo veel geld aan uitgeven als gemiddeld in westerse landen, schieten we als land en als samenleving tekort met de kwaliteit van de zorg voor onze meest kwetsbare landgenoten: hoogbejaarden, verstandelijk beperkten en chronisch psychiatrisch patiënten. Bij ons als PvdA roept dat heel veel zorg en emotie op. Dit kan en dit moet beter.

Cruciaal voor ons bij de beoordeling van dit wetsvoorstel is daarom de vraag of de langdurige zorg er beter van wordt. Die vraag laat zich niet alleen met de Wmo, het wetsvoorstel van vandaag, beantwoorden. Immers, de AWBZ gaat, zo is de bedoeling, over in drie wetten: de Wmo 2015 voor alle zorg die samenhangt met preventie en participatie, de Wlz voor iedereen die is aangewezen op 24-uurs institutionele zorg en de Zorgverzekeringswet, die een nieuwe titel voor thuisverpleging krijgt. De Wlz en de Zvw liggen vandaag niet voor. Die bereiken ons later, maar het is onvermijdelijk om er even op terug te komen.

Dat heeft alles te maken met de geschiedenis van deze Wmo 2015. Het voorstel is ingrijpend gewijzigd ten opzichte van de plannen in het regeerakkoord. De staatssecretaris is er door lang en intensief overleg met talloze maatschappelijke en politieke partijen in geslaagd de bezuinigingen uit het regeerakkoord aanzienlijk te verzachten, met name op de huishoudelijke hulp. Ook inhoudelijk zijn de plannen fors bijgesteld. Zzp 4 en de persoonlijke verpleging en verzorging gaan niet naar de gemeenten, maar naar de Wlz en de Zvw. Onze fractie is enorm blij met al die bijstellingen en wil alle betrokken partijen en de staatssecretaris bedanken voor ieders bijdrage daaraan. Het voorgestelde stelsel is er stukken evenwichtiger en duurzamer door geworden.

In de Wmo 2015 landt zoals gezegd de langdurige zorg die samenhangt met preventie en participatie. Concreet omvat de Wmo straks begeleiding, dagbesteding, vervoer, hulpmiddelen, beschermd wonen en cliëntondersteuning, huishoudelijke hulp en maatschappelijke opvang. De wet rust op een aantal ijkpunten die een ware cultuuromslag vormen in het denken over langdurige zorg.

Het eerste ijkpunt is dat de trend die al sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw is ingezet, in beleid wordt bestendigd en gestimuleerd, namelijk dat mensen met beperkingen door aanleg, ziekte of ouderdom zo veel en zo lang mogelijk in hun eigen huis blijven wonen. Mensen willen, ook als ze zorgafhankelijk zijn of geworden zijn, niets liever dan een eigen thuis met ruimte voor eigen spullen, eten, huisdier en gewoontes. Het geeft hun regie over hun leven en daar worden mensen al snel gelukkig van.

Het tweede ijkpunt is dat ook mensen met een beperking voluit in staat gesteld worden om een actief en gewaardeerd lid van onze samenleving te zijn. Iedereen hoort er bij, iedereen is van waarde en iedereen doet mee. Naar vermogen, vanzelfsprekend, maar gelijkwaardig burgerschap is de norm.

Het derde ijkpunt is dat wie eigen kracht kan organiseren ook gevraagd wordt om dat te doen.

De heer Koffeman i (PvdD):

Natuurlijk is het fijner om thuis te blijven wonen in plaats van naar een verzorgingshuis te gaan. Maar wat vindt collega Barth ervan dat alleen al dit jaar 15.000 ouderen die in een tehuis wonen plotseling door nieuwe regels te gezond voor dat tehuis verklaard zijn en het zelf maar moeten uitzoeken? Is het dan fijn om weer zelf een plek te moeten zoeken?

Mevrouw Barth (PvdA):

Ik vind dat de heer Koffeman dat iets te kort door de bocht voorstelt. Hij heeft het, om even in de techniek te duiken, neem ik aan over zzp 4 en VG 3. We hebben juist met elkaar afgesproken, daar hebben een aantal partijen in de Tweede Kamer ook een heel belangrijke bijdrage aan geleverd, dat de groep die nu in een instelling woont, ook in een instelling kan blijven wonen. Het is dus niet zo dat mensen plotsklaps op straat gezet worden. Daar hebben we juist een heel mooi overgangspakket voor gemaakt.

De heer Koffeman (PvdD):

Hoe gaat dat overgangspakket werken voor de bewoners van al die tehuizen die dicht gaan? In 2020 zijn er 8.000 dicht. Op dit moment krijg je volop berichten van mensen die met elkaar op de gang wonen en waartegen wordt gezegd: jij gaat hierheen en jij gaat daarheen. Ze hebben geen inspraak en er is geen begrip. Het is gewoon overplaatsing, deportatie. Wat vindt u daarvan?

Mevrouw Barth (PvdA):

Ik hoor de heer Koffeman zeggen dat er 8.000 instellingen dichtgaan. Dat zou ik heel vreemd vinden, want we hebben in Nederland maar 2.000 instellingen.

De heer Koffeman (PvdD):

800 instellingen, dat weet u ook en 800 instellingen is al erg genoeg.

Mevrouw Barth (PvdA):

800 of 8.000, dat maakt nogal wat uit. Dat cijfer van 800 is ook wel een wat eigen leven gaan leiden. Dat cijfer komt uit een onderzoek dat ooit door een consultancyfirma is gedaan. Ik kijk liever naar de cijfers waar de brancheorganisatie ActiZ mee komt en die cijfers liggen aanmerkelijk lager. Tot nu toe zijn er enkele tientallen instellingen dicht gegaan en ActiZ verwacht dat er nog enkele tientallen zullen volgen. Dat is dus een heel ander cijfer. Ik denk dat wij, juist in de Eerste Kamer, de verplichting hebben om heel voorzichtig en zorgvuldig om te gaan met die cijfers. Wij mogen er als chambre de réflexion toch niet aan bijdragen dat mensen veel banger en onrustiger worden dan ze al zijn, omdat we dit soort losse pols-cijfers verder de wereld in helpen.

De heer Koffeman (PvdD):

Ik denk dat cijfers van Berenschot niet afgedaan kunnen worden als losse pols-cijfers. Er zijn verschillende interpretaties, dat klopt. Maar hoe kijkt mevrouw Barth dan naar de bevindingen van haar partijgenoot Kim Putters bij de SCP die zegt: voor deze drastische stelselwijzigingen staat een aantal signalen op rood en die gaan niet op groen springen voor 1 januari 2015. Is dat voor haar aanleiding om om uitstel te vragen of zegt zij: nee hoor, wij gaan gewoon door het rode sein en wij hebben alle vertrouwen dat het daarna wel goed komt?

Mevrouw Barth (PvdA):

Ik zou heel graag nog even willen terugkomen op het signaal dat de heer Koffeman net gaf over de verzorgingstehuizen, omdat ik het echt met hem eens ben dat de communicatie over wat er gaat gebeuren rond verhuizingen in verzorging- en verpleegtehuizen, heel zorgvuldig moet gebeuren. Dat er niet goed met mensen wordt gecommuniceerd, dat binnen instellingen mensen niet meegenomen worden in hoe dat gaat plaatsvinden en dat er niet altijd goed naar mensen worden geluisterd, daar deugt helemaal niets van. Ook wij hechten eraan dat dat heel zorgvuldig gebeurt.

De heer Koffeman verwijst naar de heer Putters. Laat ik beginnen met te zeggen dat ik zijn speculatie rond een eventueel stemgedrag van de heer Putters over deze wet niet helemaal correct vond. Daarmee doet hij net of de heer Putters twee verantwoordelijkheden door elkaar zou laten lopen. De heer Putters was lid van de Eerste Kamer voor de Partij van de Arbeid — daar vertel ik geen geheim mee — en hij is nu directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau. Daarmee heeft hij een andere verantwoordelijkheid. Dat de heer Koffeman openlijk twijfelde aan de loyaliteit van de heer Putters als hij nog in onze fractie had gezeten, dat vind ik niet terecht. Ik hecht eraan dat even recht te zetten.

