Verslag van de vergadering van 26 mei 2026 (2025/2026 nr. 30)
Status: ongecorrigeerd
Aanvang: 15.49 uur
Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.
De heer Van Meenen i (D66):
Voorzitter, hartelijk dank. Allereerst mijn hartelijke felicitaties aan collega Musa. Het was werkelijk een prachtig en ontroerend verhaal. Het raakte voor mij precies de kern van waar onderwijs over gaat. Zij heeft het heel goed verwoord. Dat ga ik niet overdoen. Ik vond het heel bijzonder om te horen.
Ik heb een lange geschiedenis met dit onderwerp. Daar wil ik wel even helder over zijn. In de elf jaar dat ik in de Tweede Kamer mocht zitten, heb ik het heel vaak gehad over de herdefiniëring van kerndoelen. U herinnert zich wellicht ook nog Curriculum.nu en weet ik hoe het allemaal heette. Er zijn heel veel mislukkingen op dit pad geweest. Die hadden als overeenkomst dat het juist de overheid was die even ging bedenken hoe het allemaal verder moest en dat juist "de man of vrouw voor de klas", om de heer Van Kesteren te citeren, er niet aan te pas kwam. Dat is het mooie van dit proces. Daarom sta ik hier maar met een hele korte spreektijd. Ik had een paar jaar geleden niet kunnen bedenken dat ik hier zou staan en dat ik het er hier over mocht hebben. Ik dacht: zullen we ooit een wet krijgen op dit vlak die deze Kamer gaat bereiken?
Welnu, het is gelukt. Ik kan eigenlijk alleen maar vooral grote complimenten geven voor dit proces. Wie goed naar het proces kijkt, ziet dat er heel erg veel docenten bij betrokken zijn geweest en dat er, zoals we destijds in de Tweede Kamer hebben voorgesteld, heel erg geoefend is op scholen, die hebben bekeken hoe die kerndoelen dan uitwerken et cetera. Daardoor zou je kunnen zeggen dat er nu wonder boven wonder een voorstel ligt dat de steun heeft van het hele veld. Kom daar maar eens om! Mijn ervaring is dat als je drie docenten bij elkaar zet, je minstens vijf opvattingen hebt. Maar hierbij is het gelukt. Een groot compliment dus voor dit proces. Het betekent ook dat het resultaat dat hier ligt voor ons daardoor een waarde vertegenwoordigt die maakt dat wij hier zeer positief naar kijken.
Ik vind het ook verstandig dat het in twee stappen gaat. Ik begrijp de aarzelingen van mevrouw Van Bijsterveld dat je het eigenlijk wettelijk vast zou willen leggen. Dat zou ik misschien ook wel willen, maar daar zit ook een schaduwkant aan, namelijk dat je dan elke flexibiliteit verliest. Je moet ook zorgen dat je kunt blijven inspelen op de ontwikkelingen die zich in de samenleving voordoen. Je moet je eens voorstellen: we proberen onze kinderen voor te bereiden op hun toekomst; ze beginnen op hun 4de aan het onderwijs maar die toekomst in de samenleving begint pas twintig jaar later als ze het onderwijs verlaten. Of zestien jaar later, maar in ieder geval een hele tijd later. Probeer het je eens voor te stellen. Als je even terugdenkt: hoe zouden wij kinderen aan het begin van deze eeuw hebben moeten voorbereiden op de samenleving zoals die er nu uitziet? Je zou niet weten waar je moest beginnen. Er is zo veel gebeurd. Dat vraagt een zekere flexibiliteit. Het is echt een illusie om te denken dat je kinderen, als ze starten in het onderwijs, kunt voorbereiden op de samenleving die zich twintig jaar later heeft ontwikkeld. Daar moeten we dus heel terughoudend in zijn.
Tegelijk moeten we ze kennis en vaardigheden meegeven die een soort eeuwigheidswaarde hebben, zou ik zeggen. Dat zijn nu de basisvaardigheden. Ook in de Tweede Kamer hebben we een enorme strijd moeten voeren om die terug te brengen naar de kerndoelen. Het was een hele grote politieke wens om alles en nog wat basisvaardigheden te noemen, maar ik ben heel blij dat ervoor gekozen is dat dat taal en rekenen zijn. Dat zijn de vaardigheden die je, ongeacht wat er in de samenleving gaat gebeuren, vooral nodig hebt om je te redden. Natuurlijk zal je in de loop van je onderwijsloopbaan steeds dichter komen bij die samenleving waar je uiteindelijk in terechtkomt. Dan krijg je prachtig beroepsonderwijs et cetera, maar we hebben het nu over het basisonderwijs. Wat moeten de kinderen kennen en kunnen? Ze moeten vooral kunnen lezen, schrijven en rekenen. Dat is het allerbelangrijkste.
