Naar hoofdinhoud Naar hoofdnavigatiemenu

Plenair Schouwenaar bij behandeling Aanvulling spreekrecht slachtoffers



Verslag van de vergadering van 5 april 2016 (2015/2016 nr. 26)

Status: gecorrigeerd

Aanvang: 16.46 uur


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Schouwenaar (VVD):

Voorzitter. Namens de VVD-fractie dank ik de minister voor zijn opmerkingen en stellingnames in de eerste termijn. Ik maak nog een paar korte opmerkingen over datgene wat gepasseerd is. Ik begin met de behoefte aan deze wet. De fractie van GroenLinks wijst er terecht op dat er een evaluatie is gehouden waaruit een groep tevreden slachtoffers naar voren kwam. Ik wijs er echter op dat er ook een groep ontevreden slachtoffers was, alsmede een groep van mensen die ervan afzien om gebruik te maken van het spreekrecht, omdat zij er gezien de beperkingen geen fiducie in hebben. Ook die groepen moeten wij serieus nemen. Dat geeft voor ons de doorslag om te zeggen: dit moeten wij doen. Natuurlijk moeten wij het over vijf jaar evalueren om te bekijken hoe het loopt.

Sprekend over de slachtoffers, heb ik hier en daar woorden als "agressie", "frustratie" en "geweld" gehoord. Er is ook een stoel aan te pas gekomen. Ik meen dat dat in de rechtbank te Den Bosch gebeurde. Ik wijs er wel op dat dat incident met de stoel heeft plaatsgevonden onder het huidige regime. Ik denk dus niet dat dat een direct causaal verband met het spreekrecht heeft. Hoogstens geeft het aan dat het huidige regime voor verbetering vatbaar is. Een van de wegen daarvoor is het weghalen van de grenzen in het spreekrecht. Er zijn andere wegen. Ik noem het voorbeeld van de strafmaat in de wegenverkeerswetgeving enerzijds en de strafmaat in het commune strafrecht anderzijds. Dat is een van de voornaamste bronnen van teleurstelling als het over de strafmaat gaat.

Mevrouw Strik (GroenLinks):

Die stoel moeten wij in verband zien met de uitspraak van een rechter die onvoldoende werd gevonden. Dat houdt denk ik geen verband met het beperkte spreekrecht. Ik kan mij niet voorstellen dat er, als het spreekrecht wordt uitgebreid en iemand ook over de strafmaat mag praten, geen stoel meer gegooid kan worden. Sterker nog, kan de heer Schouwenaar zich niet voorstellen dat de teleurstelling, als iemand zich wel over de strafmaat heeft mogen uitspreken, misschien nog pregnanter naar voren komt?

De heer Schouwenaar (VVD):

Daarover verschillen wij van mening. Ik kan mij natuurlijk van alles voorstellen, maar de vraag is wat je het meest waarschijnlijk vindt. Ik zou mij kunnen voorstellen dat wanneer er een volledig spreekrecht zou zijn geweest, quod non, dat bij de rechtbank geleid zou hebben tot een uitvoeriger reactie op hetgeen gezegd is of op een uitvoeriger verklaring voor het verschil in strafmaat. Ik meen dat een familielid, een nabestaande met die stoel gooide. De slachtoffers waren overleden. Naar ik meen ging het om twee kinderen in Brabant en om een chauffeur die veel te veel op had. Ik noemde het voorbeeld van het verschil in de strafrechtelijke bejegening van geweldsdelicten in het verkeer en commune geweldsdelicten. Dat leidt nogal eens tot grote teleurstelling, omdat de premisse daar anders is en dus ook de strafmaxima verschillen.

Mevrouw Strik (GroenLinks):

Begrijp ik uit dit antwoord dat de heer Schouwenaar het wenselijk of voorspelbaar acht dat een strafrechter in zijn uitspraak ingaat op de voorgestelde strafmaat? Van de minister begreep ik dat dat juist niet de bedoeling is, in ieder geval niet aan de rechter wordt opgelegd.

De heer Schouwenaar (VVD):

Er wordt geen motivatieplicht opgelegd, maar ik kan mij voorstellen dat de rechter, wanneer hij waarneemt dat een punt belangrijk geacht wordt en er overigens geen belemmeringen zijn, in zijn motivering aandacht besteedt aan mogelijk andersluidende opvattingen over de strafmaat, of nog eens extra motiveert waarom de strafmaat is zoals hij is. Over het algemeen is de motivering van strafvonnissen iets van voortdurende aandacht. Er zijn heel veel stromingen waarin gezegd wordt dat er wel ietsje meer gemotiveerd mag worden. Ik kan mij voorstellen dat het ook in zulke situaties een motief is om iets meer op te schrijven dan nu soms gebeurt. Het kan bijdragen, het is een van de manieren om dit soort uitbarstingen te voorkomen.

Ik voeg daaraan toe dat ook de verdachte weleens met een stoel kan gooien. Daar wordt ook serieus rekening mee gehouden door de aanwezigheid van parketwachten. Ik geloof dat verdachten ook een plastic bekertje krijgen in plaats van een glas. Het leidt niet tot uitsluiting van de verdachte uit de rechtszaal vooraf. Bij het slachtoffer moeten wij het dus evenmin vertalen in beperkingen vooraf.

Mijn derde punt betreft de teleurstelling. Ik denk dat die er sowieso is en dat wij die niet oplossen door zwijgen of door het opleggen van zwijgen. Nee, die lossen wij op door praten. Dan doel ik op het spreekrecht, maar ook op de voorlichting van het Openbaar Ministerie en instanties als Slachtofferhulp Nederland. Ik doel ook op het vonnis van de rechtbank, waarin de rechtbank zich daar ook over kan uiten. Het mooie van dit wetsvoorstel vinden wij dat het slachtoffer zelf degene is die beslist in hoeverre hij van de geboden gelegenheid gebruik wil maken, met inbegrip van de teleurstellingen die dat mogelijk oplevert.

Tot slot het herstelrecht. Als ik het wel heb, berust dat grotendeels op vrijwilligheid, zowel van de zijde van het slachtoffer als van de zijde van de verdachte. Het lukt ook niet altijd. Ik heb geen cijfers aangetroffen over de successen op dit terrein. Het leidt mij tot de voorlopige slotsom dat het een van de wegen kan zijn om tot een oplossing te geraken, maar dat het niet als een uitsluitend alternatief voor het spreekrecht kan dienen.

Ik had al gezegd dat ik mijn fractie zal voorstellen om voor het voorstel te stemmen.