Plenair Van Ballekom bij behandeling (zonder stemming aangenomen)



Verslag van de vergadering van 12 januari 2021 (2020/2021 nr. 18)

Status: gecorrigeerd

Aanvang: 16.01 uur


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Van Ballekom (VVD):

Voorzitter. Bij de VVD staan de belangen van de aspirant-gepensioneerden en van de pensioengerechtigden centraal. Dit ter geruststelling van de heer Van Rooijen. Mijn fractie is helemaal niet wars van liberalisme en het faciliteren van eigen keuzes. Integendeel, liberalisme is geen ziekte en ook geen aandoening. Zoals uit de schriftelijke voorbereiding op dit debat is gebleken, verwelkomt mijn partij de voorliggende voorstellen van harte. Het belangrijkste punt van zorg is en blijft de uitvoerbaarheid van de voorstellen, en dan met name de uitkering van het bedrag ineens. Hierover zijn in de eerste ronde vragen gesteld en daarop zou ik mij ook willen concentreren in dit debat.

Vragen naar aanleiding van de memorie van antwoord van de regering heeft de VVD niet gesteld. Niet dat de minister alle vragen naar volle tevredenheid zou hebben beantwoord, tot mijn spijt, maar in alle eindejaarsdrukte neem ik hem dat niet eens kwalijk. We hebben ook geen aanvullende vragen gesteld omdat de zorgen over de uitvoerbaarheid gemakkelijk in dit overleg kunnen worden weggenomen. We hebben ons evenmin aangesloten bij de aanvullende vragen gesteld door collega's, omdat die, met alle respect, in onze visie toch van enig paternalistisch gehalte zijn. Het zijn vragen naar de bekende weg. Aan het begin van het jaar zitten we nog vol goede voornemens en ik had mij voorgenomen, dergelijke vragen zo min mogelijk te stellen: vragen naar de bekende weg is tijdverlies.

Mevrouw Oomen-Ruijten (CDA):

Voorzitter. Ik zou graag willen weten wat de spreker bedoelt met "paternalisme" en waaraan hij dat ziet. Zou u dat kunnen verklaren?

De heer Van Ballekom (VVD):

Daar kom ik nog op, mevrouw. Daar kom ik nog op terug in mijn interventie.

Mevrouw Oomen-Ruijten (CDA):

Met uw goedvinden kom ik er dan ook op terug.

De heer Van Ballekom (VVD):

Ja. En als het dan nog niet voldoende beantwoord is, mevrouw Oomen, dan kunt u me alsnog die vraag stellen.

Natuurlijk zouden alle drie de voorstellen die voortvloeien uit het pensioenakkoord separaat kunnen worden aangeboden en behandeld, maar zoals iedereen weet, is het een precaire balans tussen geven en nemen, en die kan weleens verstoord worden bij een andere aanpak. Dat blijkt overigens ook duidelijk uit de vragen die zijn gesteld. En trouwens, met een beetje goede wil kun je ook een samenhang in de voorstellen ontdekken. Die samenhang is een pensioenstelsel dat meer op maat is gesneden en zo veel mogelijk rekening houdt met de individuele wensen, zonder daarbij de kat al te dicht aan het spek te zetten en in de verleiding te brengen om alles op voorhand op te peuzelen, en zonder het collectieve karakter geweld aan te doen.

Meer keuzevrijheid houdt per definitie voor alle partijen in dat het wat moeilijker wordt. De voorspelde chaos kan volgens mij en naar onze mening worden voorkomen. De tijd dat je bij Henry Ford alle kleuren auto's kon kopen, als ze maar zwart waren, ligt gelukkig echt achter ons.

En, met alle respect, ik denk ook niet dat terugzendrecht ons geholpen had, meneer Kox. Want ik denk dat er dan aan de overkant kennis was genomen van onze opmerkingen, waarna ze in de vierde la rechtsonder terecht waren gekomen, omdat de Tweede Kamer dit voorstel met algemene stemmen heeft aanvaard. Ik denk dus niet dat het terugzendrecht hier echt erg veel had geholpen.

Kunnen de aspirant-gepensioneerden deze keuzevrijheid wel aan? Daarmee kom ik ook bij het punt van mevrouw Oomen. Natuurlijk kunnen ze dat aan, mevrouw Oomen, want de pensioensector kent zeer ervaren, zeer servicegerichte en zeer kundige pensioenuitvoerders, die belanghebbenden van alle relevante informatie kunnen voorzien, zo is mijn persoonlijke en professionele ervaring. En even tussendoor zeg ik: een aspirant-gepensioneerde is niet verplicht om gebruik te maken van welke flexibiliteit dan ook. Het gaat over het bieden van mogelijkheden, en ook om het bieden van mogelijkheden aan sociale partners om dit te faciliteren. Die niet-verplichting blijkt overigens nadrukkelijk ook uit de beantwoording van de vragen die hierover zijn gesteld. En volgens mij plaatst dit dan ook de doenvermogentoets in perspectief. Of vergis ik mij, vraag ik de minister. Die doenvermogentoets is met die verplichting van de pensioenuitvoerders enigszins ondervangen.