Het signaal dat de heer Putters geeft als directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau is een serieus signaal waar ook goed naar gekeken moet worden. De heer Koffeman zal mij ook niet horen zeggen dat er niet nog heel veel werk verricht moet worden voordat deze wet bij de gemeenten goed ingevoerd is. Dat zal zeker niet vanzelf gaan. Er wordt veel verwacht van mensen.

De voorzitter:

Mijnheer Koffeman, tot slot.

De heer Koffeman (PvdD):

Ik wilde even rechtgezet hebben dat ik geen moment twijfel aan de loyaliteit van de heer Putters.

Mevrouw Barth (PvdA):

Dan is het ook niet zo netjes van u dat u speculeerde over een eventueel stemgedrag, want hij heeft nu echt een andere verantwoordelijkheid. Ik vind dat we hier wel het fatsoen moeten kunnen opbrengen om te kijken naar die andere verantwoordelijkheid. Anders verruwen we het politieke debat te veel, zeker als het over personen gaat.

De heer Koffeman (PvdD):

Dat is geenszins mijn bedoeling. De heer Putters, die ik zeer hoog acht, zegt openlijk dat er voor deze wet een aantal signalen op rood staan. Ik heb alleen gezegd dat de Partij van de Arbeid mocht willen dat ze iemand met die opvattingen morgen in haar fractie aantreft, want dan kan deze wet worden tegengehouden. Niet meer en niet minder.

Mevrouw Barth (PvdA):

Volgens mij heeft de heer Koffeman net letterlijk gezegd dat hij verwacht dat de heer Putters tegen zou stemmen als hij nog in onze fractie zou hebben gezeten. Daartegen maak ik dus echt bezwaar. Ik heb de heer Putters ook buitengewoon hoog zitten. Hij is een aantal jaren een zeer gewaardeerde collega van ons geweest en heeft zich in beide verantwoordelijkheden zeer verdiept in dit wetsvoorstel. Hij weet waarover hij praat. Om die reden willen ook wij zijn signalen heel serieus nemen, en zullen we nooit beweren dat er niet nog heel veel werk zal moeten worden verzet voordat deze wet op een goede manier bij de gemeenten in werking kan treden.

Mevrouw Slagter-Roukema (SP):

Laten we het niet over de directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau hebben. Wij zijn erg nieuwsgierig naar de vraag wat de PvdA-senatoren verder met dit wetsvoorstel willen aanvangen. Gaat u dus verder, mevrouw Barth.

Mevrouw Barth (PvdA):

Dat zou ik hebben gedaan als u mij niet geïnterrumpeerd zou hebben, mevrouw Slagter.

De voorzitter:

En ik denk dat ik erover ga, eerlijk gezegd.

Mevrouw Barth (PvdA):

Ik ga graag verder met mijn betoog. Ik sprak over de pijlers waarop dit wetsvoorstel rust. De derde pijler is de volgende. Wie eigen kracht kan organiseren, zal ook gevraagd worden om dat te doen. Dat is simpelweg zo omdat bij een per definitie beperkt budget elke euro die wordt besteed aan iemand die eigenlijk best nog voor zichzelf kan zorgen, ten koste gaat van mensen die geen andere mogelijkheid hebben dan steun of zorg van de gemeenschap. Pendant van dit uitgangspunt is dat aan mensen gevraagd zal worden dat zij er vaker en meer in praktische zin voor elkaar zijn.

Het laatste ijkpunt is dat de zorg beter én efficiënter zal worden, omdat de gemeente, als overheid die het dichtst bij mensen staat, echt kan luisteren naar wat mensen nodig hebben. Alle middelen voor het sociale domein in één gemeentelijke hand maakt het mogelijk om schotten tussen verschillende beleidsterreinen op te heffen en om professionals beter samen te laten werken.

Onze fractie deelt deze uitgangspunten. Ze sluiten aan bij de tijdloze waarden van de sociaaldemocratie. Die bestaan uit duurzame solidariteit tussen jong en oud, rijk en arm, gezond en ziek. Ze bestaan ook uit concrete, praktische solidariteit tussen mensen onderling, naast de abstracte solidariteit van de premieafdracht op de loonstrook. Daarnaast valt zeggenschap van vrije burgers over hun eigen leven eronder, ook als ze een beperking hebben. Gelijkwaardigheid van alle mensen ...

De voorzitter:

Het woord is aan mevrouw Slagter.

Mevrouw Barth (PvdA):

Dit moet mevrouw Slagter toch aanspreken.

Mevrouw Slagter-Roukema (SP):

Dit spreekt mij allemaal heel erg aan, alleen is het bijzonder dat mevrouw Barth het doet voorkomen alsof al deze dingen in de Wmo tot uitdrukking komen. Bij dat punt zetten wij juist vraagtekens. Is mevrouw Barth buiten dit gremium, dus gewoon op straat, ook mensen tegengekomen die dit onderstrepen en zeggen dat het op deze manier goed zal komen met de Wmo? Ik betwijfel dat namelijk heel erg.

Mevrouw Barth (PvdA):

Ik heb heel veel mensen gesproken in de voorbereiding op dit wetsvoorstel, ook van patiënten- en cliëntenorganisaties. Zij verwachten wel degelijk dat de positie van mensen met beperkingen door deze wet zal worden versterkt. Zij verwachten dat er juist meer naar ze geluisterd zal worden, omdat het uitgangspunt van deze wet is dat gemeenten de opdracht krijgen om ervoor te zorgen dat mensen actief kunnen participeren en dat er een meer inclusieve samenleving moet komen. Dat staat in het dictum van het wetsvoorstel en dat is de doelstelling van dit wetsvoorstel. Patiënten- en cliëntenorganisaties zijn daar heel blij mee.

Mevrouw Slagter-Roukema (SP):

Een kleine opmerking: ik heb ook heel veel organisaties gesproken. Over het algemeen verkondigen zij een heel andere mening dan mevrouw Barth.

Mevrouw Barth (PvdA):

Nogmaals, ik heb met die organisaties gesproken en zij delen de doelstelling van de wet. Dat wil niet zeggen dat zij geen zorgen hebben over de implementatie ervan. Die zorgen hebben wij ook, en daar zal ik straks op terugkomen.

Mevrouw Frijters-Klijnen i (PVV):

Op dit punt wil ik dan toch even wijzen op het verdiepend onderzoek "Zorg naar gemeenten. Aandacht voor iedereen". Dat is een cliëntenmonitor, en dus een breed gedragen onderzoek. De meest opvallende waarneming is dat veel van de deelnemers niet goed weten wat die decentralisatie gaat inhouden en dat zij zich grote zorgen maken over de continuïteit van de deskundige zorg. Zij hebben er weinig vertrouwen in dat hun gemeente kan bieden wat ze nodig hebben. Dat is de uitkomst van dat onderzoek. Is mevrouw Barth daarvan op de hoogte?

Mevrouw Barth (PvdA):

Zeker. Daarom ben ik ook begonnen met te zeggen dat wij ons zeer bewust zijn van de zorgen die mensen zich maken. Dat is zeker tot ons doorgedrongen. Daarom heb ik straks ook een aantal vragen aan de staatssecretaris over de implementatie van de wet. Ik denk dat we de doelstelling van de wet, de inclusieve samenleving waarin wordt ingezet op participatie en gelijkwaardig burgerschap voor iedereen, en de zorgen die je kunt hebben over hoe dat in de praktijk tot stand zal gaan komen, uit elkaar moeten houden.

Mevrouw Frijters-Klijnen (PVV):

Maar dat is toch wel in tegenspraak met wat mevrouw Barth eerder zei, namelijk dat iedereen zegt dat het allemaal wel goed zal komen.

Mevrouw Barth (PvdA):

ik heb niet gezegd dat mensen zeggen dat het wel goed gaat komen. Ik heb aangegeven dat de patiënten en cliënten die ik heb gesproken, de doelstelling van de wet en de waarden die daaronder liggen, delen, maar dat zij zorgen hebben over hoe het in de praktijk gaat uitpakken. Daar ga ik straks nog enkele vragen over stellen.

