Plenair Vreeman bij voortzetting behandeling Evaluaties staatkundige vernieuwing en koninkrijksrelaties



Verslag van de vergadering van 21 juni 2016 (2015/2016 nr. 35)

Status: gecorrigeerd

Aanvang: 14.57 uur


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Vreeman (PvdA):

Mevrouw de voorzitter. Je zit bij zo'n debat te denken: waar moeten we het allemaal over hebben? Het gaat eigenlijk over iets relatief kleins, namelijk drie kleine eilanden. In Nederlandse termen heb je het over een middelgrote stad en twee grote dorpen. Je kunt het overal over hebben, maar je moet een soort richting zoeken. Ik heb twee belangrijke thema's.

Ik noem eerst een grondprincipe: wij als fractie van de Partij van de Arbeid voelen ons medeverantwoordelijk voor het welzijn van de inwoners op de eilanden. Dat heeft een heel historische achtergrond, maar het heeft ook te maken met een beleefd gevoel van medeverantwoordelijkheid.

Het tweede punt is een belangrijk punt, waar eigenlijk iedereen het over heeft. Er is een zoektocht naar de meest effectieve samenwerking. Je kunt daarbij een staatsrechtelijke of een juridische invalshoek kiezen, maar ik heb zelf voor een sociaal-politieke invalshoek gekozen. Het gaat over de zoektocht naar de meest effectieve relatie en de meest effectieve manier om samen te werken, om het welzijn van de bevolking te vergroten. Je baseert je dan op je waarnemingen als je daar bent, op de resultaten van de commissie-Spies en op de antwoorden van het kabinet. In de resultaten van de commissie-Spies zie je dat onderwijs en gezondheidszorg positief zijn. Dat heeft iedereen hier ook benadrukt. Maar is ook een soort gevoel van teleurstelling. Wat had het allemaal kunnen zijn en waarom is het niet zo mooi geworden?

Alvorens hierop in te gaan, zeg ik dat je oog moet hebben voor de vraag hoe je de bestuurlijke en de politieke cultuur van die eilanden moet duiden en doorgronden. Iedereen raakt daar een beetje aan en corruptie, bestuurlijke kracht of wat dan ook worden genoemd.

Ikzelf ben eens gaan zoeken naar studies die te maken hebben met het democratisch gehalte van kleine landen. Er zijn heel veel studies gedaan naar landen met minder dan 100.000 inwoners. Wat is nou het democratisch gehalte van die landen? Je zou verwachten dat een kleine schaal meer mogelijkheden geeft om een volwaardige democratie te organiseren. Er is een heel interessant onderzoek van Erk en Veenendaal. In dat onderzoek wordt gevraagd of "small beautiful is". Zij stellen gewoon die vraag — is een klein land wel zo mooi? — en zij komen tot heel kritische conclusies. Ik noem er een paar. De formele politieke instituties dienen vaak als façade. Een politieke competitie tendeert vaak naar een persoonlijke competitie. Groepsdruk en zelfs intimidatie zijn een "fact of life". De relatie tussen politici en burgers wordt bepaald door particularisme. De persvrijheid is niet wat het lijkt. Een positieve conclusie is dat er een opwaartse beweging is wat betreft de politieke participatie. En de laatste conclusie die ik noem is dat traditionele methoden van conflictoplossing nog steeds levend zijn.

De conclusies lijken me, met alle nuances van dien, ook zeer van toepassing op de politieke cultuur van de eilanden. Er is sprake van een meer participatieve democratie dan van een representatieve democratie. De democratische instituties hebben vooral een faciliterende rol, ook naar de belangen van politici. Zo worden zij deel van een netwerk dat juist onder controle en toezicht van de democratische instituties moet staan. Daardoor ontbreken vaak checks-and-balances.

De nuance zit erin dat er tussen de eilanden natuurlijk grote verschillen zijn in de kwaliteit. Saba, waar je een helderder beeld ziet, is al door velen genoemd. Er zijn verschillen. De politieke participatie moet je eigenlijk heel positief beoordelen. En eerlijk gezegd is er ook in de Westerse democratieën een tendens naar meer persoonlijke competitie, die ook in de politiek zichtbaar is. In plaats van de partij staat daarbij de persoon centraal. Ik weet niet wie van de leden Netflix heeft. Ik heb dat wel. Men moet de serie Marseille maar eens bekijken, waarin de burgemeestersverkiezing in die stad mooi wordt neergezet. Je ziet de kandidaten de vergunningen uitstrooien in de wijken om restaurants te faciliteren en het witwassen van geld mogelijk te maken. Dit uitstapje heeft kortom als doel te doorgronden wie je partner in de samenwerking eigenlijk is.

