Behandeling Wet herziening wettelijke grondslagen kerndoelen



Verslag van de vergadering van 26 mei 2026 (2025/2026 nr. 30)

Aanvang: 13.52 uur

Status: ongecorrigeerd

Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.


Aan de orde is de behandeling van:

  • het wetsvoorstel Wijziging van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op het primair onderwijs BES, de Wet op de expertisecentra, de Wet voortgezet onderwijs 2020 en de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek in verband met de herziening van de wettelijke grondslagen van de kerndoelen met focus op lezen, schrijven en rekenen (Wet herziening wettelijke grondslagen kerndoelen) (36699).

Bekijk de video van deze spreekbeurt

De voorzitter:

Ik heropen de vergadering. Aan de orde is de eerste termijn van de Kamer van de behandeling van wetsvoorstel 36699, Wijziging van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op het primair onderwijs BES, de Wet op de expertisecentra, de Wet voortgezet onderwijs 2020 en de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek in verband met de herziening van de wettelijke grondslagen van de kerndoelen met focus op lezen, schrijven en rekenen (Wet herziening wettelijke grondslagen kerndoelen). Ik heet de staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie van harte welkom in de Eerste Kamer.

De beraadslaging wordt geopend.

De voorzitter:

Ik geef graag het woord aan mevrouw Roovers. Zij spreekt namens GroenLinks-PvdA en ook mede namens de fracties van SP, Volt, Visseren-Hamakers en Partij voor de Dieren.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

Mevrouw Roovers i (GroenLinks-PvdA):

In het kader van de transparantie wil ik vooraf even melden dat ik voor een klein deel van mijn tijd werkzaam ben in het onderwijs, te weten als docent aan de Universiteit van Amsterdam alsook aan die van Rotterdam.

Voorzitter. Zoals gezegd tijdens het debat mag ik mede het woord voeren namens de fracties van SP, Volt, Partij voor de Dieren en Visseren-Hamakers. Voordat ik aan de behandeling van de Wet herziening wettelijke grondslagen kerndoelen begin, wil ik u kort meenemen naar de ervaringen van meester Staal, een ervaren onderwijzer die in Theo Thijssens roman De gelukkige klas verslag doet van een schooljaar met de vierde klas. We zouden nu groep 6 zeggen. Bij de start van het schooljaar hebben leraren een nieuwe instructie gekregen. Ze moeten vanaf dan een register bijhouden, waarin van week tot week wordt aangetekend wat ze behandelen en hoe de vorderingen van de leerlingen zijn. Naast het register komt er ook een klassenschrift, waarin telkens een andere leerling werk maakt, en ook nog een dagboek. "Allemaal papier, papier, papier", verzucht een van de collega's. De leraren overleggen onderling hoe ze de autoriteiten buiten de deur en tegelijkertijd tevreden kunnen houden. Een van hen heeft de registratie van de komende maand al ingevuld, nog voordat er een dag van die maand verstreken is. Het hele jaar door worstelt meester Staal met zijn verplichte administratie, die hij maar niet onder de knie krijgt. De administratie wordt een doel op zich, wat tot hilarische en soms herkenbare taferelen leidt.

De verhouding tussen het onderwijs en de steeds weer nieuwe eisen van "de autoriteiten", zoals Thijssen ze noemt, vraagt om een subtiele balans tussen de doelen van het onderwijs, het belang van het kind en de praktijk van de leraar. De wet die we vandaag bespreken, balanceert precies op dat punt. Wat willen we onze kinderen meegeven? Hoe kunnen we dat wettelijk verankeren? En wat is hierin precies de rol van de school? De wet is een herziening van 20 jaar geleden vastgestelde kerndoelen. Het is naar het idee van onze fractie goed dat deze kerndoelen nu opnieuw worden geijkt en aangepast. De wetenschap, de wereld en de samenleving zijn in 20 jaar nogal veranderd. Het is goed dat het onderwijs daarin meebeweegt.

Kort en goed gaat het om meer concrete focus op de kerndoelen lezen, schrijven en rekenen. Daar komen twee nieuwe doelen bij: digitale geletterdheid en burgerschap. Onze fractie steunt de lijn van de wetswijziging, al hebben wij nog een aantal vragen. Ze gaan over drie onderwerpen: burgerschap, lezen en het lerarentekort.

Ik wil beginnen bij het onderdeel burgerschap. Daarvoor bestaat er al twintig jaar een wettelijke opdracht. Niettemin blijkt dat kinderen in Nederland in vergelijking met de landen om ons heen ruim onder het gemiddelde scoren op het gebied van burgerschapsonderwijs en kennis van de rechtsstaat en democratie. Sterker nog, dit is sinds de voorlaatste meting in 2016 verder achteruitgegaan. Er zijn grote verschillen tussen scholen onderling, maar gemiddeld genomen blijkt dat leraren in Nederland relatief weinig aandacht besteden aan politieke en maatschappelijke vragen. Wij hebben hierover de volgende vragen. Wat zijn volgens de staatssecretaris de onderliggende redenen voor deze slechte en ook teruglopende prestaties? Wat hebben docenten nodig om hier verandering in aan te brengen? Welke instrumenten heeft de staatssecretaris om hier verbetering in aan te brengen? Welke verbetering wil zij de komende jaren zien? Wanneer is zij tevreden hierover?

De cijfers die ik net noemde, gaan over burgerschap in het voortgezet onderwijs, dus leerlingen van circa 14 jaar. Maar deze wetswijziging gaat ook over burgerschap in het primair onderwijs. Onze vragen daarover zijn als volgt. Heeft de staatssecretaris een beeld van de effecten van de burgerschapsopdracht in het primair onderwijs? Wat houdt dat eigenlijk in op dat niveau? En hoe gaat ze dat evalueren? Welke instrumenten heeft ze om vast te stellen of deze lesprogramma's al of niet succesvol zijn?

Ten tweede wil ik aandacht vragen voor de "leescrisis", zoals die wel genoemd wordt. Overigens wordt tegenwoordig zo ongeveer alles een crisis genoemd. We kunnen de krant niet openslaan of er is weer ergens een crisis. De Raad voor het Openbaar Bestuur adviseerde in 2022 om een onderscheid te maken tussen echte "crisis-crises", dus problemen die van buitenaf onverwacht op ons dak komen, zoals de coronacrisis, en maatschappelijke problematiek die zich allang laat aankondigen, gewoon omdat we het probleem verwaarloosd hebben. Dat zijn geen crises, maar maatschappelijk verwaarloosde problemen. Ik denk dan ook dat we misschien niet over de leescrisis zouden moeten spreken, maar over het lang verwaarloosde probleem dat lezen heet. Kortweg noemt men het "leescrisis", maar die crisis komt niet helemaal onverwacht.

Ook hier hetzelfde beeld. Nederland scoort onder gemiddeld qua prestaties en ver onder gemiddeld wat betreft leesplezier. Die twee hangen natuurlijk samen. Ook hier is de trend neerwaarts. Het is dan ook niet meer dan terecht dat in deze wetswijziging de focus op lezen, schrijven en rekenen aangescherpt is, zowel als specifiek aandachtsgebied als in samenhang met andere zaakvakken. Niettemin meent de Raad van State dat de wet niet duidelijk genoeg is en vraagt de Raad van State de staatssecretaris "wat ervoor nodig is om deze vaardigheden te laten doorwerken in het herziene curriculum".

Het is van belang, denk ik, het hier niet te laten bij mooie woorden alleen, of bij papier, papier, papier, maar ook boter bij de vis te willen, of — u weet dat ik ook spreek namens collega Visseren-Hamakers, dus ik neem de volgende suggestie in haar comments dankbaar van haar over — olie bij de tofu. Binnenkort verschijnt er van een van de aanwezigen ook een boek onder die titel, heb ik mij laten vertellen.

Over het verwaarloosde probleem dat lezen heet, heb ik nog de volgende vragen aan de staatssecretaris. Heeft zij een duidelijk beeld van wat ervoor nodig is om deze sterkere focus op lezen in de kerndoelen ook daadwerkelijk te laten doorwerken in het curriculum? Welke initiatieven neemt de staatssecretaris in de komende tijd om scholen en leraren concreet te ondersteunen bij het beter uitvoeren van deze doelstellingen?

De daling van de leesvaardigheid geldt over de hele linie, maar het zal niet verbazen dat dit het sterkst geldt in bepaalde onderwijssectoren, namelijk het vmbo en het praktijkonderwijs. Een veelgenoemde oorzaak hiervoor, en ook voor de verdieping van dit probleem, is de vroege selectie in het Nederlandse onderwijs. PISA stelt vast dat in landen waar leerlingen op jonge leeftijd worden ingedeeld op onderwijsniveaus, de leesvaardigheid lager ligt dan in landen waarin dat niet gebeurt, of later gebeurt.

Ik heb hierover een vraag aan de staatssecretaris. Als vroege selectie een van de onderliggende oorzaken is van de slechte prestaties, dan is het afschaffen van de toelage voor de brede brugklassen, zoals opgenomen in de begroting OCW van 2026, het paars achter de wagen spannen. Weer zo'n dierenmetafoor, maar daar heb ik geen alternatief voor aangeleverd gekregen; dat komt misschien nog. Hoe kijkt de staatssecretaris hiernaar? Gaat zij werk maken van het herstel van de brede brugklas en van de bijbehorende financiering? Wat kan de staatssecretaris doen om de breuk die nu dreigt te ontstaan in deze ontwikkeling te dichten? En misschien nog iets breder: hoe kijkt de staatssecretaris naar het Nederlandse systeem van vroege selectie in het onderwijs?

Dat brengt mij bij mijn laatste punt: het lerarentekort. Dat valt natuurlijk strikt genomen buiten het bestek van deze wet, maar het is wel cruciaal voor het al of niet behalen van de doelen die de wet stelt. Zonder goede en gemotiveerde leraren voor de klas kun je doelen formuleren wat je wil, maar het blijft allemaal papier, papier, papier. Ik maak dus van de gelegenheid gebruik om daarover een paar vragen te stellen.

Onze fractie is zich ervan bewust dat er allerlei beleid wordt ontwikkeld om meer leraren te werven in het primair en voortgezet onderwijs en dat er inmiddels een heus dashboard bestaat, maar een nieuwe zorg is dat de uitstroom van leraren sinds 2025 weer toeneemt. Het aantal leraren met een WW-uitkering neemt toe, onder andere vanwege het aflopen van de NPO-gelden. Dan kun je natuurlijk aan de voordeur wel extra instroom realiseren, maar als er evenveel leraren door de achterdeur vertrekken, heb je nog helemaal niets opgelost. Onze vragen: heeft de staatssecretaris een goed beeld van de oorzaken van de toenemende uitstroom van leraren? Welke maatregelen heeft zij in gedachten om dit een halt toe te roepen? Wij horen daarop graag een reactie van de staatssecretaris.

Voorzitter. Ik heb in de afgelopen tien minuten een aantal taaie vraagstukken uit het onderwijs aan de orde gesteld en ik hoop dat de staatssecretaris die kan voorzien van concrete en kansrijke antwoorden.

Ik wil graag eindigen on a positive note, in goed Nederlands, met de slotwoorden uit De gelukkige klas, waarin meester Staal aan het eind voor zichzelf de balans opmaakt en in zijn dagboek opschrijft. Ik weet dat in ieder geval de voorzitter deze woorden zal kunnen waarderen. Thijssen schrijft het volgende. "M'n heerlijke, lieve, lastige stel, ik weet eigenlijk maar één ding: de jaar of wat, dat ik jullie heb en dat jullie mij hebben, behoren wij enkel maar een gelukkige klas te zijn. En de rest is nonsens hoor, al zou ik dat jùllie nooit zeggen."

Het is geen serieus wetsvoorstel, maar in het kader van het bevorderen van het leesplezier kan ik Thijssen zeer aanraden. Wij kijken uit naar de antwoorden van de staatssecretaris.

De voorzitter:

Ik dank u wel. Dan geef ik graag het woord aan de heer De Vries van de fractie van de SGP.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer De Vries i (SGP):

Dank, voorzitter. Ik wil vooraf graag alvast collega Musa succes wensen straks bij het uitspreken van haar maidenspeech. Ik kan haar niet feliciteren, want dan ben ik al geweest, dus ik doe dat nu alvast eventjes.

Even in reactie op collega Roovers. Toen ik in 1982 begon als leraar, ben ik in hetzelfde jaar ontslagen omdat er een overschot aan docenten was. Mijn bijdrage aan het onderwijs is dus geweest dat ik heb geholpen het overschot aan docenten om te zetten in een tekort.

Voorzitter. Ik ga het voornamelijk hebben over de kerndoelen voor digitale geletterdheid en burgerschap. Ik zal het lezen, schrijven en rekenen dus laten liggen. Enkele weken geleden werden er door artificiële intelligentie gegenereerde deepfakevideobeelden verspreid, die een totaal misvormd beeld van de Holocaust toonden. Onze Tweede Kamerfractie heeft een motie ingediend die beoogt het maken van zulke beelden strafbaar te stellen. Dat lijkt ook ons een goede zaak, maar het is zeker niet de hele oplossing van het probleem. Het zou namelijk een hele winst zijn als er een generatie opgroeit die in staat is om kritisch naar dat soort beelden te kijken.

Dan zitten we midden in wat in het wetsvoorstel "digitale geletterdheid" heet. Dat is het vermogen om verantwoord om te gaan met toepassingen en uitingen van digitale technieken zoals deepfakebeelden, zodat die beelden minder kans op succes hebben. Dat is van groot maatschappelijk belang. Daarom staat onze fractie positief tegenover dat onderdeel van het wetsvoorstel. Wanneer we kijken naar de conceptkerndoelen die zijn opgesteld door de Stichting Leerplanontwikkeling zien we dat de voorgestelde kerndoelen recht doen aan de vrijheid van scholen om zelf duiding te geven aan de ontwikkeling van zulke digitale technologieën.

Zo wordt er bijvoorbeeld bij het onderwerp artificiële intelligentie niet een bepaald mensbeeld opgedrongen aan scholen. Het staat scholen vrij om te kiezen tussen een wereldbeeld waarin mensen slechts bestaan uit materie en dus eigenlijk al aan robots gelijk zijn, en onze intelligentie geen andere basis heeft dan onze hersenen, of een wereldbeeld waarin de mens een uniek schepsel is dat een ziel heeft, waardoor het vrije beslissingen kan nemen en daarom verantwoordelijk kan worden gehouden voor zijn daden, in tegenstelling tot artificiële intelligentie. Kan de staatssecretaris bevestigen dat wij in die conceptdoelen inderdaad die inhoudelijke vrijheid zien?

Voorzitter. Voor onze fractie was de vrijheid van onderwijs meer een punt van zorg bij het andere belangrijke onderdeel van het wetsvoorstel, namelijk de kerndoelen voor burgerschap. Overigens zien wij wel een zekere relatie tussen digitale geletterdheid en burgerschap, in die zin dat digitale geletterdheid met enig recht best wel onderdeel genoemd zou kunnen worden van goed burgerschap, evenals trouwens wetenschappelijke geletterdheid, het vermogen om als burger kaas te maken van de soms tegenstrijdige uitkomsten van wetenschap. Onze fractie onderschrijft het belang van kerndoelen voor het leergebied burgerschap niet minder dan dat voor digitale geletterdheid.

Voor wat betreft de burgerschapsopdracht hebben we best wat schriftelijke vragen moeten stellen om helderheid te krijgen over de ruimte die er blijft voor het levensbeschouwelijke grondslag van een onderwijsinstelling, in combinatie met de nieuwe kerndoelen. Hier speelt met name de relatie tussen de kerndoelen en de in 2021 al aangenomen burgerschapsopdracht. Tijdens de behandeling van dit wetsvoorstel in de Tweede Kamer heeft de staatssecretaris al met zo veel woorden gezegd dat de kerndoelen een uitwerking van het onderwijsinhoudelijk deel van de wettelijke burgerschapsopdracht vormen. Onze fractie heeft kennisgenomen van de conceptkerndoelen voor burgerschap zoals die door de Stichting Leerplanontwikkeling zijn opgesteld. Het is ons duidelijk dat die, net als de kerndoelen voor digitale geletterdheid, niet een bepaalde ideologie aan de scholen opdringen, maar duidelijk de vrijheid laten om met inachtneming van de burgerschapsopdracht een eigen onderwijskundige en levensbeschouwelijke duiding te geven aan die kerndoelen. Dat beoordelen wij als positief. We vragen aan de staatssecretaris of wij ook hier op de juiste wijze de conceptkerndoelen lezen en of die ruimte daar inderdaad in aanwezig is.

Voorzitter. Het is goed om te zien dat met de conceptkerndoelen zoals ze nu zijn geformuleerd een breed curriculum aan leerlingen kan worden aangeboden. De koppeling met de burgerschapsopdracht geeft ons echter wel enige zorg met betrekking tot de handhaving van de combinatie van burgerschapsopdracht en kerndoelen. Een onderzoek dat twee jaar geleden is uitgevoerd door hoogleraar Renée van Schoonhoven van de Vrije Universiteit Amsterdam, heeft namelijk aangetoond dat de inspectie bij de handhaving van de burgerschapsopdracht regelmatig verder gaat dan wat er in de wetstekst voorgeschreven wordt. Er worden volgens dit onderzoek aanzienlijk meer herstelopdrachten aan scholen opgelegd dan strikt genomen door de burgerschapsopdracht gerechtvaardigd worden. Het meerdere dat door de inspectie geëist wordt, schuurt nogal eens met de vrijheid van onderwijs, omdat het vaak beoogt om een zekere levensbeschouwing toch impliciet aan die scholen op te dringen.

Als de kerndoelen hier versterkend gaan werken, dan is het des te meer van belang dat de inspectie zich echt beperkt tot wat wettelijk wordt voorgeschreven in de burgerschapsopdracht, en straks ook in de kerndoelen. Onze vraag aan de staatssecretaris is daarom: is de staatssecretaris bekend met het genoemde onderzoek, dat overigens ook door andere signalen uit de praktijk bevestigd wordt? Is de staatssecretaris het met onze fractie eens dat de inspectie zich heeft te beperken tot wat in de wet voorgeschreven wordt, en zich heeft te onthouden van allerlei toevoegingen, zeker als die een levensbeschouwelijke kleuring krijgen? Welke waarborgen stelt de staatssecretaris dat onderwijsinstellingen, uiteraard binnen de kaders van de burgerschapsopdracht, de vrijheid behouden om het onderwijsprogramma breed in te vullen naar de identiteit van de school? En ten slotte: hoe gaat de regering erop toezien dat de inspectie zich bij haar werk houdt aan die wetstekst en daar geen oneigenlijke uitbreiding aan gaat geven?

Voorzitter. Onze fractie ziet uit naar de beantwoording van onze vragen.

De voorzitter:

Ik dank u wel. U heeft een vraag van de heer Van Meenen van D66.

De heer Van Meenen i (D66):

Over het punt dat de inspectie zich moet houden aan datgene wat in de wet staat, hebben de SGP en D66 ooit nog eens een mooi initiatiefwetsvoorstel door deze Kamer gekregen. Dat kan ik dus alleen maar onderstrepen. Mijn vraag gaat over die burgerschapsopdracht, dus die wet uit 2021, die eigenlijk — ik zeg het even simpel — twee dingen onderschrijft: het onderwijs in burgerschap, dus bijvoorbeeld over hoe de rechtsstaat in elkaar zit, en de schoolcultuur. We zien nu in dit wetsvoorstel dat die schoolcultuur eigenlijk buiten beschouwing wordt gelaten, met een verwijzing naar de onderwijsvrijheid. Hoe kijkt de heer De Vries daarnaar?

De heer De Vries (SGP):

Ja, dat klopt. Vandaar dat die kerndoelen worden gesteld, als een uitwerking van dat eerste. Dat die schoolcultuur belangrijk is, onderschrijven we natuurlijk helemaal, maar dat is in dit wetsvoorstel niet aan de orde. Het gaat ons erom dat die kerndoelen versterkend zouden kunnen werken op de inspectie, als die bij die burgerschapsopdracht al wat uitgebreider te werk gaat en dan misschien in de kerndoelen een mooie aangelegenheid ziet om daar ook nog een tandje hoger te gaan.

