Naar hoofdinhoud Naar hoofdnavigatiemenu

Plenair Van Ballekom bij behandeling Wet temporisering verhoging AOW-leeftijd



Verslag van de vergadering van 2 juli 2019 (2018/2019 nr. 37)

Status: gecorrigeerd

Aanvang: 11.29 uur


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Van Ballekom (VVD):

Voorzitter. Vooraleerst zou ik de heer Frentrop willen feliciteren met zijn eerste optreden in deze Kamer. Vervolgens zou ik minister Koolmees persoonlijk hartelijk willen danken voor de spoed die hij betracht heeft bij de indiening van het voorliggende wetsvoorstel onder de samenvattende naam Temporisering verhoging van de AOW-leeftijd. En waarom? Niet alleen vanwege het feit dat het noodzakelijk is vanwege het kenbaarheidsvereiste; niet alleen omdat mijn fractie zich kan vinden in het voorstel, maar persoonlijk, minister, omdat het mij hierdoor mogelijk wordt gemaakt als eerste van mijn fractie van zeven nieuwkomers het woord te mogen voeren in deze Kamer.

Voorzitter. In bepaalde jurisdicties is het gebruik dat een eerste optreden kort, niet controversieel is, en vooral niet mag gaan over het onderwerp dat ter behandeling op de agenda staat. Gelukkig kennen wij deze traditie niet, want het zou mij wellicht in de verleiding hebben gebracht uw aandacht te vragen voor de dageraad en de wijsheid van Minerva. Dat ga ik tot uw aller opluchting niet doen. Bovendien ligt mijn Leidse studententijd jammer genoeg alweer een hele tijd achter mij. Zover zelfs dat ik laatst bijles heb gekregen van Joop van den Berg, mijn oud-hoogleraar, en dat was hard nodig. Hij was het die mij destijds enthousiast maakte aandacht te besteden aan staatkunde en parlementaire geschiedenis tijdens mijn studie. Thans emeritus-hoogleraar en voormalig voorzitter van de Partij van de Arbeid-fractie in dit huis.

Wel is het gebruik hier te lande dat tijdens zo'n eerste optreden de zenuwachtige debutant niet mag worden tegengesproken of onderbroken. Nu, dat is een traditie die in ere moet worden gehouden, want het is een ongekende luxe. Gelukkig ook eenmalig, want anders wordt het debat gesmoord en bestaat de plenaire behandeling slechts uit een saaie aaneenschakeling van opgelezen verklaringen. Dat is wat er in menige Raadsvergadering in Brussel gebeurt, voorzitter. En ik kan u verzekeren: dat is de dood in de pot.

Het zal niemand verbazen dat het nooit in mijn hoofd is opgekomen dat mijn eerste optreden zou worden gewijd aan het voorliggende wetsvoorstel. Ik had oorspronkelijk namelijk de bedoeling, gezien mijn achtergrond en ervaring, om tijdens mijn eerste optreden mijn visie te etaleren op Europa en de ontwikkelingen in de Europese Unie. Maar een dergelijk exposé houdt u nog van mij tegoed. Hoewel ... Stel dat we het wat breder trekken dan louter de AOW. Ik ga het deze ochtend, want het is nog steeds ochtend, echt niet hebben over onderwerpen als rekenrente, zware beroepen en doorsneepremie. Dat komt allemaal later nog wel; ik wilde het louter en alleen over de AOW en de temporisering hebben. Als we het wat breder trekken, dan heb ik wel een Europees haakje gevonden — ik kan het toch niet weerstaan om er iets over te zeggen — namelijk een tweedepijlerhaakje. Ik heb mij lange tijd beziggehouden met Europese wet- en regelgeving op het terrein van de financiële dienstverlening, in Brussel en in Amsterdam, waaronder begrepen de pensioensector. Dat was een interessante tijd, waaraan ik overigens ook nog goede vrienden heb overgehouden; een die ik in deze positie thans collega mag noemen.