De heer De Graaf (D66):

Ik vroeg me even af wat die mooie serie Marseille precies met dit debat te maken heeft. Ik hoop dat niet wordt gesuggereerd dat we nooit een gekozen burgemeester moeten hebben, omdat er in Frankrijk wat vergunningen worden uitgedeeld. Ik vraag het even voor alle zekerheid.

De heer Vreeman (PvdA):

Nee, ik wil alleen maar aangeven dat cliëntelisme en persoonsculturen ook in het zuiden van Europa, en misschien ook wel bij ons in de buurt, steeds meer in de politiek doordringen. Dat is het enige wat ik ermee wilde illustreren.

De heer De Graaf (D66):

Het zuiden van Europa begint tegenwoordig net onder de rivieren?

De heer Vreeman (PvdA):

Ja, dat begint in Roermond.

Je moet dus heel erg nadenken over en doorgronden wat die cultuur is. Hoe formuleren wijzelf eigenlijk deugdelijk bestuur? Dat staat in ons Statuut. Dit is het enige meer juridische stukje van mijn betoog. Wij hebben in artikel 43 het volgende vastgelegd: "Elk der landen draagt zorg voor de verwezenlijking van de fundamentele menselijke rechten en vrijheden, de rechtszekerheid en de deugdelijkheid van het bestuur." De deugdelijkheid wordt daar geïntroduceerd. In lid 2 staat: "Het waarborgen van deze rechten, vrijheden, rechtszekerheid en deugdelijkheid van bestuur is een aangelegenheid van het Koninkrijk." Wij hebben dus een opvatting over deugdelijk bestuur. Ondertussen is er een historisch gegroeide politieke cultuur en structuur die een ander karakter heeft.

Goed bestuur wordt ook uitgewerkt in een verdrag dat de Europese Unie heeft met Afrika, het Caribische gebied en plekken in de Stille Oceaan. Daarin wordt weer duidelijker gemaakt wat zij onder goed bestuur verstaan: "... het transparante en verantwoordelijke beheer van menselijke en natuurlijke hulpbronnen en economische en financiële middelen ten behoeve van rechtvaardiging en duurzame ontwikkeling". Goed bestuur houdt het bestaan in van duidelijke besluitvormingsprocedures bij de overheid, transparante en verantwoording verschuldigde instellingen, de voorrang van de wet bij het beheer en de verdeling van middelen en de opbouw van capaciteiten ten behoeve van het uitwerken en uitvoeren van maatregelen, teneinde met name corruptie te voorkomen en te bestrijden. Dat is een van de teksten uit die overeenkomst die tot 2020 loopt.

Er wordt wel een heel curieus zinnetje bij gezet: "De partijen komen overeen dat slechts ernstige gevallen van corruptie, met inbegrip van omkoping die tot dergelijke corruptie leidt, een schending van dit element inhouden." Als het niet ernstig is, is dat dus geen reden om het op te zeggen. Het moet ernstige corruptie zijn. Dat is eigenlijk wat er staat.

De spanning tussen deze aspecten van de politieke cultuur op de eilanden en hoe wij hier vaak vanuit dit type overeenkomsten formeel tegen aankijken, is duidelijk. Het is echt een opgave om binnen die verschillende politieke tradities de beste samenwerkingsvorm te organiseren die bijdraagt aan het vergroten van het welzijn van de burgers. Als je daar geen oog voor hebt en er alleen maar vanuit onze manier mee omgaat, heb je de hele tijd een soort schurende relatie.

Ik zal een voorbeeld geven. In de antropologie bestaat er een opvatting over intermenselijke relaties. Hiërarchie is bijvoorbeeld een relatie, maar ook een contract, een netwerk of een geschenk. Dat laatste, een geschenk, is volgens de antropologen het belangrijkste in een relatie. Wij verfoeien natuurlijk cliëntelisme, maar in intermenselijke relaties is dat een van de belangrijkste dragers. Dat zie je ook in de ontevredenheid op Bonaire. Anderen hebben dat ook al een beetje aangegeven. De cadeaus voor Bonaire waren een gevangenis en een belastinggebouw, en geen zwembad — het zou ook best handig geweest zijn om op een eiland te kunnen leren zwemmen — en geen versterking van de haven, die een heel groot en belangrijk element in de economische structuur is.

Een ander voorbeeld is dat in de politieke cultuur van kleine landen, die ik net een beetje heb beschreven, de korte termijn veel belangrijker is dan de lange termijn. Je hebt immers de korte termijn; daarna kun je weer doorgaan en onderhandelen. De korte termijn is dus heel belangrijk. Wij maken allemaal meerjarenprogramma's — dat is typisch voor ons beleidsdenken — terwijl zichtbaarheid en concreetheid op de korte termijn de implementatiekracht ontzettend versterkt. Als de minister deze culturele spanning ziet, zou hij dan enerzijds niet meer oog moeten hebben voor het doorgronden van die cultuur, maar anderzijds moeten nadenken over de vraag hoe je bijvoorbeeld met zaken als de korte en lange termijn omgaat en hoe je de clientèle moet beoordelen? Enerzijds is daarbij sprake van willekeur, waar wij heel kritisch over zijn, maar anderzijds is het vaak een aspect van community, van met elkaar iets doen en een cadeau krijgen.