De heer Van Meenen (D66):

Ja, als u mij toestaat, voorzitter … Dat is niet helemaal een antwoord op mijn vraag. In de wet zoals die nu voorligt, staat eigenlijk expliciet: we gaan voor die schoolcultuur geen kerndoelen formuleren. Dan doe je eigenlijk op dat vlak niets met de burgerschapsopdracht die in de oorspronkelijke wet zit. Dat begrijp ik niet. Ik begrijp niet waarom je niet iets zou kunnen zeggen over de schoolcultuur, bijvoorbeeld. Het was destijds bij de behandeling van die wet in 2021 zo dat de school als het ware een kleine samenleving is waar je leert met respect met elkaar om te gaan, verschillen van opvatting te beslechten door met elkaar te praten et cetera. Daar kun je toch echt prima kerndoelen aan verbinden, zou ik zeggen. Wat vindt de heer De Vries?

De heer De Vries (SGP):

Volgens mij hebben kerndoelen geen betrekking op wat een school moet doen, maar op wat leerlingen moeten kunnen en weten. In die zin is het natuurlijk ook terecht dat het wetsvoorstel hier niet spreekt over de burgerschapsopdracht, want die gaat over de school. Het is helemaal terecht dat de heer Van Meenen zegt dat het doel daarvan is om ervoor te zorgen dat de school een veilige omgeving is waar iedere leerling zich veilig kan voelen. Dat is een hele goede zaak. De kerndoelen — de staatssecretaris heeft dat in de Tweede Kamer ook al gezegd — zijn een soort uitwerking van de onderwijskundige kant daarvan. Als de school een veilige omgeving wil zijn, dan moet dat uiteraard ook een uitwerking hebben op het curriculum. Daar gaan de kerndoelen over. Volgens mij zegt dit wetsvoorstel niks over de schoolcultuur, want kerndoelen gaan over wat leerlingen moeten kunnen en weten.

De voorzitter:

Tot slot, meneer Van Meenen. O, u heeft geen interruptie meer. Dank u wel, meneer De Vries. U was aan het einde van uw betoog. Dan geef ik graag het woord aan mevrouw Musa van de VVD. Zij houdt vandaag haar maidenspeech.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

Mevrouw Musa i (VVD):

Voorzitter. Vandaag bespreken we de Wet herziening wettelijke grondslagen kerndoelen, voor het primair en voortgezet onderwijs. Het is voor mij bijzonder dat ik juist over onderwijs mijn maidenspeech mag houden, omdat onderwijs uiteindelijk de reden is dat ik hier vandaag sta.

Toen ik net werd geïnstalleerd, vroegen collega's mij waar mijn affiniteit met onderwijs vandaan komt en of ik blij was met deze portefeuille. Mijn antwoord daarop is eigenlijk heel eenvoudig: het Nederlandse onderwijs heeft mijn leven veranderd. Mijn ouders kwamen vanuit Pakistan naar Nederland op zoek naar vrijheid, kansen en goed onderwijs voor hun kinderen. Mijn vader was leraar in Pakistan en geloofde heilig in de kracht van onderwijs. Ik ben geboren in Quetta in de provincie Beloetsjistan, vlakbij Afghanistan. De kinderrechten- en vrouwenrechtenactivist en Nobelprijswinnaar Malala Yousafzai groeide op in de Swatvallei in Pakistan. We komen allebei uit tribale regio's waar onderwijs voor meisjes nog altijd niet vanzelfsprekend is. Net als de ouders van Malala geloofden ook mijn ouders sterk in onderwijs voor meisjes. Zij vonden dat dochters dezelfde kansen verdienen als zonen.

Mijn grootouders kwamen oorspronkelijk uit Afghanistan. Daardoor was binnen mijn familie altijd zichtbaar hoe kwetsbaar onderwijs, vrijheid, veiligheid en vrouwenrechten kunnen zijn. Vandaag de dag mogen meisjes daar zelfs helemaal niet naar school. Vanuit Nederlands perspectief is dat nauwelijks voorstelbaar. Juist daardoor besef ik hoe bijzonder het is dat onderwijs voor meisjes en vrouwen in Nederland wel vanzelfsprekend is geworden, mede dankzij hervormingen zoals de Leerplichtwet en pioniers als Aletta Jacobs. Vanuit Rotterdam — ik woon nog altijd met trots in die stad — bouwden mijn ouders hier een nieuw bestaan op. Het was oorspronkelijk niet de bedoeling van mijn ouders om permanent in Nederland te blijven, maar juist de zoektocht naar goed en veilig onderwijs liet hun zien hoe groot het verschil was tussen Nederland en de regio waar wij vandaan kwamen. Voor mijn zus, die geneeskunde wilde studeren, bleken toelatingen afhankelijk van connecties en steekpenningen. Goede scholen waren schaars en vaak onveilig te bereiken. Mijn vader realiseerde zich daardoor steeds hoe sterker bepalend onderwijs en veiligheid voor de toekomst van kinderen zijn, zeker voor meisjes.

Voor liberalen is goed onderwijs misschien wel de belangrijkste motor achter vrijheid, zelfstandigheid, sociale mobiliteit, vooruitgang en welvaart. Onderwijs geeft mensen de mogelijkheid om op eigen benen te staan, verantwoordelijkheid te nemen en hun talenten te benutten. Dat is voor mij geen abstract verhaal: het Nederlandse onderwijs heeft mij kansen gegeven die generaties vrouwen in mijn familie nooit hebben gehad en die sommige vrouwen nog altijd niet krijgen. Juist daarom werd ik al jong actief binnen het LAKS, het Landelijk Aktie Komitee Scholieren, waarin ik deel uitmaakte van het dagelijks bestuur. Daar leerde ik hoe belangrijk goed onderwijsbeleid is voor leerlingen, docenten en de samenleving als geheel.

Voorzitter. Nederland heeft gelukkig nog altijd een sterk onderwijssysteem, maar we zien ook dat basisvaardigheden onder druk staan en dat de wereld sneller verandert dan ons curriculum jarenlang heeft gedaan. Twintig jaar lang zijn de kerndoelen nauwelijks aangepast, terwijl de samenleving ingrijpend veranderde. Juist daarom is deze wet belangrijk. Het is positief dat er eindelijk meer duidelijkheid komt over wat leerlingen moeten kennen en kunnen. Vanuit het onderwijsveld klinkt al jarenlang de roep om meer helderheid over het curriculum en over wat er inhoudelijk van scholen wordt verwacht. Met deze wet wordt daarin een belangrijke stap gezet. Ook waardeert de VVD-fractie dat deze herziening samen met leraren, scholen, experts, maatschappelijke organisaties en leerlingenorganisaties tot stand is gekomen. Dat brede draagvlak is essentieel.

Deze wet richt zich op de vraag welke kennis en vaardigheden wij leerlingen in de kern willen meegeven. Wat de VVD-fractie betreft moeten scholen duidelijke kaders krijgen, maar ook voldoende professionele ruimte behouden. In Nederland schrijft de overheid, mede vanwege artikel 23 van de Grondwet, niet volledig voor hoe onderwijs gegeven moet worden. Daarom werken we met kerndoelen, die richting geven, terwijl scholen ruimte houden voor hun eigen invulling. Juist die balans tussen heldere verwachtingen van de overheid en professionele vrijheid voor scholen past bij ons onderwijsstelsel. Dat begint bij sterke basisvaardigheden. Lezen, schrijven en rekenen vormen de basis voor verdere ontwikkeling, maatschappelijke participatie en economische zelfstandigheid.

Daarnaast is het logisch dat thema's als digitale geletterdheid en burgerschap steviger worden verankerd. Kinderen groeien op in een samenleving waarin onlinebeïnvloeding, desinformatie, algoritmes en sociale media een steeds grotere rol spelen. Digitale weerbaarheid is daarom minstens zo belangrijk geworden als digitale vaardigheden. Vindt de staatssecretaris dat digitale weerbaarheid binnen de nieuwe kerndoelen voldoende expliciet en concreet wordt verankerd? Tegelijkertijd moeten we eerlijk zijn: meer aandacht en investeringen leiden niet automatisch tot betere prestaties. Ondanks jarenlange inzet zien we dat basisvaardigheden nog steeds onder druk staan. Dat vraagt niet alleen om extra middelen, maar ook om duidelijke keuzes, realistische verwachtingen en blijvende focus op kwaliteit in de klas.

Voorzitter. De Eerste Kamer toetst wetsvoorstellen niet alleen op wenselijkheid, maar ook op kwaliteit, uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid. Juist bij een omvangrijke curriculumherziening zijn dat relevante vragen. Daarbij rijst de vraag in hoeverre scholen en onderwijsprofessionals voldoende zijn toegerust om met deze vernieuwde kerndoelen aan de slag te gaan. De kerndoelen zijn immers jarenlang grotendeels hetzelfde gebleven. Is er voldoende expertise aanwezig binnen scholen en lerarenopleidingen? Hoe ondersteunt het ministerie onderwijsprofessionals hierbij via flankerend beleid en praktische ondersteuning?

Daarnaast heeft de VVD een vraag over de structurele actualisering van de kerndoelen. De samenleving verandert voortdurend, net als de kennis en vaardigheden die wij van belang vinden voor nieuwe generaties. Hoe wordt geborgd dat kerndoelen voortaan periodiek worden herijkt en geactualiseerd? Hoe wordt de betrokkenheid van onderwijsprofessionals en het onderwijsveld daarbij structureel verankerd?

In Nederland kennen wij vrijheid van onderwijs als een belangrijk constitutioneel uitgangspunt. Dat betekent dat scholen de ruimte hebben om zelf invulling te geven aan het onderwijs. Tegelijkertijd mag die vrijheid nooit ten koste gaan van de vrijheid en veiligheid van het individuele kind. School moet een plek zijn waar leerlingen zich vrij en veilig kunnen ontwikkelingen, ongeacht afkomst, geloof, geslacht of geaardheid. Dat hoort bij de waarden van onze democratische rechtsstaat. Er mag geen ruimte zijn voor discriminatie of uitsluiting, ook niet wanneer die wordt gelegitimeerd vanuit religieuze overtuigingen. Leerlingen moeten zichzelf kunnen zijn. Een jongen moet verliefd kunnen worden op een jongen en meisjes, ook meisjes met een migratieachtergrond, moeten zelf baas kunnen zijn over hun kleding, hun toekomst, en op wie zij verliefd worden. Kan de staatssecretaris toelichten hoe binnen de nieuwe kerndoelen aandacht wordt besteed aan de praktische betekenis van grondrechten, gelijkwaardigheid en individuele vrijheid? Hoe wordt ervoor gezorgd dat leerlingen niet alleen leren dat grondrechten bestaan, maar ook begrijpen dat die rechten ook daadwerkelijk voor henzelf gelden?

Voorzitter. Goed onderwijs begint niet pas in de klas. We weten inmiddels dat kansenongelijkheid vaak al op jonge leeftijd ontstaat. Tegelijkertijd moeten we realistisch blijven: geen enkele overheid kan alle verschillen in de samenleving volledig wegnemen. Een vrije samenleving moet kinderen echter wel de kans geven om hun talenten te ontwikkelen en volwaardig mee te doen. Daarom is het verstandig om serieus te blijven kijken naar voorschoolse educatie, taalontwikkeling en ouderbetrokkenheid. De voorganger van deze staatssecretaris, Mariëlle Paul, heeft bijvoorbeeld onderzoek laten doen naar de vraag of de leerplichtleeftijd mogelijk naar 4 jaar zou moeten gaan. Dat traject loopt nog. Tegelijkertijd moeten we steeds zorgvuldig de balans bewaken tussen kansengelijkheid, ouderlijke vrijheid en de verantwoordelijkheid van de overheid.

De VVD-fractie vindt daarnaast dat we realistisch moeten blijven over wat we van onderwijs verwachten. Onderwijs is van enorme waarde, maar niet ieder maatschappelijk probleem kan door scholen worden opgelost. Opvoeding, normoverdracht en weerbaarheid beginnen uiteindelijk allereerst thuis. Ook ouders dragen daarin hun verantwoordelijkheid.

Voorzitter. Onderwijs heeft mijn leven veranderd. Het gaf mij vrijheid, kansen en uiteindelijk de mogelijkheid om hier vandaag te staan. Juist daarom moeten wij blijven investeren in sterk onderwijs, duidelijke kerndoelen en sterke basisvaardigheden, niet alleen voor kinderen die vanzelf meekomen, maar juist ook voor kinderen die thuis minder kansen krijgen. Goed onderwijs blijft uiteindelijk de krachtigste motor voor emancipatie, zelfstandigheid en kansen, want uiteindelijk bepaalt goed onderwijs niet alleen de toekomst van een kind, maar ook de kracht en welvaart van het land.

Dank u wel.

De voorzitter:

Ik dank u wel.

(Geroffel op bankjes)

De voorzitter:

Mevrouw Musa, blijft u staan. Mijn hartelijke gelukwensen met uw maidenspeech. Graag schets ik iets over uw achtergrond. U bent geboren in Pakistan en kwam als baby naar Nederland. Na de middelbare school ging u rechten studeren. U stopte met die studie toen u trouwde. U werd mishandeld en besloot te scheiden van uw echtgenoot. Een ontbinding van het burgerlijk huwelijk was geen probleem, maar het islamitische huwelijk kon niet ontbonden worden. U zat gevangen.

Terug in de universiteitsbibliotheek ontdekte u jurisprudentie van de Hoge Raad uit 1982, waarin huwelijkse gevangenschap werd veroordeeld. Met deze uitspraak ging u naar de rechter en werd u in het gelijk gesteld. Overigens komt het begrip "huwelijkse gevangenschap" van u. Het vormt de basis voor de organisatie Femmes for Freedom, die u oprichtte en waarvan u de directeur bent. Met Femmes for Freedom helpt u andere vrouwen die in vergelijkbare situaties zitten. U zet zich in voor vrouwenrechten in Nederland en ook internationaal. In 2013 kreeg u de Aletta van Nu Prijs en vorige maand ontving u in New York de Global Leadership Award.

Aan de Volkskrant vertelde u in 2018 dat uw vader zijn kinderen voorhield dat de juiste mentaliteit je ver kon brengen, ook als vrouw. "Kijk maar naar Indira Gandhi en Benazir Bhutto", zei hij tegen u. En Benazir Bhutto, de oud-premier van Pakistan, is uw politieke voorbeeld geworden. Met uw werk geeft u invulling aan haar woorden: "Je kunt een mens opsluiten, maar een idee niet. Je kunt een mens verbannen, maar een idee niet. Je kunt een mens doden, maar een idee niet."

U lobbyde lang voor het tegengaan van huwelijkse gevangenschap. Daarvoor kwam u ook naar de Eerste Kamer toen in deze zaal een wetsvoorstel werd behandeld dat dat regelt. Tijdens de stemming in februari 2023 zat u op de publiekstribune en zag u dat het wetsvoorstel met algemene stemmen werd aanvaard. En vandaag staat u hier, op het spreekgestoelte, als lid van de Eerste Kamer.

Nogmaals van harte gefeliciteerd met uw maidenspeech. Ik geef de collega’s de gelegenheid u te feliciteren, maar ik mag u als eerste feliciteren. Ik verzoek u zich op te stellen voor het rostrum voor de felicitaties.

Ik schors de vergadering.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De voorzitter:

Ik heropen de vergadering. Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van het wetsvoorstel Wet herziening wettelijke grondslagen kerndoelen. Ik geef graag het woord aan de heer Walenkamp van de Fractie-Walenkamp.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Walenkamp i (Fractie-Walenkamp):

Dank u wel, voorzitter. Er is veel talent in Nederland. Beter onderwijs in Nederland is van levensbelang. Allereerst is een hartelijke felicitatie op zijn plaats aan collega Musa van de VVD, die zojuist haar prachtige maidenspeech heeft gehouden. Vanwege haar ervaring, kennis en netwerk in het onderwijs hebben wij hoge verwachtingen van haar en haar inbreng de komende jaren in onze Kamer. Succes daarmee.

Voorzitter. Vooraf: als leraar ben ik zeer betrokken bij het onderwijs. Ik heb verder geen zakelijke belangen. Voor ons ligt de Wet herziening wettelijke grondslagen kerndoelen voor het primair, voortgezet en speciaal onderwijs. Hier staat veel op het spel. Het is alweer een kwart eeuw geleden dat de vorige versie werd vastgesteld. Het is dus een noodzakelijke herijking. Alle Nederlanders hebben te maken met onderwijs. Er staat genoeg op het spel.

Mijn vragen en suggesties zal ik puntsgewijs behandelen. Mijn kritiek richt zich voornamelijk op twee punten, het gebrek aan concrete objectieve normering en de angst voor een verdere uitholling van de basisvaardigheden. Het is een pleidooi voor een strikte focus op de kern.

1. Het belangrijkste bezwaar: onvoldoende harde, objectieve, heldere, toetsbare eisen. Leerlingen moeten minimaal deze kennen, kunnen en weten. Deze kunnen steviger en dwingender in de wet worden verankerd. De voorgestelde kerndoelen zijn nu vaak te abstract en te vrijblijvend.

2. Focus op basisvaardigheden. De absolute prioriteit moet liggen bij lezen, schrijven en rekenen. Wij vrezen dat door te veel bijzaken de basiskwaliteit van het onderwijs verder kán wegzakken. Nederland staat helaas ver onderaan, zo blijkt uit diverse onderzoeken, waaronder het PISA-onderzoek. Uit een OESO-studie bleek dat Nederland op de 34ste plaats, ongeveer onderaan, in de Europese Unie staat, zeker op het gebied van lezen. Dat spreekt mij als leraar Nederlands zeer aan. Sterker nog, het gaat mij zeer aan het hart. Wiskunde en natuurwetenschappen zijn niet mijn vakken, meer van de collega van SGP, maar ook daar is echt nog wel wat op aan te merken. Voor het eerst was daar namelijk een scherpe daling te zien. Er zijn dus echt wel grote problemen. De resultaten van het verslechterde schoolklimaat? Lerarentekort? Dalende motivatie? Leesplezier bij jongeren? Wat nu? Is de staatssecretaris het met mij eens dat er echt moet worden ingegrepen en dat er harde, heldere en objectieve eisen moeten worden gesteld? Deze dalende trend moet worden omgebogen.

4. De noodzaak van betere toetsing. Het opstellen van nieuwe kerndoelen alleen is niet genoeg. Wij pleiten voor betere toetsing en voor concrete consequenties wanneer leerlingen niet aan de minimumeisen voldoen.

5. Ruimte voor de leraar of lerares. Helaas moeten we constateren dat er in de afgelopen decennia van mislukte onderwijsvernieuwingen veel is misgegaan. Is de staatssecretaris het met mij eens dat het echte herstel in de klas moet plaatsvinden? Er moet dus niet alleen een raamwerk zijn met hele duidelijke doelen over waar je begint en waar je eindigt, maar juist ruimte voor een "gelukkige klas", om de collega van GroenLinks-PvdA te citeren. Leraren moeten weer ruimte krijgen voor het vakmanschap in plaats van onhaalbare, subjectieve en abstracte basisdoelen.

6. We moeten de overladenheid terugdringen. Het is nu zaak dat deze focus ook wordt doorgevoerd in de vertaling van de kerndoelen naar de praktijk in de klas. Het onderwijs is niet alleen gebaat bij nieuwe kerndoelen, maar vooral bij een concrete aanpak van wat leerlingen moeten behalen. De kritiekpunten en de alternatieven heb ik genoemd. Uit diverse onderzoeken blijkt dat de structurele daling van het onderwijsniveau en de lees-, schrijf- en rekenvaardigheden te wijten zijn aan decennialange pedagogische experimenten en misplaatste vernieuwingen. Veel leraren en leraressen voelen dat zo. Bent u dat met mij eens, vraag ik via de voorzitter. Er zijn dus veel zorgen. De herziening van de wet mag geen voortzetting zijn van de trend waarin leren leren of vage competenties boven harde, heldere en toetsbare feitenkennis komen te staan. Wat onze fractie betreft moet de focus terug naar de basis. Hoe kijkt de staatssecretaris hiertegen aan?

De geformuleerde conceptkerndoelen van SLO zijn wat ons betreft nog te abstract en te vrijblijvend, en dat 150 pagina's lang. De wet moet veel concretere kennis eisen, de haalbaarheid kort en krachtig formuleren en harde minimumnormen verankeren, met een objectief geformuleerd raamwerk met daarbinnen ruimte; het gaat dus om een balans. Het is een spanningsveld.