Laat ik echter eerst opsommen hoe wij denken dat de doelstelling van de wet past bij de sociaaldemocratische waarden. Dat zijn de gelijkwaardigheid van alle mensen en een eerlijke verdeling van lusten en lasten: van wie veel heeft of hebben kan, wordt ook meer verwacht. We zijn ervan overtuigd dat de langdurige zorg van deze uitgangspunten beter wordt. Dat wil niet zeggen dat we geen zorgen hebben over de implementatie van deze wet; ik kom daar straks op terug.

De Wmo organiseert het zorgaanbod straks in drie stappen. Eerst wordt gekeken wat iemand zelf nog kan, al dan niet met hulp van naasten. Als dat niet lukt, is er een algemene voorziening die mensen in hun participatie kan ondersteunen. Vervoer, een buurthuis, tafeltje-dek-je, dagbesteding. Als ook dat niet volstaat, is de gemeente verplicht een maatwerkvoorziening aan te bieden. Die moet passen bij de zorgbehoefte van een persoon. Deze drieslag verklaart waarom onze fractie zo blij is dat persoonlijke verzorging en persoonlijke verpleging naar de Zorgverzekeringswet gaan. Als iemand aan je lijf moet komen voor je zorg, moet daarvoor niet eerst gekeken hoeven worden naar buren of vrijwilligers. Lijfgebonden zorg is zo privé dat geen twijfel mag bestaan over een individueel recht op zorg van een professional. De wijkverpleegkundige wordt de onmisbare spin in dat web. Het is zeer terecht dat het kabinet daar stevig in investeert.

De maatwerkvoorziening, de nieuwe jas van de compensatieplicht, moet ook echt dat zijn: maatwerk. Via zogenaamde keukentafelgesprekken wordt gekeken naar, zoals de staatssecretaris het in de schriftelijke antwoorden zo mooi beschrijft, de vraag achter de vraag: niet, zoals nu gebeurt, langs vaststaande criteria bezien waarop iemand op grond van zijn beperking recht heeft, maar aan de hand van een individueel gesprek bieden wat iemand nodig heeft om mee te kunnen doen in de samenleving. Experimenten die nu al met deze werkwijze lopen in een aantal gemeenten, zoals het project De Kanteling, laten zien dat ze forse besparingen kunnen opleveren terwijl cliënten een hogere kwaliteit van zorg ervaren.

Maar, zo vragen wij de staatssecretaris, wordt dit ook daadwerkelijk de inhoudelijke weg waarlangs alle gemeenten gaan proberen de kosten van hun langdurige zorg in de hand te houden? Daar zit een grote zorg bij onze fractie. Wil de bezuiniging die bij dit wetsvoorstel hoort niet veroorzaken dat mensen overboord vallen, dan moet de nieuwe, dienstbare en geïntegreerde manier van samenwerken er wel bij alle gemeenten komen. Hoe wil de staatssecretaris voorkomen dat gemeenten de even gemakkelijke als verkeerde keus maken, namelijk keiharde aanbestedingen die vooral de kwaliteit van zorg bedreigen en arbeidsvoorwaarden van medewerkers in de zorg in een uitzichtloze race to the bottom duwen? Kortingspercentages van maar liefst 80 in de aanbestedingen worden ons nu al gemeld. Dat is geen zachte landing meer, en met kantelen heeft het ook bitter weinig te maken. In de schriftelijke antwoorden schrijft de staatssecretaris dat als gemeenten niets anders zullen doen dan de huidige AWBZ uitvoeren, zij zeker geld tekort zullen komen. Dan gaat er een dikke kaasschaaf over alle zorg en wordt de kwaliteit overal minder. Op welke manier borgt de staatssecretaris zijn verantwoordelijkheid voor een systeem van zorg dat preventie en participatie daadwerkelijk bevorderen zal? Gaat hij stevig de vinger aan de pols houden bij de uitvoering van de Wmo? En hoe dan? Komt er een meldpunt, vergelijkbaar met de Transitie Autoriteit Jeugd, waar burgers en zorgmedewerkers hun klachten en zorgen over eventuele tekortschietende praktijken van gemeenten kwijt kunnen? Ik heb de heer Flierman die vraag in zijn termijn ook al horen stellen. Wij hopen op een goed antwoord van de staatssecretaris.

De heer Koffeman (PvdD):

Collega Barth geeft aan dat ze signalen uit het veld krijgt dat gemeentes tot 80% korting bedingen bij aanbesteding van zorg. Wij horen ook geluiden dat door gemeentes wordt gezegd dat de begeleiding van psychiatrisch patiënten maximaal €25 per uur mag kosten, terwijl de huidige norm op €80 of €90 per uur ligt. Vindt zij het gek dat gemeenten het uit de lengte of uit de breedte moeten laten komen als zij een takenpakket over de schutting gegooid krijgen en de rijksoverheid tegen hen zegt dat ze het maar moeten doen met 30% tot 40% minder dan zij er zelf aan besteedt? Als de staatssecretaris haar geen bevredigend antwoord geeft op de vraag of hij ervoor gaat zorgen dat die gemeenten de prijs betalen die ervoor staat, laat zij dan evengoed die wet op 1 januari 2015 ingaan of zegt zij: nee, dan is het voor ons een onbespreekbare weg geworden?

Mevrouw Barth (PvdA):

Ik hecht eraan om opnieuw heel precies te zijn over de cijfers. U zegt dat er een budgetkorting van 30% volgt op het sociale domein. Ik heb in de stukken gezien dat voor het sociale domein een bedrag van in totaal ruim 10 miljard euro naar de gemeenten wordt overgeheveld. De korting op het Wmo-deel is 1,2 miljard. Dat is dus niet 30% maar 10%. Dat is nog steeds een fors bedrag. Maar, nogmaals, ik vind echt dat wij als Eerste Kamer vanuit onze verantwoordelijkheid voor een zorgvuldig debat ervoor moeten oppassen dat we met verkeerde cijfers gaan "zwaaien", omdat we daardoor de onrust van mensen alleen maar groter maken. U hebt het over "over de schutting gooien". Volgens mij is daarvan geen sprake. We moeten niet uit het oog verliezen dat de Vereniging van Nederlandse Gemeenten al jarenlang heeft gevraagd om deze taken te kunnen overnemen van het Rijk, omdat de gemeenten ervan overtuigd zijn dat ze het veel zuiniger, efficiënter en effectiever kunnen doen dan de rijksoverheid het op dit moment kan doen. Dus gemeenten hebben hierom gevraagd en het wordt niet over de schutting gegooid. Wij vinden dat de staatssecretaris ook nadat dit wetsvoorstel ingaat, dus na 1 januari 2015, zonder meer systeemverantwoordelijk blijft. Er mag dus absoluut geen sprake zijn van over de schutting gooien.

De heer Koffeman (PvdD):

Die 1,2 miljard waar collega Barth aan vasthoudt tot in tweede instantie in dit debat, wordt in heel veel berichten betwijfeld. Ik zou het dus heel plezierig vinden als de staatssecretaris wil bevestigen dat de bezuiniging niet meer dan die 1,2 miljard zal zijn. Dat is erg genoeg, maar volgens heel veel berichten wordt het veel meer dan 1,2 miljard. Ik denk dat het goed is om daar duidelijkheid over te krijgen in dit debat. Wij moeten ons niet blijven verschuilen achter cijfers die ooit gegolden hebben.

Mevrouw Barth (PvdA):

De cijfers staan in de schriftelijke antwoorden die wij drie weken geleden van de staatssecretaris gekregen hebben. Ik ga ervan uit dat ze kloppen.

De heer Thissen i (GroenLinks):

Ik verwijs naar dezelfde memorie van antwoord. Op pagina 81 schrijft de staatssecretaris in antwoord op vragen van GroenLinks inderdaad dat er aanvankelijk in het zorgakkoord 2013 een taakstelling was van 75% en dat de absolute korting in het regeerakkoord tot structureel 40% werd teruggebracht. Dankzij de geliefde oppositie is dat percentage teruggebracht naar 32. Een derde wordt dus gekort. Dat staat er gewoon.

