Plenair Van Rooijen bij behandeling Internationale veiligheidsstrategie



Verslag van de vergadering van 31 mei 2016 (2015/2016 nr. 32)

Status: gecorrigeerd

Aanvang: 23.01 uur


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Van Rooijen (50PLUS):

Mevrouw de voorzitter. Ik dank beide bewindslieden via de nog aanwezige minister van Buitenlandse Zaken voor hun beantwoording. Ik heb heel kort nog een paar vragen.

Ik had gevraagd wat het beleid is ten aanzien van Frontex. Moet Frontex, gelet op de dramatische ontwikkelingen, ook nu komende zomer weer een nieuwe stroom uit Afrika komt, niet fors worden versterkt? De dramatische problemen zijn daar zo zichtbaar in de vorm van machteloosheid. Het is daar hopeloos onvoldoende.

Ik had ook gevraagd of de NATO in dat gebied niet meer kan doen dan alleen maar toezicht houden of een beetje observeren. Ze mogen immers eigenlijk niet veel doen. Mij is heel erg duidelijk wat dan de functie is. Is die dan ook wel preventief?

Mijn derde punt was de Libië-top. Ik weet niet of de minister, ook gegeven de tijd, nog terug wil komen op wat daar wordt beoogd en welk resultaat daarvan te verwachten is.

Dan kom ik op het terrorisme. Ik had gevraagd hoe het staat met de belangrijke wens van Amerika dat in Europa de inlichtingendiensten beter met elkaar verkeren, zowel tussen de regeringen als binnen de regeringen. Ik heb daar vanmiddag uitvoerig over gesproken. Ik noemde vanmiddag het EK voetbal met 90.000 mensen die voor de veiligheid van miljoenen mensen moeten zorgen. Er is net vanavond een bericht van het Department of State, dat de Amerikanen waarschuwt voor het gevaar van terroristische aanslagen in Europa. Dat zegt letterlijk: er is veel keuze voor openbare plaatsen; grote menigten zijn aantrekkelijke doelwitten. Het wijst met name op het EK voetbal en de Wereldjongerendagen van de katholieke kerk in Krakau.

Ik zal verder niet over minister Schäuble spreken, maar het treft dat precies vandaag het Nederlands Centraal Planbureau waarschuwt voor de erfenissen van de crisismaatregelen, in die zin dat die extra risico's met zich meebrengen. Laat ik het daarbij laten.

Ten slotte wil ik de minister bijzonder bedanken voor zijn uitvoerige brief over het beleid van de Europese Unie en Nederland voor Tunesië, zoals ik in februari bij de Europese beschouwingen had gevraagd. Het is van heel groot belang dat landen rondom Syrië en Libië onze volle steun hebben, ook in economische zin. Wij hebben de Arabische Lente gehad in Tunesië. Wij weten dat daar heel veel terroristen vandaan komen. Het is een zwak economisch ontwikkeld gebied inmiddels, doordat nieuwe aanslagen — het waren er al een paar dit jaar — het toerisme zwaar treffen. Wij zouden toch mogen hopen dat een land als Tunesië een tweede kans krijgt op een Arabische Lente.