Plenair Van Rooijen bij voortzetting behandeling pakket Belastingplan 2016 en Wet Common Reporting Standard (en 34.303 en 34.276 zonder stemming aangenomen)



Verslag van de vergadering van 21 december 2015 (2015/2016 nr. 14)

Status: gerectificeerd

Aanvang: 19.53 uur


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Van Rooijen (50PLUS):

Voorzitter. Ik wil allereerst collega Köhler feliciteren met zijn maidenspeech vorige week.

Ik dank de staatssecretaris voor het hedenavond beantwoorden van de vragen bij het verslag. Artikel 1 van de Grondwet lid 1 onder 3 aan de wand in de Ridderzaal — ik heb het drie keer mogen aanschouwen sinds ik senator ben en ik kijk daar altijd met plezier naar — luidt als volgt: Allen die zich op het grondgebied van het Rijk bevinden, hetzij ingezetenen of vreemdelingen, hebben gelijke aanspraak op bescherming van persoon en goederen. Artikel 10 van de Wet op de loonbelasting 2015 luidt als volgt: Loon is al hetgeen uit een dienstbetrekking of een vroegere dienstbetrekking wordt genoten. Uit deze tekst die integraal deel uitmaakt van de Wet inkomstenbelasting blijkt dat inkomen uit een vroegere dienstbetrekking ook loon is. Inkomen uit de tegenwoordige en de vroegere dienstbetrekking wordt gelijk behandeld. Pensioen is inkomen uit een vroegere dienstbetrekking en dus ook inkomen uit arbeid. Het is uitgesteld loon. Er is dus op grond van artikel 10 geen rechtsgrond tot een andere behandeling. Gaarne krijg ik hierop een reactie van de staatssecretaris.

Anders gezegd: de wet maakt geen onderscheid naar leeftijd en geeft geen leeftijd aan als grens voor een ander regime. Men kan pensioen niet anders behandelen omdat het om arbeid uit het verleden gaat. De heffingskortingen voor werkenden zijn veel hoger dan die voor ouderen. Ik heb dat vorige week uitvoerig toegelicht aan de hand van de cijfers uit de Kamerstukken. Het totaal van de heffingskortingen is voor werkenden €3.300 hoger dan voor ouderen bij een inkomen van €20.000 en €3.700 hoger bij een inkomen van €40.000. Dit is nog exclusief de inkomensafhankelijke combinatiekorting van €2.800. Dat maakt het verschil nog veel groter, namelijk ruim €6.000 minder belasting en hogere kortingen. In de periode 2015 tot 2017 stijgt de arbeidskorting met €1.100 euro voor een inkomen van €20.000. De ouderenkorting stijgt niet.

De leden van de 50PLUS-fractie wijzen op de verschillen tussen deze twee groepen, de werkenden en de niet-werkenden, bij de diverse kortingen. Ik herhaal dit even heel kort. De algemene heffingskorting is €1.100 euro hoger voor werkenden dan voor ouderen. De arbeidskorting is €2.200 tot €3.000 hoger dan de ouderenkorting. De arbeidskorting is voor werkende ouderen veel lager dan voor jongere werkenden. De arbeidskorting is gemaximeerd bij een hoog inkomen van €120.000, met een geleidelijke afbouw. De ouderenkorting is gemaximeerd bij een inkomen van €35.000 en stopt dan onmiddellijk. Met €1 meer ben je dus €1.000 kwijt. Een marginaal tarief dat ook in Noord-Korea nog niet bekend is.

De algemene heffingskorting is de voortzetting van de belastingvrije voet waarbij destijds geen onderscheid werd gemaakt in leeftijd. Ik praat nu over de periode voor het jaar 2000. De arbeidskorting is de voortzetting van het zogenaamde, beroemde en bekende arbeidskostenforfait. Ik herinner mij dat nog heel goed, want ik heb dat van 600 gulden tot 1.000 gulden verhoogd. Ik denk dat dat in 1974 was. Ook daar werd geen onderscheid gemaakt naar leeftijd bij de verwervingskosten voor het loon.

De 50PLUS-fractie heeft gevraagd naar de rechtvaardiging van deze verschillen, namelijk de veel hogere heffingskortingen voor de werkenden, maar de gegeven antwoorden hebben ons in het geheel niet overtuigd. Kan de staatssecretaris daar toch nog eens op ingaan? Integendeel, de steeds weer gegeven antwoorden draaien om dezelfde motivering. Het antwoord in de eerste termijn was dat de werkenden van nu de ouderen van de toekomst zijn. Ik heb vorige week gezegd: de ouderen van nu zijn de werkenden van toen. Dat zijn eigenlijk twee open deuren.