12. De strikte hiërarchie. Ik zou willen oproepen om de net genoemde basisvaardigheden boven burgerschap en digitale geletterdheid te zetten. Hoewel deze wet is bedoeld om focus aan te brengen, regelt het wetsvoorstel ook nieuwe, formele kerndoelen voor burgerschap en digitale geletterdheid. Wij vragen ons af of dit voor jongeren met een afstand tot het onderwijs of met nogal wat praktijkvakken niet te veel wordt. Het is uiteraard belangrijk, maar wij zien ook daar een spanningsveld. Hoe kijkt de staatssecretaris aan tegen dit spanningsveld? En hoe kijkt zij aan tegen het spanningsveld rondom burgerschapsonderwijs? Dit is namelijk nogal vatbaar voor politieke en ideologische inkleuring. Ziet de staatssecretaris dit ook? Hoe gaat zij dit ondervangen, of laat zij dit geheel vrij?

13. Een oplossing: een pleidooi voor centrale sturing en objectieve toetsing op het raamwerk. Nieuwe kerndoelen op papier lossen de onderwijscrisis — zo noem ik het toch maar even — niet op zolang er geen stringente controle is op resultaten. Er moet objectieve controle zijn, ook door de onderwijsinspectie. Nogal wat scholen hebben moeite met de onderwijsinspectie en reageren verkrampt als de onderwijsinspectie langskomt. Ik heb diverse mensen van de onderwijsinspectie met goede bedoelingen gesproken. Zij spreken echt een andere taal. Dat betreft het vierde spanningsveld.

14. De herinvoering van meer centrale sturing op objectieve kwaliteit is dus broodnodig. Dit moet gepaard gaan met onafhankelijke, objectieve toetsing van de kerndoelen, zodat scholen direct kunnen worden afgerekend op het niet behalen van het minimale niveau van deze basisvaardigheden.

15. Herstel van het lerarenambt. Vakmanschap boven bureaucratie. De wet- en regelgeving dwingt leraren te veel in een keurslijf van administratieve verantwoording en abstracte beleidsdoelen. Dit is echt een hartenkreet van heel wat mensen die in het onderwijs werken. Je moet alles in Magister vastleggen: voor wie, wat en hoe. Je moet soms zes keer hetzelfde vastleggen. Dat is dodelijk vermoeiend, dodelijk vermoeiend, als u het mij toestaat, mevrouw de voorzitter. Kortom, het echte herstel van het onderwijs in de klas komt door de leraar en de lerares weer centraal te stellen als overdragers van kennis, en niet van administratie. De kerndoelen moeten naar de docent met duidelijke kaders, het raamwerk. Is de staatssecretaris dit met mij eens? Zo ja, wat gaat zij daaraan doen?

16. Pleidooi dus voor een strikte focus op de juiste basisvaardigheden en de juiste manier van omgaan met de pedagogische autonomie van scholen in plaats van een dichtgetimmerd curriculum.

Ik kom bij punt 18. Pas op met maatschappelijke wensen die te eenzijdig en te algemeen worden geformuleerd, zoals burgerschap en digitale geletterdheid, in het curriculum te stoppen. Die horen namelijk thuis in het gezin. Hoe beschouwt de staatssecretaris dit zesde spanningsveld? We zijn dus niet voor een goede vorm van AI-voorbereiding.

De balans tussen sturing en ruimte is het zevende spanningsveld. De wet introduceert een landelijk verplicht kerncurriculum met negen leergebieden voor het vo. Nederlands wordt bijvoorbeeld ook weer onderverdeeld in drieën. Het ziet er allemaal prachtig uit, maar als ik dat met mijn collega's bespreek, is er toch nog wel veel onduidelijk. Er zijn dus extra waarborgen nodig voor periodieke evaluaties door de Onderwijsraad en voor parlementaire betrokkenheid. Kunt u hierover een update geven?

20. Het onderwijsveld wil inclusief onderwijs, maar niet ten koste van leerlingen en leraren. Onderwijspersoneel staat nog altijd achter het uitgangspunt dat ieder kind recht heeft op passend onderwijs, maar de praktijk laat zien dat de randvoorwaarden voor inclusief onderwijs nog lang niet op orde zijn. Dit blijkt uit recent onderzoek van CNV, AOb en anderen onder ruim 9.000 onderwijsprofessionals. Hoe kijkt u hiertegen aan?

De grenzen van het onderwijs zijn bereikt. Het gaat nog te ver om de noodklok te luiden, maar dit speelt voor iedereen in Nederland. Het is dus toch wel belangrijk. U heeft eigenlijk de belangrijkste en de mooiste post, als ik dat via u mag zeggen, voorzitter. Dat geldt ook voor uzelf, mevrouw de voorzitter. Ook staat 56% negatief tegenover de huidige koers richting inclusief onderwijs. Eigenlijk is dat wel ontzettend jammer. Tegelijkertijd vindt twee derde van de respondenten, van die 9.000 geënquêteerden van CNV en AOb, dat meer leerlingen sneller toegang moeten krijgen tot dat speciaal onderwijs. Dat is het derde element van de leerdoelen. Daniëlle Woestenberg van het CNV, ere wie ere toekomt, zei recent: "Onderwijspersoneel wil niets liever dan dat ieder kind onderwijs krijgt dat echt past. Maar de grenzen zijn bereikt. De bereidheid in het onderwijs is groot, maar inclusief onderwijs betekent ook een zwaardere belasting voor leraren en ondersteunend personeel. Dat kan er echt niet meer bij."

22. Centraal punt van zorg is dus de toenemende werkdruk, grotere onrust in de klas, geen "gelukkige klas", en het gebrek aan personeel, expertise en passende voorzieningen. Deze grote knelpunten moeten eerst opgelost worden. Hoe ziet de staatssecretaris deze problemen? De basis moet eerst op orde zijn. De discussie moet niet gaan over of we voor of tegen inclusief onderwijs zijn, maar over de vraag hoe leerlingen daadwerkelijk het onderwijs krijgen dat bij hen past. Ik citeer nogmaals CNV-woordvoerder Daniëlle Woestenberg: "Inclusief onderwijs kan alleen slagen als scholen ook écht de mogelijkheden krijgen om leerlingen goed te begeleiden. Dat betekent kleinere klassen, voldoende specialisten en onderwijsassistenten, goede samenwerking met het speciaal onderwijs en structurele investeringen vanuit de overheid." Kan de staatssecretaris dit toezeggen? Hoe gaat zij dit organiseren? Zo nee, waarom niet en wanneer dan wel?

25. Uit onderzoek blijkt dat onder anderen veel onderwijsprofessionals wel degelijk draagvlak voelen en willen meedenken, maar dat ze deze versie en deze uitwerking niet zo realistisch vinden. Veel respondenten zien kansen in meer ondersteuning. Daarom moet eerst de basis op orde.

Het volgende punt. Een averechts effect dreigt. Wie echt wil dat ieder kind mee kan doen, ook met deze leerdoelen, moet vooral luisteren naar de mensen voor de klas, naar de praktijk. Zonder voldoende ondersteuning dreigt inclusief onderwijs juist averechts uit te pakken voor leerlingen en onderwijsprofessionals. Deze wet organiseert digitale geletterdheid en AI. Ik geloof dat ik even moet wachten.

De heer Van Meenen i (D66):

Dit is natuurlijk allemaal heel interessant. Ik hou van een debat over onderwijs, maar ik heb me voorbereid op een debat over de kerndoelen. We krijgen nu een serie opvattingen over inclusief onderwijs. Ik hoop toch dat we hier vanmiddag niet een debat over inclusief onderwijs gaan voeren. Daar ben ik te allen tijde toe bereid, maar nu even niet. Ik weet niet hoe de voorzitter zelf dat ziet, maar ik ben de draad naar de kerndoelen inmiddels een beetje aan het kwijtraken.

De heer Walenkamp (Fractie-Walenkamp):

Als u mij toestaat, mevrouw de voorzitter, kom ik zo op digitale geletterdheid en AI. Ik denk dat ik u daarmee kan bedienen.

De voorzitter:

De vraag was …

De heer Van Meenen (D66):

Mijn punt was dat het met name over inclusief onderwijs gaat. Ik heb nu een stuk of tien punten over inclusief onderwijs gehoord, maar ik zie niet meteen de relatie met de kerndoelen.

De heer Walenkamp (Fractie-Walenkamp):

De wet gaat over het primair onderwijs, het voortgezet onderwijs en het speciaal onderwijs. Ik vind dat laatste element, het inclusief onderwijs, hier wat onderbelicht, vandaar dat ik specifiek deze zwakkere mensen graag even wil noemen, als u mij toestaat. Die heb ik net genoemd.

De voorzitter:

Gaat u verder met het wetsvoorstel waar we hier vandaag voor zitten.

De heer Walenkamp (Fractie-Walenkamp):

Ja. Digitale geletterdheid en AI. De kritiek richt zich met name op de inhoudelijke uitwerking van deze doelen. Mijn voornaamste punten van kritiek zijn de volgende. Eén: onduidelijk startniveau en toetsing. Veel critici en onderwijsorganisaties wijzen erop dat de kerndoelen te vaag zijn; dat heb ik net genoemd.

Gebrek aan kritische AI-geletterdheid. Onderzoekers waarschuwen dat de nadruk te veel ligt op leren werken met AI in plaats van op kritisch reflecteren op systemen. Leerlingen leren AI-gedrag beschrijven en trainen, maar missen veelal de diepgang om algoritmes en biased information, confirmation bias en vooroordelen, in AI kritisch te bevragen. Daarnaast vrezen wij ongelijke kansen. Scholen verschillen sterk in hun digitale infrastructuur en in de expertise van de docenten. Dit leidt tot vrees dat de kwaliteit van AI-onderwijs afhankelijk wordt van de school, de regio of de toevallige deskundige of minder deskundige docent.

Privacy en ethische risico's. Omdat AI-systemen vaak data verwerken, bestaan er zorgen over de privacy. Critici vinden dat de kerndoelen meer nadruk zouden moeten leggen op de digitale weerbaarheid en de juridische kaders. Hoe kijkt de staatssecretaris hiertegen aan?

Hoewel de wet nodig is om doelen een wettelijke status te geven en scholen houvast te bieden, blijft de praktische uitvoerbaarheid in het primair en voortgezet onderwijs dus een punt van zorg.

Voorzitter. Sta mij toe af te sluiten met paus Leo XIV. Hij heeft gisteren zijn eerste encycliek wereldkundig gemaakt, over AI. Laten we de mensen niet beroven van hun menselijkheid. De kern hiervan is de vraag wat het betekent om mens te zijn in deze tijd van duizelingwekkende snelle technologische veranderingen. Centraal punt in deze encycliek, Magnifica Humanitas — "schitterende mensheid" noem ik het maar even — is veelzeggend. De ondertitel is: over het behoud van menselijkheid in het tijdperk van kunstmatige intelligentie. Vandaar dat ik mijn elementen heb gericht op de zwakkere leerlingen en de zwakkere punten.

Voorzitter. Wij kennen staatssecretaris Tielen als lid van Veritas, als zoeker naar waarheid. Via u, voorzitter, wil ik de staatssecretaris vragen hoe zij op deze 25 vragen reflecteert. Hopelijk kan zij onze zorgen wegnemen. Wij zien uit naar de beantwoording.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik nu graag het woord aan mevrouw Lagas van de fractie van BBB.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

Mevrouw Lagas i (BBB):

Voorzitter. Allereerst natuurlijk van harte gefeliciteerd, mevrouw Musa, met uw prachtige maidenspeech. Ik moest wel even aan mijn moeder denken. Over kansengelijkheid gesproken: die is opgegroeid in een gezin met zeven broers en die de enige was die niet mocht doorleren, omdat ze thuis, als het enige meisje, oma moest helpen in de huishouding. In die tijd was het ook in Nederland nog niet echt op orde.

Voorzitter. Vandaag behandelen we de wet die tot primair doel heeft de onderwijskwaliteit te verbeteren. Overigens moet ik alsnog eerst melden dat ik hier spreek als voorzitter van de raad van toezicht van een grote onderwijsorganisatie in de regio Zwolle. Het landelijk curriculum van het p.o. en vo moet meer focus krijgen op de vaardigheden lezen, schrijven, digitale geletterdheid en burgerschap. Overigens steun ik de zorgen die de SGP uitsprak over misinformatie. Hiervoor moeten nieuwe kerndoelen worden vastgesteld. Al geruime tijd worden wij geconfronteerd met zorgen over het taal- en rekenniveau van onze jeugd. Al kunnen wij niet om de constatering heen dat ook volwassenen steeds slechter lezen en schrijven. Regelmatig staan er taal- en stijlfouten in krantenartikelen, om nog maar niet te spreken over tekst op social media.

We zien het ook steeds meer terug in de spreektaal. Wat ons betreft is er niet alleen een leescrisis, maar ook een beetje een spreekcrisis. "Hun hebben" en "hun zeiden" zijn maar enkele van de veelvoorkomende voorbeelden. In een podcast afgelopen weekend hoorde ik een gerenommeerd journalist zeggen: "Oekraïne, het land die". Als docent rijzen mij dan de haren te berge. De meningen zijn verdeeld over de vraag of deze ontwikkeling van de spreektaal bij de normale doorontwikkeling van een taal hoort. Dit laat onverlet dat fouten in de geschreven taal consequenties kunnen hebben voor de betekenis van het geschrevene en daarmee voor het begrijpen van de betreffende tekst. Nou moet ik eerlijk opbiechten dat dit voor Duits erger is dan voor het Nederlands en aangezien ik van huis uit docent Duits ben, ben ik daar misschien wat gevoeliger voor.

De BBB staat in de basis positief tegenover dit wetsvoorstel. Wel zijn wij grote voorstanders van een bottom-upaanpak — ik heb het al meer gehoord — bij wetsvoorstellen die rechtstreeks invloed hebben op het werken van specialisten. Juist docenten zijn met al hun vakkennis de beste informatiebron om ons onderwijs de juiste impulsen te geven en daarmee tot gewenste verbeteringen te komen. Zij staan aan de start van het bouwen aan een generatie die garant zal staan voor een Nederland met toekomst. Dit is een grote verantwoording. En wees eerlijk: wij weten allemaal uit eigen ervaring, als leerling, velen als ouder en grootouder, en enkelen onder ons als docent, wat een zwaar vak dit is. Wij hadden dan ook een aantal verwachtingen van het wetsvoorstel, die wij helaas in het voorliggende wetsvoorstel moeten missen. Ook in de beantwoording van onze inbreng ontbrak een diepgaande reactie op een aantal punten. Wij vragen de staatssecretaris dan ook alsnog te reflecteren op deze punten.

Wat de BBB betreft zijn de kerndoelen lezen, schrijven, rekenen, digitale geletterdheid en burgerschap inderdaad belangrijk, maar ook geschiedenis. Zonder begrip van de geschiedenis kun je het heden niet begrijpen. Naast relevante kennis van de vaderlandse geschiedenis vraagt de Europese en wereldgeschiedenis juist heden ten dage om meer aandacht. Recente incidenten rondom herdenkingen laten pijnlijk zien hoeveel invloed het niet kennen van feiten uit de geschiedenis kan hebben. Kennis verkleint het risico op polarisatie. Het kerndoel geschiedenis zal dan ook de balans tussen de vaderlandse geschiedenis en wat er buiten Nederland gebeurt, moeten bewaken. In welke verhouding moeten vaderlandse en buitenlandse geschiedenis volgens de staatssecretaris meer aandacht krijgen in het onderwijs? Graag een reactie.

Meer in het algemeen. In het wetsvoorstel staat een lange lijst kerndoelen zonder dat daarbij wordt aangegeven wat de belangrijkste daarvan zijn. Kan de staatssecretaris toezeggen dat hij gaat vastleggen wat de belangrijkste kerndoelen van ons onderwijs zouden moeten zij? En hoort geschiedenis daar volgens de staatssecretaris ook bij?

Over definiëren gesproken. De BBB mist in het wetsvoorstel een definiëring van de kerndoelen. Ik heb het vandaag al meer gehoord. In alle wetten horen kernbegrippen gedefinieerd te worden. Wat bedoelt de wet bijvoorbeeld met Nederlands als kerndoel? Gaat het over de woordenschat, foutloos schrijven, spreekvaardigheid, luistervaardigheid, tekstbegrip? Op welk niveau, op welke leeftijd? Bij geschiedenis moeten wat ons betreft gebeurtenissen en ontwikkelingen uit het verleden en heden bekend zijn en worden begrepen. Is men in staat dit ook in woord en geschrift uit te leggen? Nu wordt feitelijk door de SLO bepaald wat de lesinhoud is van de verschillende vakken waarmee de kerndoelen moeten worden behaald. Dat is vele pagina's lang. De heer Walenkamp refereerde daar al aan. Kan de staatssecretaris toezeggen een aanvullend wetsvoorstel naar de Kamers te sturen waarin alsnog de definities van de belangrijkste kerndoelen op hoofdlijnen worden opgenomen en daarmee ook de input van de werkvloer serieus nemen? Ik sluit mij ook aan bij de opmerking van mevrouw Musa over de evaluatie. De fractie van de BBB vindt het een gemiste kans dat de kerndoelen niet voor het hele hbo en wo gelden, maar alleen voor de pabo's. Onze fractie is van mening dat alle mede door het Rijk bekostigde onderwijsvormen zouden moeten worden opgenomen. Graag een reactie.

Wij willen de staatssecretaris ook graag vragen om meer aandacht voor de rol van bibliotheken bij het behalen van de kerndoelen. Hé, ik heb iets nieuws; deze heb ik nog niet gehoord vandaag. Met name op het terrein van leesvaardigheid en digitale vaardigheid kunnen zij een grote rol spelen. Bibliotheken vervullen in wijken en steden een hele belangrijke en sociale functie. Kan de staatssecretaris overwegen of in een nieuwe Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen aandacht geschonken kan worden aan die rol via een structurele samenwerking met het onderwijs?

De lokale bibliotheek heeft op grond van artikel 8.a onder f al de taak om het leesonderwijs te bevorderen als bedoeld in artikel 1 van de Wet register onderwijsdeelnemers in de gemeente. Op grond van wetgeving kan de minister bijvoorbeeld subsidie verstrekken of een speciale uitkering. Overigens is dit nu buiten de orde van de voorliggende wet, maar onze fractie onderstreept wel het belang vanuit de sector om de nieuwe Bibliotheekwet zo spoedig mogelijk in behandeling te laten komen. Ik meen dat de planning voor de zomer is. Gaat u dat nog halen, zodat de wet per 1 januari 2027 van kracht kan zijn? De onduidelijkheid hierover frustreert op dit moment de gesprekken met de gemeenten. Zodra die wet ingaat, gaat het om €2,97 per inwoner voor bibliotheekwerk, met een minimum van €100.000. Ons bereiken via de Vereniging Openbare Bibliotheken berichten dat de financiële middelen die het Rijk aan de gemeenten geeft voor hun werk, voor bijna de helft van de gevallen niet volledig ten goede komen aan de bibliotheken. Kunt u toezeggen dit te gaan onderzoeken?

Voorzitter, ik rond af. Nogmaals, de BBB is in principe positief over deze wet, maar we zien graag dat mede door de toezegging van de staatssecretaris de nieuwe, ook democratisch geborgde kerndoelen datgene gaan brengen wat de maatschappij van het onderzoek verwacht en vraagt: goed opgeleide nieuwe generaties. Voor wat het lerarentekort betreft, maak ik graag een keer een afspraak, want daar heb ik wel ideeën over.