Ook moeten we proberen ze al jong op te voeden in het omgaan met verschillen. Ik heb het net in het interruptiedebatje met de heer Kemperman al gezegd. Dat is waar voor mij burgerschap over gaat. Daar heb ik eigenlijk maar één vraag over. Die gaat over het onderwerp waar ik met de heer De Vries over sprak. Ook na zijn antwoord, kan ik toch nog steeds niet helemaal begrijpen waarom de kerndoelen zich niet richten op de schoolcultuur. Je zou kunnen zeggen dat dat een opdracht is aan de school, maar die school bestaat ook uit kinderen. Waarom kunnen we niet ook kerndoelen bedenken, zou ik haast zeggen, die gaan over hoe leerlingen onderdeel worden van die democratische cultuur die de school zou moeten zijn? Een voorbeeldsamenleving is het idee. Niet een voorbeeldsamenleving waarin opvattingen allemaal vastliggen, maar juist een voorbeeldsamenleving van een omgeving waarin opvattingen verschillen en waarin je probeert daar op een democratische manier mee verder te komen. Ik denk dat dat ook iets van leerlingen vraagt, meer dan alleen maar de kennis dat de democratische rechtsstaat er is. Je moet er een oefenplaats van maken. Als er geoefend wordt, mag je ook iets vragen. Ziet de staatssecretaris toch nog mogelijkheden om ook dat tweede deel van de burgerschapsopdracht, betreffende de schoolcultuur, in kerndoelen te vatten?
De heer Rietkerk i (CDA):
Toch een vraag om wat wijsheid toe te voegen in de interruptie. De heer Van Meenen heeft een aantal interrupties gepleegd over wat onze taak is en wat er wel of niet bij het wetsvoorstel zou horen. Wij kijken naar het wetsvoorstel en onze taak betreft de handhaafbaarheid, de kwaliteit van wetgeving en ook de uitvoerbaarheid. Ik ben dan nieuwsgierig naar het antwoord van de heer Van Meenen op de vraag: waar zit het haakje om een beleidsthema toe te voegen? Is dat niet meer werk voor de Tweede Kamer dan voor de Eerste Kamer?
De heer Van Meenen (D66):
Dat vind ik ook, maar hier zit mijn geschiedenis mij misschien een beetje in de weg. Destijds heb ik ook de behandeling van de burgerschapsopdracht, de wet uit 2021, mogen doen. Daar zat die tweedeling in. Aan de ene kant ga je kinderen een aantal dingen leren over de democratische rechtsstaat en over de samenleving waarin zij verkeren, en aan de andere kant probeer je van die school een soort oefensamenleving te maken. Dat was het idee van die wet. Het is ingewikkeld en voor je het weet ontstaat er spanning met artikel 23 — dat begrijp ik allemaal wel — maar we zijn eruit gekomen en dat is het geworden. Alleen zeggen we dan over het onderwijsdeel, bijvoorbeeld over het leren wat de Eerste Kamer doet, dat we het in kerndoelen vatten. Maar als het gaat over de schoolcultuur doen we dat niet. Daar zit het haakje. Ik heb het ook gemist in de behandeling door de teerbeminde collega's aan de overkant, maar we zijn hier ook juist om de uitvoering te optimaliseren. Ik denk dat het er beter van wordt als we daar ook aandacht aan besteden. Dat is het haakje.
De heer Rietkerk (CDA):
Dan gaat het in mijn hoofd heen en weer, want het debat in de Tweede Kamer is inderdaad afgerond, zoals de heer Van Meenen aangaf. Dat betekent dat wij hier een oordeel geven over niet alleen dat spoor van de schoolcultuur, maar gewoon over het eerste spoor. We moeten elkaar een beetje helpen om het debat hier te voeren over de zaken die hier nog aan de orde zijn en niet over zaken die nu worden toegevoegd. Zo zie ik de interrupties van de heer Van Meenen. Wat mij betreft kan het daar ook wel mee afgerond zijn.
De voorzitter:
Dank u wel.
De heer Van Meenen (D66):
Ik begrijp de zuiverheid die de heer Rietkerk betracht. Daar is hij de ene keer sterker in dan de andere keer, zoals wij allemaal, denk ik. Maar toch, ziet de staatssecretaris die mogelijkheden? Het kan zijn dat zij zegt: in de Tweede Kamer begonnen ze hier niet over, dus dat moeten wij ook maar niet doen. Daar gaat het mij niet om. Het gaat haar — tenminste, dat denk ik en ik ken haar al heel lang — en mij erom dat we het beste voor die kinderen doen. Ik kan mij wel voorstellen dat we daar toch op de een of andere manier via een algemene maatregel van bestuur aandacht aan besteden. Of dat je wellicht toch nog iets anders moet doen bij een herziening of wat dan ook. Ik hoor het graag.
De voorzitter:
Dank u wel. Wenst een van de leden in de eerste termijn nog het woord? Dat is niet het geval. De staatssecretaris heeft aangegeven dat zij veertig minuten nodig heeft. Ik geef haar iets minder dan veertig minuten. We schorsen tot 16.30 uur.