Plenair Van Rooijen bij behandeling Begroting Volksgezondheid, Welzijn en Sport



Verslag van de vergadering van 22 december 2015 (2015/2016 nr. 15)

Status: gerectificeerd

Aanvang: 12.55 uur


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Van Rooijen (50PLUS):

Voorzitter. De minister was afgelopen weekend in Denemarken bij de handbalfinale Nederland-Noorwegen. In een finale kan er maar één de verliezer zijn. Soms is een derde plaats beter dan het verliezen van de finale. Het deed mij overigens als oud-voorzitter betaald voetbal goed dat de minister aanwezig was bij een handbalwedstrijd, en niet zoals zo vaak bij een voetbalwedstrijd. Handen en voeten: het scheelt niet veel. Wat zou je trouwens zonder handen en voeten moeten, ook in de politiek?

De 50PLUS-fractie wil de gelegenheid van de behandeling van de begroting van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport aangrijpen om het besluit van de minister van 2 december aan de orde te stellen, waarbij de percentages van de inkomensafhankelijke zorgpremies zijn gewijzigd. Het was een wijziging waartoe in beginsel bij de Miljoenennota 2015 besloten was. Het verlaagde tarief is verhoogd met 0,65% van 4,85% naar 5,5%, terwijl het normale tarief, het werkgeverstarief, werd verlaagd van 6,95% tot 6,75% Het verlaagde IAB-tarief wordt betaald door de ouderen en zzp'ers en niet door de uitkeringstrekkers. Ik verwijs naar de memorie van antwoord bij het Belastingplan. De 0,65% verhoging is structureel en is een verhoging met maar liefst 15% in één keer en leidt tot een extra premie van €130 tot €380. We hebben dat bij de schriftelijke vragen als antwoord gekregen van de staatssecretaris van Financiën. Dat betekent dat de gepensioneerden bij de uitbetaling van het aanvullend pensioen in januari — daar gaan we weer, net als een paar jaar geleden — zullen merken dat er €11 tot €31 meer zorgpremie wordt ingehouden, met het bijbehorende koopkrachtverlies. Dat is een structurele lastenverzwaring van 275 miljoen voor ouderen met een negatief koopkrachteffect van 0,7% voor alle inkomens tot €55.000. Dat geldt dus ook voor alle lagere inkomens, heeft de staatssecretaris ons vorige week weer geantwoord. De totale inkomensafhankelijke premie gaat in 2017 €1.100 tot bijna €3.000 bedragen.

Voor zzp'ers leidt de verhoging van de IAB tot een lastenverzwaring van 120 miljoen. Dat moeten we ook niet vergeten. Voor gepensioneerden is het bedrag 275 miljoen en voor zzp'ers 120 miljoen. Dat is structureel 395 miljoen, in één klap. Bij het Belastingplan probeerde de staatssecretaris van Financiën daarbuiten te blijven, maar ik heb het steeds in debat gebracht en doe dat vandaag nog een keer. Het is nooit te laat.

Het is duidelijk dat de enige motivering voor de verhoging het verbeteren van de positie van de schatkist is. Het is niet de positie van de zorg. Bij een lastenverlichting van 5 miljard via het Belastingplan 2016 kan dat toch niet waar zijn. Voor de ouderen is deze premieverhoging een nog grotere aantasting van de koopkracht dan de aanvankelijke, structurele verlaging van de ouderenkorting met €83 waartoe al in het Belastingplan van vorig jaar was besloten. Die betekende al een lastenverzwaring van 200 miljoen. Los van het Belastingplan 2016 zou de koopkracht van de ouderen met meer dan 1% dalen. De stijging van de zorgpremie was daarbij de grote boosdoener met een aandeel van 0,7%.

Terwijl er bij de bespreking van het Belastingplan in de Tweede Kamer ook tientallen uren werd gedebatteerd over de koopkrachtgevolgen van het Belastingplan, bleef de inkomensafhankelijke premie zwaar onderbelicht. Formeel maakt het geen onderdeel uit van het Belastingplan. Het was echter goed om te zien dat er in het debat toch aandacht werd besteed aan de verhoging. De motie-Krol op stuk nr. 74 over het terugdraaien van de verhoging van de inkomensafhankelijke bijdrage, werd verworpen.

In het debat met de staatssecretaris heb ik gisteravond nogmaals gewezen op de structurele lastenverzwaring van 500 miljoen voor ouderen vanaf 2017. De verhoging van deze zorgpremie maakt daar de helft van uit. Ik verwijs ook naar tabel 9 op pagina 20 van de memorie van antwoord. Daarin is de inkomensafhankelijke bijdrage opgenomen in een overzicht over het structurele beslag ouderen bij de besluitvorming van het Belastingplan 2015 en 2016. Dat is heel bijzonder. Een "niet-belastingmaatregel" is dus in een belastingplanoverzicht opgenomen. Dat is een grote stap. Het lijkt nu alsof het een echte belasting is. Ik kom daar nog op terug.