Mevrouw Barth (PvdA):

Maar dat is alleen de huishoudelijke verzorging. De Wmo is natuurlijk veel breder dan dat.

De heer Thissen (GroenLinks):

Ja, op de huishoudelijke verzorging wordt 32% gekort. Dan heb je nog de korting op de taken per 1 januari 2015. Opgeteld is dat toch het bedrag van 1,6 miljard.

Mevrouw Barth (PvdA):

Ik denk dat het belangrjk is dat de staatssecretaris hier morgen in de beantwoording nog eens op ingaat, maar ik zie een bezuiniging van 1,2 miljard. Overigens stond in het regeerakkoord 75%. Dat percentage is door het zorgakkoord met werkgevers en werknemers in de zorg verlaagd tot 40. Daarna is dit percentage door politieke interventies nog verder verlaagd. Vandaag hebben wij een brief van de staatssecretaris gekregen waarin staat dat er nieuwe middelen worden uitgetrokken om de korting op de huishoudelijke verzorging nog verder te verzachten. Ik heb de brief nog niet kunnen lezen, omdat die ons vanavond pas werd uitgereikt toen het debat startte. Ik denk dat het heel goed is als de staatssecretaris daar morgen in zijn termijn nog verder op ingaat.

De voorzitter:

Ik geef nu nog het woord aan mevrouw Slagter. Ik vraag de leden echter om mevrouw Barth na de interruptie van mevrouw Slagter de gelegenheid te geven om haar betoog te vervolgen.

Mevrouw Slagter-Roukema (SP):

Ja, maar soms heb je toch verduidelijkende vragen nodig. Ik begrijp dat mevrouw Barth de memorie van antwoord goed gelezen heeft.

Mevrouw Barth (PvdA):

Ik heb mijn best gedaan.

Mevrouw Slagter-Roukema (SP):

Daarop inhakend heb ik nog een vraag. Mijn fractie had ook gevraagd of er ten aanzien van de Wmo een transitieautoriteit zou kunnen komen. In de memorie van antwoord staat dat die er niet komt. Ik vroeg mij even af of mevrouw Barth toch voor zo'n transitieautoriteit wil pleiten. Er wordt wel gesproken van een transitiecommissie sociaal domein, waar de minister van BZK morgen mogelijk nog enige duidelijkheid over zal geven. Mevrouw Barth heeft het nu over iets anders. In de memorie van antwoord staat dat er geen transitieautoriteit komt. Daarnaast heeft mevrouw Barth het over een meldpunt. Pleit zij daar ook voor? Hoe stelt zij zich dat voor?

Mevrouw Barth (PvdA):

Volgens mij heeft mevrouw Slagter mij dat zojuist horen bepleiten. Bij de Wet op de jeugdzorg heeft mevrouw Beuving namens mijn fractie gevraagd om een Transitie Autoriteit Jeugdzorg (TAJ) en die hebben wij ook gekregen in dat debat. Ik denk dat het heel verstandig is dat er een vergelijkbare transitieautoriteit voor de Wmo komt.

Mevrouw Slagter-Roukema (SP):

Oké, ik betoogde juist dat wij hiernaar gevraagd hadden en dat het antwoord nee was. Er zou geen transitieautoriteit Wmo komen. Ik begrijp dus dat mevrouw Barth nu wel pleit voor de instelling van zo'n transitieautoriteit.

Mevrouw Barth (PvdA):

Volgens mij geeft de PvdA-fractie geen antwoord op vragen van de SP-fractie tijdens de schriftelijke ronde. Dat doet de staatssecretaris. Volgens mij is het debat over de wet nog niet afgerond als de schriftelijke ronde klaar is. Dat ronden wij hier af. Ik zie dus geen enkele reden waarom wij daar niet om zouden vragen. Als mevrouw Slagter en de heer Flierman dit ook willen, ontstaat er misschien een meerderheid in deze Kamer die de staatssecretaris ertoe beweegt om zo'n transitieautoriteit in te stellen. Ik denk dat dit heel mooi en belangrijk zou zijn.

Voorzitter. Deze wet kan zo veel meerwaarde hebben voor mensen die nu in stilte en eenzaamheid wegkwijnen. Gemeenten zullen dan wel proactief alle burgers moeten gaan opzoeken die potentieel zorg en ondersteuning nodig hebben om mee te kunnen doen. Maar gaat dat ook gebeuren? Wat doet de staatssecretaris als dat uitblijft? Er is door een aantal collega's al gewezen op de doelgroep in de geestelijke gezondheidszorg die geen overlast veroorzaakt en die snel over het hoofd wordt gezien. Dat mag wat onze fractie betreft niet gebeuren.

Een belangrijke randvoorwaarde voor het slagen van de Wmo is goede cliëntenparticipatie, en die is zorgvuldig uitgewerkt in de wet. Bovendien leek het alsof er solide bestuurlijke afspraken lagen over de uitvoering. Daarom zijn wij geschrokken van de brief die MEE Nederland ons vorige week stuurde, waaruit blijkt dat twee derde van de gemeenten die afspraken niet nakomt, op dit moment. We horen graag een reactie daarop van de staatssecretaris.

Onderdeel van de eigen kracht die mensen kunnen mobiliseren, is natuurlijk de financiële armslag die zij hebben. Onze fractie vindt het niet meer dan normaal dat mensen die huishoudelijke hulp of een scootmobiel zelf kunnen betalen, dat straks via een eigen bijdrage ook doen, ook als ze ouder worden en daardoor kwetsbaarder. Zo kan er bespaard worden op de uitgaven aan langdurige zorg, zonder dat de kwaliteit er minder van wordt. De eigen bijdrage in de Wmo moet dan wel inkomensafhankelijk geheven worden. Wij lezen in de memorie van toelichting dat gemeenten geen inkomenspolitiek mogen bedrijven, maar er is toch niks mis met een eigen bijdrage naar draagkracht, zo vragen we de staatssecretaris.

En hoe zit het met het mobiliseren van eigen kracht in je netwerk van familie, buren en vrienden? We horen graag een nadere verduidelijking over de positie van kinderen tegenover hun ouders. Als kinderen te ver bij hun ouders vandaan wonen of het te druk hebben met hun werk en gezin om zelf te helpen met poetsen of boodschappen doen voor hun ouders, kan een gemeente dan een beroep doen op een financiële bijdrage van de kinderen? Onze fractie schrikt niet terug voor een maatschappelijke discussie om een cultuuromslag in ons land te bewerkstelligen die de maatschappelijke acceptatie van dit soort zorg voor je ouders vergroot. Maar verplicht stellen van hulp of betaling door kinderen, dat is ons een brug te ver, al was het maar omdat dat die maatschappelijke acceptatie juist enorm in de weg kan gaan zitten. We horen graag wat de staatssecretaris ervan vindt. Wat gaat hij doen om het draagvlak onder deze cultuuromslag bij alle Nederlanders te vergroten?

De mate waarin gemeenten in staat zullen zijn om een beroep te doen op de eigen kracht van hun burgers in financiële zin, is ook relevant voor de vraag hoe het geld dat nu nog naar de AWBZ gaat, straks over de gemeenten zal worden verdeeld. In 2015 is er een overgangsregeling, die de middelen overdraagt aan de hand van de huidige zorgvraag. Maar helderheid over 2016 en verder is er nog niet. De staatssecretaris geeft een ruwe schets in de schriftelijke antwoorden. Wij krijgen morgen graag meer duidelijkheid.

