Naar hoofdinhoud Naar hoofdnavigatiemenu

Plenair Schouwenaar bij behandeling Belediging van bevriende staatshoofden



Verslag van de vergadering van 12 maart 2019 (2018/2019 nr. 21)

Status: gecorrigeerd

Aanvang: 10.50 uur


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Schouwenaar (VVD):

Voorzitter, dank u wel. Namens de VVD-fractie wil ik beginnen met dank en waardering uit te spreken; dank aan de initiatiefnemer voor al het werk dat hij heeft verricht en waardering omdat hij zijn initiatiefwet tot hier in de Eerste Kamer heeft gebracht.

Het is gebruikelijk dat wij ons bij ieder wetsvoorstel afvragen: is er een probleem en lost dit wetsvoorstel het probleem op? Volgens mijn fractie is er niet direct een probleem, maar we hebben ook de plicht om alert te zijn als het gaat om onze staatsvorm en om ons Koninklijk Huis. Ons uitgangspunt is daarbij: de Koning houdt ons land hoog, laat ons land de Koning hooghouden. Er is niet vaak een incident, maar af en toe is er een waxinelichtje, een spandoek of een beledigende uitroep. Die brengen veel commotie van alle kanten met zich mee, republikeinen, oranje-gezinden, vrijheid van meningsuiting, eerbied voor het Koninklijk Huis, gelijkheidsdenken et cetera. Allerlei principiële opvattingen strijden om de voorrang. Dit geeft aan dat ons Koninklijk Huis een essentiële rol vervult in ons staatsbestel en in de publieke opinie.

Niet direct een probleem, dus ook geen kant-en-klare oplossing, maar wel voortdurende aandacht en meegaan met de ontwikkelingen. Dat is wat dit voorstel doet: het Wetboek van Strafrecht aanpassen aan de tijdgeest. Mijn fractie staat daar positief tegenover.

Tegelijkertijd wil zij het probleem ook wel in proporties zien. Strafzaken betreffende belediging van het Koninklijk Huis, van ambtenaren of van volksvertegenwoordigers krijgen veel publiciteit en zij leveren veel stof tot discussie, maar in strafrechtelijk opzicht zijn het geen zware zaken. Het is goed om ook nog eens in herinnering te roepen dat het hier alleen gaat om belediging. Andere delicten blijven gewoon bestaan: smaad, laster, bedreiging of geweld; die worden niet afgeschaft. Ook heeft dit voorstel geen direct verband met de toenemende agressie tegen politie, brandweer, onderwijzers en bestuurders. Dat behoort tot de zwaardere vergrijpen en daartegen moet dan ook met zwaardere middelen worden opgetreden.

Mevrouw de voorzitter. In concreto gaat dit voorstel over vier punten: het afschaffen van majesteitsschennis, belediging van buitenlandse staatshoofden, verhoging van het strafmaximum met een derde en het klachtvereiste. Met elk van deze punten kan mijn fractie zich verenigen en ik wil dat graag toelichten.

Het huidige strafmaximum van vijf jaar is veel te hoog. Zo'n strafmaat past bij zeer zware delicten met een ernstige inbreuk op de rechtsorde. De artikelen 111, 112 en 113 worden hoogst zelden toegepast. En de opgelegde straffen liggen ver beneden de vijf jaar. Deze strafbepaling stamt uit een tijd waarin de Koning, meer dan tegenwoordig, hét symbool was voor de staatsmacht. Het gaat bij de afschaffing van majesteitsschennis niet om een vrijbrief tot het beledigen van de Koning en zijn Huis; het gaat om een strafmaximum dat niet meer past bij de realiteit van onze straftoemeting.

Ten tweede: afschaffing van de bijzondere regeling voor bevriende staatshoofden. Ook dit punt ontmoet bij mijn fractie geen bezwaar. Ze worden hoogst zelden toegepast en de straffen waren veel minder dan twee jaar. Deze artikelen dienden tot bescherming van het diplomatieke verkeer. Mijn fractie gaat er vanuit dat het diplomatieke verkeer ook zonder deze bescherming uitstekend kan verlopen.

Dan de verhoging van het strafmaximum. Voor gewone belediging van gewone mensen staat maximaal drie maanden. Dit kan verhoogd worden naar vier maanden ingeval van belediging van een dienaar van de openbare zaak. Een ambtenaar dus. Het is niet erg duidelijk waartoe deze verhoging dient, maar die biedt in elk geval ruimte voor nuancering door de strafrechter.

Het begrip ambtenaar wordt ruim uitgelegd. Ook de Koning valt voortaan onder dit ruime begrip ambtenaar. Om duidelijk te maken dat er in beginsel geen onderscheid wordt gemaakt tussen dienaren van de openbare zaak. Voor de Strafwet zijn zij allemaal gelijk.

Anderzijds wordt de overheidstaak ook uitgevoerd door werknemers van private bedrijven. Mijn fractie gaat ervan uit, dat ook zij vallen onder de ruime opvatting van artikel 84. Deelt de indiener deze mening?

Bij belediging van al deze overheidsdienaren kan er één maand extra worden opgelegd. Met één belangrijke uitzondering: de volksvertegenwoordigers en bestuurders. Zij hebben dezelfde bescherming als de kiezers die zij vertegenwoordigen. Zij staan niet een trapje hoger. Het siert de indiener dat hij niet is bezweken voor de verleiding om dit anders te regelen.

Mevrouw voorzitter. Als vierde punt, het klachtvereiste. Het Openbaar Ministerie gaat alleen over tot vervolging van belediging wanneer het slachtoffer een klacht heeft ingediend. Dit wetsvoorstel maakt een uitzondering op het klachtvereiste voor de Koning, de ambtenaren, bestuurders en volksvertegenwoordigers. De openbare dienst moet zonder onderbreking kunnen functioneren in een zekere mate van anonimiteit. En het zou kunnen zijn dat een klacht de zaak alleen maar erger maakt. Heeft het Openbaar Ministerie ook dán het recht om te onderzoeken terwijl het slachtoffer dat niet wenst? Wat prevaleert in zo'n situatie? Het wetsvoorstel geeft daarover onvoldoende duidelijkheid. De indiener denkt niet dat dit zich zo snel zal voordoen. Zou de indiener hier nader op in willen gaan?

Mevrouw de voorzitter. Al met al, mijn fractie waardeert dit wetsvoorstel positief. Het is een stap in een ontwikkeling die voortdurend in beweging is. Daar levert dit voorstel een waardevolle bijdrage aan. Wij hechten eraan om te zeggen dat wij dit voorstel willen beoordelen vanuit onze grote waardering voor de wijze waarop onze Koning en de leden van het Koninklijk Huis hun moeilijke taak verrichten. Juist déze waardering maakt dat wij grote zorgvuldigheid moeten besteden aan wetgeving die aan de positie van de Koning raakt. Wij zien uit naar de reactie van de indiener en van de minister.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Schouwenaar. Ik geef het woord aan mevrouw Bikker.