Plenair Van Rooijen bij Voortzetting Algemene financiële beschouwingen



Verslag van de vergadering van 17 november 2015 (2015/2016 nr. 8)

Status: gerectificeerd

Aanvang: 15.37 uur


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Van Rooijen (50PLUS):

Voorzitter. Mijn fractie sluit zich aan bij de woorden van collega Hoekstra over de afschuwelijk gebeurtenissen van vorige week, de aanslagen in Parijs.

Ook ik feliciteer mijn collega's, mevrouw Teunissen en de heer Rinnooy Kan, met hun maidenspeech. Wij zijn vanmiddag collega's, met zijn drieën. Ook ik ben niet de allerjongste, maar …

Ik heb inmiddels gezien dat de staatssecretaris ons heeft moeten verlaten. Hij is door de ene Kamer weggeroepen uit de andere Kamer. Dat is een staaltje flitspolitiek. Staatsrechtelijk is het misschien wel tamelijk uniek, maar het geeft misschien ook een beetje de barre, unieke situatie weer waarin wij momenteel verkeren met betrekking tot het Belastingplan.

De voorzitter:

Ik had al aangekondigd dat de staatssecretaris zou vertrekken.

De heer Van Rooijen (50PLUS):

Zo bedoelde ik het niet. Het is louter een constatering. Ik had mij uiteraard ook graag tot de staatssecretaris gewend.

De toekomst heeft een lang verleden. Dat geldt voor de Eerste Kamer, voor de inkomstenbelasting en voor mijn aanwezigheid in de senaat, nadat ik hier ruim 40 jaar geleden achter de regeringstafel mocht plaatsnemen als staatssecretaris van Financiën naast toenmalig minister Duisenberg. En nu sta ik hier voor een maidenspeech.

Het is goed vandaag stil te staan bij de poging tot een vierde hervorming van de inkomstenbelasting, na die van 1964, 1990 en 2001. Het is bij een poging gebleven die jammerlijk is mislukt en die is uitgemond in een belastingverlaging voor vooral de werkenden. Het gaat om een gewoon plan zonder verdere visie, terwijl die visie alom gevraagd was en dringend noodzakelijk is. Een jaar voor het verkiezingsjaar 2017 is er sprake van een verlaging. Het kabinet moet gedacht hebben: zekerheid voor alles.

Ik wil eerst met de minister spreken over het fiscale beleid dat leidt tot fiscale discriminatie van ouderen en uitkeringsgerechtigden, en tot de introductie van nieuwe beginselen in de inkomstenbelasting. Het financieel-economisch beleid van het kabinet heeft een sterke gerichtheid op de korte termijn. Verlaging van de pensioenpremies en belastingverlaging voor de werkenden moeten de consumptie stimuleren, in de hoop dat ook de werkgelegenheid toeneemt. Als het kabinet de belasting op arbeid wil verlagen, dan is dat toch nog geen reden om die voor de ouderen niet te verlagen. Volgens ons is het en-en en niet of-of. Kan de minister antwoord geven op deze fundamentele vraag?

Er gaat bijna 4 miljard naar de werkenden. Het Belastingplan 2016 behelst een verlaging van het tarief van de tweede en de derde schijf, een verhoging van de arbeidskorting en een verhoging van gerichte kortingen. Het gaat in totaal om 7 miljard, onder een gelijktijdige verlaging en afbouw van de algemene heffingskorting van bijna 2 miljard. Het gaat om 7 miljard bruto en per saldo om 5 miljard voor 35.000 op papier berekende, nieuwe banen. Werkenden gaan er netto en in koopkracht permanent geweldig op vooruit. Het is ze gegund. De arbeidskorting wordt met €1.100 verhoogd tot ruim €3.300 in 2017. Daarbovenop komt voor tweeverdieners met kinderen onder 12 jaar nog de inkomensafhankelijke combinatiekorting, de IACK, van rond €2.800. Voor iemand met een inkomen van €30.000, een alleenstaande onder de 65 jaar, is er in 2016 een verlaging van de te betalen belasting met bijna €7.500. Dat is een korting van 70%, een subsidie. Dat heeft toch weinig met belastingheffing over het inkomen te maken.