De voornaamste opdracht was het Nederlandse stelsel te behoeden voor onnodige en belemmerende Europese regelgeving. Was dat nodig? Het antwoord daarop is een volledig "ja". Waarom? Omdat het Nederlandse stelsel uniek is. Er is slechts een drietal landen die iets vergelijkbaars hebben. Een van die lidstaten heeft jammer genoeg te kennen gegeven dit jaar de Europese Unie te willen verlaten. Het is altijd triest om vrienden te verliezen. Dan houden we er nog maar twee over. Maar de overige lidstaten kennen een veel minder robuust tweedepijlersysteem dan wij kennen. Als ze dat al zouden willen ontwikkelen, ontbreekt het hun aan de kennis en hebben ze er nauwelijks voldoende geld voor. Dat heeft tot gevolg dat de Europese Commissie en de besluitvormende organen in de Unie, de Raad en het Parlement, niet altijd scherp voor ogen staat wat nodig is om een systeem te moderniseren en te laten voldoen aan de eisen van de tijd. Het Nederlandse stelsel wordt beoordeeld als, en is, een van de beste in de wereld, meneer Frentrop. Nederland wordt in dit opzicht benijd. Maar laten we erop alert zijn dat het slechts bij benijden blijft. We moeten waakzaam zijn, altijd natuurlijk, maar zeker ook wanneer de regelgeving uit de Europese keuken komt.

Voorzitter. Het voorliggende wetsvoorstel is kennelijk een noodzakelijk onderdeel om de modernisering van het pensioenstelsel te kunnen realiseren. Het is een eerste stap op een nog vrij lange weg naar de volledige uitvoering van het totale pakket aan maatregelen. Het voorstel van wet kan rekenen op brede maatschappelijke en politieke steun, hetgeen ook is gebleken tijdens de behandeling in de Tweede Kamer. Of moet ik zeggen: tijdens de behandeling aan de overkant? Derhalve past ons enige terughoudendheid. Conform het verzoek van de regering is alles erop gericht het voorstel uiterlijk vandaag te accorderen. Daaraan wil de VVD-fractie meewerken. Over dit specifieke, onder andere de eerste pijler betreffende wetsvoorstel hebben wij als fractie weinig of geen aanvullende vragen. Maar dat zegt niets over het vervolgtraject, meneer de minister, dat we nog met elkaar moeten gaan afleggen.

Op papier is het een redelijk gebalanceerd pakket van voorgenomen maatregelen. Echter, het is duidelijk een kwestie van geven en nemen. Dat hoort nu eenmaal bij regeren: de moed hebben compromissen te sluiten en die te verdedigen. Dat is niet altijd leuk vanuit een partijpolitiek gezichtspunt en dat is ook niet leuk omdat het politiek niet altijd past. Maar je kan je nu eenmaal niet permitteren om belangrijke beslissingen voortdurend op de lange baan te schuiven. Bij de totstandkoming van dit compromis zijn we niet over één nacht ijs gegaan, zo mag wel worden vastgesteld. Ik ga niet tot in detail opsommen waar mijn partij water bij de wijn heeft moeten doen, en dat weet de minister maar al te goed. Maar ik wil wel met permissie drie inhoudelijke opmerkingen maken.

Met tevredenheid stel ik vast dat het de bedoeling is de koppeling aan de stijgende levensverwachting in stand te houden, zij het enigszins vertraagd. Dat is noodzakelijk om ook in de toekomst een redelijk betaalbaar systeem te houden. Bij de invoering van de AOW lag de gemiddelde leeftijd en levensverwachting bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd lager, aanzienlijk lager. Dus een dergelijke vertraging is ook niet meer dan logisch.

Ten tweede. Dat neemt niet weg dat het voorliggende voorstel een dure grap is. Ik heb mij laten vertellen dat de vier maanden vertraging zo'n 3 à 4 miljard euro kost, nog afgezien van de derving van belastinginkomsten en premieheffingen. In mijn beleving had de dekking robuuster gemogen, te meer omdat ze, voor zover ik het kan overzien, deels incidenteel is. Als ik dan passages lees dat de gemiddelde uittreedleeftijd, zoals mevrouw Oomen ook al heeft aangeduid, in 2000 59 jaar was en thans 65 en dat deze actieve ouderen langer premie betalen en belasting afdragen, dan proef ik eigenlijk dat de dekking deels hierin gezocht wordt. Maar ik moet mij vergissen, want ik kan mij niet voorstellen dat een oud-medewerker van het ministerie van Financiën, nota bene bij de afdeling Begrotingsbeleid, hiermee akkoord zou kunnen gaan. Ik kan u wel vertellen dat ik als voormalig adjunct-inspecteur — ik heb het nooit verder gebracht dan adjunct-inspecteur — bij de Inspectie der Rijksfinanciën zulks destijds nooit zou hebben durven voorstellen aan mijn directeur of aan de directeur Begrotingszaken, noch aan mijn minister, die onveranderd streng in de leer was en mij ongetwijfeld alle hoeken van zijn kamer had laten zien, want hij gruwde — hij gruwde, voorzitter, en terecht — van zogenaamde inverdieneffecten.