Er worden nu andere argumenten dan vorige week aangevoerd om de voordelen aan de werkenden te geven en niet aan de ouderen. In de kern komen die alle neer op de stelling dat werkenden tijdens hun levensloop gefaciliteerd moeten worden om de welvaart, hun welvaart, op te bouwen. Werkenden werken en bouwen welvaart op, aldus de staatssecretaris. En een hogere arbeidskorting leidt in de modellen tot meer banen.

Ik ga hier de argumenten niet herhalen die zijn gebruikt en waarop ik in eerste termijn al kritiek heb uitgeoefend. De inkomstenbelasting mag niet gedegradeerd worden tot een banenmachine, althans op papier, want in werkelijkheid is die belasting een inkomstenmachine voor de StaatWel noem ik nogmaals het nieuwe argument van de staatssecretaris dat de heffingskortingen voor werkenden veel hoger zijn — moeten zijn blijkbaar — omdat AOW'ers geen AOW-premie betalen. Ik wijs er weer op dat de AOW een volksverzekering voor de oude dag is en de AOW-premie geen belasting is.

Als we alleen naar de belasting voor de werkenden kijken, zonder de AOW-premie dus, dan betalen de ouderen veel meer belasting dan de belasting die de werkenden betalen zonder de AOW-premie. Ik verwijs naar tabel 11 van de nota. Daar staat het klip-en-klaar. De ouderen betalen ook nog 5,5% inkomensafhankelijke zorgpremie die de werkenden niet betalen. En de zorgpremie die de werkgever sinds 2013 voor de werknemers betaalt, is sindsdien ook nog onbelast loon.

In het antwoord in eerste termijn gaat de staatssecretaris een stap verder in zijn verdediging. Ouderen hadden historisch een aantal fiscale en andere voordelen. Op een gegeven moment is besloten deze voordelen af te bouwen of te beperken. De staatssecretaris zegt: ze zijn niet verdwenen. Dan zie je een verminderde koopkrachtontwikkeling, zo zegt de staatssecretaris, met een nog steeds gunstig eindsaldo. Het is dus geen benadelen van ouderen maar het gelijkschakelen. De voorkeurspositie is ter discussie gesteld, maar er is geen achterstandspositie geschapen, aldus de staatssecretaris. Ik citeer hem altijd graag zo letterlijk mogelijk. Volgens de 50PLUS-fractie worden de rechten van ouderen echter wel degelijk afgepakt en in elk geval beperkt en worden steeds meer grote financiële rechten voor de werkenden gecreëerd. Gaarne krijg ik een reactie hierop.

De bewindsman beriep zich vorige week ook op het rapport De sociale staat van Nederland 2015 van het Sociaal Cultureel Planbureau, dat toen juist verscheen. Ik had het nog niet kunnen lezen. In het rapport staat vermeld dat gepensioneerden over de periode 2004 tot 2013 een koopkrachtverbetering hebben gehad van 3%. Dat is hoger dan het gemiddelde — dus de koopkrachtverbetering van iedereen — van 1%, terwijl er allerlei minnen waren voor allerlei groepen. Ik wijs er nogmaals op dat uit tabel 7 van de memorie van antwoord blijkt dat de ouderen er in de periode 2010 tot 2016 7% tot 12% op achteruit zijn gegaan. Het is een goede zaak dat de staatssecretaris vanavond alsnog met een koopkrachtoverzicht is gekomen over de periode 2004 tot 2016, waarom wij eerder hadden gevraagd. Tot dusver gaf de staatssecretaris alleen de cijfers vanaf 2010. Uit de cijfers over een veel langere periode blijkt een koopkrachtdaling voor mensen met AOW en €10.000 aanvullend pensioen. Ik citeer nu uit het antwoord van vanavond, namelijk uit tabel 2 over de cumulatieve koopkracht voor voorbeeldhuishoudens in de periode 2004-2016. Voor een alleenstaande die AOW heeft met €10.000 aanvullend pensioen is de koopkrachtdaling 4,5%. Dat is dus niet plus 3%, maar min 4,5%. Voor een echtpaar met naast de AOW een aanvullend pensioen van €10.000 is er ook een koopkrachtdaling, zij het minder, van 1,5%. Verwijzend naar het SCP-rapport noemde de staatssecretaris vorige week het percentage van plus 3%, maar dat is een heel ander cijfer. Ik hoop dat de staatssecretaris kan toelichten waarom hij vorige week dat cijfer gaf, terwijl hij nu een totaal ander cijfer geeft. Want in plaats van een gemiddelde van plus 3% zou je kunnen zeggen dat het dus een gemiddelde van min 3% is.