Wat mij nog niet geheel duidelijk is, is waarom de sociale partners de uitvoering van de RVU niet kunnen neerleggen bij de fondsen. Ik begrijp dat dit niet direct iets met de taak van een fonds te maken heeft, maar er zijn wel raakpunten. De beantwoording maakt duidelijk dat het wel mogelijk is indien de uitvoering neergelegd wordt bij een pensioenuitvoerder, zoals de sector bouw dat gedaan heeft bij APG. Sociale partners hebben dus de keuze tussen salarisadministrateurs, verzekeraars en pensioenuitvoerders. Bij de uitvoerders ligt veelal de expertise, en het ligt in lijn met de taak van een uitvoerder. Deze redenering kan ik volgen, maar ik vind het toch een beetje rigide om de fondsen op voorhand uit te sluiten vanuit concurrentieoverwegingen. Ik denk overigens dat er weinig fondsen zijn die om deze taak zitten te springen. Daartegenover kan ik me wel voorstellen dat een aspirant-gepensioneerde erbij gebaat is om alles zo veel mogelijk in één hand te houden. Ik zou daar toch nog graag een reflectie over willen van de minister.

Dan resteren de volgende vragen en opmerkingen, voorzitter. De VVD heeft erop aangedrongen te overwegen om de invoering van een bedrag ineens met één jaar te vertragen om de sector de mogelijkheid te geven de IT-systemen hierop aan te passen. We weten hoe ingewikkeld dat is. Met name de overheid is ervaringsdeskundige. De minister is er bij de beantwoording niet expliciet op ingegaan of hij daartoe bereid is, en stelt dat het jammer is dat bepaalde mensen geen gebruik kunnen maken van de regeling bij een zekere vertraging. Daarop is mijn reactie, met alle respect, minister, dat de regering ook heel wat tijd heeft genomen om te komen tot deze voorstellen; de consultaties waren in december 2019 al afgerond. Dus zorgvuldigheid is belangrijk en de vertraging ligt voor een belangrijk deel aan de zijde van de regering, en niet aan de zijde van deze Kamer. Het is dan ook minder passend om vervolgens ons onder tijdsdruk te plaatsen, met alle negatieve gevolgen van dien. Mijn vraag is: wil de minister dit voorstel toch nog eens heroverwegen, of op een andere manier tegemoetkomen aan de zorgen? En wil hij ook erkennen dat hier een probleem ligt, en dat het terecht is dat de pensioenuitvoerders dat onder onze aandacht hebben gebracht?

Ten slotte, voorzitter. Zou de minister zo vriendelijk willen zijn om nogmaals uit te leggen — ik heb dat niet goed begrepen, maar dat ligt natuurlijk gewoon aan mij — waarom de eenmalige uitkering niet gecombineerd mag worden met een AOW-overbruggingsarrangement? Dat heb ik niet goed begrepen. Zou de mogelijkheid van een uitkering ineens niet in belangrijke mate aantrekkelijker worden wanneer dat wel toegestaan wordt?

Mijn fractie ziet uit naar de reactie van de minister.

De voorzitter:

Ik zie mevrouw Oomen aanstalten maken.

De heer Van Ballekom (VVD):

Het paternalisme.

Mevrouw Oomen-Ruijten (CDA):

Ik kom nog even terug op het paternalisme. Ik zie het paternalisme wat wij zouden hebben. U zegt: wij houden alleen maar van het liberalisme. Dat mag, dat mogen jullie houden. Maar als u met paternalisme onze uitgangspunten bedoelt — solidariteit met de zwaksten, een gespreide verantwoordelijkheid — dan mag u dat houden.

De heer Van Ballekom (VVD):

Ik bedoelde met paternalisme dat wij twijfelen aan de kwaliteit en het verantwoordelijkheidsbesef van de sociale partners en aan de keuzevrijheid van de gepensioneerden of de aspirant-gepensioneerden. Kunnen zij die keuzevrijheid wel aan? Ik zou dat toch zo veel mogelijk willen overlaten aan sociale partners en aan de aspirant-gepensioneerden zelf, en mij daar zo min mogelijk mee willen bemoeien. Dat noem ik een beetje paternalistisch.

De voorzitter:

Mevrouw Oomen, tot slot.

Mevrouw Oomen-Ruijten (CDA):

Mag ik de heer Van Ballekom er dan op wijzen dat het hier gaat om de uitvoering van een wet die door sociale partners in globale zin is overeengekomen, maar waarvan de uitvoering alles te maken heeft met mensen die moeten kiezen, mensen, ook met een laag pensioen, die moeten kiezen wat voor hen het beste is? Dat ik mij daar zorgen over maak, en ik denk met mij een groot deel van deze Kamer, mag niet gebagatelliseerd worden. Dat gebeurde wel, vond ik, met de term paternalisme.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan denk ik dat …

De heer Van Ballekom (VVD):

Wil ik daar nog op reageren, voorzitter?

De voorzitter:

Dat kan ik niet beoordelen, dat moet u zelf aangeven.

De heer Van Ballekom (VVD):

Ik vind het geven van meer keuzevrijheid een groot goed. Nogmaals: moeten mensen keuzes maken? Ze hoeven helemaal geen keuzes te maken, ze kunnen het ook doen zoals ze het altijd gedaan hebben. Het is een keuzevrijheid, die ik, en mijn partij, van harte toejuichen.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Van Ballekom. Wenst een van de leden in de eerste termijn nog het woord? Dat is niet het geval. Dan schors ik de vergadering tot 16.55 uur.