De voorzitter:

Ik dank u wel. Dan geef ik nu graag het woord aan de heer Van Kesteren van de fractie van de PVV.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Van Kesteren i (PVV):

Dank u wel, voorzitter. Onderwijs is lesgeven. Al het andere is daaraan ondergeschikt. Dit wetsvoorstel gaat echter niet over de concrete lesinhoud. De PVV-fractie maakt zich dan ook zorgen over de vraag of de voorgestelde wettelijke aanpassingen echt iets zullen veranderen in de dagelijkse praktijk van het onderwijs. Kerndoelen waarbij onder andere de nadruk wordt gelegd op de zogenaamde basisvaardigheden, zoals taal, lezen, schrijven, rekenen, digitale geletterdheid en burgerschap, zullen moeten worden vertaald naar concrete lessen, omdat de uitvoering van dit wetsvoorstel uiteindelijk op het bordje van de leraren terechtkomt. Tegelijkertijd heeft de leerkracht te maken met een hoge werkdruk en wordt deze geconfronteerd met de gevolgen van het lerarentekort. Leraren hebben hun handen vol aan de aanwezige niveauverschillen, taalachterstanden, allerlei gedragsproblemen en vele overige taken. De leraar komt daardoor te weinig toe aan effectieve lestijd. Leraren moeten niet alleen lessen voorbereiden en kennis en vaardigheden overdragen, maar zijn ook verantwoordelijk voor veel opvoedingstaken die eigenlijk bij de ouders horen. Leraren zijn tegenwoordig ook druk met sociale vaardigheden, schoolzwemmen, muziek, expressie en toneel. Daar komen oudergesprekken en heel veel vergaderen nog eens bij. De leraar draagt niet alleen kennis over, maar is ook behandelaar, entertainer, opvoeder, mediator, vertrouwenspersoon, administrateur en vergadertijger. Het lerarentekort zorgt bovendien voor grotere klassen en extra taken. Dit verhoogt de werkdruk nog verder. De werkdruk moet dus omlaag en het lerarentekort moet worden aangepakt. De klassen kunnen kleiner en de administratieve rompslomp kan veel minder: papier, papier, papier, papier.

Voorzitter. Leraren willen wel worden ondersteund, maar kunnen het beste zelf aangeven waarbij zij ondersteund willen worden. Schoolleiding, inspectie, begeleiders, adviseurs, consultants en ouders dienen de leraar voor de klas meer in zijn waarde te laten. De politiek moet zich dat terdege realiseren. Al het onderwijsbeleid zou gericht moeten zijn op de onderwijspraktijk.

Voor de PVV-fractie verdient het uit het hoofd leren van spellingsregels, tafels, breuken en procenten, het hoofdrekenen, een hoge prioriteit. Het reproduceren van dergelijke parate kennis, die je als kind en jongvolwassene op school wordt aangeleerd, zal veel volwassenen later goed van pas komen in het dagelijks leven. Jong geleerd is immers oud gedaan. Ook onderwijsmethodes zouden meer moeten worden gebaseerd op automatiseren, herhalen en oefenen. Meer aandacht voor hoofdrekenen en spelling dus. De vraag is dan ook of de staatssecretaris kan aangeven met welke maatregelen daaraan daadwerkelijk en concreet invulling zal worden gegeven.

Voorzitter. Ook de opleidingen zouden mee moeten bewegen in een adequate uitvoering van dit wetsvoorstel. Studenten moeten worden geschoold in algemene en parate kennis, maar zeker ook in didactische vaardigheden. Want als didactische vaardigheden al dan niet deels ontbreken, kun je die als leerkracht ook niet overbrengen. De kleuterleidstersopleiding en de pedagogische academie waren twee afzonderlijke specialistische opleidingen. De algemene kennis, de parate kennis en de didactische vaardigheden van de afgestudeerde leerkrachten met een KLOS- of PA-diploma waren dan ook aanzienlijk. Daarna kwam de pabo, de pedagogische academie voor het basisonderwijs, waarin de twee specialistische opleidingen werden geïntegreerd in één algemene lerarenopleiding voor het zogenaamde basisonderwijs aan vier- tot twaalfjarigen. Het is een opleiding van vier jaar die toegankelijk is met minimaal een mbo-diploma, voorzien van een traject voor zij-instromers van maximaal twee jaar, waarna les mag worden gegeven aan zowel kleuters in de onderbouw als kinderen in de midden- en bovenbouw en in het voortgezet onderwijs. Deze verandering, ingegeven door onder andere het lerarentekort, is onzes inziens geen goede maatregel geweest, die ontegenzeggelijk ten koste is gegaan van de specialistische didactische kennis over verschillende leeftijdsgroepen. Leraar worden vereist niet alleen algemene en parate basiskennis, maar bovenal de vaardigheid om deze kennis over te brengen op kinderen en jongvolwassenen.

Voorzitter. Het streven naar kansengelijkheid in het onderwijs betekent niet dat we de lat moeten verlagen. Eén op de drie kinderen verlaat het onderwijs als functioneel analfabeet en 40% van de leerlingen in het vmbo kan geen eenvoudige tekst op basisniveau produceren. Daarom zijn de middelen en randvoorwaarden om tot een adequate uitvoering van het wetsvoorstel te komen cruciaal, met name het realiseren van kleinere klassen, zorgen voor voldoende deskundig en gekwalificeerd personeel en goede digitale en didactische middelen. Kan de staatssecretaris aangeven of zij mogelijkheden ziet om scholen en/of schoolbesturen erop te wijzen dat in sollicitatieprocedures van kandidaat-leerkrachten niet alleen wordt gefocust op algemene en parate kennis of, zo u wilt, technische kennis, maar bovenal ook op didactische kwaliteiten om die kennis op verantwoorde wijze over te kunnen brengen op kinderen en jongvolwassenen?

Voorzitter. Geschiedenis moet wat de PVV betreft zo veel mogelijk gevrijwaard zijn van ideologische en activistische invloeden. Voor de PVV-fractie zijn westerse vrijheden, inclusief de bijbehorende normen en waarden en het in waarde kunnen laten van andersdenkenden, belangrijke burgerschapsvaardigheden. De vraag is of de staatssecretaris kan aangeven op welke wijze zij, uiteraard binnen haar mogelijkheden, ervoor kan zorgen dat de cognitieve vakken als taal, lezen, spelling, schrijven, rekenen, geschiedenis, maatschappijleer, biologie, aardrijkskunde en burgerschap grotendeels gevrijwaard kunnen blijven en worden van ideologische en activistische beïnvloeding.

Voorzitter. Dan de digitale geletterdheid. Digitaal geletterd zijn betekent dat je actief, verantwoordelijk, kritisch en zelfstandig gebruik kunt maken van digitale technologie. In de internetconsultatie en in het advies van de Stichting Leerplanontwikkeling werd ervoor gepleit om digitale geletterdheid te integreren in bestaande vakken, op voorwaarde dat in de kennisoverdracht rekening wordt gehouden met het gegeven dat een leerling een doorsneegebruiker, een gevorderde of zelfs een expert kan zijn. Digitale weerbaarheid zou eigenlijk ook onderdeel uit moeten maken van digitale geletterdheid, waarbij leerlingen alert worden gemaakt op onder andere de valkuilen van social media. Daarbij wil ik de staatssecretaris wijzen op onder andere het herkennen van phishing en grooming en/of het organiseren van werkbezoeken aan een risk factory. Een dergelijke lesinhoud voorziet namelijk in een meerwaarde voor onze kwetsbare opgroeiende jongeren. Kan de staatssecretaris aangeven of zij de integratie van digitale geletterdheid in bestaande vakken, het werken aan digitale weerbaarheid en het differentiëren in de klas mee zal nemen in de implementatie van het voorgenomen beleid ten aanzien van digitale geletterdheid?

Voorzitter. Voor de basisvaardigheid digitale geletterdheid is nieuwe lesstof nodig die leerlingen moeten verwerven. Daarvoor zijn voldoende daartoe gekwalificeerde leraren of, zo u wilt, experts nodig die deze specialistische lesstof over kunnen brengen en collega's eventueel kunnen bijscholen. Dit impliceert dat hier aanzienlijke investeringen uit kunnen voortvloeien. Er wordt gesproken over het feit dat aan dit wetsvoorstel als zodanig geen financiële gevolgen zijn verbonden. De vraag aan de staatssecretaris is dan ook of zij kan aangeven of dat een realistisch beeld is en of er toch eventueel financiële ruimte in de onderwijsbegroting is voor implementatie van dit wetsvoorstel.

Resumerend, voorzitter. Onderwijs is lesgeven. Onderwijsbeleid moet vertaald worden naar de dagelijkse onderwijspraktijk in de klas. Belangrijke voorwaarden om te komen tot een verantwoorde, effectieve en snelle uitvoering in de klas zijn achtereenvolgens een werkbare klasgrootte, voldoende gekwalificeerde leraren, vermindering van de werkdruk en het meenemen van de mening van de man en de vrouw voor de klas. De leraar weet welke prioriteiten moeten worden gesteld ten aanzien van lesmateriaal en welke ondersteuning nodig is om de nieuwe kerndoelen succesvol te implementeren zonder extra taakverzwaring. Kortom, een realistische benadering zonder al te veel ideologische en bureaucratische opsmuk. De leraar moet niet worden opgezadeld met nog meer administratieve rompslomp en een contraproductieve overlegstructuur. In Nederland hebben leraren te maken met een te hoge werkdruk, een te hoge administratieve druk, een lerarentekort, grote klassen en grote verschillen tussen leerlingen in niveau en gedrag. Als deze problemen worden opgelost, dan wel aanzienlijk kunnen worden verbeterd of aangepakt, zal het lerarenberoep, mede gezien het uitstekende salaris, veel aantrekkelijker worden.

Voorzitter, de PVV ziet graag dat dit wetsvoorstel gedragen wordt door het onderwijsveld en concreet uitvoerbaar zal worden in de klas. Belangrijk daarbij is dat dit ook in de opleiding voor leraren wordt meegenomen, dat leraren hierin worden bijgeschoold en dat het onderwijs daadwerkelijk wordt betrokken bij de uitvoering in de praktijk. Het streven naar draagvlak in het onderwijsveld is daarbij essentieel.

Om te kunnen bepalen of dit wetsvoorstel tot resultaat heeft geleid, is het van belang om op termijn de leerlingresultaten te evalueren, feedback van de leraren te krijgen en daar waar nodig bij te sturen. Belangrijk is dan ook het overleg met organisaties die zijn ontstaan vanuit de onderwijspraktijk en het onderwijsveld.

De laatste vraag die ik voor de staatssecretaris heb, is de volgende. Kan de staatssecretaris aangeven of zij bereid is om ook in overleg te gaan met kleinere organisaties, bijvoorbeeld Leraren In Actie, LIA, die de stem van de leraar op de werkvloer vertegenwoordigt, of de organisatie Beter Onderwijs Nederland, die alle onderwijsvernieuwingen op effectiviteit analyseert en beoordeelt?

Tot zover, voorzitter. Dank u wel voor het woord.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik nu graag het woord aan de heer Rietkerk van de fractie van het CDA.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Rietkerk i (CDA):

Dank u wel, voorzitter. Voor de goede orde meld ik dat ik voorzitter ben van het College van Bestuur van de Landstede Groep. Verder feliciteer ik bij de start van mijn bijdrage collega Musa met haar maidenspeech.

Voorzitter. Voor ons ligt het wetsvoorstel Wet herziening wettelijke grondslagen kerndoelen, waarmee het landelijk curriculum van het primair onderwijs en het voortgezet onderwijs gewijzigd wordt door meer focus te leggen op de vaardigheden lezen, schrijven en rekenen, digitale geletterdheid en burgerschapsonderwijs. De huidige kerndoelen voor het primair onderwijs en de onderbouw van het voortgezet onderwijs gelden — een aantal van u heeft dat al gezegd — sinds 2004/2005, respectievelijk 2006/2007, en zijn sindsdien op een klein onderdeeltje aangepast, of eigenlijk ongewijzigd gebleven. Het is daarom wenselijk dat deze wettelijk voorgeschreven onderwijsinhoud nu eindelijk waar nodig geactualiseerd wordt en in lijn gebracht wordt met de huidige maatschappelijke ontwikkelingen.

Door de huidige maatschappelijke ontwikkelingen staat volgens de Inspectie van het Onderwijs de kwaliteit van de basisvaardigheden nog steeds onder druk. In de Staat van het Onderwijs 2026 gaat veel aandacht terecht uit naar taal, rekenen, digitale geletterdheid en burgerschap. Van de belangrijkste conclusies noem ik er een aantal.

Als het gaat om taal: vooral in het voortgezet onderwijs blijven leesvaardigheid en woordenschat dalen. Scholen hebben vaak onvoldoende zicht op de mondelinge taalvaardigheid. De inspectie benadrukt taalbewust lesgeven, geïntegreerd taalonderwijs en — een aantal van u heeft het al gezegd — meer lezen op school.

Rekenen. De resultaten van rekenen zijn in het primair onderwijs redelijk stabiel, ongeveer terug naar het niveau van voor corona. Vergeleken met taal krijgt rekenen minder vaak een herstelopdracht van de inspectie. Het curriculum krijgt daar meestal, of vaker, "op orde".

Digitale vaardigheden en digitale geletterdheid. De inspectie signaleert dat de scholen en leraren nog onvoldoende zijn voorbereid op onderwijs met digitale vaardigheden. Er is extra aandacht nodig voor digitale veiligheid, onlinegedrag en omgaan met AI en desinformatie.

Burgerschap. Veel scholen krijgen herstelopdrachten. Dat is ook de praktijk als je ernaar vraagt. Het burgerschapsonderwijs zou niet voldoende samenhangend, doelgericht en zichtbaar zijn; dat zijn de termen van de inspectie. De inspectie vindt dat scholen duidelijker moeten maken wat leerlingen leren — een van u zei het al. Het gaat om de leerling. Wat leert de leerling? Wat leert de leerling vooral over democratie, rechtsstaat, vrijheid, gelijkheid en maatschappelijke deelname? Ik ga niet alles herhalen, maar één heel belangrijke, overkoepelende boodschap is: actualisatie van de kerndoelen. Laten wij het, zeg ik tegen collega Van Meenen, hier dan ook over hebben: de actualisatie van de kerndoelen. Die is nodig om een heel aantal van de punten die ik net opsomde te mitigeren of tegen te gaan.

Voorzitter. Alhoewel het verleidelijk is om een inhoudelijk beleidsdebat te voeren, richt ik mij namens de CDA-fractie vanuit ons Eerste Kamerperspectief op de volgende twee punten. Ten eerste de kerndoelen, hun wettelijke basis en de uitvoerbaarheid daarvan. Ten tweede de uitvoering van het kerndoel taal in de regio's Friesland, Limburg, het Nedersaksisch gebied en de BES-eilanden.

Allereerst de kerndoelen, hun wettelijke basis en de uitvoerbaarheid. Kerndoelen zijn inhoudelijke doelstellingen voor het onderwijs, gericht op het verwerven van kennis, inzicht en vaardigheden met het opdoen van ervaringen door leerlingen. Soms wringt, zeg maar, het omgaan met wat er in de kerndoelen is opgenomen en wat dus minimaal in het onderwijs moet worden gezegd, met de eigen ideologische grondslag van de school. De heer De Vries heeft daar in zijn schriftelijke bijdrage en ook in zijn bijdrage net op geduid. Ik vraag aan de staatssecretaris of de school in dat geval naast het voorgeschreven curriculum haar eigen overtuiging mag meegeven en onderwijzen, mits zij blijft binnen de kaders van de wettelijke burgerschapsopdracht die nu voorligt.

Het CDA noemt het kerndoel taal — Nederlandse taalvaardigheid — ook hier. De staatssecretaris gaf bij haar kennismaking ook aan "taal, taal, taal". Dat waren uw woorden. Overigens steunen wij als fractie u daar volledig in. Echter, bij de uitvoering ook van dit wetsvoorstel blijkt thans dat op veel scholen wordt geconstateerd dat er te weinig taaldocenten zijn en te weinig NT2-docenten, dus docenten voor Nederlands als tweede taal. De kerndoelen lijken straks helder geformuleerd, de inspectie gaat toezicht houden met nog meer mensen, maar wat is dan merkbaar voor die leerling, als er een tekort is aan taaldocenten en NT2-docenten?

Voorzitter. Als het gaat om het concreet maken van de kerndoelen en de herziene kerndoelen, ben ik nieuwsgierig naar de vragen die eerder zijn gesteld, of beter gezegd naar de antwoorden die de staatssecretaris daarop heeft. Eigenlijk vraagt onze fractie haar om aan te geven op welke wijze bij de uitvoering van die kerndoelen diverse ondersteuning wordt gegeven op het gebied van professionalisering van lerarenteams, scholing, actualisatie van leermiddelen en verbetering van toetsing, want daar is behoefte aan. Wat is dan uiteindelijk merkbaar voor de leerling bij de uitvoering van dit wetsvoorstel? Kortheidshalve sluit ik mij qua actualisatie en evaluatie aan bij de vragen van de VVD-fractie.

Tot slot — ik zal het samenvatten — de talen in de regio's Friesland en Limburg en Nedersaksisch. Welke ruimte is er naast de Nederlandse taal in deze gebieden om invulling te geven aan deze streektalen? En in het verlengde daarvan: kan de staatssecretaris als het gaat om de BES-eilanden toelichten in hoeverre het Papiaments ruimte krijgt naast het Nederlands op de scholen op de BES-eilanden?

Onze fractie ziet uit naar de antwoorden van de staatssecretaris.

De voorzitter:

Ik dank u wel. Dan geef ik nu graag het woord aan de heer Kemperman van Forum voor Democratie.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Kemperman i (FVD):

Voorzitter, dank u wel. Allereerst natuurlijk felicitaties aan mevrouw Musa voor haar maidenspeech. En for the record: mijn leven lang ben ik al actief in het onderwijs, maar ik heb geen enkel belang in het onderwijs dat wij hier vandaag bespreken.

Voorzitter, ambtsgenoten, toehoorders en staatssecretaris Tielen, welkom in deze Kamer. Een OCW-bewindsvrouw van VVD-huize: dat wordt spannend voor de cultuur- en onderwijssector. Vele studenten lijden immers nog onder de langstudeerboete, het omzetten van de basisbeurs en de forse bezuinigingen door een van uw liberale voorgangers, de heer Zijlstra. Maar ik wens u natuurlijk vooral veel goede resultaten voor het onderwijs en de cultuursector toe. Laten we dit maar even rusten.

Nu de Wet herziening kerndoelen onderwijs. De reflectie van mijn fractie op het voorliggende wetsvoorstel wil ik eerst in een historische context plaatsen. "Oorlog is vrede, vrijheid is slavernij en onwetendheid is kracht." U herkent natuurlijk allemaal ongetwijfeld deze Orwelliaanse tekst op de gevel van het ministerie van de waarheid in Oceanië, uit de klassieker 1984 van George Orwell. De relevantie voor het debat van vandaag en de ontwikkeling van het onderwijs in algemene zin is zowel treffend als zorgelijk.

Wanneer we verder teruggaan naar de ontwikkeling van het massaonderwijs zien we dat men eerst in Pruisen reeds begin negentiende eeuw startte met de uniforme vorming van gezagsgetrouwe en gehoorzame leerlingen, zodat die later goede soldaten of burgers zouden worden. Dit zette zich voort in de ontwikkeling van het massaonderwijs, waardoor ons onderwijs tegenwoordig voorbereidt op een functie, een baan in de samenleving, en onze jeugd doet wennen aan structuur, gehoorzaamheid en gezag. De homo economicus wordt al op jonge leeftijd opgeleid. U kreeg op school vroeger een cijfer voor gedrag en vlijt, net als ik, u zult dat herkennen. Arbeid als productiefactor, geconditioneerd op school, de wasstraat waarin onze kinderen opgeleid worden voor een baan.

Gerenommeerde nationale en internationale hoogleraren onderwijsgeschiedenis en filosofie beschrijven allemaal de industrialisering van kennis in de ontwikkeling van kinderen, zoals die sinds de invoering van de leerplicht heeft plaatsgevonden, terwijl onderwijs toch juist de mens zou moeten verheffen en ontwikkelen zodat die z'n intellectuele talenten en creativiteit ten volle kan ontplooien. Desondanks is al sinds het begin van de vorige eeuw aantoonbaar dat door middel van Hegeliaanse dialectiek en vanuit met name de Angelsaksische onderwijscultuur vooral is ingezet op de uniformering van onderwijs en kennisontwikkeling, hetgeen per definitie leidt tot middelmatigheid als norm en verschraling van creativiteit en zelfontplooiing.

Voorzitter. Met dit wetsvoorstel wordt meer focus gelegd op de vaardigheden lezen, schrijven, rekenen, digitale geletterdheid en, jawel, burgerschapsonderwijs. Beter leren lezen, schrijven en rekenen, daar kan niemand tegen zijn. Daar gaat mijn bijdrage ook niet over. De zorg van mijn fractie zit 'm in het in lijn brengen met de huidige maatschappelijke ontwikkelingen en het burgerschapsonderwijs, waaronder maatschappelijk, sociaal en vitaal burgerschap. Burgerschapsonderwijs draagt daaraan bij door het bevorderen van kennis over en respect voor de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en het ontwikkelen van de sociale en maatschappelijke competenties die nodig zijn om daar deel van te kunnen uitmaken. Het focust zich op acht basiswaarden, die samen een normatief kader vormen. Het is zeg maar de nieuwe schijf van vijf, maar dan van acht en voor de geest, en ook nog eens wettelijk verplicht.