Velen hebben het thema "vereenvoudigen van de relatie" al aangemerkt. De vormgeving van de relatie tussen het Nederlandse deel van het Koninkrijk en de BES-eilanden wordt als complex ervaren. We hebben het over 25.000 inwoners, dat is de helft van een wijk in Tilburg. Zowel wat betreft de toepasbaarheid van de regelgeving als de operationele kracht, dringt zich de vraag op of we het niet eenvoudiger kunnen doen. In de excursie werd het vaker naar voren gebracht. Ik zie de mensen van de BES-eilanden door de departementen lopen op zoek naar een ambtenaar die gaat over een dingetje. Ze hebben dan geluk als ze een goede ambtenaar treffen. Bij onderwijs hebben wij bijvoorbeeld een goede ambtenaar en bij een ander departement — ik zal niet zeggen welk — vinden ze geen gehoor. Zo zoeken zij naar partners. Met zo'n kleine schaal zou het toch mogelijk moeten zijn om met een compacte taskforce en minder consultants een meer rechtstreekse relatie met Nederland op te bouwen? Ik heb me vaak afgevraagd, zeker in relatie tot Saba en de functies die niet vervuld zijn, of een relatie met een beetje robuust dorp of een middelgrote stad niet sterker zou zijn. Het hoofd Personeelszaken zou bijvoorbeeld eens drie jaar kunnen meehelpen of iemand van de afdeling Financiën van een middelgrote stad zou kunnen bijspringen. Zou een netwerk van steden niet veel meer de eenvoud vergroten en de effectiviteit doen toenemen?

Eén van de aanbevelingen uit het rapport-Spies is de oproep tot economische differentiatie. Ik beperk me nu even tot Curaçao. Ik weet niet of dat mag, maar het lijkt me wel het mooiste voorbeeld. Als je wilt innoveren — de heer Ester sprak hierover — of niches en sectoren wilt zoeken, gaat het in de economische theorie meestal over padafhankelijkheid: je bouwt voort op iets wat bestaat. Het is bijvoorbeeld heel verbazend om op het eiland rond te lopen en te zien dat er geen visserij is. De visserij komt uit Venezuela. Dit is dus een land waar de inwoners waarschijnlijk bang zijn voor de zee. Veel Curaçaoënaars kunnen niet zwemmen. Op de Kaapverdische eilanden daarentegen leeft iedereen van de zee. Hoe kan het dat mensen op het ene eiland heel erg op de zee georiënteerd zijn en op het andere eiland helemaal niet? Aan de visserij zal je niet moeten beginnen, want er is nauwelijks een aangrijpingspunt om die te ontwikkelen. Heel anders ligt het bij de land- en tuinbouw, dit wordt in het rapport-Spies dunnetjes zo benoemd. Het is eigenaardig dat een land met zo veel problemen op het gebied van zelfvoorziening — de groente en vis komt uit Venezuela, dit ligt allemaal met bootjes op de markt — wel leidingen voor irrigatie heeft gerealiseerd bij de resorts om de bloemen te laten groeien. Het moet dus mogelijk zijn om ook elders irrigatie aan te brengen. Hoe kan het dat er weinig ontwikkeling is op het gebied van land- en tuinbouw? Kan Nederland daarbij helpen? Wat is de padafhankelijkheid?

Toen Shell begin vorige eeuw naar Curaçao kwam, heeft het bedrijf gedurende een lange periode duizenden Portugese contractarbeiders gehad; dit waren ongeletterde boeren uit Madeira. De uitbuiting van deze mensen laat ik even terzijde. De contractarbeiders hadden een landbouwachtergrond en hebben met hun tuintjes, vooral ook toen de familie overkwam, de tuinbouw enigszins ontwikkeld. Uiteindelijk zijn zij groot en talrijk geworden als groenteboeren en kruideniers; dat zijn vaak Portugese mensen. Je zou kunnen zeggen dat een padafhankelijkheid vanuit die bevolkingsgroep op het gebied van land- en tuinbouw mogelijk is. Nederland, kampioen in knowhow op het gebied van de agrarische industrie en kampioen op het gebied van watervoorziening, zou in dialoog met dat eiland moeten kunnen nagaan of land- en tuinbouw verder ontwikkeld kan worden. Er is een heel project op scholen in Curaçao voor eettuintjes, waarbij wordt geprobeerd om kinderen op te voeden om tuintjes te ontwikkelen voor eetbaarheid. Dat is tegen obesitas, maar het heeft ook te maken met gevoel voor tuinbouw. Kan de minister Wageningen oproepen om mee te denken over mogelijkheden in een land met zoveel zon, net als in het verleden een paar keer is gebeurd? Het moet toch ook mogelijk zijn dat een bloemkool geen vierenhalve dollar kost?