Een derde en laatste punt. Zou het niet mooi zijn, voorzitter, verlost te raken van het gedwongen stoppen met werken? Dat kan in voorkomende gevallen een mogelijke inkomensdaling overigens ook compenseren. Functioneel leeftijdsontslag is niet meer van deze tijd. De minister stelde elders dat doorwerken gewoon kan, maar geheel overtuigend kwam dat bij mij niet over, omdat hij gelijktijdig heeft toegezegd in het najaar te komen met een programma om duurzame inzetbaarheid te stimuleren. De VVD-fractie kijkt met bijzondere belangstelling uit naar dat programma. Want zolang je de energie en de motivatie hebt om actief te blijven, al dan niet in dezelfde baan, dan mag dat gefaciliteerd worden. Ik vind het ook uitermate onrechtvaardig om blokkades op te werpen of in stand te houden. Want waarom zou je politici iets dergelijks wel gunnen en anderen niet? De voorzitter van deze Kamer in de vorige zittingsperiode heeft professioneel, kundig, met charme en humor leiding gegeven aan de werkzaamheden van deze Kamer en is onlangs gemotiveerd en vol energie aan haar nieuwe baan begonnen; chapeau! Maar volgens een te rigide systeem waarmee sommige Nederlanders te maken hebben had zij jaren geleden al moeten ophouden met werken. Dat moet werkelijk veranderen.

Voorzitter. Laat ik afsluiten door te zeggen dat ik mij verheug de komende vier jaren een bijdrage te mogen leveren aan het nuttige werk in deze Kamer, een bijdrage waarvan de toegevoegde waarde alleen maar kan worden verhoogd door een nauwe en collegiale samenwerking met u allen. In Brabant, waar ik uiteindelijk vandaan kom, zouden ze zeggen, mevrouw Nanninga, "de kop is eraf".

De tijdelijke voorzitter:

Dank u wel. Blijft u nog even staan. Mijn hartelijke gelukwensen met uw maidenspeech. Staat u mij toe om iets van uw achtergrond te schetsen; u heeft het zelf ook al een klein beetje gedaan.

Direct na uw doctoraal in het Nederlands recht aan de Rijksuniversiteit Leiden bent u gaan werken als ambtenaar inspectie van de begroting op het ministerie van Financiën. Al snel werd u financieel attaché bij de Permanente Vertegenwoordiging van Nederland bij de Europese Unie. De combinatie EU en financiën kleurde vanaf dat moment uw loopbaan. U gebruikte net al het woord "Europese keuken". Die kent u van nabij. Zo werd u achtereenvolgens hoofd afdeling Europese Unie op het ministerie van Financiën, financieel raadsadviseur bij de Permanente Vertegenwoordiging bij de Europese Unie en hoofd van het kabinet van Frits Bolkestein, Eurocommissaris voor de Interne Markt, Belastingen en Douane.

Na het vertrek van de heer Bolkestein uit Brussel werd u de raadsadviseur van Andris Piebalgs, de Letse Eurocommissaris voor Energie. U keerde nog een keer terug naar de Permanente Vertegenwoordiging als hoofd van de afdeling financiën en externe financiële betrekkingen. Tegelijk was u lid van de raad van bestuur van de Europese Investeringsbank waarvan u later vicepresident zou worden. In de tussentijd bent u bij APG, de ABP Pensioen Groep, hoofd internationale public affairs geweest.

Tijdens uw tweede termijn als vicepresident van de Europese Investeringsbank groeiden de jaarlijkse bestedingen in Nederland en ontvingen naast traditionele, infrastructurele projecten ook onderwijsinstellingen en woningbouwcorporaties een lening. U waarschuwde de ontvangende regio's er altijd wel voor dat ze de EIB — in uw woorden — "niet als Moeder Theresa moesten zien".

Actief voor de VVD bent u sinds uw studie. Zo bent u onder andere voorzitter van de VVD in Leiden geweest, was u voorzitter van de VVD-commissie voor het Europees programma voor de verkiezingen van 2014 voor het Europees Parlement en was u lid van de VVD-adviescommissie financieel-economische zaken. Sinds 11 juni bent u lid van de Eerste Kamer.

Nogmaals van harte welkom. Ik schors de vergadering voor een kort ogenblik om de collega's de mogelijkheid te geven u te feliciteren met uw maidenspeech. Ik mag dit als eerste doen.