De ouderenkorting is structureel €960 tot een inkomen van €36.000; daarboven is deze praktisch nul. Dat is €2.350 minder dan de arbeidskorting van €3.300. De algemene heffingskorting voor ouderen is ook de helft: €1.100 lager. De ouderen ontvangen totaal ruwweg €3.500 minder aan kortingen, om over tweeverdieners nog maar niet te spreken. Ouderen ontvangen in 2016 een eenmalige verhoging van de ouderenkorting van netto €140, een fooi vergeleken met de permanente €1.100 voor de werkenden. Die eenmalige fooi ontvangen de ouderen alleen omdat hun koopkracht anders zwaar negatief zou blijven. Dat werd zelfs het kabinet te gortig. Dat is des te schrijnender wanneer de werkenden er zwaar op vooruitgaan. De arbeidskorting is volgens de minister een effectievere manier om de wig te verkleinen, omdat die alleen voor de werkenden geldt. In mijn woorden is dat een andere manier om te zeggen dat via deze korting de niet-werkenden worden uitgesloten. Kan de minister hierop reageren?

De grote schaduwkant van dit Belastingplan is volgens onze fractie de steeds grotere aantasting van het draagkrachtbeginsel door de veel lagere belasting voor werkenden. Het is al een tijd aan de gang, maar dat is geen reden om er met steeds grotere stappen mee door te gaan. Denk hierbij aan het steeds grotere verschil tussen een- en tweepersoonshuishoudens, waarvoor aan de overkant en nu hier terecht aandacht wordt gevraagd.

Gevraagd naar de draagkracht geven de bewindslieden het volgende antwoord in de nota naar aanleiding van het verslag: "(…) het individuele en progressieve belastingstelsel dat Nederland kent is een stelsel dat gericht is op werkgelegenheid. De toeslagen kennen een andere insteek. Dat stelsel kijkt naar het verschil in draagkracht." Ik heb dit met gekromde tenen gelezen. Ik ben blij dat de minister in zijn antwoord op onze vraag over deze passage erkent dat het draagkrachtbeginsel een belangrijke pijler van de inkomstenbelasting is die tot uiting komt in de progressie, maar blijf met de minister wel sterk van mening verschillen over de inhoud van het draagkrachtbeginsel. Bij de behandeling van het Belastingplan kom ik uiteraard daarop terug.

Erkent de minister dat de inkomstenbelasting met de kerstboom van inkomensafhankelijke nivellerende kortingen is verworden tot een uitdeling van voordelen en subsidies, een soort sinterklaassysteem met grote willekeur? Leidt deze stelselmatige afbraak tot het einde van de inkomstenbelasting? Dit heeft toch niets meer met belastingheffing te maken? Wil de minister hierop uitvoerig ingaan?

Draagkracht betekent een gelijke belasting bij gelijk inkomen voor iedereen en een hogere belasting naarmate het inkomen hoger is. Er mag geen onderscheid zijn naar leeftijd. Kan de minister hierop reageren? Kan de minister in dit verband alsnog de goede tabel geven over de belastingdruk van ouderen in vergelijking met werkenden? Wij bedoelden uiteraard de berekening exclusief de AOW-premie, aangezien dat geen belasting is.

De 50PLUS-fractie noemt de arbeidskorting in combinatie met de inkomensafhankelijke combinatiekorting de discriminatoire Rutte-Dijsselbloembelasting. Ik houd hen beiden verantwoordelijk voor het invoeren van twee aparte systemen in box 1: box 1W voor werkenden en box 1NW voor niet-werkenden. Alleen al in 2015 en 2016 wordt dit verschil netto bijna €1.800 groter.

Ouderen neerzetten als niet-werkenden, als niet-actieven is in onze ogen denigrerend, wegzettend en beschamend. De inkomstenbelasting wordt aldus principieel verbouwd tot een belasting naar leeftijd: naarmate je ouder wordt, moet je meer belasting gaan betalen bij hetzelfde inkomen. De inkomstenbelasting is daarmee verworden tot een leeftijdsafhankelijke levensloopbelasting.