Over de sociale problematiek is door velen gesproken. In de kern deel ik de mening dat helder moet worden wat sociale zekerheid is. Wat is een sociaal minimum? Hoe moet je dat definiëren? Dat niveau moet een relatie hebben met de levensstandaard en de onkosten die je daar ziet, maar zou toch ook veel meer in de richting moeten gaan die we in Nederland hebben. Ik snap niet dat daar zo moeilijk over wordt gedaan. Het gaat om zo'n klein aantal; 900 of 600 mensen. Het is allemaal kleingeld. Waarom kun je die sociale zekerheid niet dicht bij hoe wij dat in Nederland doen brengen? Ik geloof helemaal niet in de aanzuigende werking. Je moet er vijf jaar wonen. Er is geen brede economie waarin mensen terechtkunnen. Ik denk dat het in deze dorpen op Nederlands peil moet worden gebracht.

Een ander onderwerp is ook al even aangeraakt: de braindrain. Dat is een groot probleem op al die eilanden. De talentvolle kinderen gaan studeren in de Verenigde Staten of in Nederland en komen niet meer terug. De eilanden hebben jonge mensen die geschoold worden in ondernemerschap en die initiatief nemen, ontzettend hard nodig. Door een van de sprekers is gezegd dat er in het verleden een regeling was om dat te stimuleren. Als je na vijf jaar terugkeert, wordt er wat aan de studieschuld gedaan. Ik denk dat het heel belangrijk is voor de eilanden om een faciliteit te ontwikkelen voor een terugkeerbeweging van getalenteerde, ondernemende jongeren. Ik vraag aan de minister of daar gedachten over zijn.

Zoals altijd in het leven is veiligheid een voorwaarde voor alles. Het is basic dat je je niet bedreigd voelt. Ik denk dat Nederland daar heel goed mee bezig is, maar er zijn nog steeds verhoudingsgewijs veel moorden op Curaçao. Er is ook een drugsproblematiek. Het is cruciaal dat de moord op Helmin Wiels opgelost wordt. Deze heeft voor de bewoners van Curaçao iconische betekenis. Men zoekt het toch in politieke kring. Dat onderzoek is al heel lang gaande. Zou je niet extra recherche moeten inzetten om dat boven tafel te krijgen? Ik heb er met politiemensen over gesproken en zij weten wel ongeveer in welke hoek het zit, maar zij krijgen problemen met getuigen. Dat is altijd zo in dit soort constellaties.

Dan kom ik op een heel ander onderwerp, want het is een beetje rijp en groen, of een caleidoscopisch praatje. Toerisme is cruciaal voor de economie van de eilanden, net als de financiële wereld, de olie en de maritieme sector. Overal op die eilanden is het toerisme in ieder geval voor een deel gevoed door duiken en koraal. Ik heb mij laten uitleggen dat het koraal van groot belang is als natuurschoon, maar ook voor de verdediging van de kusten. Voor dat koraal is het van groot belang dat het gedijd in voedselarm water. Dat is heel interessant. Het is vergelijkbaar met de discussie in Nederland over de bebouwing van onze kusten. Daar speelt de vraag of er delen van die eilanden onbebouwd zijn waar dat koraal zich kan ontwikkelen en zich kan voortplanten. Er zijn ook organisatiecomités die rechtszaken voeren. Het is echt een gevecht om dat koraal. Mijn vraag aan de minister is of wij steun kunnen geven aan de organisaties die dat koraal, als heel belangrijk economisch kenmerk van deze eilanden, proberen verder te ontwikkelen en te verdedigen.

Mijn laatste punt is de geschillencommissie. Ik zal er niet veel over zeggen. Mijn opvatting is: als beide partijen het goed vinden, vind ik het ook goed. Dat zou ook passen in de cultuur van de kleine landen. Daarin neemt men van de ene partij een wijze en van de andere partij een wijze en een nog wijzere voorzitter. Die bemiddelt en bemiddelt en als het klaar is, is dat het besluit. Zo zou het gaan in de cultuur van de kleine landen. In Azië en Afrika is het ook heel gebruikelijk om het zo te doen. Er zijn heel lange verhalen gehouden over de juridische kant; of het bindend is of niet bindend. Volgens mij zijn die heel belangrijk, maar ik kan ze moeilijk verinnerlijken. Ik hoop dat de Tweede Kamer met de minister een oplossing vindt die ook draagvlak heeft bij beide partijen. Ik kijk uit naar de antwoorden van de minister.