Ik wijs erop dat, als er al een verhoging is — mensen met alleen AOW gaan er inderdaad iets op vooruit door de indexatie — er natuurlijk altijd nog de kosten zijn van de huren, het eigen risico, de zorgpremie et cetera, het echte huishoudboekje dus. Ik handhaaf mijn door de staatssecretaris eerder bevestigde standpunt dat er vanaf 2010 een grote koopkrachtachteruitgang is. Die blijkt er nu dus ook vanaf 2004 te zijn, zoals ik eigenlijk veronderstelde, maar nog niet boven water had gekregen.

De staatssecretaris had waardering voor de nieuwe methode die ik hanteer: wat betekent het voor de ene en de andere groep in miljoenen in plaats van in koopkrachtplaatjes?

Dan kom ik nu op het evenredige aandeel, structureel, en op wat wij niet hebben gekregen en wel hebben gekregen, het eenmalige. Er is voor 100% niets terechtgekomen van het in de motie-Nagel gevraagde structureel evenredig deel. Er is alleen maar een reparatie gekomen. Er wordt niet meer afgepakt wat eerst werd afgepakt. De structurele lastenverzwaring van 500 miljoen gaat gewoon door. Die eenmalige 900 miljoen voor 2016 is mooi meegenomen, maar is voor ons bij de structurele beoordeling van het Belastingplan in het geheel niet van belang. Het gaat namelijk om het structureel evenredig deel, zoals in de motie-Nagel, die hier is aanvaard, is aangegeven.

Het gaat ook om de vergelijking tussen werkenden en ouderen op grond van drie criteria. Het eerste is: structureel versus eenmalig. Het tweede is om naar drie jaar te kijken in plaats van naar een jaar; een jaar terug en een jaar vooruit, dus in dit geval naar 2015, 2016 en 2017. Verder gaat het om de optelsom van fiscale (door het Belastingplan) en niet-fiscale lastenmutaties, zoals de verhoging van de inkomensafhankelijke zorgpremie met 0,65% die de ouderen bijna 300 miljoen structurele lastenverzwaring geeft. Dat zit niet in het Belastingplan, maar dat tellen wij uiteraard wel mee, want wij hebben een brede blik. Voor de werkenden zien we vanaf 2016 een exclusieve structurele belastingverlaging van ruim 4 miljard en deze is 0 voor de ouderen.

Ik kom nu op mijn vragen over het draagkrachtbeginsel en de rechtmatigheid van de voorstellen. Het draagkrachtbeginsel is gebaseerd op een gelijke belasting bij een gelijk inkomen en een hogere belasting naarmate het inkomen hoger is. De staatssecretaris heeft in antwoord op onze vraag verklaard dat het draagkrachtbeginsel een belangrijke pijler is, naast het gelijkheidsbeginsel en het welvaartsbeginsel. Hij heeft in antwoord op de dringende vraag van collega Van Rij bevestigd dat de grenzen van het inkomensafhankelijke gerichte beleid wel zijn bereikt. Collega Van Rij sprak daar vanavond ook weer over.

Ik heb in eerste termijn aangetoond dat de huidige voorstellen naar onze mening in strijd zijn met het draagkrachtbeginsel en tot een nog veel grotere aantasting van dat beginsel leiden dan reeds het geval was. Dat is ook het geval bij de verschillende behandeling van een- en tweeverdieners, waarbij ik verwijs naar de motie-Schalk. Ik kan tot geen andere conclusie komen dan dat deze voorstellen in strijd zijn met het draagkrachtbeginsel en met het daarmee verbonden gelijkheidsbeginsel, zoals wij dat zien.

De staatssecretaris vergat te antwoorden op mijn vraag over het draagkrachtbeginsel. Wij vragen hem nu uitdrukkelijk om daar wel op in te gaan. Hij verklaarde gelukkig aan het slot wel bereid te zijn het draagkrachtbeginsel te zien als het nulpunt van het Belastingplan. Ik hoop dat zijn laatste woorden vanavond bij dit debat ook een positief signaal inhouden.