Staatssecretaris Wiebes noemde de inkomstenbelasting in zijn brief van september 2014 een belasting naar levensloop: de belastingdruk beter spreiden over de levensloop. "De druk is het hoogst in de werkende fase, terwijl in die fase de hoogste kosten vallen, zoals de aflossing van de hypotheek en de studieschuld, de opvang en opvoeding van kinderen. De druk is het laagst voor ouderen." De enorm stijgende kosten voor de zorg voor ouderen worden dan bewust niet genoemd, zo stel ik vast. Kan de staatsecretaris aangeven waarop hij deze fundamenteel andere visie op de inkomstenbelasting baseert? Dit is toch een belasting naar leeftijd, en dus discriminatie? Volgens hem gaat het om een keuze. Hij heeft dit vorige week donderdag ook nog zo geformuleerd in de Tweede Kamer: geef je fiscale voordelen — let op de formulering! — in de actieve of in de niet-actieve levensfase? Eigenlijk zegt Wiebes daarmee: wij geven vanaf nu de huidige werkenden een groot fiscaal voordeel. Maar dan zeg ik: die hebben wij, de ouderen van nu, nooit gehad. Jammer dan, zegt het kabinet in feite. Het is een soort voordeel met terugwerkende kracht. Het is alsof je tegen de werkenden zegt: u krijgt vanaf nu een hypotheekrenteaftrek van 120%. Die geldt dan alleen voor de werkenden. Daar lijkt het een beetje op.

De creativiteit van premier Rutte kent geen grenzen bij het verdedigen van de belastingverlaging op arbeid. Eerst noemt hij de beperking van de verlaging tot de werkenden een keuze. Dat was ons inderdaad niet ontgaan. Maar meer in het defensief gedrongen aan de overkant komt hij met de verdediging dat het feit dat de gepensioneerden geen indexatie ontvangen, geen argument is om hun ook belastingverlaging te geven omdat de overheid niet verantwoordelijk is voor het niet-indexeren van de pensioenen. Een nadenker. Ik stel daartegenover dat de heffing van inkomstenbelasting, zowel bij verhoging als verlaging, geheel losstaat van de vraag of er wel of niet geïndexeerd wordt voor het aanvullend pensioen voor de gepensioneerden. Kan de minister hierop reageren?

Ouderen moeten ook meebetalen aan alle belastingverhogingen, ongeacht of er indexatie plaatsvindt. Ook bij volledige indexatie van pensioen werd tot nu toe belastingverlaging toegepast en met nadruk ook structureel, zeker ook bij de twee eerdere grote belastinghervormingen in 1990 en 2001. Toen speelde uitsluiting van de ouderen niet. Het kan verkeren. Kan de minister uitleggen waarom de ouderen in de genoemde jaren wel meedeelden in de verlaging en nu niet? Dat schreeuwt toch om een betere uitleg dan die van Rutte. Wat is de betere uitleg van de minister?

Waarom pakt het kabinet de ouderen dubbel door hen geen indexatie en geen lagere belasting te geven? Voor mijn fractie is het onbegrijpelijk en zorgelijk dat de premier in de Tweede Kamer hiermee weg is gekomen. Het is een verstrekkende en gevaarlijke redenering, want het is bekend dat gepensioneerden de komende tien jaar geen indexatie zullen ontvangen door het beleid van het kabinet-Rutte met de nieuwe regels van het financieel toetsingskader en de Ultimate Forward Rate. Vorig jaar december heeft collega Hoekstra over beide punten, het toetsingskader en de Ultimate Forward Rate, uitgevoerd gedebatteerd met de staatssecretaris van Sociale Zaken. Hoezo is het kabinet niet verantwoordelijk? Vindt de premier dan ook dat in de komende tien jaar bij verdere verlagingen van de inkomstenbelasting de gepensioneerden uitgesloten moeten blijven omdat zij niet worden geïndexeerd?