Het is dus een opgelegde norm, waaruit blijkt dat iedere scholier straks weet hoe een goed burger zich hoort te gedragen — gedragssturing via het onderwijs. We zien het ook op andere terreinen, bijvoorbeeld in de Omgevingswet. Vroeger kregen we slechts een vergunning om te bouwen, maar nu moet het duurzaam en leefbaar. Denk ook aan personeelswetten die ons verplichten tot inclusiviteit en diversiteit. De invulling van al die kwalitatieve aanvullende eisen in al die domeinen is aan de vergunningsverlener, die natuurlijk braaf de wetgever volgt. Maar die bepaalt in het specifieke geval van het voorliggende wetsvoorstel de onderwijskerndoelen? Is dat de staatssecretaris, zijn dat de ambtenaren, adviesclubs, internationale instituties of geselecteerde wetenschappers? Ik geef u graag drie voorbeelden waaruit blijkt dat de wetenschap als onbetwiste waarheid zorgelijk is. Ik weet dat dit wetsvoorstel niet over de wetenschap gaat, maar het is een belangrijk domein in onze moderne kennisontwikkeling. Onze moderne instellingen, universiteiten, wetenschap en rechtsstaat zijn gebouwd op het besef van ontkenbaarheid.

De wetenschap, bijvoorbeeld, leeft bij de gratie van twijfel aan zichzelf. Die stolt niet in onzekerheid, maar gedijt bij de vraag: waarom klopt mijn theorie waarschijnlijk niet? "Peer reviewed" hoort te zijn: kritisch beschouwd door collega-wetenschappers, die a priori horen te twijfelen aan wetenschappelijke stellingen van hun collega's. Een aantal van u is gepromoveerd en heeft promotieonderzoek gedaan, dus u weet als geen ander wat ik bedoel. Dat doen zij in plaats van deze stellingen kritiekloos te bevestigen als de communis opinio, waardoor de status van "de waarheid" wordt bereikt. Het openlijk twijfelen aan de waarheid leidt voor andersdenkenden steeds vaker tot uitsluiting en ridiculisering. De vraag of het goede wetenschappers of professionals zijn, doet er niet meer toe. Instituten ontdoen zich van critici. Zuivere wetenschap claimt niet het monopolie op de waarheid, maar daagt haar uit met kritisch denken. Die waarheid is nooit af en altijd voorwaardelijk.

Het paradigma schuift immers altijd. Dat zien we bijvoorbeeld recent bij de klimaatwetenschappers die de meest verontrustende scenario's over global warming bijstellen, en veel wetenschappers die zelfs hun naam liever niet verbinden aan globalistische klimaatpropaganda. We zien het nu gebeuren bij de stikstofhoax. Er zijn allemaal voorbeelden te noemen van wetenschappers die zeggen: de waarheid hiervoor is toch anders als we verder in de tijd komen. We zien het bij het afbrokkelend ijs, de verdwijnende koraalriffen, zure regen en het gat in de ozonlaag. Dat zijn "absolute waarheden" die in mijn schoolboeken nog als waarheden gepresenteerd werden.

De heer Van Meenen i (D66):

Heel goed om hier even stil te staan bij de feilbaarheid van de wetenschap — dat is altijd fijn — en de tegenspraak, die ons wellicht verder kan brengen. Maar het gaat hier in de kern over kerndoelen voor het basisonderwijs. Wat is hier nu de relevantie van voor de discussie over de vraag of je goed moet leren rekenen, lezen en schrijven? Vindt de heer Kemperman dat leerlingen in de klas toch echt de discussie met docenten aan moeten gaan over of je "ik vind" toch ook met een t erachter moet kunnen schrijven omdat er zeker wel drie leerlingen in de klas zitten die dat ook wel een goed idee vinden? Wat is nou de relatie van wat hij nu zegt tot het wetsvoorstel dat hier nu voorligt, namelijk goed leren lezen en rekenen? Dat vooral.

De heer Kemperman (FVD):

Ik was even heel gelukkig toen ik de heer Van Meenen naar de interruptiemicrofoon zag gaan. We zijn nu al drie jaar met elkaar in debat. Tot een echt inhoudelijke interruptie is het wat mij betreft nog niet vaak gekomen, maar qua timing maken we ook geen voortgang. Ik zou bijna zeggen: wacht u even af. Ik heb niet gefocust op lezen, schrijven, taal, rekenen. Daarvan zeggen wij: een woord moet met "dt" geschreven worden daar waar het hoort en één plus één zal waarschijnlijk altijd twee blijven. Daar gaat mijn verhaal niet over. Ik heb letterlijk gezegd dat mijn focus is gericht op de zorgen rondom het burgerschapsonderwijs en het invoeren van normen die daartoe moeten leiden.

De heer Van Meenen (D66):

Welke norm bedoelt de heer Kemperman dan? Welke norm die hem schrik aanjaagt, ziet hij in dit wetsvoorstel?

De heer Kemperman (FVD):

De heer Van Meenen weet natuurlijk ook dat er geen inhoudelijke normen in het wetsvoorstel zitten. Ik ben blij dat u mij de gelegenheid geeft om dat nog even te duiden, want daar zit precies de zorg die mijn fractie heeft. Die zit 'm in de invulling van dat normatieve kader, dat kwalitatieve kader dat in dit geval focust op goed burgerschap, dat geacht wordt aan onze leerlingen mee te worden gegeven. Daarin zit de zorg, omdat die invulling met name gevoed wordt door de heersende opinie en — dat is ook al door collega's gezegd — ideologische opvattingen, die mijn fractie niet altijd deelt. Ik kan u een ander voorbeeld geven, namelijk van een fractievoorzitter van een fractie in dit huis, die recent een eindexamen heeft gemaakt en erachter kwam dat het toch wel erg progressief was, met allerlei aannames doorspekt was en bijvoorbeeld ook het platteland of de regio niet vertegenwoordigde. Dat is zo'n voorbeeld, maar er zijn talloze voorbeelden. In mijn betoog ga ik het straks nog verder hebben over — ik wil u de bronverwijzingen ook nog geven — hoe je ziet dat er in het onderwijs via normatieve kaders gedragssturing wordt nagestreefd. Ik heb het dus niet over lezen, taal en schrijven. Daar heb ik het niet over. Ik heb het over die gedragssturing op basis van ideologische gronden waarin u en ik verschillen.

De voorzitter:

Tot slot, meneer Van Meenen.

De heer Van Meenen (D66):

Als je het maar vaak genoeg hebt over "normatieve kaders die gedrag gaan sturen" et cetera, et cetera, dan ga je nog bijna geloven dat het ook zo is. Ik weet niet of de heer Kemperman weleens kennis heeft genomen van de kerndoelen die er nu zijn en van de kerndoelen zoals ze gaan worden, maar mijn vraag aan hem blijft de volgende. Waar wordt nu een dwingend normatief kader opgelegd, dat leidt tot gedrag dat door een leerling vertoond moet worden? Wijs het mij aan. Ik zeg dat het er niet is — we gaan even een wetenschappelijk experiment doen — en u zegt dat het er wel is. U kunt mijn stelling dat het er niet is dus weerleggen door een voorbeeld te geven van waar in de kerndoelen een normatief kader voorkomt dat gedrag stuurt. Het is er namelijk gewoon niet.

De heer Kemperman (FVD):

Dat is er zeker niet.

De heer Van Meenen (D66):

Nee, dat is er ook niet.

De heer Kemperman (FVD):

Pardon?

De heer Van Meenen (D66):

Sorry. Pardon. Neem me niet kwalijk.

De voorzitter:

Graag via de voorzitter, meneer Van Meenen.

De heer Van Meenen (D66):

Ja, excuus. Excuus. Ik liet me even meeslepen.

De heer Kemperman (FVD):

Ik was aan zo'n mooi evenwichtig antwoord begonnen. Ik ben het met de heer Van Meenen eens, want dat is er niet. Ik spreek namens mijn fractie slechts een zorg uit over het openzetten van het systeem. Het is vergelijkbaar met het openzetten van de Bouwwet om iets leefbaars en duurzaams te moeten bouwen in plaats van iets wat zo groot, zo breed en zo hoog is, of het openzetten van personeelsbeleid, waardoor het ineens inclusief en divers moet zijn. Daar kun je het over oneens zijn of niet. We zetten nu het onderwijs open voor burgerschapsnormering, die we overlaten aan instituten die binnen die norm vrijelijk allerlei dingen kunnen gaan invullen. Ik zal straks nog terugkomen op mijn vraag om dit alsjeblieft aan de Kamers over te laten, dus aan ons en onze collega's in de Tweede Kamer. Ik kan het dus niet aanwijzen, maar mijn zorg zit 'm in het systeem dat daartoe uitnodigt en uitdaagt. Ik heb daar wat onzekerheden over die ik aan de staatssecretaris wil voorleggen.

De voorzitter:

Ik had u net voor het laatst het woord gegeven, meneer Van Meenen. Als de heer Kemperman straks nog meer voorbeelden heeft gegeven, kunt u misschien weer interrumperen. Ik geef het woord aan mevrouw Roovers.

Mevrouw Roovers i (GroenLinks-PvdA):

Ik ben nieuwsgierig naar het vervolg, dus ik houd het nu even kort. Ik heb een verhelderende vraag aan de heer Kemperman. We hebben het over de feilbaarheid van wetenschap: wetenschap ontwikkelt zich en stelt soms een eerdere opvatting bij naar aanleiding van discussie met andere wetenschappen en op basis van de bevinding van nieuwe feiten. Dat noemen we ook vooruitgang van kennis. U suggereert daarmee eigenlijk ook dat de wetenschap geen legitieme kennisbron is, of geen legitiem instituut voor vooruitgang. Laat ik het anders formuleren. Welke suggestie heeft de heer Kemperman, anders dan de wetenschap, voor het vermeerderen van onze gezamenlijke kennis over de wereld? Is dat religie? Is dat openbaring? Moeten we aan tarotkaarten en wierrookstokjes denken? Ik ben benieuwd naar het arsenaal waar we nu aan moeten gaan denken.

De heer Kemperman (FVD):

Ik ben zo blij met uw interruptie. Wat jammer dat u het dan toch een beetje downsizet met wierookstokjes, want dat is natuurlijk niet zo. Ik pleit voor het toe blijven laten van kritisch- en andersdenkende professionals. Ik kan, als u dat wilt, voorbeelden geven van professionals die geroemd werden om hun wetenschappelijke kwaliteiten of om hun professionele kwaliteiten in het onderwijs — sterker nog, mijn partij zit er vol mee — maar die nu, omdat zij anders dachten over een willekeurig thema, in één keer geen goede professionals meer zijn. Dat geldt bijvoorbeeld voor een thema als covid; ik pak zomaar iets uit de lucht. Het toe blijven laten van critici en andersdenkenden, daar gedijt kennisontwikkeling bij, en niet bij het doctrinair invullen van bovenaf, top-down, van iets wat men dan geacht wordt als de waarheid aan te nemen.

Mevrouw Roovers (GroenLinks-PvdA):

Dan hebben we het dus over de discussie van wetenschappers onderling, binnen de normen en methodes van de wetenschap. Dat lijkt mij verder prima. Daarbinnen zijn natuurlijk ook kritische geluiden welkom. Kennelijk hebben we het dus over dat debat.

De heer Kemperman (FVD):

Dit was een van de voorbeelden van de drie die ik wilde gaan noemen. Door de interrupties ben ik nog niet aan nummer twee en nummer drie toegekomen. Daarmee zoomen we dus in. Datgene wat er in de wetenschap gebeurt of eigenlijk wat in het algehele maatschappelijke kritisch denken gebeurt en hoe we daarmee omgaan, sijpelt daarmee uiteindelijk door in de kern van het betoog van deze wetgeving, van dit wetsvoorstel.

De voorzitter:

Tot slot, mevrouw Roovers.

Mevrouw Roovers (GroenLinks-PvdA):

Ik laat het hier even bij, in die zin dat ik inderdaad benieuwd ben waar dit heen gaat. Ik wil nog wel één correctie aanbrengen bij het begin van uw betoog. U had het namelijk even over de "op Hegeliaanse filosofie geïnspireerde onderwijsdidactiek uit Duitsland" en dat gaat mij aan het hart, dus ik wou meteen opspringen. Dat was helemaal geen onderwijsdidactiek die voorschreef wat men moest denken, en was daarmee in die zin niet normatief van aard. De bildungsgedachte was juist ontstaan vanuit het idee dat tot die tijd het onderwijs gericht was op vakopleidingen, dus schoenlappers moesten schoenlappers worden en kinderen van leerlooiers werden leerlooiers. De Duitse onderwijsdidactiek was juist: laten we kinderen leren denken en laten we aan persoonsvorming doen; laten we desnoods vrije geesten, rebellen en anarchisten kweken. Mijn oproep is dus of de heer Kemperman iets meer eer kan doen aan de Duitse onderwijsfilosofie.

De heer Kemperman (FVD):

Ik neem dit pleidooi ter harte. Ik had het slechts over de Hegeliaanse dialectiek, van de postmodernist Hegel, die je terugvindt in de ...

De voorzitter:

Daar klinkt rumoer. U spreekt wel met een gepromoveerd filosoof.

Mevrouw Roovers (GroenLinks-PvdA):

Daar moet ik even een punt van orde van maken. Hegel was al dood voordat het postmodernisme begon. Daar is misschien van alles van gemaakt, maar schuif het Hegel niet in de schoenen.

De voorzitter:

Maakt u het even af en vervolgt u dan uw betoog.

De heer Kemperman (FVD):

We zouden meer van dit soort gesprekken moeten hebben, mevrouw Roovers. Ik vind het heel fijn dat u me op deze wijze interrumpeert.

De voorzitter:

Ik adviseer een extra kopje koffie. Gaat u verder.

De heer Kemperman (FVD):

Goed. Ik was gebleven bij de koraalriffen, de zure regen, het gat in de ozonlaag. Ze stonden als absolute waarheden in mijn schoolboeken. Inmiddels stutten ze krachtige en dominante ideologieën, die zelfs postvatten in wetten of in onderwijskerndoelen. Daar gaat het hier vandaag over. Ook onze rechtsstaat is gefundeerd op twijfel, op de afwezigheid van de absolute waarheid. Immers, onze rechters dienen ook steeds een belangenafweging te maken, waarbij partijen ieder hun waarheid bepleiten. Ook dat is geen exacte wetenschap, maar steeds weer een complexe afweging.

Punt twee van de drie. Collega's hebben de zorg hierover al genoemd. Dominante maatschappelijke en/of politieke opvattingen krijgen via soortgelijke voorliggende wetgeving vat op wat goed burgerschap is en misschien wel wie een goed burger is. Internationale instituties krijgen via internationale afspraken steeds meer grip op ons maatschappelijk leven, vaak juist via het onderwijs. Er is bijvoorbeeld — daar mag u met mij de discussie over aangaan, maar daar gaat het mij niet om — geen onderwijsinstelling meer die de Sustainable Development Goals kritisch durft te beschouwen. Er zijn nauwelijks docenten die kinderen of studenten uitdagen om zelf na te denken over opgelegde waarheden. Er is geen schoolbestuur dat de dogmatische invloeden van globalistische instituten enigszins durft te weren. Integendeel, de vaak door idealistische organisaties gefinancierde kant-en-klare schoolprogramma's liggen gratis en gesubsidieerd klaar en worden onze kinderen opgediend als "de waarheid", waaraan liever niet meer getwijfeld mag worden. Het aantal ngo-organisaties dat ons onderwijs hierin een helpende hand toesteekt, is verontrustend. Of het nu gaat om duurzaamheid en klimaat, geopolitiek, inclusie, diversiteit of zelfs liefde en seksualiteit: hapklare brokken onontbeerlijke kennis liggen klaar om straks een goed burger te kunnen zijn.

Punt drie, kort. Geen enkele historische doorbraak werd ooit bereikt doordat de veroorzaker, de dader, zich aan de norm hield. Natuurkundige en scheikundige ontdekkingen, de mooiste muziekstukken en literaire werken, en de grootste sportprestaties: ze zijn allemaal het resultaat van hen die de norm niet als norm accepteerden. Een overheid die institutionaliseert wat goed burgerschap is en dat tot wettelijke norm verheft, vindt mijn fractie dus verontrustend. Het onderwijs zou vooral een vrijplaats moeten zijn voor gedachtevorming, talentontwikkeling en creativiteit. Niet degenen die braaf binnen de lijntjes kleuren en een diploma in genormeerd burgerschap halen, maar de kinderen die buiten de kleurplaat de ruimte volkleuren omdat daar de meeste ruimte blijkt te zijn en studenten die hun leraren het vuur aan de wetenschappelijke schenen durven te leggen, zijn de vrije geesten van de toekomst, de vrijdenkers, de creatieve uitdagers, de uitvinders.

Voorzitter, ik kom tot de kern van het debat. Onderwijs behoort tot dezelfde familie van instituties als wetenschap en rechtsstaat. Ook daar gaat het om zoeken, toetsen, twijfelen en groeien. Het is een ruimte waarin kinderen leren omgaan met complexiteit, met het verschil tussen een feit en een mening, met het verschil tussen goed en kwaad en vooral met het besef dat dit heel ingewikkeld is. Het is geen doctrinaire ruimte. Het kan geen instrument worden van één waarheid, van één definitie van burgerschap, van één morele blauwdruk die van bovenaf wordt vastgesteld. Je kunt ook geen handboek lachen voorschrijven.

Voorzitter. In de voorstellen die we vandaag bespreken, zien wij een beweging naar de centralisering van kerndoelen. De macht verschuift wederom weg van het parlement, de ouders, de samenleving en vooral de docenten. Er wordt geconcentreerd in één orgaan dat bepaalt wat kinderen moeten leren en dus wat indirect goed en waar is om een goed burger te zijn. Dat is een vergaande conceptuele verschuiving, van pluraliteit naar eenduidigheid, van twijfel naar doctrine en van ruimte naar een vastomlijnd kader.

Voorzitter. Dit betekent niet dat wij tegen leerdoelen zijn.

De voorzitter:

Dat is mooi! Er is ondertussen wel een interruptie van de heer Van Meenen.

De heer Van Meenen (D66):

Ik krijg de indruk dat de heer Kemperman bijna aan het einde van het betoog is. Van mij mag hij het nog even afmaken, als u dat goedvindt.

De voorzitter:

Van mij ook. Was u aan het einde van uw betoog?

De heer Kemperman (FVD):

Ik heb niet heel veel meer. Dat gaat heel snel. Ik denk dat ik nog een halve minuut nodig heb. Daarna kunnen we uitgebreid interrumperen.

De voorzitter:

Dan zal de heer Van Meenen even blijven staan tot het eind van uw betoog. Gaat u verder.

De heer Kemperman (FVD):

Dit betekent niet dat wij tegen leerdoelen zijn. Wij zijn ook niet tegen kwaliteitsborging en structuur, maar de macht over de basis van het onderwijs moet vrij en gespreid blijven. Ons uitgangspunt blijft dat we vertrouwen hebben in de professionaliteit van de docenten, dat het parlement invloed houdt op de onderwijscurricula en dat we als basis een pluriforme samenleving hebben waarin artikel 1 van de Grondwet zich versterkt in artikel 23 van diezelfde Grondwet.

Ik heb een aantal vragen aan de staatssecretaris. Hoe waarborgt de staatssecretaris de autonomie en de professionaliteit van de docenten? Worden docenten — ja, dit is een beetje flauw — uitvoeringsknechten voor de burgerschapsnormering van de overheid, bang om fouten te maken en gedisciplineerd in het afwerken van normatieve curricula binnen strakke kaders? Ik vraag de staatssecretaris of zij bereid is toe te zeggen dat bij de invulling en de toetsing van de burgerschapsnormen de constitutionele vrijheid uit artikel 23 van onze Grondwet en de professionele autonomie van docenten leidend blijven, en dat normering niet verwordt tot een instrument dat afwijkende opvoedingskeuzes de facto onmogelijk maakt. Dat is een toezegging die ik vraag. Mijn fractie overweegt in de tweede termijn een motie over dit belangrijke onderwerp in te dienen.