Het geld is bedoeld voor mensen met een zorgvraag, en daar moet het ook heen. Dat betekent volgens de PvdA-fractie dat bij de verdeling van middelen gemeenten waar veel armere ouderen wonen, of veel mensen met een verstandelijke beperking of met een chronische ziekte, al dan niet psychisch, meer geld moeten ontvangen dan gemeenten met een jongere, rijkere en gezondere bevolking. Wij hebben gezien dat de staatssecretaris van Sociale Zaken bij het verdeelmodel van de Participatiewet scherpe keuzes heeft durven maken. Mogen we dat van deze staatssecretaris ook verwachten? Zorg naar behoefte betekent ook geld voor de gemeenten naar behoefte. Is de staatssecretaris dat met ons eens? Ziet hij bereidheid bij de VNG om de solidariteit tussen gemeenten te borgen?

Het succes van deze Wmo hangt voor een belangrijk deel af van de inzet van mantelzorgers en vrijwilligers. Zij versterken de concrete, praktische solidariteit in onze samenleving. Mantelzorg en vrijwilligerswerk is niet hetzelfde. Beide gebeuren uit liefde en betrokkenheid. Maar mantelzorg is gedwongen door omstandigheden: een geliefde wordt ziek of gehandicapt en je voelt trouw, soms letterlijk tot de dood. Dat maakt mantelzorg ook vaak mentaal zwaar. Vrijwilligerswerk is een vrije keus, waar mensen mee kunnen stoppen als het niet bevalt.

Vooral vrouwen tussen 45 en 65 die werken of gewerkt hebben in de zorg, leveren nu mantelzorg. Zij doen dat vaak naast een baan, een huishouden en/of de zorg voor hun gezin. Wat onze fractie betreft kan het niet zo zijn dat juist deze groep de lasten van de maatschappelijke ambities van deze nieuwe Wmo er eenzijdig bij krijgt. Zij kan ontlast worden als meer mensen vrijwilligerswerk of mantelzorg gaan doen. Wij zien twee groepen met veel potentie. Ten eerste jonggepensioneerden. Veel Nederlanders zijn nog zeer vitaal als zij stoppen met werken. Zij hebben tijd en willen vaak graag maatschappelijk actief blijven. Er worden in het kader van de Wmo van vrijwilligers niet direct fysiek zware vormen van zorg verwacht. Mensen gezelschap houden kan al veel schelen; mensen die eenzaam zijn doen immers een veel groter beroep op de formele zorg. De cijfers over eenzaamheid in ons land zijn echt heel stevig. 30% van de 65-plussers voelt zich eenzaam en 50% van de 85-plussers voelt zich eenzaam.

Mevrouw Slagter-Roukema (SP):

Ik hoor nu van mevrouw Barth dat eenzame mensen een veel groter beroep doen op de formele zorg. Daarvoor had ze het over eenzame mensen die wegkwijnen en naar wie gemeenten actief op zoek moesten om na te gaan welke zorg en ondersteuning die mensen zouden kunnen krijgen. Ik begrijp die twee uitspraken niet. Ze zijn voor mijn gevoel een beetje tegenstrijdig.

Mevrouw Barth (PvdA):

In welke zin dan? Ik vind ze nameljk helemaal niet tegenstrijdig.

Mevrouw Slagter-Roukema (SP):

Mevrouw Barth zegt dat eenzame mensen een groter beroep op formele zorg doen, terwijl ze vervolgens opgezocht moeten worden door gemeenten en ze dus geen beroep doen op die zorg.

Mevrouw Barth (PvdA):

Formele zorg is niet alleen de Wmo. Formele zorg is met name huisartsenzorg, dus zorg in de eerste lijn, of medisch-specialistische zorg in de cure. Mensen die eenzaam zijn gaan vaker naar de cure, naar de formele zorg dan mensen die niet eenzaam zijn, niet omdat ze een klacht hebben die direct thuishoort bij de huisarts of de cure, maar omdat ze behoefte hebben aan een praatje of graag aandacht willen. Als je die behoefte aan aandacht, een praatje of betrokkenheid weet te borgen in de Wmo waardoor mensen minder eenzaam zijn, zullen ze ook minder vaak naar de huisarts gaan. Dat levert dan een besparing op, niet binnen het Wmo-domein, maar wel binnen de huisartsenzorg of de ziekenhuiszorg. Wij vinden dat je juist bij deze wet en de herziening van de langdurige zorg op deze integrale manier naar de kostenontwikkeling in de zorg moet kunnen kijken. Het is heel belangrijk dat de gemeenten de mensen die nu wegkwijnen proactief gaat opzoeken om ervoor te zorgen dat die mensen in beeld zijn bij de gemeenten zodat ze om die mensen heen iets kunnen organiseren waardoor die eenzaamheid minder wordt. Dat hoeft niet per se formele zorg te zijn, dat kan ook met vrijwilligers, misschien zelfs wel juist met vrijwilligers.

Mevrouw Slagter-Roukema (SP):

Ik heb deze uiteenzetting aangehoord. Ik ben het niet met mevrouw Barth eens. Ik denk dat dit een beetje bij elkaar bedacht is, maar ik bedank haar wel voor de uiteenzetting.

Mevrouw Barth (PvdA):

De cijfers over het beroep dat mensen die eenzaam zijn, doen op formele zorg kunt u ook vinden op de website van het Sociaal en Cultureel Planbureau. Er is heel veel onderzoek naar gedaan. Ook de Coalitie Erbij heeft er heel veel onderzoek naar gedaan. Dus ik schud het niet uit mijn mouw; die cijfers zijn er. Als u er prijs op stelt zal ik ze morgen in mijn tweede termijn vermelden.

Mensen gezelschap houden kan al veel schelen, want mensen die eenzaam zijn doen immers een veel groter beroep op de formele zorg. Wie eenzaamheid voorkomt, helpt dus om de kosten van de zorg te drukken. Eenzaamheid bestrijden is overigens een opdracht die de overheid nooit in haar eentje kan dragen; er zullen nooit genoeg professionals zijn om alle eenzame mensen weer verbondenheid te doen ervaren. Maar eerlijk gezegd zou het volgens onze fractie ook het failliet van onze samenleving betekenen als we dat alleen nog met professionele zorg zouden kunnen oplossen. Hoe kunnen we 65-plussers stimuleren om samen met hoogbejaarden te gaan wandelen, samen boodschappen te doen of een spelletje schaak te spelen? Zoekt de staatssecretaris de samenwerking met bijvoorbeeld de ouderenbonden om dat te bevorderen?

Een tweede groep die meer vrijwilligerswerk of mantelzorg zou kunnen gaan doen, ligt zo mogelijk nog meer voor de hand. Misschien wel de grootste maatschappelijke verandering die zich de afgelopen 40 jaar in onze samenleving heeft voltrokken, is dat vrouwen veel meer zijn gaan werken. Wordt het dan niet tijd om de komende jaren eindelijk de pendant daarvan te realiseren, namelijk dat mannen veel meer gaan zorgen? Het eerlijker verdelen van arbeid en zorg tussen mannen en vrouwen is al decennia een ideaal van de Partij van de Arbeid. De cultuuromslag die deze Wmo 2015 moet gaan realiseren, zou dat dichterbij kunnen brengen als mannen meer zorgtaken op zich gaan nemen. Hoe kunnen we dat bevorderen? Het kabinet zal veel meer kunnen doen om de combinatie arbeid en zorg in brede zin makkelijker te maken: schooltijden aanpassen, kinderopvang verbeteren, ook voor oudere kinderen, zorgverlof stimuleren. Is de staatssecretaris bereid, dit in het kabinet te bespreken en te bevorderen dat er nadere maatregelen komen?

De reikwijdte van dit wetsvoorstel varieert van koopkrachtige, vitale ouderen met een warm netwerk van familie en vrienden, tot verslaafde psychiatrisch patiënten die in de loop van hun leven alles en iedereen zijn kwijtgeraakt. Binnen die bandbreedte van veerkracht en kwetsbaarheid gaan gemeenten straks aan het werk. Wij zijn blij dat de centrumgemeenten verantwoordelijk blijven voor de maatschappelijke opvang en verantwoordelijk worden voor het begeleid wonen in de ggz. Deze doelgroepen vragen om grote deskundigheid en bestuurlijke kracht. Hebben wij uit de antwoorden op onze schriftelijke vragen goed begrepen dat ook na de termijn van drie jaar waarin de middelen voor het sociaal domein geoormerkt blijven, de "trekkingsrechten" van patiënten in begeleid wonen gedurende de volledige overgangstermijn van vijf jaar overeind blijven?