In september 2014 wilde het kabinet met een beter belastingstelsel eigenlijk de belasting op arbeid nog verlagen met 15 miljard. In dat geval zouden andere belastingen met 10 miljard moeten worden verhoogd. Daarvoor weet Rutte de gepensioneerden dan wel te vinden. Dan vindt kabinet het vanzelfsprekend dat ook de ouderen meebetalen aan de verhoging van accijnzen, de verhoging van de milieubelastingen en de verhoging van het lage naar het hoge btw-tarief. Die treffen juist vooral de laagste inkomens, die van de ouderen het hardst. Dit is toch pure discriminatie? Ouderen moeten wel meebetalen aan belastingverhogingen, zoals in de afgelopen zeven crisisjaren, maar mogen niet meedelen in de belastingverlagingen van nu en, nog erger, van de komende jaren. Ik val in herhaling: kan de minister deze discriminatie motiveren? Onze fractie vindt dat de ouderen zo als tweederangsburgers worden behandeld. Het gaat hierbij om enorme bedragen.

In de afgelopen zeven crisisjaren zijn de belastingen enorm verhoogd; ik noem de btw. Dat zijn sinds 2008 tientallen miljarden waaraan de ouderen meebetalen, en dat zonder protest, want zo zijn wij kennelijk ook, tot een zeker moment. Maar zij delen niet mee in de tientallen miljarden structurele belastingverlaging, verdeeld over de komende tien jaar. Tien maal 5 miljard is al 50 miljard, maar daar krijgen de ouderen geen cent van. Werkenden krijgen met die arbeidskorting van €1.100 elk jaar een nieuwe fiets, tweeverdieners zelfs twee fietsen. Ouderen mogen blij zijn dat in 2016 één keer een lekke band van hun oude fiets wordt geplakt. Ze moeten nog maar afwachten of de jaren erna telkens een nieuwe lekke band wordt geplakt. Nieuwe fietsen krijgen zij in elk geval niet. Dit is jip-en-janneketaal, voorzitter. Dan helpt het niet dat Wiebes in antwoord op een vraag van de VVD antwoordt: het streven zal blijven om stappen te zetten richting een eenvoudiger stelsel met lagere lasten op arbeid. Het gaat dus gewoon door. Kan de minister dit antwoord nader toelichten? Gaat dat beleid dus gewoon door?

Ik heb daarbij nog een andere klemmende vraag: kan de minister verklaren dat het niet de bedoeling is om de ouderenkorting systematisch verder te verlagen, te halveren of zelfs af te schaffen? Boven een inkomen van €36.000 is de ouderenkorting al praktisch afgeschaft. Dit krijgt weinig aandacht, dus herinner ik er hier maar even aan. De ouderenkorting wordt volgend jaar met nog eens €83 verlaagd, zodat er een fooi van €70 overblijft voor mensen met een inkomen boven €36.000. Tot nu toe staat vast dat werkenden blijvend €1.100 of €2.200 meer krijgen en ouderen €180 tot €450 minder. Dat komt door de structurele verhoging van bijna 1% van de zorgpremie. Dat is toch een forse achteruitgang? Is dat een evenwichtige inkomensverdeling? Wat vindt de minister hiervan? Kan hij toezeggen dat in de komende jaren deze premie, die alleen wordt betaald door zelfstandigen en gepensioneerden — voor de werknemer betaalt de baas immers de premie — niet nog eens met 1,25% wordt verhoogd tot het werkgeversniveau van praktisch 7%? Daar komt volgend jaar de rampzalige afschaffing van de ouderentoeslag in box 3 dan nog bij. Bij het Belastingplan komen wij daar nog op terug.

Onze fractie heeft een grote zorg. Deze kabinetsperiode wordt steeds meer gekenmerkt door ontzorging van de ouderen: geen indexatie, geen belastingverlaging, wel belastingverhoging en steeds hogere zorgkosten, mede door de enorme bezuiniging in de ouderenzorg. Drie maal pakken; je moet maar durven! Er is nog andere manier van drie maal pakken van de ouderen: de WUL van 4% uit 2013, die een storm van protest onder gepensioneerden veroorzaakte, de Bos-belasting uit 2011 en de stiekeme 4% indirecte fiscalisering van de AOW uit de belastingen. Onze fractie is overigens verheugd dat het kabinet in antwoord op onze vraag niet heeft besloten tot, wat het noemt, versnelling van de fiscalisering van de AOW. Wij zijn het er niet mee eens dat dit al een versnelling is. Wij willen zelfs geen begin van een echte fiscalisering met afschaffing van de AOW-premieheffing. Kan de minister hier ondubbelzinnig op antwoorden?