Als laatste, voorzitter. De semantische verwarring in de schriftelijke procedure over de begrippen in het subjectieve normenkader kan het risico op de verenging, verruiming of eigen interpretatie bij de toetsende en toezichthoudende rol door de inspectie vergroten. Hoe garandeert de staatssecretaris een zuivere en objectieve toetsing door de inspectie? Kunnen de invoering en de toetsing van deze wet op het departement en bij de instituties binnen de begroting en de bestaande formatie worden opgevangen? Is er aanvullende capaciteit en zijn er aanvullende middelen nodig? Zijn de vakmensen straks niet méér bezig met voldoen aan regels dan aan kinderen lesgeven, zoals we dat ook in de zorg zien?

Tot zover, voorzitter. Wij wachten graag de reactie van de staatssecretaris af, maar niet dan nadat ik een interruptie van de heer Van Meenen heb gekregen.

De voorzitter:

Dat klopt!

De heer Van Meenen (D66):

De heer Kemperman noemde zelf al artikel 1 van de Grondwet. Ik maakte uit zijn opmerking op dat hij dat een heel belangrijk artikel vindt. Volgens mij is dat artikel ook wel een van de kernen van het burgerschapsonderwijs, namelijk dat we kinderen leren dat ze in een land leven waar artikel 1 en ook artikel 23 in de Grondwet staan. Wat vindt de heer Kemperman daarvan? Vindt hij het normerend als je leert dat je in een land leeft waar je niet mag discrimineren, om welke reden dan ook, en waar je elkaar vrij laat? Of vindt hij van niet? Met andere woorden: mag artikel 1 geleerd worden aan kinderen, of niet?

De heer Kemperman (FVD):

Ik denk dat wij het ongelofelijk met elkaar eens zijn. Ik vind dat artikel 1 van de Grondwet én artikel 23 … Daar hoort overigens geen hiërarchie tussen te zijn. Dat maakt het ook zo moeilijk. Maar ik vind dat die artikelen juist uitnodigen tot niet-normeren. Vrijheid van meningsuiting is bijvoorbeeld wat anders dan vrijheid van denken. Als we nu gaan voorschrijven wat er geleerd wordt en hoe mensen moeten denken om een goed burger te zijn, wordt dat … Dat is precies de spanning die ik in mijn betoog probeer voor te leggen. Daar hebben wij vragen over.

De heer Van Meenen (D66):

Maar dat is precies de spanning die u er zelf in legt. Niemand behalve u ziet die erin, volgens mij. Ik zie 'm in ieder geval niet. Ik zie bijvoorbeeld een artikel 1 dat zegt dat iedereen voor de wet gelijk is in Nederland. Dan moeten we wel weten hoe die wet luidt. Dan ben je niet aan het normeren. Ja, de wet is een norm. Wat de heer Kemperman hier de hele tijd probeert te zeggen, is dat er een soort macht van buitenaf is, niet zijnde het parlement, die bezig is om aan de samenleving, en met name aan jonge kinderen, allerlei normen op te leggen die gericht zijn op het institutionaliseren van gedrag. Waar haalt hij dat vandaan? Ik vraag hem nogmaals: geef mij nou eens één voorbeeld van een norm, door een andere macht ingegeven, die wij blijkbaar met z'n allen opleggen in het onderwijs. Welke is dat? Noem er eens één.

De heer Kemperman (FVD):

Ik heb u net verteld dat het hier gaat om een wetsvoorstel waarin wij een risico zien. Door de verruiming van het burgerschapsonderwijs zien wij een risico in het systeem, omdat actuele maatschappelijke ontwikkelingen … Ik denk dat wij heel verschillend kijken naar bepaalde maatschappelijke en actuele ontwikkelingen. Onze zorg is dat er op school ruimte wordt geboden om dat mee te geven in de hoofden van jonge kinderen en scholieren. Ik ga u voor de derde keer zeggen dat ik niet concreet een voorbeeld kan noemen, maar ik herhaal dat het risico is dat het systeem hiertoe uitnodigt. Daar waarschuw ik voor.

De voorzitter:

De heer Van Meenen, tot slot.

De heer Van Meenen (D66):

Is het niet zo, vraag ik aan de heer Kemperman, dat burgerschapsonderwijs er juist op gericht is leerlingen te leren dat er verschillende politieke opvattingen zijn, dat er verschillende geloven zijn en dat er allerlei manieren zijn om naar de samenleving te kijken? Is het er niet op gericht om leerlingen te leren dat je respect voor elkaar moet hebben en moet proberen, zoals in een democratische rechtsstaat en zoals wij dat hier nu ook doen, met het gesprek verder te komen? Is dat niet de kern van burgerschapsonderwijs en niet het juist opleggen van één van die opvattingen? Dat zou bijzonder gek zijn. Ik zou me er ook grote zorgen over maken als dat zo was. Bent u het met mij eens dat dat het juist niet is, en dat de kern van burgerschapsonderwijs juist het met elkaar verder komen in een samenleving waarin mensen van elkaar verschillen betreft?

De heer Kemperman (FVD):

Dat ben ik honderd procent eens met de heer Van Meenen. Als dan de zorg wordt weggenomen dat dat al dan niet wordt gedomineerd door welke ideologie of welke kijk op de maatschappelijke actuele ontwikkelingen dan ook, zijn we het nog meer met elkaar eens. Dat zou namelijk precies de essentie van burgerschapsonderwijs moeten zijn.

Mevrouw Roovers (GroenLinks-PvdA):

Ik heb de indruk, maar ik kan me vergissen, dat de heer Kemperman niet helemaal het achterste van zijn tong heeft laten zien. Hij beloofde in de vooruitblik in ieder geval iets meer dan ik heb gehoord. Ik zou hem willen uitdagen om daar toch iets meer over te vertellen. Ik meen te hebben beluisterd dat de heer Kemperman kritisch is op de rol van de inspectie. Nee, laat ik het zo zeggen: ik meende in de vooruitblik gehoord te hebben dat hij ging aankondigen dat hij meende dat de Eerste en Tweede Kamer een grotere rol moeten hebben in de invulling van het onderwijs. Heb ik dat juist, en heb ik dat net in uw betoog gemist? Kunt u daar nog over uitweiden?

De heer Kemperman (FVD):

U heeft heel veel gemeend en gehoord wat ik niet heb gezegd. Ik wil uw zorg dan wegnemen. Ik zou de rol in de invulling van het onderwijs — daar pleit ik tussen de regels door voor — willen laten bij het onderwijs, bij het professionals voor de klas, zoals de heer Walenkamp ook al heeft betoogd. Een aantal mensen die actief met het onderwerp bezig zijn, kunnen dat prima. Als wij vanuit de politiek nu een systeem bedenken en in wetten vastleggen dat ruimte laat en dat de invulling van bijvoorbeeld burgerschapsnormering niet verschuift naar de onderwijsinspectie die daarop toeziet … Er is ook al aangehaald dat er onderzoeken zijn waarbij de onderwijsinspectie verdergaat dan het toetsen van de wettelijke kaders. Dat is één.

Het tweede betreft de situatie waarin we allerlei kwalitatieve aspecten gaan meegeven voor wat het onderwijs hoort te zijn. Dat zien we in andere wetgevingsdomeinen ook. Ik geef een ander voorbeeld. Ik heb het nog even opgezocht. Er stond kortgeleden een interview in de Volkskrant met de heer Van Meenen en de heer Jetten. Daarin stond dat thuis voor veel kinderen niet de beste omgeving is en dat de school dat zou moeten overnemen. Dan zou je een hele dag op school moeten zitten. En in 2018 zei staatssecretaris Van Engelshoven: we moeten de schoolboeken herschrijven, want de opvattingen over gezinnen, de samenleving en hoe we met elkaar moeten samenwerken, zijn te dominant. Dat zijn dingen waar wij kritisch op zijn. Daar willen we graag het debat over openhouden. Dat debat moet vooral in beide Kamers worden gevoerd, en niet bij de inspecties of de instituten die toezien op de naleving van de wetgeving.

Mevrouw Roovers (GroenLinks-PvdA):

Dat is verhelderend, want ik heb inderdaad dingen gehoord die u misschien niet gezegd of gemeend heeft. Ik ben dus blij dit te horen. Dan delen wij de opvatting dat de Kamers zich eigenlijk moeten onthouden van een al te inhoudelijke invulling van onderwijsopdrachten, omdat dat zo veel mogelijk een discussie onder professionals zou moeten zijn. Maar dan blijf ik de volgende vraag houden. Er zijn hier natuurlijk een aantal vragen over gesteld aan de minister. Ik ben benieuwd hoe zij antwoordt op die dynamiek en hoe zij de gesprekken daarover voert met de professionals. Mijn vraag blijft: wie gaat toetsen of die professionals zich houden aan de ontwikkelde kaders? Heeft de heer Kemperman daar een begin van een antwoord op?

De heer Kemperman (FVD):

Dat is precies mijn zorg. Wie toetst de toetser? Wie toetst de interpretatie van de toetser als we al evaluatierapporten hebben liggen waaruit blijkt dat het soms wel een tikje te enthousiast gaat? Koppel dit aan de verdubbeling van het aantal fte's bij de onderwijsinspectie in tweeënhalf jaar tijd en aan het programma voor de intensivering van het toezicht, en je ziet dat het onderwijssysteem voorsorteert op stringentere toetsing. Dat, gekoppeld met de normering voor burgerschap, is precies de zorg die ik probeer over de bühne te brengen. Getuige ons korte debat van zojuist heeft u dat gelukkig goed uit mijn pleidooi gehaald. Ik ben er overigens niet vaak van beticht dat ik niet het achterste van mijn tong laat zien in dit huis. Ik zie dat dus als een complimentje.

Mevrouw Roovers (GroenLinks-PvdA):

Ik probeer alles zo positief mogelijk in te steken. Ik ga ook naar mijn laatste interruptie. Ik denk dat wij een aantal zorgen delen, bijvoorbeeld over artikel 23. Het idee is dat onderwijs in Nederland van onderop is georganiseerd. Het is een mooie gedachte dat de inbreng en samenhang daarin van onderop komt, vanuit het maatschappelijk middenveld. Ik zou zeggen: het is een goed idee om dan een onafhankelijke instantie, zoals een onderwijsinspectie, te hebben die toetst op de naleving daarvan. We kunnen zo meteen aan de staatssecretaris vragen in hoeverre die haar taak goed vervult. Het idee van een inspectie, vraag ik via de voorzitter, zou de heer Kemperman toch aan moeten spreken?

De voorzitter:

Tot slot op dit punt, meneer Kemperman.

De heer Kemperman (FVD):

Wij hebben natuurlijk uitvoerende instanties nodig die toezicht houden op de uitvoering van de wetten die wij hier in dit land met elkaar afspreken. Ik kan een kort voorbeeld geven. We zien vrij recent dat het aantal aanmeldingen voor het aanvragen van een ontheffing voor thuisonderwijs is verviervoudigd. We zien dat sommige steden als reflex daarop direct de leerplichtambtenaren op pad sturen. Ik zal niet zeggen dat ze dat doen met het mes tussen de tanden, maar toch wel met een straffe boodschap. Laat dat dus aan de politiek. Laat die ruimte en koester die als het grootste goed in ons onderwijsstelsel. Dat is eigenlijk de kern van mijn betoog.

De voorzitter:

Eigenlijk was u al aan het eind. Nog maar een laatste opmerking dan.

Mevrouw Roovers (GroenLinks-PvdA):

Een laatste oprisping is mijn vraag via de voorzitter aan de minister of zij deze opmerking van de heer Kemperman misschien kan adresseren in haar beantwoording. Zij heeft daar namelijk recent iets over gezegd in de media.

De heer Van Meenen (D66):

Dat was ook niet zomaar, maar naar aanleiding van een uitspraak van de Hoge Raad. Dat is ook niet de eerste de beste, zullen we maar zeggen. Daar zijn we het waarschijnlijk over eens. Ik vind het heel fijn dat de heer Kemperman interviews van mij en de heer Jetten gaat citeren. Dat kan hij niet vaak genoeg doen wat mij betreft. Voor de goede orde wil ik toch wel even de context schetsen. Dat doe ik min of meer als persoonlijk feit, voorzitter. Anders ontstaat er toch een merkwaardig beeld. Ik heb inderdaad gezegd dat thuis voor sommige kinderen niet de beste plek is. Dat gaat over leren. Dat gaat over sporten. Dat gaat over kennismaken met cultuur. Dat gaat over bijles en ondersteuning krijgen. Veel kinderen krijgen dat in Nederland en anderen helemaal niet. Zij staan bij wijze van spreken elke dag na schooltijd in een verloren omgeving een lekke bal tegen een verveloze garagedeur aan te trappen, terwijl anderen van de hockey, naar de muziekles, naar de huiswerkbegeleiding gaan. Dáár gaat dit betreffende interview over, namelijk over die rijke schooldag. Voor die kinderen zou het goed zijn als er na school iets is waardoor zij ook kennismaken met sport, cultuur et cetera. Dat is de context. Dat wilde ik hier toch heel graag even gezegd hebben, voordat het idee ontstaat dat ik vind dat kinderen per definitie beter op school thuis zijn dan thuis.

De voorzitter:

Dank u wel. Dat was een correctie, een persoonlijk feit. Dan geef ik nu graag het woord aan mevrouw Van Bijsterveld van JA21.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

Mevrouw Van Bijsterveld i (JA21):

Dank u wel, voorzitter. Allereerst wil ik collega Musa feliciteren met haar maidenspeech en haar veel succes wensen. We kijken met plezier uit naar haar verdere bijdrage in de debatten.

Voorzitter. De nieuwe nadruk op de basisvaardigheden is op zichzelf al verontrustend, want waarom is hernieuwde focus op de basis nodig? De basis moet toch continu op orde zijn? Dat zou het uitgangspunt moeten zijn, maar dat is het niet. Na jaren van onderwijsvernieuwingen, competentiedwaallichterij en steeds nieuwe maatschappelijke opdrachten is het niveau van taal en rekenen aantoonbaar onder druk komen te staan. Wie de staat van het onderwijs serieus neemt, kan moeilijk ontkennen dat er iets fundamenteels is misgegaan.

Onderwijs moet in de eerste plaats gericht zijn op kennisoverdracht. Leerlingen moeten goed leren lezen, schrijven, rekenen én nadenken. In de tweede plaats, en daarmee in onverbrekelijke samenhang, is goed onderwijs vormend voor de burgers van morgen. Zonder een gedeelde kennisbasis is een burgerlijke morele en derhalve politieke orde niet goed denkbaar. Als kinderen onze taal niet goed leren beheersen en niet goed leren rekenen, staat de continuïteit van onze samenleving op het spel. Daarom raakt dit wetsvoorstel aan meer dan alleen curriculumtechniek. Kerndoelen bepalen immers niet alleen wat leerlingen moeten kennen, maar ook welk beeld een samenleving van zichzelf overdraagt aan volgende generaties. Onderwijs is nooit volledig neutraal. Achter de selectie van leerinhoud zitten altijd keuzes over cultuur, geschiedenis, samenleving en burgerschap. Juist daarom wil mijn fractie stilstaan bij de manier waarop dit wetsvoorstel is vormgegeven.

De wet legt vooral de structuur vast, maar de concrete invulling van de kerndoelen volgt grotendeels later via algemene maatregelen van bestuur. Formeel blijft het parlement betrokken via een voorhangprocedure, maar die betrokkenheid is wezenlijk anders dan bij gewone wetgeving. Dat is hier niet onbelangrijk, want bij onderwijs gaat het in de praktijk vaak, juist in die nadere uitwerking, om de wezenlijke politieke en maatschappelijk keuzes. Welke historische accenten worden gelegd? Hoe wordt burgerschap ingevuld? Welke maatschappelijke opvattingen krijgen de nadruk? Waar ligt de grens tussen onderwijs over de democratische rechtsstaat en het overbrengen van gewenste maatschappelijke houdingen? Mijn fractie beschouwt deze vragen niet als technische kwesties, maar als fundamentele, politieke en culturele vragen die uiteindelijk een democratisch gelegitimeerde afweging vereisen. Daarom vragen wij de regering waarom voor deze mate van delegatie is gekozen. Welke inhoudelijke grenzen liggen nog echt in de wet zelf vast? Hoe voorkomt de regering dat toekomstige ministers via lagere regelgeving grote inhoudelijke koerswijzigingen kunnen doorvoeren zonder volwaardige parlementaire behandeling?

Voorzitter. Dat punt speelt duidelijk bij burgerschapsonderwijs. Uiteraard vindt ook mijn fractie dat leerlingen kennis moeten hebben van de democratische rechtsstaat, de Grondwet en de instituties van ons land. Maar het begrijp "burgerschap" is de afgelopen jaren ook een verzamelbegrip geworden voor allerlei bredere maatschappelijke en normatieve doelstellingen. En daar kan het wringen. Mijn fractie ziet het risico dat activistische opvattingen over identiteit, diversiteit en maatschappelijke vraagstukken steeds gemakkelijker via curriculumontwikkeling het klaslokaal binnenkomen, terwijl daar nooit rechtstreeks democratische besluitvorming over heeft plaatsgevonden. Juist omdat onderwijs gezag heeft, moet hier grote terughoudendheid worden betracht.

Mevrouw Roovers i (GroenLinks-PvdA):

Ik heb een vraag aan mevrouw Van Bijsterveld, maar misschien volgt dit in het vervolg van uw betoog. Aan het begin van uw betoog suggereert u dat de Kamers te weinig betrokken zijn bij de invulling van de kerndoelen en dat ze te zeer gedelegeerd zijn via een algemene maatregel van bestuur. Zou de heer — de heer, met excuus — mevrouw Van Bijsterveld liever een sterkere politieke sturing op het proces van de Kamers willen? Meer een sturing van bovenaf?

Mevrouw Van Bijsterveld (JA21):

Dank voor de vraag. Het is meer dat we vinden dat ook controle belangrijk is. We willen dat het parlement nog steeds controle heeft op de uiteindelijke doelen die gesteld worden. De kerndoelen zijn vrij algemeen en breed en met algemene maatregelen van bestuur wordt meer concreet inhoud gegeven aan wat er wordt verwacht. Wij vinden het als partij belangrijk dat we daar als parlement controle op kunnen uitoefenen. Door een voorhang wordt daar deels in voorzien, alleen is die minder zwaar dan als het in een wettelijk kader wordt gegoten.

Mevrouw Roovers (GroenLinks-PvdA):

Maar dat komt er dan feitelijk op neer dat mevrouw Van Bijsterveld liever een top-downinvulling ziet van de kerndoelen van het onderwijs dan dat waar we het in het vorige debatje met de heer Kemperman over hadden: het gesprek tussen de collega's onderling. Of zie ik dat niet goed?

Mevrouw Van Bijsterveld (JA21):

Nee, dat ziet u niet goed. Het onderwijs moet bij het onderwijs blijven, maar we vinden wel dat als juist vanuit de regering in een AMvB iets wordt gedaan waarvan je je kan afvragen of daarmee de vrijheid van onderwijs nog voldoende tot uitdrukking komt, we daar als parlement iets van mogen vinden en dat we daar controle op willen kunnen uitoefenen. Daar zit het hem vooral in.

De voorzitter:

Tot slot? Nee. U vervolgt uw betoog.

Mevrouw Van Bijsterveld (JA21):

Ik vervolg mijn betoog en ga door met de opvattingen en de grote terughoudendheid die moet worden betracht, juist omdat het onderwijs gezag heeft. Dat raakt ook aan de rol van expertorganisaties en curriculumontwikkelaars. Natuurlijk is deskundigheid van belang, maar deskundigheid geeft nog geen democratisch mandaat. Experts kunnen adviseren, maar behoren uiteindelijk niet te bepalen welke normatieve uitgangspunten via het onderwijs aan toekomstige generaties worden meegegeven.