Een laatste maar zeker niet minste zorg die onze fractie heeft rond de invoering van deze Wmo is het verlies van werkgelegenheid dat zal optreden. Wie de groei van de zorg wil afremmen, kan dat helaas niet doen zonder dat dat effect optreedt. De bulk van de kosten in de zorg zit nu eenmaal in de inzet van mensen. Toch doet dit ons als Partij van de Arbeid veel pijn, juist in deze tijd waarin de werkgelegenheid toch al zo onder druk staat. Vandaag zouden wij om te beginnen helderheid willen krijgen over de cijfers. Ook op dit onderwerp wordt er immers voortdurend met getallen gegooid. Dat zorgt voor veel onrust, en dat is zeer begrijpelijk. Kan de staatssecretaris uitsluitsel geven? Ik heb vanavond tijdens de inbreng van andere woordvoerders geprobeerd om met een half oor te luisteren en met een half oog de brief die vanavond naar ons toe is gekomen, te lezen. Dat is me niet goed gelukt, omdat de inbreng van de collega's toch iets meer vroeg dan het halve oor. Die waren allemaal zeer interessant. Wat ik wel zag met dat halve oog, is dat er heel veel cijfers in die brief genoemd worden. Ik denk dat het goed is als de staatssecretaris daar morgen in zijn eerste termijn nog een nadere toelichting op geeft.

De staatssecretaris heeft hoe dan ook al veel inspanningen geleverd om verlies van werkgelegenheid bij de invoering van de Wmo te beperken. De verzachtingen van de bezuinigingen brengen met zich mee dat ook het aantal banen dat verloren gaat, fors is teruggelopen ten opzichte van het regeerakkoord.

De heer Thissen (GroenLinks):

Dat is een goede vraag van mevrouw Barth. Wij hebben volgens mij allemaal vragen gesteld over de exacte cijfers. In de brief van de staatssecretaris wordt gesproken over 50.000 mensen die bij voortzetting van dit beleid in 2017 hun baan in de zorg zullen hebben verloren. Het lijkt er nu op dat de bezuiniging juist de mensen raakt die in de leefwereld van mensen die zorg nodig hebben, worden ontslagen. Wij vinden dat nu juist zo'n belangrijke beweging. Ik noem de sociale wijkteams, de zogenaamde frontlijnwerkers die alert en veel eerder reageren, die snel achter de voordeur komen en met mensen op pad kunnen gaan. Ik lees bijna nergens hoeveel middenmanagers en controllers er zullen verdwijnen. Ik lees bijna nergens hoeveel bureaucratie er verdwijnt. Dat wil ik ook wel graag van de staatssecretaris weten. Ik vraag ook mevrouw Barth om daarop te reageren, want het gaat altijd over de mensen die dag in, dag uit met de poten in het bluswater staan. En dat vinden we nu juist zo belangrijk in die participatiesamenleving.

Mevrouw Barth (PvdA):

Ik had even de indruk dat de heer Thissen mijn termijn nog even gebruikte voor zijn eigen termijn. Ik geef hem overigens met alle vriendschap graag de ruimte om die vraag nog even bij de staatssecretaris neer te leggen.

Hij heeft het in zijn termijn heel uitgebreid gehad over het vertrouwen in de beleidsvrijheid van de gemeenten. De vraag welke werkgelegenheid uiteindelijk verloren zal gaan, is natuurlijk een vraag die bij uitstek op het bordje van de gemeenten gaan landen. De manier waarop de gemeenten met de uitvoering van de Wmo en met de aanbestedingen op grond van de Wmo zullen omgaan, zal daar natuurlijk heel bepalend in zijn. Ik vind het lastig om als landelijk Kamerlid hierover dragende uitspraken te doen, omdat ik echt vind dat je moet voorkomen dat wij op de stoel van de wethouders en de gemeenteraden gaan zitten om te bepalen hoe dat zal gaan. U hebt daar in uw termijn ook voor gewaarschuwd.

De heer Thissen (GroenLinks):

Vertel mij wat. Ik heb een paar weken geleden met mevrouw Klijnsma een debat gevoerd waarin ik zei: ga nou niet op de stoel zitten van gemeenten. Dat bedoel ik ook niet, maar mevrouw Barth vraagt aan de staatssecretaris wat voor werkgelegenheidseffecten zijn beleid, met de decentralisatie en de vernieuwingen van de Wmo, heeft voor mensen die in leefwereld van mensen die zorg nodig hebben, van belang zijn. Dat mag mevrouw Barth blijkbaar wel vragen aan de staatssecretaris, maar ik mag niet aan haar vragen of zij niet ook vindt dat zij zou moeten vragen wat het betekent voor de werkgelegenheid in de instellingen, bij de bureaucraten, bij het middenmanagement, bij al die mensen die controle op controle op controle en formulier op formulier doorvoeren. De instellingen zijn vaak heel groot geworden, terwijl bij de frontliniewerkers, die het werk moeten doen, de werkgelegenheidseffecten direct merkbaar zijn.

Mevrouw Barth (PvdA):

Ik voel zeer mee met uw passie. Ik zou er drie dingen over willen zeggen. Ten eerste zou ik, als ik wethouder was en de Wmo moest gaan uitvoeren, het gesprek met zo'n instelling aangaan over het middenmanagement, het hogere management en de bureaucratie. Als ik wethouder was, zou ik dat gesprek zeer scherp voeren. Maar ik vind wel dat het gesprek op die plek moet plaatsvinden, door de wethouders. Dit is een wetsvoorstel dat ruimte geeft aan het lokaal bestuur om dit soort keuzes rond de inkoop te maken. Ik vind echt dat wij dat moeten respecteren.

Ten tweede vind ik dat wij als landelijke politici, als het gaat om de bureaucratie, de regelgeving en de controledrift, de hand in eigen boezem behoren te steken. Er is immers heel veel landelijke regelgeving die bureaucratie veroorzaakt. Daar doen wij ook aan mee. Wij zijn daar veel te makkelijk in. Ik heb weleens grappend gezegd dat elk spoeddebat in de Tweede Kamer — de Eerste Kamer heeft ze gelukkig niet zo vaak — nieuwe controledrift en nieuwe regelgeving veroorzaakt. Ik vind dus dat de zelfbeheersing van het landelijke parlement straks bij de uitvoering van de Wmo groot zal moeten zijn, om te voorkomen dat er landelijk allemaal controle op wordt gezet zodra er in één gemeente iets verkeerd gaat.

Ten derde ben ik het niet helemaal met de heer Thissen eens dat de bezuiniging eenzijdig neerslaat bij de mensen die met de poten in de klei staan. Het kabinet investeert juist 250 miljoen euro om meer wijkverpleegkundigen te kunnen aanstellen en stimuleert dat juist voluit in deze tijd van bezuinigingen. Dat bedrag was al opgenomen in het regeerakkoord. Er stonden allerlei bezuinigingen in het regeerakkoord die echt heel scherp waren en waar ook mijn fractie veel moeite mee had. We zijn ook heel blij dat die bezuinigingen zo stevig verzacht zijn. Maar het bedrag van 250 miljoen voor de wijkverpleegkundigen heeft steeds fier overeind gestaan, juist omdat het zo belangrijk is om meer geld te investeren in mensen die in die wijken actief naar iedereen toe kunnen.

De heer Koffeman (PvdD):

Collega Barth wisselt de woorden "blijdschap" en "zorg" frequent af in haar bijdrage, maar ze wordt niet erg concreet als het gaat om ontslagen in de primaire zorg. Zij vraagt de staatssecretaris om duidelijk te maken hoeveel banen het gaat kosten in de primaire zorg, maar kan zij ook aangeven hoeveel netto extra werklozen voor haar onacceptabel is? Zij is immers van de Partij van de Arbeid. Veel mensen die nu hulpverlener zijn, worden straks hulpbehoevend en moeten hun hand ophouden voor een uitkering, terwijl zij eigenlijk hulp willen verlenen aan hulpbehoevenden. Waar houdt het voor de Partij van de Arbeid op? Wanneer zegt zij: als er zoveel mensen in de primaire zorg netto extra op straat komen te staan, gaan wij hier niet voor tekenen?

