Plenair Van Rooijen bij behandeling pakket Belastingplan 2016 en Wet Common Reporting Standard



Verslag van de vergadering van 14 december 2015 (2015/2016 nr. 12)

Status: gerectificeerd

Aanvang: 19.25 uur


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Van Rooijen (50PLUS):

Voorzitter. Ik wil allereerst collega Van Rij feliciteren met zijn maidenspeech. Wij zien uit naar een vruchtbaar debat met elkaar en goede samenwerking. Alvorens over het Belastingplan te spreken, wil ik namens de 50PLUS-fractie onze grote voldoening uitspreken over de geslaagde Klimaattop in Parijs. Dat is de grote verdienste van het Franse voorzitterschap dat, na de terreuraanslagen in Parijs, heeft aangetoond dat niets onmogelijk is als duidelijk wordt gemaakt dat de toekomst van de wereld, van onze planeet, en de toekomst van onze kinderen en kleinkinderen op het spel staan.

Ik dank de staatssecretaris voor de uitvoerige schriftelijke beantwoording van onze vragen en via hem ook zijn medewerkers en medewerksters. Het was een pittige klus. We moeten nu een oordeel vellen over het Belastingplan 2016 en later over de novelle. Het gaat om een belastingverlaging van bijna 5 miljard en eigenlijk gaat het om een brutoverlaging van 7 miljard, 1% van het bruto nationaal product. De 50PLUS-fractie is van mening dat alle Nederlanders, jong en oud, behoren te profiteren van belastingverlagingen, zoals jong en oud immers ook meebetalen of -betaalden aan de tientallen miljarden belastingverzwaringen vanaf het begin van de crisis.

Gelijke fiscale behandeling van werkenden en ouderen is een kwestie van beschaving en rechtvaardigheid. Die gelijke behandeling was er ook bij de eerdere echte grote belastinghervormingen in 1990 en 2001. Na de lasten nu ook de lusten voor iedereen. Teruggeven van wat is afgepakt, zoals collega Van Rij zojuist zei. Ik ondersteun dat.

Dit Belastingplan is een regelrechte belastingstraf op oud worden. Dat zit ook besloten in de term die het kabinet gebruikt, een levensloopbelasting. Het is een pure discriminatie, een discriminatie naar leeftijd. Voor 50PLUS is het principe van gelijke behandeling de toets voor de rechtmatigheid van de voorstellen. Dat is de eerste taak van deze Kamer. De vraag is of dit rechtmatig is. Gaarne ontvang ik een antwoord van de staatssecretaris op deze principiële vraag.

Vooral ook omdat het kabinet van zins is dit discriminatoire beleid voort te zetten, is het noodzakelijk paal en perk te stellen en te zeggen: tot hier en niet verder. Het Belastingplan 2016, eenmaal goedgekeurd, is een precedent want het zet de deur wagenwijd open voor verdere belastingverlaging alleen voor werkenden, nota bene ook nog deels betaald door de ouderen. Gekker kan het eigenlijk niet worden. Wij wijzen op de brief over de novelle, waarin wederom een verlaging van 4 miljard van de inkomstenbelasting wordt aangekondigd, waarbij het de vraag is of die weer beperkt wordt tot een belastingverlaging op arbeid, alleen voor de werkenden dus. Alles wijst daarop omdat in de novellebrief wordt gesproken over 15.000 extra banen en dat kan effectief alleen via weer een enorme verhoging van de arbeidskorting van bijvoorbeeld €1.500. Kan de staatssecretaris hierop een klip en klaar antwoord geven? Volgende week spreken wij daar overigens nader over.

De 50PLUS-fractie zal zich ten principale tegen deze schuif zoals die in de brief staat, verzetten tenzij — de voorstellen zijn er nog niet — de garantie wordt gegeven dat per saldo structureel absoluut geen verslechtering voor de ouderen optreedt. Er bestaat overigens in box 1 geen belasting op arbeid. Het is misschien goed om dat hier nog eens te zeggen. In box 1 wordt het inkomen uit arbeid belast en volgens de wet is dat het inkomen uit tegenwoordige en vroegere arbeid. Die worden dus wettelijk totaal gelijk gesteld.