Kort voor de invoering van de WUL (Wet uniformering loonbegrip) is destijds het maximumbijdrage-inkomen voor de zorgpremie in een keer verhoogd van €32.000 naar €50.000. Dat moeten we ons goed realiseren. 5% over €20.000 meer is €1.000 structureel extra voor de middengroepen onder de ouderen. Inmiddels is de grens zelfs al bijna €53.000. Het tarief voor de inkomensafhankelijke bijdrage werd bij de invoering van de WUL verlaagd van 5,65% naar 5%, als compensatie voor de WUL. De 50PLUS-fractie wijst erop dat het kabinet bij deze inkomensafhankelijke bijdrage de compenserende maatregel in een keer weer ongedaan maakt. Hij ging van 5,65 % naar 5% en hij gaat vandaag weer van 5% naar 5,5%. Bij de ouderenkorting zagen we dat aanvankelijk ook. In 2012 werd de bijdrage van 5,65 % dus verlaagd naar 5% en nu weer in een keer verhoogd. Ik zei het net al. Wij maken daar ernstig bezwaar tegen. Dit heeft ook te maken met een betrouwbare overheid. Gaarne ontvang ik een antwoord van de minister.

Het verlaagde tarief van 5,5 % is ook nog steeds 1,25 % lager dan het standaardtarief van 6,75%. Een verdere verhoging van nog eens 1,25% blijft dus potentieel in de pijplijn. Dat zou nog eens een structurele lastenverzwaring van 400 miljoen betekenen en een structurele koopkrachtdaling van 1%. Kan de minister toezeggen dat zij geen besluit zal nemen over een verdere verkleining van de bandbreedte van 1,25%, zonder hierover een debat met de Tweede Kamer te voeren? De werkgeverspremie zou dan overigens weer verlaagd kunnen worden.

Ik heb bij de behandeling van het Belastingplan in eerste termijn de staatssecretaris van Financiën gevraagd te doen bevorderen dat het besluit van 2 december heroverwogen wordt door een nieuw besluit. Hij heeft toen geantwoord dat het besluit in stand zou blijven.

Wij hadden gevraagd of het niet tegenstrijdig is dat een ministeriele regeling tot stand komt zonder betrokkenheid van de Tweede Kamer, maar dat er toch is gewacht op de afloop van de Algemene Politieke Beschouwingen en de Algemene Financiële Beschouwingen. Is de minister bereid het genomen besluit te heroverwegen? Kan zij hierop antwoorden? Zij kan toch na het genomen besluit van 2 december een nieuw besluit nemen om de verhoging ongedaan te maken. Omdat de uitvoering van het besluit reeds loopt, zal het per 1 april 2016 mogelijk zijn. Het percentage kan zelfs zo worden bepaald dat de verhoging van het eerste kwartaal wordt teruggedraaid. We zien dat ook bij de schijfveranderingen per 1 april in verband met de novelle.

De dekking voor het terugdraaien van de verhoging is mogelijk door de verlaging met 0,2% van de werkgeverspremie. De werkgevers ontvangen dan dat bedrag weer terug via een lagere Aof-premie, waardoor de schatkist in feite betaalt. Dat is het spiegelbeeld van de huidige operatie.

De 50PLUS-fractie kijkt ook alvast naar de voorbereiding van de Miljoenennota 2017. Wij willen dat volgend jaar de Zorgverzekeringswet zo wordt gewijzigd dat voor de toekomst de minister van VWS de bestaande bandbreedte van 1,25% tussen het verlaagde en normale tarief alleen kan wijzigen bij wet of bij AMvB, in plaats van zoals nu bij simpele delegatie. Is de minister bereid een wetsvoorstel in te dienen waarbij de bevoegdheid tot wijziging van percentages wordt neergelegd bij de wetgever, zonder delegatie? Ik ontvang gaarne een antwoord.

Ik wil hier nog wijzen op artikel 104 van de Grondwet, waarin bepaald is dat belastingen van het Rijk uit kracht van wet worden geheven. Andere heffingen van het Rijk worden bij wet geregeld, zo staat het daar. Deze Grondwettekst, met name die over de rijksbelastingen, is destijds door het amendement-Van Rooijen/Brinkhorst met een twee derde meerderheid aangenomen door de Tweede Kamer. Het ging dus om een amendement op de Grondwet en dat is bepaald geen sinecure, heb ik toen begrepen. Het gebeurde ook nog ondanks de grote bezwaren van de toenmalige staatssecretaris van Financiën.

Materieel komt een inkomensafhankelijke premie van 5,5% tot 6,75 % dicht bij een belasting. Maar formeel is het geen rijksbelasting. De minister kan in de huidige wet zelfstandig het normale en daarmee ook het verlaagde tarief verder verhogen, of alleen het verlaagde tarief verhogen. En dat is dan alleen ten bate van de schatkist van de minister van Financiën. De minister van VWS schiet er niets mee op. Op pagina 85 van de memorie van antwoord staat dat het motief voor deze verhoging dan ook niet gelegen was in de zorg, maar in de noodzaak om de overheidsfinanciën op orde te brengen. Er moest dus 300 of 400 miljoen worden weggehaald bij ouderen en zzp'ers om de overheidsfinanciën op orde te brengen. Tegelijkertijd worden de belastingen met 5 miljard verlaagd. Dit gaat dus over de rug van alleen de ouderen.

Ik rond af. Als de minister niet bereid is een voorstel tot wetswijziging in te dienen, zal de 50PLUS-fractie in de Tweede Kamer daartoe het initiatief kunnen nemen. Die 50PLUS-fractie zal volgend jaar voorstellen om het IAB-tarief van 5,5 % hoe dan ook weer te verlagen naar 5%.

De beraadslaging wordt geschorst.

De voorzitter:

Wenst een van de leden in eerste termijn nog het woord? Dat is niet het geval. Ik schors de vergadering voor de lunchpauze.