Ouderen worden stapelgek van het alsmaar stapelen van lastenverzwaringen. De ouderen moeten steeds meer zelf de zorgkosten betalen. Dan is het toch niet meer dan rechtvaardig dat zij ook in staat worden gesteld die kosten te betalen door structureel en proportioneel mee te delen in de belastingverlaging van 5 miljard? Het kan niet genoeg gezegd worden, ook in dit huis: het gemiddelde aanvullend pensioen is maar €500 bruto per maand. De helft van de gepensioneerden zit daar nog onder. Over rijke ouderen gesproken! Overigens spreekt niemand ooit over rijke werkenden als fiscaal doelwit, maar dat terzijde.

Als minister Dijsselbloem 15 miljard had, zou hij die geven aan de werkenden, zo zei hij onlangs in een landelijke krant. Inderdaad, "Sinterklaas zit daar", maar niet voor de ouderen. Zij bestaan niet voor dit kabinet. Onze fractie vindt het beschamend. Een beschaafd land zorgt toch ook voor zijn 3 miljoen ouderen? Genoeg is genoeg.

Ik wil tot slot spreken over het beleid van de Europese Centrale Bank in relatie tot de pensioenen. Voor de euro heeft de toekomst nog niet zo'n lang verleden, maar wel een voorgeschiedenis. In 1997 zei Nobelprijswinnaar Milton Friedman over de euro het volgende. De Europese gemeenschappelijke markt is een toonbeeld van een situatie die ongunstig is voor een gemeenschappelijke munt. Europa is samengesteld uit afzonderlijke naties, wier inwoners verschillende talen spreken, verschillende gewoonten hebben en die een veel grotere loyaliteit ten opzichte van en gehechtheid aan hun eigen land hebben dan aan een gemeenschappelijke markt of het idee van Europa. Friedman concludeerde dat de aanvaarding van de euro de politieke spanningen zou verergeren door het omzetten van uiteenlopende schokken in politieke issues die tot verdeeldheid leiden. Die schokken zouden volgens hem gemakkelijk kunnen worden opgevangen door aanpassingen van de wisselkoersen. Het is alsof hij een schok als die met Griekenland voorspelde. Kan de minister reageren op deze visie van Friedman van toen? Wat is de les voor het heden?

Het ECB-beleid wordt gekenmerkt door een sterk kortetermijnbeleid. Dat begon eind 2014 met de invoering van de variant op het stimulerende beleid van de FED: de "Bernanke bankbiljettenhelikopter". Alles is gericht op het bereiken van 2% inflatie, alsof dat een doel op zich moet zijn om zo meer groei te realiseren. Het is beperkt effectief tot nu toe, vandaar dat Draghi recentelijk een intensivering heeft aangekondigd voor december. Maar bij een halvering van de olieprijs dit jaar is die 2% een heroïsche en niet reële doelstelling. Het is stimuleren tegen de klippen op. Door het ECB-beleid is de kortetermijnrente naar een historisch dieptepunt gegaan. Wat vindt de minister van dit gevolg? Tot dusver profiteert alleen de beurs ervan, met horten en stoten.

Terug naar de lage rente. Erkent de minister dat de pensioenfondsen en de spaarders het meest getroffen worden door dit ECB-beleid met verder dalende rente? Erkent hij dat het vooral de ouderen zijn die dit direct in hun portemonnee voelen? Graag een duidelijk antwoord op deze twee vragen. Kan de minister, als hij het hiermee niet eens is, uitleggen waarom dit dan niet zo is? De schatrijke pensioenfondsen worden door de lage rekenrente straatarm gerekend. Het vermogen van de fondsen is in de laatste zeven crisisjaren door de zeer hoge rendementen verdubbeld van 700 tot 1.400 miljard. Dat is twee maal ons nationaal product. Toch mag er door de lage rente niet worden geïndexeerd. Het is niet uit te leggen. De risicovrije rekenrente daalt met de korte Draghi-rente mee tot 1,5% nu. Ik vraag de minister of hier nog wel sprake is van een marktrente. Voor de lange termijn praat je met betrekking tot pensioenverplichtingen toch over 40 tot 60 jaar.