Als je het stelsel dat nu voor ons ligt in internationaal verband ziet, dan is dit Nederlandse fiscale beleid met kortingen, overigens ook met de discriminatie tussen een- en tweepersoonshuishoudens, een beleid dat zijn weerga niet kent in West-Europa en daar dus ook niet voorkomt. Wij hadden om een internationaal overzicht op beide punten gevraagd. Dat hebben wij nog niet ontvangen. Kan de staatssecretaris dat alsnog leveren voor de behandeling van de novelle en anders zo spoedig mogelijk daarna?

Wij beschouwen het niet meedelen in de 4 tot 5 miljard zoals gezegd als een aparte strafbelasting voor de ouderen. We hadden al vier ouderentaksen. Dit is nummer vijf. Na de Bosbelasting, de verhoging in één keer van de inkomensgrens voor de inkomensafhankelijk bijdrage van €32.000 naar €50.000 in 2011, de Wul-taks van 4 % in 2013 en nu ook de verhoging van 0,65% van de inkomensafhankelijke bijdrage voor de zorgpremie, hebben we nu nummer vijf, de discriminatoire Rutte-Dijsselbloem-Wiebesbelastingtaks, een beschamende belasting. Het stapelen gaat dus gewoon door.

Voor de beoordeling kiezen wij een totaal andere invalshoek dan het kabinet en kijken wij naar het Belastingplan 2015 en 2016 samen en naar andere maatregelen buiten deze belastingplannen, zoals de juist genoemde inkomensafhankelijke bijdrage. Die inkomensafhankelijke bijdrage is overigens een verkapte extra inkomstenbelasting van 5,5% voor ouderen en zzp'ers.

Inderdaad verbetert door het Belastingplan 2016 de koopkracht van ouderen eenmalig met 1,2%, maar dat brengt de totale koopkracht toch nog maar op nul, van -1,2% naar nul. Dat komt door andere maatregelen buiten dat Belastingplan van 2016, vooral door de inkomensafhankelijke bijdrage die tot een structurele daling van de koopkracht met 0,7% leidt voor bijna alle inkomens van de ouderen, ook de lagere. De andere, brede invalshoek van de 50PLUS-fractie toont een onthutsend en beschamend beeld van de werkelijkheid zoals die er is, althans in onze ogen. Wij kijken naar een aantal zaken tegelijk: meer jaren naast één jaar, fiscaal en niet-fiscaal samen en het onderscheid tussen structureel en eenmalig. Het lijkt zo simpel, maar voor het kabinet is dat een bijna onoverkomelijke opgave.

Wat doen wij? Wij betrekken de Miljoenennota 2015 erbij en zien de exclusieve structurele lastenverzwaringen voor de ouderen van niet minder dan 600 miljoen waartoe in het najaar van 2014 is besloten. Die bestonden uit verlaging van de ouderenkorting voor 200 miljoen, afschaffing van de ouderentoeslag voor 135 miljoen en verhoging van de inkomensafhankelijke bijdrage met 0,65% voor 275 miljoen. Een structurele lastenverzwaring voor de ouderen alleen van 610 miljoen, waarover vorig jaar is besloten.

De vermindering van de verlaging van de ouderenkorting, let wel, de vermindering van de verlaging van de ouderenkorting! — zo gaat dat met ons — met tweemaal €54 via de vierde nota van wijziging en de novelle, maakt de structurele verlaging van de ouderenkorting van vorig jaar van €83 gelukkig weer geheel ongedaan vanaf 2017. Er blijft zelfs een kleine verhoging van €25 over. Maar er blijft dus nog een structurele verzwaring voor ouderen van 400 miljoen over van vorig jaar. Het zou het kabinet hebben gesierd ook de twee andere besluiten terug te draaien. Nu dat niet is gebeurd, blijft na 2016 deze verzwaring van 400 miljoen voor ouderen gewoon bestaan. Alle eenmaligheid voor 2016 ten spijt.