Mevrouw Barth (PvdA):

Ook dat vind ik een heel lastige vraag om te beantwoorden. Ik ben er overigens zeer op aanspreekbaar. Ik zal straks in mijn tekst ook nog even ingaan op wat dit concreet voor mensen betekent. Alle cijfers die er worden gegeven over wat deze wet voor de werkgelegenheid zal betekenen, zijn per definitie schattingen, omdat het heel erg zal afhangen van de wijze waarop de gemeenten het straks zullen invullen. Ook dit is een afweging waarvan ik vind dat we ons als landelijke politici passend bescheiden moeten opstellen. We moeten accepteren dat dit wetsvoorstel de verantwoordelijkheid voor sturing bij wethouders en bij de lokale democratie legt. Dit zijn discussies die straks bij uitstek in de gemeenteraad moeten worden gevoerd. Het maakt nogal wat uit hoe een gemeente straks met de invulling en de invoering van de Wmo omgaat. Als een gemeente kiest voor een snoeiharde aanbesteding en probeert om de tarieven zo veel mogelijk naar beneden te drukken — ik heb net gezegd dat ik dat veroordeel — dan weet ik zeker dat er onnodig banen verloren zullen gaan. Voor mij geldt: elke baan die onnodig verloren gaat, is er een te veel. Het hangt echter af van de keuzes die gemeenten maken. Stel dat gemeenten zeggen: "Wij gaan niet voor de keiharde bezuiniging, maar wij gaan bezien hoe wij door samenwerking de zorg effectiever en efficiënter kunnen maken. Wij gaan bezien welke mogelijkheden de Participatiewet, de Wmo en de Jeugdwet bieden. Vervolgens gaan wij zaken met elkaar verbinden en daar maken wij het efficiënter en effectiever door." Dan vind ik het nog steeds heel pijnlijk als daardoor mensen hun baan verliezen, maar tegelijkertijd zeg ik dan: het is wel belangrijk dat wij als politici met de hand op ons hart tegen alle mensen in Nederland die het geld opbrengen voor de premies en belastingen waarmee de zorg betaald wordt, kunnen zeggen dat er geen geld onnodig verspild wordt omdat het niet effectief en efficiënt is.

De voorzitter:

Tot slot, mijnheer Koffeman.

De heer Koffeman (PvdD):

Ik maak toch bezwaar tegen het beeld dat collega Barth oproept, namelijk dat de verantwoordelijkheid bij wethouders zou liggen. De verantwoordelijkheid ligt bij ons. De verantwoordelijkheid ligt bij u. Wij moeten hier morgenavond stemmen over die stelselwijziging, niet de wethouders. Geen enkele wethouder. Het is dus zo dat de Partij van de Arbeid, ja of nee, tekent voor grote aantallen mensen die in de primaire zorg werkzaam zijn en die straks op straat komen te staan. U weet als geen ander dat er in de parlementaire geschiedenis in Nederland weinig voorbeelden te vinden zijn van een partij die zo'n enorme uittocht van kiezers kent als de Partij van de Arbeid op dit moment. Dat heeft een reden. Die reden is, dat u de arbeid onvoldoende bewaakt. U bent degene die verantwoordelijkheid neemt voor mensen in de primaire zorg, die heel graag zorg willen verlenen, maar die nu werkloos worden. Mijn vraag aan u is: word daar nu eens concreet over. Noemt u nu eens het aantal waarvan u zegt: hier gaat de Partij van de Arbeid niet voor tekenen.

Mevrouw Barth (PvdA):

Het is zeker waar dat de Eerste Kamer morgen moet stemmen over deze stelselwijziging, maar de essentie van de stelselwijziging is dat de verantwoordelijkheid voor de invulling van de Wmo bij de gemeente komt te liggen. Hoeveel banen er door het beleid van de gemeente verloren zullen gaan, hangt echt af van de manier waarop de gemeente met de Wmo omgaat, zoals ik u zojuist al heb aangegeven. Daarom zeg ik: de discussie over een cijfer is heel moeilijk landelijk te voeren. Wij zouden dat ook niet moeten willen doen, omdat wij dan weer zwichten voor de verleiding om op de stoel van die wethouders te gaan zitten. Ik vind dat wij het vertrouwen moeten hebben in de lokale democratie dat het goed zal komen. Dat doe ik ondanks het feit dat er in zo veel gemeenten door de uitslag van de gemeenteraadsverkiezingen geen wethouders van de Partij van de Arbeid meer zitten. Dan nog heb ik dat vertrouwen in de lokale democratie.

De voorzitter:

Mijnheer Thissen, kort graag.

De heer Thissen (GroenLinks):

Voorzitter. Ik probeer het toch nog een keer. De regering stuurt ons vanavond een brief en zegt: het gevolg van het wetsvoorstel dat wij hier nu behandelen, is dat ultimo 2017 een kleine 50.000 mensen hun baan verliezen. Dan vind ik het ten onrechte dat u zegt: daar gaan wij hier niet over, want daar gaan straks die wethouders over in de colleges van B en W, die verantwoordelijk zijn voor de aanbesteding. Deze Kamer heeft het kabinet gevraagd om een antwoord op de vraag "wat is het werkgelegenheidseffect van uw beleid?" De staatssecretaris komt dan met een prognose: het gaat 50.000 banen kosten. Dat is één. Natuurlijk komt u met een prachtig verhaal in antwoord op mijn interruptie over de bureaucratie uit Den Haag en over de kunst van het loslaten. Vertel mij wat, ik pleit er al jaren voor dat Den Haag de kunst van het loslaten leert verstaan. Ik heb mevrouw Klijnsma er weer mee geconfronteerd dat zij op de stoel van de professionals van de gemeente gaat zitten. Dan kan Roger van Boxtel vanuit de bankjes "hear, hear, hear, geweldig" roepen, maar hij heeft met alle mensen hier ook te toetsen of de woorden die wij hier gebruiken, werkelijkheid worden in het dagdagelijkse handelen van kabinetsleden, van leden van de Staten-Generaal en van de departementen hier in Den Haag. Daar kun je grote vraagtekens bij zetten, want de kunst van het loslaten is de moeilijkste kunst, die wij hier nog altijd niet onder de knie hebben.

Mevrouw Barth (PvdA):

De heer Thissen heeft kennelijk inmiddels, met een half oor luisterend naar collega's, de brief van de staatssecretaris kunnen lezen. Mij is dat nog niet gelukt. Ik ga dat vanavond na afloop van het debat doen. Dan nog hecht ik eraan dat wij in deze Eerste Kamer op een zorgvuldige en precieze manier met dit soort heel belangrijke en pijnlijke vraagstukken omgaan. Want het gaat om twee dingen. Het gaat om mensen die nu een baan hebben en deze dreigen kwijt te raken. Dat heeft alles te maken met de manier waarop de gemeenten straks de invoering van de Wmo zullen invullen. En wij moeten kijken naar banen die er in 2017 nooit gaan komen, omdat door dit beleid de snelheid van de groei van de zorg wordt afgevlakt. Het is de bedoeling dat de snelheid van de groei van de zorg wordt afgevlakt. Nederland besteedt ongelofelijk veel geld aan de zorg. De kosten van de zorg stijgen drie keer zo hard als ons bruto nationaal product. De snelheid van die groei is niet vol te houden. Dat zal de solidariteit op de langere duur zo ongelofelijk onder druk gaan zetten, dat het bijna onmogelijk zal worden om haar nog overeind te houden. Als dat betekent dat in 2017, als de groei van de zorg afvlakt, de snelheid van de groei van de werkgelegenheid in de zorg ook minder wordt, dan is dat, denk ik, geen negatief resultaat van deze wet. Sterker nog, dat is belangrijk, want nog maar een paar jaar geleden dreigde er een gigantisch tekort aan mensen in de gezondheidszorg. Dus die snelheid van die groei, ook van het aantal banen in de zorg, moet naar beneden, willen wij het met zijn allen werkbaar houden. In 2008, voordat de crisis begon, was de prognose dat als de zorg zou blijven groeien zoals tot dat moment het geval was, in 2025 30% van alle Nederlanders in de zorg zou moeten werken om de zorg draaiend te houden. Alle hogeropgeleiden zouden dan naar de zorg moeten. Dat kan niet. Als wij het op die manier zouden inrichten, dan gaat op een gegeven moment de wal het schip keren. Ik wil heel graag van de staatssecretaris een toelichting horen op het getal dat wordt genoemd uit de brief die ik nog niet gelezen heb. Wat voor banen zijn dat? Zijn het mensen die nu werk hebben en die hun baan kwijtraken door de invoering van de Wmo? Of betekent het dat een heleboel nieuwe banen die er zouden zijn gekomen als de zorg in hetzelfde tempo zou doorgroeien, er niet meer komen? Dat vind ik voor de discussie heel veel uitmaken.