Kan de minister zijn opvatting geven over de samenhang tussen het rentebeleid van de ECB, de gevolgen voor de rekenrente en de gevolgen daar weer van voor de pensioenen? Is er aanleiding hier opnieuw beleidsmatig naar te kijken? Erkent de minister dat het werken met een sterk gedaalde rekenrente een procyclisch effect heeft op de economie? Is hij bereid nog eens goed te kijken naar het advies van de Sociaal Economische Raad uit 2012 over een anticyclische opslag op de risicovrije rekenrente?

Overigens is 50PLUS van mening dat de belastingverlagingen moeten gelden voor jong en oud en dat de pensioenen moeten worden geïndexeerd.

Wij kijken uit naar de antwoorden van de minister en de staatssecretaris.

De voorzitter:

Dank u wel, mijnheer Van Rooijen. Mijn hartelijke gelukwensen met uw maidenspeech. Staat u mij toe om ook in uw geval iets te schetsen van uw achtergrond. U staat tegenwoordig bekend als "pensioenkampioen", zeg ik maar gekscherend, maar daar is een lange en veelzijdige loopbaan aan voorafgegaan.

U bent halverwege de jaren zestig begonnen als belastinginspecteur. In 1968 trad u in dienst bij Shell, waar u al snel hoofd van de fiscale afdeling werd. In 1973 werd u gevraagd om staatssecretaris van Financiën te worden in het kabinet-Den Uyl. Dat kabinet kwam moeizaam tot stand, maar is uiteindelijk de boeken ingegaan als het progressiefste kabinet uit de parlementaire geschiedenis. Als 31-jarige was u de jongste staatssecretaris ooit. Twee van uw wapenfeiten zijn de totstandkoming van een wet over de invoering van een tijdelijke zelfstandigenaftrek in de inkomstenbelasting voor kleinere zelfstandigen en een wet om oneigenlijk gebruik van koopsompolissen tegen te gaan.

Na uw staatssecretariaat was u drie jaar lang lid van de Tweede Kamer. Daar was u fiscaal specialist van de CDA-fractie en deed u ook sociale zaken, economische zaken en volksgezondheid.

In 1980 keerde u terug naar Shell, waar u uiteindelijk directeur public affairs werd. Later hebt u nog enige jaren gewerkt voor de Nederlandse voorouders van PricewaterhouseCoopers, tegenwoordig PwC, en als lid van het College van Toezicht Sociale Verzekeringen, als zelfstandig managementconsultant en als directeur ad interim bij Nuon. Van 2005 tot september 2012 adviseerde u de minister van VWS vanuit het College sanering zorginstellingen.

Sport of, liever gezegd, het bestuur van sport ligt u na aan het hart. Zo bent u voorzitter van de sectie betaald voetbal van de KNVB en voorzitter van de Koninklijke Nederlandse Atletiek Unie geweest. In die laatste hoedanigheid zei u in een interview in 2004: als we al ergens voor gaan, dan voor goud, niet voor minder. Deze uitspraak is kenmerkend voor de volle overgave waarmee u uw werk doet.

Als voorzitter van de Koepel van Nederlandse Verenigingen van Gepensioneerden verdedigt u al een aantal jaren met veel Begeisterung de belangen van pensioengerechtigden. Ook hier in de Kamer zult u ongetwijfeld aandacht blijven vragen voor hun positie, zoals we zojuist ook hebben gehoord. Ik wens u alle succes met uw verdere bijdrage aan het werk van de Kamer.

Ik schors de vergadering om de collegae de gelegenheid te geven, u geluk te wensen met uw maidenspeech.