Het kabinet spreekt in dit verband van intensivering van de ouderenkorting die een belangrijk deel van de koopkrachtreparatie in 2016 structureel maakt. Ik noem dit het simpel terugdraaien van een eerdere verlaging. Dat is geen verhoging. Dit terugdraaien toont aan dat de koopkrachtreparatie lapwerk was en dat het structureel moest, zoals wij gevraagd hebben. Wij zijn uiteraard blij met de twee kleine stapjes, maar dat is alleen het niet meer afpakken van wat dreigde afgepakt te worden. Onze fractie blijft een gehele structurele verhoging van €220 eisen en niet maar de helft van €108 die er nu is. Immers, de ouderenkorting daalt in 2017 gewoon met €112, een tientje per maand. Dat weten wij dus nu al. Hoe groot is de koopkrachtdaling van €112 belastingstijging, zo vraag ik de staatssecretaris. Is hij bereid nu al toe te zeggen dat dit in het Belastingplan 2017 structureel wordt gerepareerd en niet weer eenmalig met die €112? Kom daar dus niet voor de tweede keer mee aan, want dan slepen we de gevolgen van een fundamenteel fout besluit van jaar tot jaar mee. Dat moet de staatssecretaris niet willen. Gaarne krijg ik daarop een antwoord.

De 50PLUS-fractie zal elk jaar vragen om een totaalplaatje: fiscaal en niet-fiscaal, structureel versus eenmalig en een driejaarsoverzicht met daarin het jaar ervoor en erna, anders komen we niet uit de puzzels. We willen dus ook weten wat de gevolgen voor de koopkracht van ouderen zijn op het niet-fiscale terrein. Ik noemde bijvoorbeeld de verhoging van de inkomensafhankelijke zorgpremie.

De 50PLUS-fractie heeft in de Tweede Kamer een evenredig aandeel geëist in de structurele 5 miljard lastenverlaging en die is er helemaal niet gekomen. In de senaat is de motie-Nagel daarover aangenomen. Die is niet uitgevoerd. Ik zou zeggen: nog niet, want de motie blijft boven de markt hangen, evenals de motie-Schalk, die wij ook blijven steunen.

De ouderen hebben structurele lastenverzwaringen en een eenmalige reparatie in 2016 gekregen, juist als gevolg van eerdere lastenverzwaringen. Het beeld voor de werkenden staat in totaal contrast daarmee, met alleen steeds grotere structurele lastenverlichtingen. Dat zal volgens het kabinet in de toekomst zo doorgaan. In twee kleine rondes is er weer 90 miljoen en 300 miljoen extra naar de werkenden geschoven uit de algemene ruif van de schijfverlaging, die 0,3 % minder wordt. In die twee rondes wordt van de ouderen alleen 200 miljoen niet meer afgepakt, maar zij krijgen er niets bij.

Meer hebben zij blijkbaar ook niet te verwachten. Sterker nog, zij hebben volgens het kabinet ook helemaal geen recht op een structurele belastingverlaging. Dat is de harde consequentie van het geloof van het kabinet dat de werkenden zorgen voor de welvaart en hun eigen toekomstige welvaart. Ouderen zijn in de visie van het kabinet een exclusief belastingobject: bij hen valt het te halen, en alleen daar.

Rutte noemde bij de Algemene Beschouwingen in de Tweede Kamer de 5 miljard voor de werkenden een keuze. Het kabinet kondigde aan door te gaan met dit beleid van exclusieve verlaging van de belasting op arbeid. De Belastingplannen 2015 en 2016 bevatten een totale structurele belastingverlaging van ruim 3 miljard door een verhoging van de arbeidskorting. In 2017 komt daar nog 0,5 miljard bij. In de periode 2014-2017 is de arbeidskorting met €1.224 verhoogd tot €3.321 en de ouderenkorting met, let wel, €30 euro tot €1063. Dat is een verschil in drie jaar van bijna €1.200 euro.

We moeten ook kijken — ik verwijs naar tabel 5 van de nota naar aanleiding van het verslag aan de Tweede Kamer, en de tabellen 13 en 14 van de memorie van antwoord aan de Eerste Kamer — naar het astronomische verschil tussen het totaal van alle heffingskortingen voor de werkenden en de ouderen in 2017. Werkenden ontvangen in dat jaar €5.292 meer korting dan de ouderen bij een inkomen van €20.000, en €6.437 meer korting bij een inkomen van €40.000. Voor werkenden is dat een korting van 100% op de te betalen belasting bij een inkomen van €20.000, en een korting van 46% bij een inkomen van €40.000. Deze absurde verschillen tonen het failliet aan van deze discriminerende inkomstenbelasting. Kan de staatssecretaris hierop reageren?