De staatssecretaris heeft hoe dan ook veel inspanningen geleverd om verlies van werkgelegenheid te beperken. De verzachtingen van de bezuinigingen brengen met zich mee dat ook het aantal banen dat verloren gaat fors is teruggelopen ten opzichte van het regeerakkoord. We hebben bovendien gezien dat de staatssecretaris samen met de minister van Sociale Zaken met ambitieuze sectorplannen de kennis en kunde bij werkers in de zorg wil verhogen en verbeteren. Dat is volgens onze fractie essentieel. Als in een ziekenhuis mensen 24 uur per etmaal zorg nodig hebben, noemen we dat intensive care. Dat zou niet anders moeten zijn in de Wet langdurige zorg, waar straks alleen mensen die de klok rond zorg nodig hebben nog aanspraak op kunnen maken. Intensive care in de care vergt net als in de cure een hoog scholings- en deskundigheidsniveau van medewerkers; een niveau dat nu bijna nergens aanwezig is, zoals het door mij aangehaalde inspectierapport over de ouderenzorg laat zien. Het is goed en belangrijk dat het kabinet samen met sociale partners geld uittrekt om daar nu in te investeren. Is de staatssecretaris het met ons eens dat het wegwerken van dat deskundigheidstekort met afstand de belangrijkste slag is die de komende jaren in de langdurige zorg gemaakt moet worden? Het is een debat waar wij zeker bij de bespreking van de Wlz in het najaar nog op terug zullen komen.

Met de aanpak van dit deskundigheidstekort op de zorgarbeidsmarkt zijn we er nog niet. Met name huishoudelijke hulpen worden nu met ontslag bedreigd. Naar onze verwachting zullen velen van hen wel door kunnen werken, maar dan in opdracht van particulieren: de draagkrachtige ouderen die zullen afzien van een huishoudelijke hulp van de gemeente omdat de eigen bijdrage die zij moeten betalen even hoog zal blijken als de kostprijs, en die daarom een particuliere hulp in de huishouding inhuren. Maar deze hulpen moeten dan wel verder zonder vaste aanstelling, voorziening voor pensioen en sociale zekerheid. Dat vinden wij als PvdA-fractie zeer ongewenst. De ambitie van het kabinet is eerlijk en goed werk voor iedereen. Al bij de algemene politieke beschouwingen hebben wij daarom aandacht gevraagd voor de mogelijkheden die bijvoorbeeld de dienstencheque biedt. De minister-president verwees ons toen naar het advies van de commissie-Kalsbeek, dat inmiddels is verschenen. Die commissie stelt vast dat dienstenchequeconstructies ongeveer 1 miljard zouden kosten. Dat is veel geld.

De voorzitter:

Mevrouw Slagter, ik wil u vragen om maar een heel korte vraag te stellen.

Mevrouw Slagter-Roukema (SP):

Waar komt die 1 miljard vandaan? Wij hebben het toch aldoor over bezuinigingsoperaties? Pleit mevrouw Barth nu voor extra geld dat naar de zorg gaat?

Mevrouw Barth (PvdA):

Nee. Het is een analyse van de commissie-Kalsbeek. De commissie-Kalsbeek is tot de conclusie gekomen — misschien moet u het advies van de commissie even lezen ...

Mevrouw Slagter-Roukema (SP):

Dat heb ik wel gelezen.

Mevrouw Barth (PvdA):

Dan moet die 1 miljard u ook bekend voorkomen.

Mevrouw Slagter-Roukema (SP):

Ja, ja, maar 1 miljard is 1 miljard. U zegt zelf het ongewenst te vinden dat die mensen allemaal zonder vaste aanstelling enzovoorts. Vervolgens pleit u voor dienstencheques en zegt u daarbij dat het 1 miljard kost. Ik begrijp niet zo goed hoe dat dan betaald moet worden. Komt dat geld uit een ander potje? Dat is mijn vraag.

Mevrouw Barth (PvdA):

Als mevrouw Slagter iets meer geduld kon opbrengen, zou ik mijn tekst kunnen uitspreken. Dan wordt haar vraag volgens mij beantwoord.

Voorzitter. Wat onze fractie betreft, is een kabinet met de PvdA het aan zijn stand verplicht om de positie van mensen aan de onderkant van de arbeidsmarkt te versterken. De transitie van de huishoudelijke hulp zou een aanleiding voor het kabinet moeten vormen om hiermee aan de slag te gaan, juist om onnodige verlies van werkgelegenheid en sociale rechtszekerheid voor deze groep vrouwen te voorkomen — het zijn meestal vrouwen — een groep, die we bovendien binnen de kortste keren weer hard nodig zullen hebben, omdat de zorg ook na de invoering van de Wmo gewoon blijft groeien. De commissie adviseert om de invoering van de Wmo 2015 aan te grijpen om lokale experimenten te starten met een dienstencheque of met dienstenchequeachtige constructies. Dat is een praktische en betaalbare manier om iets voor deze groep te betekenen. Is het kabinet bereid, zulke experimenten te bevorderen? Ook adviseert de commissie om alfahulpconstructies, die met publiek geld gefinancierd worden, niet meer toe te staan. Wat is de reactie van de staatssecretaris op dit advies?

Inmiddels hebben wij begrepen dat de brief, die vanavond naar ons toe is gestuurd en die ik dus nog niet goed heb kunnen lezen, voorstellen bevat waarmee dit soort lokale experimenten met een huishoudelijke zorgtoeslag kunnen worden bevorderd en dat de staatssecretaris daar 75 miljoen voor uitgetrokken heeft. Ik zal na afloop van het debat de brief echt goed lezen, hoe laat het ook wordt vanavond. Ik hoop dat we daar morgen in de eerste termijn van de staatssecretaris nog een nadere toelichting op zullen krijgen.

Ik rond af. Wij zijn ervan overtuigd dat de Wmo 2015 veel kansen biedt om de kwaliteit van de langdurige zorg te verbeteren. Dat doet die door geld in te zetten alleen waar het echt nodig is; door de vraag van mensen als uitgangspunt te nemen, in plaats van regels en criteria; door te ontschotten, te activeren en te emanciperen, maar bovenal omdat de Wmo het ideaal van een inclusieve en solidaire samenleving, met een eerlijke kans voor iedereen om als volwaardig burger mee te kunnen doen, dichterbij brengt. Dat ideaal heeft de PvdA al heel lang. Daarom steunen we de komst van de Wmo 2015. We rekenen voor de praktische verwezenlijking van dat ideaal op de staatssecretaris, die systeemverantwoordelijk is en blijft. En we rekenen op de bestuurders, volksvertegenwoordigers, ambtenaren én burgers van alle gemeenten in Nederland, dat zij met een open oor, een alert oog, een scherp verstand en een warm hart de verwezenlijking van dit ideaal een stukje dichterbij zullen brengen.