Voorzitter. Wat daarnaast opvalt, is dat in discussies over burgerschap en maatschappelijke vorming vaak uitvoerig wordt gesproken over diversiteit en mondiale perspectieven, en veel minder over de Nederlandse constitutionele traditie, onze nationale geschiedenis en de bredere westerse beschaving waaruit onze democratische rechtsorde is voortgekomen. Juist in een tijd waarin historisch besef afneemt en maatschappelijke samenhang onder druk staat, acht mijn fractie dat geen bijzaak. Een democratische rechtsstaat kan uiteindelijk niet bestaan zonder een gedeeld begrip van en waardering voor haar eigen geschiedenis, instituties en culturele fundamenten.

Voorzitter. Uiteindelijk gaat dit debat dus over meer dan kerndoelen alleen. Het gaat ook over de vraag: wie bepaalt welke waarden, kennis en opvattingen een samenleving aan kinderen overdraagt? Juist bij die vraag moet deze Kamer uiterst zorgvuldig omgaan met het overdragen van normatieve ruimte naar lagere regelgeving en uitvoerende instanties.

Dank u wel. Ik kijk uit naar de beantwoording van de staatssecretaris.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik nu graag het woord aan de heer Van Meenen van D66.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Van Meenen i (D66):

Voorzitter, hartelijk dank. Allereerst mijn hartelijke felicitaties aan collega Musa. Het was werkelijk een prachtig en ontroerend verhaal. Het raakte voor mij precies de kern van waar onderwijs over gaat. Zij heeft het heel goed verwoord. Dat ga ik niet overdoen. Ik vond het heel bijzonder om te horen.

Ik heb een lange geschiedenis met dit onderwerp. Daar wil ik wel even helder over zijn. In de elf jaar dat ik in de Tweede Kamer mocht zitten, heb ik het heel vaak gehad over de herdefiniëring van kerndoelen. U herinnert zich wellicht ook nog Curriculum.nu en weet ik hoe het allemaal heette. Er zijn heel veel mislukkingen op dit pad geweest. Die hadden als overeenkomst dat het juist de overheid was die even ging bedenken hoe het allemaal verder moest en dat juist "de man of vrouw voor de klas", om de heer Van Kesteren te citeren, er niet aan te pas kwam. Dat is het mooie van dit proces. Daarom sta ik hier maar met een hele korte spreektijd. Ik had een paar jaar geleden niet kunnen bedenken dat ik hier zou staan en dat ik het er hier over mocht hebben. Ik dacht: zullen we ooit een wet krijgen op dit vlak die deze Kamer gaat bereiken?

Welnu, het is gelukt. Ik kan eigenlijk alleen maar vooral grote complimenten geven voor dit proces. Wie goed naar het proces kijkt, ziet dat er heel erg veel docenten bij betrokken zijn geweest en dat er, zoals we destijds in de Tweede Kamer hebben voorgesteld, heel erg geoefend is op scholen, die hebben bekeken hoe die kerndoelen dan uitwerken et cetera. Daardoor zou je kunnen zeggen dat er nu wonder boven wonder een voorstel ligt dat de steun heeft van het hele veld. Kom daar maar eens om! Mijn ervaring is dat als je drie docenten bij elkaar zet, je minstens vijf opvattingen hebt. Maar hierbij is het gelukt. Een groot compliment dus voor dit proces. Het betekent ook dat het resultaat dat hier ligt voor ons daardoor een waarde vertegenwoordigt die maakt dat wij hier zeer positief naar kijken.

Ik vind het ook verstandig dat het in twee stappen gaat. Ik begrijp de aarzelingen van mevrouw Van Bijsterveld dat je het eigenlijk wettelijk vast zou willen leggen. Dat zou ik misschien ook wel willen, maar daar zit ook een schaduwkant aan, namelijk dat je dan elke flexibiliteit verliest. Je moet ook zorgen dat je kunt blijven inspelen op de ontwikkelingen die zich in de samenleving voordoen. Je moet je eens voorstellen: we proberen onze kinderen voor te bereiden op hun toekomst; ze beginnen op hun 4de aan het onderwijs maar die toekomst in de samenleving begint pas twintig jaar later als ze het onderwijs verlaten. Of zestien jaar later, maar in ieder geval een hele tijd later. Probeer het je eens voor te stellen. Als je even terugdenkt: hoe zouden wij kinderen aan het begin van deze eeuw hebben moeten voorbereiden op de samenleving zoals die er nu uitziet? Je zou niet weten waar je moest beginnen. Er is zo veel gebeurd. Dat vraagt een zekere flexibiliteit. Het is echt een illusie om te denken dat je kinderen, als ze starten in het onderwijs, kunt voorbereiden op de samenleving die zich twintig jaar later heeft ontwikkeld. Daar moeten we dus heel terughoudend in zijn.

Tegelijk moeten we ze kennis en vaardigheden meegeven die een soort eeuwigheidswaarde hebben, zou ik zeggen. Dat zijn nu de basisvaardigheden. Ook in de Tweede Kamer hebben we een enorme strijd moeten voeren om die terug te brengen naar de kerndoelen. Het was een hele grote politieke wens om alles en nog wat basisvaardigheden te noemen, maar ik ben heel blij dat ervoor gekozen is dat dat taal en rekenen zijn. Dat zijn de vaardigheden die je, ongeacht wat er in de samenleving gaat gebeuren, vooral nodig hebt om je te redden. Natuurlijk zal je in de loop van je onderwijsloopbaan steeds dichter komen bij die samenleving waar je uiteindelijk in terechtkomt. Dan krijg je prachtig beroepsonderwijs et cetera, maar we hebben het nu over het basisonderwijs. Wat moeten de kinderen kennen en kunnen? Ze moeten vooral kunnen lezen, schrijven en rekenen. Dat is het allerbelangrijkste.

Ook moeten we proberen ze al jong op te voeden in het omgaan met verschillen. Ik heb het net in het interruptiedebatje met de heer Kemperman al gezegd. Dat is waar voor mij burgerschap over gaat. Daar heb ik eigenlijk maar één vraag over. Die gaat over het onderwerp waar ik met de heer De Vries over sprak. Ook na zijn antwoord, kan ik toch nog steeds niet helemaal begrijpen waarom de kerndoelen zich niet richten op de schoolcultuur. Je zou kunnen zeggen dat dat een opdracht is aan de school, maar die school bestaat ook uit kinderen. Waarom kunnen we niet ook kerndoelen bedenken, zou ik haast zeggen, die gaan over hoe leerlingen onderdeel worden van die democratische cultuur die de school zou moeten zijn? Een voorbeeldsamenleving is het idee. Niet een voorbeeldsamenleving waarin opvattingen allemaal vastliggen, maar juist een voorbeeldsamenleving van een omgeving waarin opvattingen verschillen en waarin je probeert daar op een democratische manier mee verder te komen. Ik denk dat dat ook iets van leerlingen vraagt, meer dan alleen maar de kennis dat de democratische rechtsstaat er is. Je moet er een oefenplaats van maken. Als er geoefend wordt, mag je ook iets vragen. Ziet de staatssecretaris toch nog mogelijkheden om ook dat tweede deel van de burgerschapsopdracht, betreffende de schoolcultuur, in kerndoelen te vatten?

De heer Rietkerk i (CDA):

Toch een vraag om wat wijsheid toe te voegen in de interruptie. De heer Van Meenen heeft een aantal interrupties gepleegd over wat onze taak is en wat er wel of niet bij het wetsvoorstel zou horen. Wij kijken naar het wetsvoorstel en onze taak betreft de handhaafbaarheid, de kwaliteit van wetgeving en ook de uitvoerbaarheid. Ik ben dan nieuwsgierig naar het antwoord van de heer Van Meenen op de vraag: waar zit het haakje om een beleidsthema toe te voegen? Is dat niet meer werk voor de Tweede Kamer dan voor de Eerste Kamer?

De heer Van Meenen (D66):

Dat vind ik ook, maar hier zit mijn geschiedenis mij misschien een beetje in de weg. Destijds heb ik ook de behandeling van de burgerschapsopdracht, de wet uit 2021, mogen doen. Daar zat die tweedeling in. Aan de ene kant ga je kinderen een aantal dingen leren over de democratische rechtsstaat en over de samenleving waarin zij verkeren, en aan de andere kant probeer je van die school een soort oefensamenleving te maken. Dat was het idee van die wet. Het is ingewikkeld en voor je het weet ontstaat er spanning met artikel 23 — dat begrijp ik allemaal wel — maar we zijn eruit gekomen en dat is het geworden. Alleen zeggen we dan over het onderwijsdeel, bijvoorbeeld over het leren wat de Eerste Kamer doet, dat we het in kerndoelen vatten. Maar als het gaat over de schoolcultuur doen we dat niet. Daar zit het haakje. Ik heb het ook gemist in de behandeling door de teerbeminde collega's aan de overkant, maar we zijn hier ook juist om de uitvoering te optimaliseren. Ik denk dat het er beter van wordt als we daar ook aandacht aan besteden. Dat is het haakje.

De heer Rietkerk (CDA):

Dan gaat het in mijn hoofd heen en weer, want het debat in de Tweede Kamer is inderdaad afgerond, zoals de heer Van Meenen aangaf. Dat betekent dat wij hier een oordeel geven over niet alleen dat spoor van de schoolcultuur, maar gewoon over het eerste spoor. We moeten elkaar een beetje helpen om het debat hier te voeren over de zaken die hier nog aan de orde zijn en niet over zaken die nu worden toegevoegd. Zo zie ik de interrupties van de heer Van Meenen. Wat mij betreft kan het daar ook wel mee afgerond zijn.

De voorzitter:

Dank u wel.

De heer Van Meenen (D66):

Ik begrijp de zuiverheid die de heer Rietkerk betracht. Daar is hij de ene keer sterker in dan de andere keer, zoals wij allemaal, denk ik. Maar toch, ziet de staatssecretaris die mogelijkheden? Het kan zijn dat zij zegt: in de Tweede Kamer begonnen ze hier niet over, dus dat moeten wij ook maar niet doen. Daar gaat het mij niet om. Het gaat haar — tenminste, dat denk ik en ik ken haar al heel lang — en mij erom dat we het beste voor die kinderen doen. Ik kan mij wel voorstellen dat we daar toch op de een of andere manier via een algemene maatregel van bestuur aandacht aan besteden. Of dat je wellicht toch nog iets anders moet doen bij een herziening of wat dan ook. Ik hoor het graag.

De voorzitter:

Dank u wel. Wenst een van de leden in de eerste termijn nog het woord? Dat is niet het geval. De staatssecretaris heeft aangegeven dat zij veertig minuten nodig heeft. Ik geef haar iets minder dan veertig minuten. We schorsen tot 16.30 uur.

De vergadering wordt van 15.58 uur tot 16.30 uur geschorst.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De voorzitter:

Ik heropen de vergadering. Ik geef het woord aan de staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

Staatssecretaris Tielen i:

Dank u wel, voorzitter. Laat mij dit moment ook gebruiken om mevrouw Musa te feliciteren met haar maidenspeech. Een aantal van u zei het al: de manier waarop mevrouw Musa aangaf hoe belangrijk onderwijs is voor mensen, voor samenlevingen en voor emancipatie, raakte me. Dank u wel daarvoor.

Daarnaast sta ik hier met best een tevreden gevoel. Er is in de afgelopen jaren heel veel werk verzet door leraren, curriculumexperts en heel veel andere experts op het gebied van onderwijs en vakgebieden. Ik ben blij dat de geactualiseerde kerndoelen nu hier in deze Kamer liggen, want ze waren echt toe aan een opfrisbeurt. Ook daar refereerde een aantal van uw leden al aan.

De huidige kerndoelen zijn twintig jaar oud. Bedenk hoe we erbij stonden in 2005. We hadden geen idee hoe de wereld in de twintig jaar daarna zou kunnen veranderen. Dat betekent ook dat de kerndoelen in het onderwijs moeten meegroeien, zodat leerlingen daadwerkelijk alles meekrijgen om zich te kunnen redden in de maatschappij en de wereld van nu én van morgen. De nieuwe kerndoelen spelen daarin een hele belangrijke rol. Daardoor weten leraren waar ze in hun lessen de nadruk op moeten leggen en leerlingen wat ze moeten weten en kunnen. Kerndoelen helpen om daarin focus aan te brengen, voor duidelijkheid en daarmee ook — dat klinkt tegenstrijdig, maar dat is daadwerkelijk hoe het werkt — meer vrijheid voor de leraren. Zij zijn dan bijvoorbeeld minder afhankelijk van bepaalde lesmethodes en hebben zelf controle over wat ze aan bod laten komen tijdens hun lessen. Dat is heel erg nodig, die focus en tegelijkertijd die vrijheid, want dat draagt eraan bij dat elke leerling die van school afkomt goed kan lezen, kan schrijven en kan rekenen. Dat is nog best een ambitieus doel, ook al klinkt het heel erg voor de hand liggend. Het vraagt ook om een ambitieus curriculum, en uiteraard om samenwerking met ambitie, want we moeten er echt met elkaar voor zorgen dat het nieuwe curriculum daadwerkelijk bijdraagt aan beter onderwijs op de basisvaardigheden.

We moeten er ook voor zorgen dat het gaat leven in de klas. Dat vraagt ook iets van uw Kamer. Ik vind het daarom fijn dat ik hier sta. Dit is een belangrijke dag. We bespreken vandaag de basis die wordt gelegd met dit wetsvoorstel. Het vormt het juridische fundament om het nieuwe curriculum officieel te gaan verankeren. Het gaat dan dus om meer aandacht voor de basisvaardigheden in de breedte van het curriculum, over aanpassing van de definitie van een kerndoel, meer houvast en duidelijkheid voor zowel leraren als leerlingen, en toevoeging van actuele onderwerpen aan het onderwijs. Te denken valt aan burgerschap — daar zijn veel vragen over gesteld — digitale geletterdheid en ook bijvoorbeeld de Nederlandse gebarentaal.

Voorzitter. Er zijn veel vragen gesteld. Ik ben van plan om die in drie zogenoemde "mapjes" te beantwoorden. Allereerst het mapje over de inhoud van het wetsvoorstel zelf, dan over "van wet naar klaslokaal", dus de implementatie ervan, en dan zijn er nog diverse vragen in het mapje overig.

Ik begin bij de inhoud van het wetsvoorstel zelf. Daarbij kom ik onder andere terug op de status van de AMvB en het proces daaromheen. Er is in dit blok iets minder gevraagd over taal dan in het volgende, maar er is één vraag die ik wel graag wil beantwoorden. Dan komt digitale geletterdheid en AI. Als vierde komt burgerschap. Dat onderwerp heb ik heel breed getrokken, met ook bijvoorbeeld geschiedenis.

Onder anderen mevrouw Van Bijsterveld vroeg naar de delegatie van de kerndoelen naar een algemene maatregel van bestuur, een AMvB, met een voorhang. De vraag was waarom voor die delegatie gekozen is. In de wet die nu voorligt, zijn de onderwerpen vastgesteld waarover de kerndoelen worden vastgesteld. De kerndoelen zelf zijn wat gedetailleerder. Dat maakt dat we die op AMvB-niveau aanwijzen. Daar leggen we ze neer. In de wet is ook vastgesteld dat de kerndoelen normatief binnen de grenzen van de burgerschapsopdracht moeten blijven, maar dat juist het parlement betrokken blijft bij de vaststelling van die kerndoelen, omdat we daarin een voorhangprocedure hebben opgenomen. Dat betekent dus dat we aan de ene kant de controle geborgd hebben en aan de andere kant de flexibiliteit hebben om te actualiseren waar nodig. Ik denk dat dat een mooie balans is tussen de twee opdrachten die voorliggen.

Verschillende fracties hebben gevraagd naar de waarborgen dat de onderwijsvrijheid daadwerkelijk blijft bestaan in relatie tot burgerschap. Zelf vind ik, als ik kijk naar hoe de burgerschapskerndoelen nu zijn uitgewerkt, dat die precies aangeven waar het om gaat: aan de ene kant de vrijheid van onderwijs en aan de andere kant ook het meegeven van de principes van onze democratische rechtsstaat in het funderend onderwijs. De conceptkerndoelen burgerschap laten ruimte voor de eigen visie van de school. Tegelijkertijd kunnen die niet antidemocratisch zijn, want inmiddels, zo hebben we afgesproken, is de democratische rechtsstaat wél de basis. Daarmee hebben scholen dus de ruimte om in hun onderwijsprogramma in te spelen op behoeften van leerlingen en invulling te geven aan hun eigen visie. Het vormgeven van de kerndoelen geeft dan ook voldoende vrije ruimte, is mijn overtuiging. Daarmee vormen de kerndoelen dus geen beperking van de breedte van het onderwijs, maar geven ze alleen aan wat een school minimaal aan onderwijsinhoud moet aanbieden. Vervolgens kan de school vrij kiezen hoe dat precies te doen.

Meneer Rietkerk vroeg naar de andere talen dan het reguliere Nederlands in de kerndoelen, bijvoorbeeld het Papiaments, maar ook het Fries en het Nedersaksisch. Ik heb eerder een brief naar uw Kamers gestuurd over het Fries als kerndoel, en deze week hebben we de goedkeuring van de kerndoelen Fries vastgesteld. Dus dat heeft echt zijn plek. Hetzelfde geldt voor de andere talen. Samen met de scholen op Bonaire zijn we bijvoorbeeld bezig met het ontwikkelen en uitwerken van de kerndoelen Papiaments. Ik weet nooit op het "Papiamentu" of "Papiamento" is, maar ik heb begrepen dat dit afhangt van het eiland. Op dat punt heb ik dus zelf ook nog wel iets te leren. Aan het eind van dit kalenderjaar worden de kerndoelen opgeleverd.

De heer Walenkamp vroeg heel veel, onder andere over artificiële intelligentie en digitale geletterdheid. Hij had het idee — dat is tenminste mijn lezing van zijn bijdrage — dat de kerndoelen te veel gericht zijn op het leren werken met kunstmatige intelligentie in plaats van op het kritisch werken met die systemen. Volgens mij zijn beide daarin goed verankerd. Voorop staat het kritisch werken met die systemen, waaronder ook systemen voor kunstmatige intelligentie. Door de kerndoelen digitale geletterdheid te borgen, maken we in ieder geval duidelijk dat elke school aandacht biedt aan de digitale geletterdheid en dat ze er op die manier voor zorgt dat leerlingen zich op dat punt ontwikkelen. In het basisonderwijs gaat het vooral over het beschrijven en herkennen van systemen rondom kunstmatige intelligentie. In het voortgezet onderwijs gaat het ook om de invloed van en de verschillen tussen artificiële-intelligentiesystemen.

Mevrouw Musa refereerde aan de digitale weerbaarheid. Zij vroeg of die voldoende in de kerndoelen zit. Mijn overtuiging is dat dit wel het geval is, juist omdat de kerndoelen digitale geletterdheid bevorderen dat die weerbaarheid er is. Ze zien zowel op het herkennen als op het gebruiken van digitale middelen. Zowel in het basisonderwijs als in het voortgezet onderwijs staan de kerndoelen ervoor dat leerlingen veilig omgaan met die systemen, met data en met de eigen privacy en die van anderen. Dat refereert natuurlijk deels aan de burgerschapsopdracht rondom de democratische rechtsstaat.

Mevrouw Musa vroeg ook of er in de nieuwe kerndoelen voldoende aandacht is — ik zeg het in mijn woorden — voor de grondrechten. Dan hebben we het met name over de burgerschapsdoelen. Ik zei net al dat de kerndoelen zoals die nu rondom burgerschap zijn geformuleerd wat mij betreft heel goed in elkaar steken. Aan de ene kant geven die namelijk heel duidelijk richting aan wat nodig is om te weten en te ervaren over onze democratische rechtsstaat, en aan de andere kant laten ze voldoende ruimte voor scholen om daar op hun eigen manier invulling aan te geven. Ik noem in dit verband maar even kerndoel 20 voor het basisonderwijs, waarin de grondrechten centraal staan. Daarin wordt gerefereerd aan zowel de grondrechten als de mensenrechten en de kinderrechten, waarbij wordt aangegeven hoe die ook van toepassing zijn op leerlingen zelf. Daarmee kunnen de leerlingen zien hoe dat ook voor hen een rol kan spelen.