In dit verband is het goed het antwoord van de staatssecretaris bij de Algemene Financiële Beschouwingen in de senaat te citeren op onze vragen over het verschil in de behandeling van werkenden en ouderen. Hij zei: "De werkenden van nu zijn de ouderen van straks. Als je die nu faciliteert in het opbouwen van welvaart (...) dan help je daarmee ook de toekomstige ouderen. (...) Het gaat niet alleen maar om een verdelingsvraagstuk op dit moment. Het gaat ook om welvaartsopbouw naar de toekomst. Daarin ontstonden grote verschillen. Die kwamen in augustus aan het licht. Die zagen er niet zo heel fraai uit. Het kabinet heeft de ferme oproep tot koopkrachtreparatie voor 2016, die in augustus klonk, aangegrepen. In de nota van wijziging is daar voor 2017 nog 100 miljoen bijgekomen. De heer Van Rooijen heeft aangegeven dat onvoldoende te vinden. Dat snap ik vanuit zijn perspectief, maar als de polsstok meer naar de ene kant gaat, raak ik elders weer banen kwijt. Dat komt het draagvlak niet bepaald ten goede."

De staatssecretaris gebruikte daarvoor aan de overkant de fraaie termen "banentoets" en "democratietoets". Collega Van Rij kijkt naar mij: ik wist niet dat dit toetsen waren in het fiscale recht. Het komt het draagkrachtbeginsel als toets niet ten goede. De minister van Financiën verdedigde de arbeidskorting in hetzelfde debat als een effectievere manier om de wig te verkleinen, omdat die alleen voor de werkenden geldt en goed voor de werkgelegenheid is. Volgens de staatssecretaris gaat het bij de lastenverlichting in de inkomstenbelasting om de keuze of fiscale voordelen die in de actieve of in de niet-actieve levensfase van mensen worden gegeven. Hij wees erop dat ik ten principale eigenlijk vind dat er fiscaal geen verschil mag zijn tussen werkenden en niet-werkenden. Het kabinet is het daar ten principale niet mee eens. Werkenden werken en creëren welvaart.

En wat doen ouderen, zo vraag ik mij af. Ik ben het dus niet met hém eens. Uit tabel 16 van de memorie van antwoord blijkt naar aanleiding van onze vragen dat de ouderen bij alle inkomens meer belasting betalen dan de werkenden. Die tabel is op ons verzoek opgesteld, waarbij de AOW-premie buiten beschouwing is gelaten. De AOW-premie is immers geen belasting maar een ouderdomsvolksverzekering. Er wordt een heel onzuiver debat gevoerd over de AOW-premie. Omdat de werkenden AOW-premie betalen, zouden ouderen die ook moeten betalen, zo vinden sommigen. Ik wil erop wijzen dat wij, de ouderen van nu, destijds AOW-premie betaalden voor de AOW van onze ouders, die daarvoor nooit AOW-premie hadden betaald. Zo solidair waren wij dus met onze ouders. De ouderen van nu ontvangen de welverdiende AOW waar zij 40 jaar hard voor gewerkt hebben. Zij zouden dan waarschijnlijk AOW-premie moeten gaan betalen onder de vlag van een belasting.

De verhoging van de arbeidskorting wordt nu voor het eerst mede verdedigd met het argument dat de AOW'ers geen AOW-premie betalen. Dat is volgens mij al zo sinds de instelling van de AOW, maar goed. Dat blijkt uit pagina 22 van de memorie van antwoord aan de Eerste Kamer. Ik citeer de staatssecretaris: "De grafieken en tabellen tonen dat de heffingskortingen voor belastingplichtigen onder de AOW-gerechtigde leeftijd hoger zijn omdat er is uitgegaan van volledige belasting- en premieplicht. AOW-gerechtigden zijn daarentegen niet meer premieplichtig voor de AOW en in de hoogte van de heffingskortingen wordt hier rekening mee gehouden." Meer dan rekening, zo zou ik willen zeggen. Kan de staatssecretaris hierop een nadere toelichting geven?