Dan kom ik op de rechtmatigheid. In eerste termijn stelde ik dat het principe van gelijke behandeling de toets is voor de rechtmatigheid van voorstellen. Ik stelde de vraag of deze voorstellen rechtmatig zijn en vroeg om een antwoord, maar dat is toen niet gekomen. Mij ontbreekt nu de tijd om er verder op in te gaan, maar het moet de bewindsman na 200 vragen — hij had ze geteld — en 62 pagina's antwoorden hierop toch wel duidelijk zijn dat ik in eerste termijn op basis van die antwoorden gerede twijfel heb geuit. Zijn schriftelijke antwoorden en ook zijn eerste termijn hebben bij mij de vraag doen rijzen of de voorstellen de toets van rechtmatigheid kunnen doorstaan. Ook het eigendomsrecht kan in het geding komen. Dat kan mogelijk leiden tot procedures bij de Nederlandse rechter en daarna bij het Europees Hof in Luxemburg of Straatsburg. Gaarne een reactie.

De 50PLUS-fractie ziet het als haar verantwoordelijkheid, na een zorgvuldige afweging een oordeel te geven over het Belastingplan. Dat oordeel is: het is discriminatie naar leeftijd. De vraag rijst in hoeverre de voorstellen rechtmatig zijn. Kan de staatssecretaris alsnog zijn visie hierop geven? Volgens ons is het een straf op oud worden. De bewindsman heeft zijn oud-collega staatssecretaris, ondergetekende, nog een stemadvies meegegeven. Hij zegt dat ik als geen ander weet dat het gaat om het sluiten van compromissen en dat je niet alles kunt binnenhalen.

Mijn probleem met dit Belastingplan is dat dit een heel slecht structureel voorstel is voor de ouderen, bovenop het rampzalige Belastingplan van vorig jaar. Dat valt alleen structureel te repareren en dat is niet gebeurd. Voor de werkenden kan de bewindsman wel grote compromissen sluiten en met 300 miljoen structureel geld strooien, zoals ik heb geconstateerd bij het nieuwste compromis, met de brief en de novelle. Uit de gemeentelijke kolenbrief van 8 december blijkt dat het kabinet op verzoek van de D66-senaatsfractie onverdroten verdergaat op deze heilloze en niet-rechtmatige weg. In die brief wordt een voorontwerp aangekondigd voor verruiming van het belastinggebied die gepaard gaat met een verlaging van de belasting op arbeid. Dat zou leiden tot een verhoging van de arbeidskorting met ongeveer €1.300. Volgens mijn fractie is dat weer in strijd met het draagkrachtbeginsel en niet rechtmatig.

Onze fractie steunt de kritiek op de box 3-voorstellen en zal de motie-Van Rij steunen, waarin wordt verzocht om een verdere verbetering vanaf 2017 voor de kleine spaarder, waaronder veel ouderen. Om te voorkomen dat de koopkracht in 2017 verder achteruitgaat met een half procent voor inkomens tot €40.000, zoals blijkt uit tabel 4, die wij vanavond mochten ontvangen, dien ik samen met collega Van Rij een motie in om de ouderenkorting vanaf 2017 structureel te handhaven op het niveau van 2016.

De voorzitter:

Door de leden Van Rooijen, Van Rij, Van Strien, Ester, Köhler en Ten Hoeve wordt de volgende motie voorgesteld:

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de regering de ouderenkorting met ingang van 2016 verhoogt met €222, maar dat vanaf 2017 deze verhoging van de ouderenkorting weer wordt gehalveerd;

overwegende dat de ouderen de laatste jaren met een fors koopkrachtverlies te maken hebben gekregen;

overwegende dat inmiddels meer dan 10% van de belastingplichtigen geen gebruik kan maken van de inkomensafhankelijke combinatiekorting (IACK);

overwegende dat inmiddels meer dan 5% van de werkenden geen gebruik kan maken van de inkomensafhankelijke arbeidskorting (AK);

overwegende dat door het verminderen van de IACK en de AK de benodigde 170 miljoen euro gevonden kan worden om de structurele verhoging van de ouderenkorting met €222 vanaf 1 januari 2017 financieel te dekken;

verzoekt de regering om bij het Belastingplan 2017 de ouderenkorting structureel te handhaven op €222 per jaar,

en gaat over tot de orde van de dag.

Zij krijgt letter L (34302, 34303, 34304, 34305, 34306, 34276, 34360).