Wij wijzen erop dat in antwoord op onze vragen uit tabel 16 op pagina 27 van dezelfde memorie van antwoord blijkt dat juist door de veel hogere arbeidskorting de werkenden ook nog effectief steeds minder AOW-premie gaan betalen. De ouderen zouden die AOW-premie dus wel moeten gaan betalen. Ik noem dat de omgekeerde wereld.

In antwoord op de door ons gestelde vragen blijkt uit tabel 11 van de nota naar aanleiding van het verslag aan de Eerste Kamer bovendien dat de ouderen niet minder belasting betalen dan de werkenden. Integendeel, zij betalen meer, en nog meer als je ook de inkomensafhankelijke bijdrage van 5,5% meetelt, die alleen de ouderen betalen. Dat is nog eens €1.100 tot €2.200 bij een inkomen van respectievelijk €20.000 of €40.000. Het verschil wordt nog groter als je de vergelijking totaal maakt en het onbelast voordeel van de zorgpremie voor de werknemer meetelt. Die wordt immers door de werkgever betaald. Dat is nog eens €610 tot €1.329 euro bij een inkomen van respectievelijk €20.000 of €40.000, zoals blijkt uit tabel 12 van dezelfde nota.

Ik kom op het draagvlakbeginsel. In de loop der jaren is er in de inkomstenbelasting een steeds grotere kloof ontstaan in de fiscale behandeling van een- en tweepersoonshuishoudens en tussen niet-AOW'ers en AOW'ers; het kabinet spreekt dan liever over werkenden en niet-werkenden, want dat moet het doen om de belasting op arbeid te verdedigen. Het spreekt ook wel over actieven en niet-actieven; het is tamelijk denigrerend om ouderen te omschrijven als niet-werkenden en niet-actieven.

In de Tweede Kamer en in de senaat bij de Algemene en Financiële Beschouwingen is uitvoerig stilgestaan bij dit verschil. In de senaat zijn moties aangenomen over elk van beide onderwerpen. Zij hebben gemeen de zorg dat de kloof al groot is maar steeds groter wordt. Ook hierbij wordt wel het argument gebruikt dat het nu eenmaal zo gegroeid is. Maar het is nooit verkeerd dan toch een moment van bezinning in te bouwen en de senaat is bij uitstek de plaats om dat te doen, zeker nu het wetsvoorstel voorligt dat verschillen fors vergroot en die steeds meer in strijd komen met het draagkrachtbeginsel.

Voor het kabinet moet het duidelijk zijn dat de twee moties nog steeds op tafel liggen. De motie-Nagel vroeg om een evenredig deel in de structurele belastingverlaging. Die is er helemaal niet gekomen. Waarom niet? Het is overigens opmerkelijk dat een in de senaat niet ingediende motie wel wordt uitgevoerd bij de novelle en niet de twee hier aanvaarde moties. Het kan verkeren.

Ik zou hier een uitvoerige beschouwing kunnen houden over het draagkrachtbeginsel, ook in relatie tot het welvaartsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel die door de minister en de staatssecretaris hier ook in november werden aangevoerd. Ik ben blij dat we naar aanleiding van onze vragen nu in elk geval weten hoe het kabinet tegen de inkomstenbelasting aankijkt. Beide bewindslieden constateren terecht dat wij fundamenteel van mening verschillen en hun verweer heeft mij allerminst overtuigd, integendeel, mij gesterkt in de gedachte dat we totaal op de verkeerde weg zijn. Nog sterker, de inkomstenbelasting — ik zeg dat niet graag — verwordt tot een instrument van werkgelegenheidsbeleid en arbeidsmarktpolitiek. Het wordt een uitdeelbelasting met steeds meer willekeurige politieke deals. Het einde van een echte zuivere inkomstenbelasting komt in zicht. Omdat er geen principes meer aan ten grondslag liggen, is alles mogelijk en verdedigbaar: de waan van de dag heerst. Je kunt aan alle knoppen draaien — soms gebruikt de bewindsman dat woord ook, hoewel ik het een vreselijk woord vind, maar dat terzijde — en het wordt hiermee een sinterklaassysteem met een hoog kerstboomgehalte. Gaarne een antwoord.

Het gevolg is — collega Van Rij noemde dat de linker kant van het verhaal — nivellering met verdere versterking van de zogenaamde tweede progressie: het effect van dalende kortingen naarmate het inkomen hoger is, inkomensafhankelijke kortingen. De eerste is uiteraard de tariefprogressie. De nivellering leidt ook tot een versterking van de zogenaamde derde progressie: inkomensafhankelijke regelingen die afnemen naarmate het inkomen stijgt. Bijna alles wordt inkomensafhankelijk, de AOW gelukkig niet.

Ik noemde dat in 1977, vlak voor de verkiezingen toen ik nog staatssecretaris was, al het probleem van de cumulatieve marginale druk. Ik zag dat het CDA bij de vragen — ook vanavond heeft collega Van Rij dat gedaan — erop wees dat de marginale druk loopt tussen 2% en 56 %. Die druk zie je niet in de schijftarieven. Schijftarieven laten zien wat het lijkt, niet wat het is.

Het kabinet erkent dat het draagkrachtbeginsel een belangrijke pijler is van de loon- en inkomstenbelasting, maar voegt er direct aan toe: het pakket van 5 miljard doet daar niets aan af.

De 50PLUS-fractie vraagt de staatssecretaris voor 1 september 2016 te komen met een studierapport over het draagkrachtbeginsel in de inkomstenbelasting. Wil hij dit toezeggen?

Wij komen nu te spreken over drie fiscale voorstellen en hebben daarover de volgende vragen waarop wij een duidelijk antwoord van de bewindsman verwachten. Allereerst de veel besproken ouderenkorting. Wat is het beleid van het kabinet voor de ouderenkorting en speciaal die tot €35.000? Wij hebben sterk de indruk dat het kabinet geleidelijk deze korting steeds verder wil verlagen en dat de verlaging met €83 de eerste stap was. Is dat juist? Kan worden bevestigd dat de korting niet verder wordt verlaagd, zeker niet gelet op de steeds hogere arbeidskorting? Is de bewindsman bereid de ouderenkorting boven €35.000 van nog slechts €70 — dat mag je toch een fooi noemen — weer terug te brengen naar het niveau van in ieder geval €150? Wij willen erop wijzen dat bij de invoering van de Wet uniformering loonbegrip in 2013 als compensatie voor de 4% verhoging van het tarief van de eerste schijf de ouderenkorting is verhoogd van €762 tot €1.032. Voor de inkomens boven €35.000 is een korting ingevoerd van €150. Daarnaast werd het tarief van de verlaagde inkomensafhankelijke bijdrage verlaagd.

De 50PLUS-fractie is van mening dat er geen sprake van kan zijn dat die compenserende maatregelen voor permanente 4% verzwaring alsnog een tijdelijk karakter krijgen door die compensaties geleidelijk terug te draaien, zoals is gebeurd met de €83. Gaarne een duidelijk antwoord.

Er zijn nu twee stapjes gezet om de structurele verlaging van €83 ongedaan te maken. Per saldo stijgt de ouderenkorting dus met €108: bijna de helft van de €220 tijdelijk. De 50PLUS-fractie eist dat ook de resterende €112 structureel wordt om te voorkomen dat de korting in 2017 weer daalt met €112. Anders kondigt zich nu al de volgende reparatie aan in 2017. Maar de ouderen willen niet weer zo behandeld worden als dit jaar waarbij het kabinet volgend jaar wel weer kijkt of een eenmalige reparatie van de koopkracht voor de ouderen nodig is in het kader van wat zo fraai heet, een evenwichtige inkomensverdeling. Wij wijzen erop dat de werkenden in 2016 de hogere arbeidskorting ontvangen, maar dat zie je in 2017 in de koopkrachtplaatjes niet meer als een verbetering.

Ik kom nu over de ouderentoeslag te spreken. Hier wreekt zich dat het besluit tot afschaffing vorig jaar al genomen is en daarmee een vaststaand feit is geworden voor het kabinet en de staatssecretaris. Maar het is nooit te laat om dat te heroverwegen en er in elk geval over te debatteren. Wij blijven pleiten voor het niet laten doorgaan van de afschaffing van de ouderentoeslag. Dat is een vrijstelling van vermogen voor box 3 die alleen geldt voor mensen met alleen AOW of AOW met een klein pensioen. Deze ouderen worden hard gepakt. Zij gaan er zeker bij een tweepersoonshuishouden fors op achteruit: €250 tot €500 structureel. Maar nog veel erger is het dat zij de huurtoeslag van bijna €4.000 in een keer verliezen, permanent. Is de bewindsman alsnog bereid de afschaffing van de ouderentoeslag ongedaan te maken?

De Belastingdienst kan niet het probleem zijn omdat in elk geval de ouderen dan zeker weten dat de ouderentoeslag bij de definitieve aanslag 2016 gehandhaafd blijft en zij het teveel betaalde terugkrijgen. Als de bewindsman niet bereid is de afschaffing van de ouderentoeslag ongedaan te maken dan vragen wij of hij bereid is om de afschaffing ten minste een jaar uit te stellen en of hij anders wil kijken naar een geleidelijke afbouw.

Wat wij in elk geval eisen, is een verzachting van de gevolgen van de afschaffing van de ouderentoeslag voor de huurtoeslag, door een meer geleidelijke afbouw van de toeslag bij overschrijding van de vermogensgrens. Wij vragen nogmaals een aparte compensatieregeling voor het verlies van de huurtoeslag. Het gaat hierbij om 20.000 ouderen die €4.000 netto elk jaar verliezen. De brieven daarover vallen nu in de brievenbus van deze mensen en zij voelen het direct al in januari: €300 per maand minder. Dat kun je deze mensen toch niet aandoen en zeker niet als er 4 miljard is voor de werkenden? Wij vragen het kabinet dringend een speciale tegemoetkoming te treffen: een verhoging van de vermogensgrens voor de huurtoeslag tot €41.000. Gaarne een antwoord.

Ten slotte, het derde voorstel waarover wij willen spreken: de verhoging van het lage IAB-tarief in 2016 waartoe ook al in 2014 was besloten. De minister heeft besloten die premie met 0,65 % te verhogen. Het is, zoals gezegd, een lastenverzwaring van 275 miljoen voor ouderen met een negatief koopkrachteffect van 0,7% voor alle inkomens tot €54.000. De enige motivering is het verbeteren van de schatkist. Dat kan toch niet waar zijn?

Het tarief voor de inkomensafhankelijke bijdrage voor de ouderen werd bij de invoering van de Wet uniformering loonbegrip (Wul) expres verlaagd en wordt nu weer verhoogd. De verhoging kan nog verder oplopen. Het lagere tarief — het is nog steeds 1,25% lager — kan worden verhoogd. Ik vraag het kabinet om toe zeggen dat het het verlaagde tarief niet zal optrekken tot het hoge tarief.

De 50PLUS-fractie wil volgend jaar proberen de Zorgverzekeringswet zo te wijzigen, dat de minister in de toekomst de bestaande 1,25% bandbreedte tussen het verlaagde en normale tarief alleen kan wijzigen bij wet of bij Algemene Maatregel van Bestuur en niet bij een simpel besluit. Tevens zullen wij volgend jaar proberen ervoor te zorgen dat het tarief van 5,5% voor de inkomensafhankelijke bijdrage weer wordt verlaagd.

Ik rond af, maar het volgende moet mij nog van het hart. De ouderen hebben geen evenredig deel gehad van de 5 miljard aan belastingverlaging. Zij zijn afgescheept met een beschamende eenmalige fooi van €137; dat is €11,41 per maand. De werkenden daarentegen ontvangen een permanent verkiezingscadeau van €1.200; dat is €100 per maand. En vanaf 2017 gaan de ouderen weer permanent €112 meer betalen; dat is bijna een tientje per maand meer. Wij blijven dus strijden voor een evenredig deel.

Het kabinet moet zich diep schamen. Het Belastingplan 2016 is samen met dat van 2015 een straf op oud worden. De 50PLUS-fractie houdt de VVD en de PvdA voor deze ouderenstraf verantwoordelijk. De ouderendiscriminatie houdt niet op. Was het hier op 17 november, bij de Algemene Financiële Beschouwingen, nog vijf voor twaalf — collega Schalk sprak daarover — nu is het vijf over twaalf.