Mevrouw Lagas vroeg naar het belang van geschiedenis in de kerndoelen. De kerndoelen van geschiedenis zijn onderwerp van het leergebied mens en maatschappij. Daarin wordt in ieder geval aangegeven dat leerlingen horen te leren om te onderzoeken hoe vanuit historisch perspectief te kijken naar bepaalde maatschappelijke vraagstukken. Uiteraard leren ze daarbij over verschillende periodes in de historie en hoe die ontwikkelingen en gebeurtenissen het heden kunnen beïnvloeden. Wat mij betreft is er voldoende aandacht voor geschiedenis en zijn de kerndoelen goed gedefinieerd. Zoals mevrouw Lagas ook weet, denk ik, is geschiedenis in de onderbouw van het voortgezet onderwijs gewoon nog een verplicht vak.

Mevrouw Lagas vroeg ook of de definitie van de term "kerndoel" duidelijk is, tenminste zoals ik het begrepen heb. Ik vind dit echt een mooi debat, omdat hierin een aantal dilemma's samenkomen. Aan de ene kant willen we als overheid, als parlement, als vormgevers van onze overheid — laten we het zo maar noemen — richting geven aan wat het onderwijs wel en niet moet doen. Aan de andere kant willen we vanuit onze grondrechten ook voldoende vrijheid laten aan scholen en ze ruimte bieden. Dat is het leuke van dit debat, al maakt dat het ook ingewikkeld. Ik ben ervan overtuigd dat die balans goed zit in wat wij de Kamer hier voorleggen: aan de ene kant richting geven aan de scholen en in een bepaalde mate vastleggen wat je mag verwachten dat het onderwijs oplevert, maar tegelijkertijd ook ruimte bieden.

Uiteindelijk zijn de kerndoelen zo geschreven dat ze concreter zijn dan wat we nu hebben. Daarmee geven ze echt wat meer richting en daarmee ook focus, zoals ik in mijn inleiding ook al zei. Tegelijkertijd bieden we slechts een grondslag om te bepalen om welke onderwerpen het moet gaan in ons onderwijs. Daar geven we bij AMvB nog enige nadere invulling aan. Vervolgens is het aan de school en de docent om te bepalen op welke wijze ze dat in de klas gaan overbrengen aan hun leerlingen. Ik denk dat het wat dat betreft goed in elkaar steekt. Ik denk ook dat de AMvB voor de kerndoelen een mooie aanvulling is om het iets concreter te krijgen, maar dat het goed is om dat via een AMvB te doen, zodat er wel parlementaire inspraak is maar ook wel een zekere mate aan flexibiliteit om bij de tijd te blijven, om het zo maar te zeggen.

Meneer De Vries vroeg of er voldoende vrijheid is voor scholen en docenten om te kiezen tussen wat hij een "materieel wereldbeeld" en een "dualistisch ofwel religieus wereldbeeld" noemde. Ja, die ruimte zit er in. Zoals ik net zei geven de kerndoelen echt richting, maar er blijft voldoende ruimte voor zowel scholen als docenten om daar invulling aan te geven op een manier die zij passend vinden. Daarnaast kan er aanvullend onderwijs worden gegeven om de leerlingen godsdienst, levensovertuiging, identiteit en zo mee te geven.

De heer Walenkamp en de heer Van Kesteren vroegen naar de politieke en ideologische inkleuring. Dat is eigenlijk inderdaad een verlengde van het dilemma waarin we met z'n allen zoeken naar de juiste handvatten. Uiteindelijk is de leraar voor de klas — iemand noemde dat "het gezag van het onderwijs", geloof ik — gewoon de kern van het onderwijs. In de interactie tussen die docent en de klas vindt de meeste overdracht van kennis en vaardigheden plaats. Uiteindelijk heeft die persoon de "professionele autonomie" — die term heb ik ook gehoord — om daar invulling aan te geven. Maar met de kerndoelen, waarvoor in deze wet de grondslag ligt, geven we wel richting aan wat dat in ieder geval moet zijn en wat we in ieder geval verwachten dat kinderen op school meekrijgen als het gaat over taal, rekenen en dat soort doelen.

Over het burgerschapsonderwijs versus de burgerschapsopdracht had een aantal van uw leden vragen. Meneer Van Meenen maakte dat ook nog heel scherp door te vragen of daarin niet de hele schoolomgeving meegenomen kan worden, zeg ik maar even in mijn woorden. Of je dat wel of niet doet, is een keuze. In de kerndoelen zoals die per AMvB uw kant op gaan komen, zeggen we dat een school een — ik vind het een mooie term, dus ik ga die ook hier noemen — "democratische oefenplaats" moet zijn. Het moet een plaats zijn waar kinderen niet alleen in kennis leren dat er verschillende mensen zijn met verschillende politieke, religieuze of andere wereldbeelden, maar dat ze dat ook ervaren. Ze moeten leren dat je daarover met elkaar nog steeds van mening kan verschillen, hoe je daarmee omgaat en hoe je met elkaar conflicten uitspreekt met woorden en niet met geweld. Dat zit wel in de kerndoelen. Dat biedt volgens mij een aanknopingspunt om in ieder geval te zorgen dat scholen die democratische oefenplaats kunnen zijn en dus geen antidemocratische ruimte bieden. Op die manier hebben we dat wat mij betreft gedekt. Dat is ook waar de inspectie naar kan kijken. Als het dan gaat om de ondergrens van veiligheid — ik verwijs even naar artikel 1, waar een aantal van u naar verwees — dus veilig kunnen zijn zonder gediscrimineerd, weggepest of wat dan ook te worden, is er ook nog een ander wetsvoorstel in proces. Over een paar weken heb ik daarover een debat met de Tweede Kamer. Dat is de Wet vrij en veilig onderwijs. Daarmee kan de ondergrens van wat onze democratische rechtsstaat aan veiligheid moet kunnen bieden in ieder geval in de schoolomgeving worden geborgd.

De heer Walenkamp vroeg ook of er niet bepaalde doelgroepen zijn die wellicht, als ik het goed begrepen heb, waarbij de vraag is of die de kerndoelen rondom burgerschap en digitale geletterdheid überhaupt wel kunnen halen. Ik hou er sowieso wel van dat we met elkaar ambitieuze doelen willen neerzetten. Zeker als je kijkt — daar kom ik zo nog even op terug — naar de prestaties, die we de afgelopen jaren sterk hebben zien dalen over de hele leerlingenpopulatie, denk ik dat we echt met elkaar moeten afspreken dat er een basis is waarvan wij verwachten dat elk kind daar al het aanbod in heeft gehad, zowel op de basisschool als in het voortgezet onderwijs. De kerndoelen zoals die er nu liggen voor burgerschap en digitale geletterdheid, zijn op meer dan 100 scholen uitgeprobeerd. Er is dus al echt wel geoefend met hetgeen waar we nu over spreken. Dan gaat het ook over scholen voor bijvoorbeeld gespecialiseerd onderwijs, praktijkonderwijs et cetera. We hebben het dus echt in een brede populatie, om het maar in jargon te zeggen, uitgeoefend. We zien dat het daadwerkelijk aansluit bij heel veel verschillende leerlingen. De manier waarop de kerndoelen worden gepresenteerd biedt ruimte voor maatwerk, waarmee de professionaliteit van de docent niet alleen wordt ingezet, maar ook ruimte krijgt. Uiteraard zullen we dat, zodra de kerndoelen er zijn en breed worden uitgevoerd, goed gaan monitoren. Als dan blijkt dat we toch dingen over het hoofd hebben gezien die niet kloppen, dan moeten we daar uiteraard met elkaar gaan bijsturen. Maar op dit moment ben ik ervan overtuigd dat het er goed ligt.

Mevrouw Lagas vroeg, even in mijn woorden: het ziet er goed uit, maar waarom werken we dan niet ook in het vervolgonderwijs met dit soort kerndoelen? Het makkelijke antwoord is natuurlijk dat ik daar niet over ga, maar dat is niet helemaal waar, ook omdat de minister en ik hebben afgesproken in heel veel dingen samen op te trekken. Er ligt nu echt wel iets goeds klaar, wat mij betreft. Het is ambitieus, concreet en actueel. Het moet er ook echt voor zorgen dat die prestaties beter gaan worden. Dat betekent in mijn ogen dat het vervolgonderwijs over een aantal jaar zal zien dat de instroom een hogere lat kan halen. Dat gaat ook daar weer helpen, zowel op het mbo als hbo als wo, om die basisvaardigheden te kunnen gebruiken. Daar zit nu af en toe wat frictie tussen. We werken met deze set aan kerndoelen, en daarmee het curriculum, aan een stevige basis in het funderend onderwijs, waar het vervolgonderwijs op verder kan bouwen. Verder zullen we moeten kijken of het past om hier in het vervolgonderwijs op die manier naar te kijken. Het vervolgonderwijs heeft natuurlijk een aantal andere uitkomstmaten, om het zo maar te zeggen. Denk aan de aansluiting op de arbeidsmarkt, de aansluiting op de wetenschap, dat soort dingen. Ik wil dat niet op dit punt in het proces met elkaar gaan verwarren. Dat was mijn eerste mapje.

Dan ga ik van de wet naar het klaslokaal. Het gaat over taal, over digitaal, over de leraar en over de toekomst. Mevrouw Roovers begon over de sterkere focus op lezen. Ze zei: ik wil het geen wet maken, maar het boek De gelukkige klas van meneer Thijssen moet iedereen maar lezen. Het ligt letterlijk op een stapeltje boeken waar ik mij de komende maand over ga buigen. Ik ben nu nog even een ander boek aan het lezen, maar het staat op het lijstje. Maar goed, dat is mijn lijstje. Het wordt geen wet. Ik hoor in ieder geval dat mevrouw Roovers er een hoop inspiratie uit heeft kunnen halen, dus ik verheug me er al op.

Taal staat wat mij betreft echt bovenaan. Meneer Rietkerk verwees daar volgens mij ook al naar. Taal ligt onder alles. Als we anderen niet begrijpen, de docent niet begrijpen of een stuk tekst niet kunnen lezen, dan kunnen we ook niks anders leren. Rekenen, digitale zaken, burgerschap, mens en maatschappij of wat dan ook zijn dan ook heel moeilijk te begrijpen. Het verbeteren van de taalvaardigheid is dus echt de topprioriteit. Zoals een aantal van u ook al zei, zien we dat die de afgelopen jaren echt is verslechterd. Aan het begin van deze eeuw, rond 2003, stond Nederland met de PISA-scores echt in de top van de landen van de OESO. Een paar jaar geleden stonden we onderaan, dus onder het gemiddelde. Dat moeten we echt zien te keren. Iemand vroeg: wanneer is de staatssecretaris tevreden? Ik ben tevreden als we de komende jaren een trendbreuk gaan zien. Dat klinkt weinig ambitieus en tegelijkertijd denk ik dat het heel ambitieus is. Daar zou ik heel blij om zijn, hopelijk samen met heel veel docenten, scholen, ouders en leerlingen.

Dat betekent dus dat we daar veel in moeten investeren. We moeten niet alleen in lezen investeren, maar lezen is daar wel een enorm belangrijke factor in. Er is dan ook echt al veel meer aandacht voor lezen in de kerndoelen, ook in andere leergebieden. Dat gaat dus niet alleen over taaldocenten maar over alle docenten, zodat taal in alle vakken een rol heeft. We gaan kijken wat daar specifiek voor nodig is. Ik ben bezig het Masterplan basisvaardigheden van een versterkingsagenda te voorzien, door te kijken wat we kunnen leren van wat we de afgelopen jaren hebben gezien en daarmee die taalscores daadwerkelijk omhoog te krijgen. Zo kan iedereen zich confident voelen in het gebruik van de Nederlandse taal, zowel in lezen als in schrijven als in met elkaar converseren.

In het verlengde daarvan vroeg mevrouw Lagas naar de nieuwe Bibliotheekwet. Die is inderdaad ook deel van mijn portefeuille. Het is misschien wel het leukste deel, want bij bibliotheken gebeurt enorm veel. Bibliotheken zijn natuurlijk een hele belangrijke bron als het gaat over taal en lezen. We zijn er dus ook druk mee bezig om ervoor te zorgen dat er in die wet wordt opgenomen dat bibliotheken de wettelijke taak hebben om het onderwijs te ondersteunen bij leesbevordering. We hebben daar ook geld beschikbaar voor gesteld. Ook scholen krijgen met ingang van het komende kalenderjaar extra geld voor samenwerking met bijvoorbeeld de bibliotheken. De Bibliotheek op school is bijvoorbeeld zo'n project waardoor dat geld ook daadwerkelijk in leesbevordering wordt gestoken in samenwerking met bibliotheken, die daar heel veel verstand van hebben en die heel kundig zijn.

Mevrouw Lagas vroeg ook nog of de staatssecretaris kan onderzoeken of de financiële middelen die we vanuit de landelijke schatkist aan gemeenten geven ten goede komen aan bibliotheken. Dat is natuurlijk altijd een beetje lastig, omdat we dat via het gemeentefonds doen. Het is aan gemeenten om te kiezen waar ze welk deel van het budget aan besteden. Er komt in de nieuwe wet wel een zorgplicht. Dat betekent dat we er in ieder geval inhoudelijk op kunnen toezien dat gemeenten samen met bibliotheken voldoen aan de waarborg die we graag in de Bibliotheekwet willen neerzetten. Het gevolg daarvan is dat er dan natuurlijk ook iets te zeggen is over de afspraken die gemeenten maken met bibliotheken over de financiële investeringen.

Mevrouw Lagas i (BBB):

Daar gaat mijn vraag juist expliciet over. De vraag is of de implementatie nog voor 1 januari zou kunnen. Die overleggen tussen de bibliotheken en de gemeentes over de zorgplicht spelen nu. De gemeentes zijn natuurlijk bezig met hun begrotingen voor volgend jaar. Dat is in het najaar niet anders bij de gemeente dan bij het Rijk. Een beetje spoed met het behandelen van die wet in de Tweede en Eerste Kamer zou natuurlijk heel belangrijk zijn om die onderhandelingen te verstevigen. Anders verlies je met die zorgplicht gewoon weer een jaar. Het doel dat we hier met elkaar hebben, dat taalverhaal, is echt een hele mooie motor; het bibliotheekwezen is enthousiast, het onderwijs enthousiast, maar ze hebben die wet met die zorgplicht wel nodig voor de onderhandelingen met de gemeentes.

Staatssecretaris Tielen:

Ja, dat herken ik ook uit de gesprekken die ik daar zelf over voer met de bibliotheken en de gemeenten. Ik ga niet over uw agenda's, maar in mijn hoofd zit dat we voor het zomerreces in ieder geval in de Tweede Kamer de wet behandelen. Hopelijk kan dat dan ook snel door naar uw Kamer.

Meneer Van Kesteren vroeg naar de digitale geletterdheid en de digitale weerbaarheid. Ik heb daar net al wat in het kader van de wet over gezegd, maar meneer Van Kesteren vroeg ook naar de implementatie in de bestaande vakken. Ja, uiteindelijk gaan scholen natuurlijk zelf over hoe ze dat precies invullen.

Nou, zit ik de verkeerde kant op te kijken, geloof ik. Sorry, ik ben iets minder thuis in deze Kamer, dus ik moet af en toe even bedenken welke kant ik op moet kijken om de vraagsteller aan te spreken.

Een deel van het voordeel van deze wet is dat we de overladenheid van docenten wat wegnemen. Het is dus ook iets waar leraren echt zelf naar moeten kijken, maar digitale geletterdheid is natuurlijk bij uitstek iets dat heel goed samengaat met een aantal andere vakken, variërend van taal en geschiedenis tot biologie, enzovoorts. Er is een Expertisepunt digitale geletterdheid en ook de docentenvakverenigingen helpen scholen daarbij, om ervoor te zorgen dat dat onderlinge synergie oplevert. Dat is voor leraren namelijk heel plezierig.

Meneer Kemperman vroeg of leraren straks niet meer bezig zijn met regels dan met lesgeven. Het korte antwoord — het is een gesloten vraag — zou zijn: nee, juist minder. Zoals ik net ook al zei, gaat deze wet echt helpen om richting en focus te geven en om de overladenheid juist weer wat weg te halen. Als er dus een duidelijke wettelijke opdracht aan scholen is, dan kunnen leraren zelf focussen op het daadwerkelijk opleveren van de kerndoelen op een manier waarvan zij achten dat die goed past bij hun leerlingen. Ik denk dus dat het het lesgeven juist verrijkt.

Meneer Walenkamp vroeg naar de kaders en het raamwerk. Zoals ik al zei, geven de kerndoelen richting en ruimte. Als leraren meer richting willen, kunnen ze gebruikmaken van de leerlijnen die SLO al aan het ontwikkelen is. In die leerlijnen zitten suggesties over bijvoorbeeld tussendoelen en praktische mogelijkheden. Eind dit jaar worden de leerlijnen voor Nederlands, rekenen en wiskunde opgeleverd. Het is aan leraren om daar eventueel hulp of inspiratie in te vinden, of in ieder geval iets wat hen vrolijk en blij maakt in hun expertise in het vak.

VVD, PVV en CDA vroegen eigenlijk: kunnen scholen het wel aan om nu met het nieuwe curriculum aan de slag te gaan? Welke steun kunnen ze daarbij verwachten? Ik zeg het weer even in mijn eigen woorden. We hebben 50 miljoen euro uitgetrokken om de komende jaren te zorgen dat we daadwerkelijk van wet naar klaslokaal kunnen. Dat doen we samen met alle onderwijspartners. Daarbij zijn professionalisering, ondersteuning, curriculumbewust handelen en curriculair leiderschap van belang. We verwachten dat dat binnen de school zijn vorm vindt, met lerarenteams onder leiding van schoolleiders. Op dit moment wordt de kennisbasis in de lerarenopleidingen aangepast. Dat betekent dat nieuwe docenten vanaf komend schooljaar al aan de hand van de nieuwe kerndoelen worden opgeleid. Vervolgens hebben ze ook nog wel de tijd. Tot 2031 hebben scholen de tijd om de nieuwe kerndoelen in te voeren en, als ze dat nodig vinden, te professionaliseren. 2031 klinkt echt heel ver weg, maar ik denk dat die tijd ook wel nodig is. Vanaf dan start de inspectie met handhavend toezicht.

Meneer Rietkerk vroeg hoe ik die ondersteuning dan geef. Daar heb ik net iets over gezegd.

Ik weet niet precies wie van uw leden ernaar verwees, maar er was sowieso de vraag: hebben we nou goed in kaart welke behoeftes om te professionaliseren er bij leraren bestaan? Dat is iets waar we voortdurend mee aan slag zijn, inderdaad om te zorgen dat er niet alleen maar heel veel bijscholing, nascholing, consultancy, onderwijskundig advies en ik-weet-niet-wat is. Iemand had een heel mooi rijtje. We kijken daar echt samen met scholen naar. We zijn ook wel een beetje aan het uitvragen wat scholen en docenten nou nodig hebben om daadwerkelijk te zorgen dat ze de ruimte die ze krijgen, ook op een goede manier kunnen invullen, en om te zorgen dat er aanvullend professionaliseringsaanbod is, wat weer een ingewikkelde jargonterm is voor aanvullende bij- en nascholing.

De vraag was ook wat leerlingen daar nou van merken. Volgens mij krijgen leerlingen, als het goed is, de ervaring dat het aanbod van het onderwijs dat zij krijgen, veel meer bij de tijd en meer in samenhang is, dus dat het echt een stap verder in de moderne tijd is. Als het goed is, zullen ze ook herkennen dat vakken niet meer helemaal los en op zichzelf staan, maar dat een aantal vaardigheden door vakken heen lopen.

De heer Rietkerk i (CDA):

Ik heb een vraag over het bedrag van 50 miljoen: is dat structureel of incidenteel? En hoor ik de staatssecretaris nu zeggen dat er pas na 2031 door de inspectie getoetst wordt op de actuele kerndoelen, die nu in deze wet staan?

Staatssecretaris Tielen:

Dat zijn twee vragen in één, dus ik zal die een voor een beantwoorden. Ik begin met de laatste. De inspectie gaat handhaven vanaf 2031. Ze gaan wel eerst meekijken, maar handhavend toezicht komt echt pas in 2031, omdat we scholen wel de tijd willen geven om het goed te doen. De inspectie kan in de jaren daartussen natuurlijk wel meekijken en tips geven, om het zo maar te zeggen.

50 miljoen is het bedrag voor de periode tussen 2026 en 2031. Het is dus een grote pot geld die in een aantal jaren beschikbaar wordt gesteld.

De heer Rietkerk (CDA):

Ik dacht 50 miljoen per jaar, maar het is dus 50 miljoen voor zes jaar, dus dat is nog geen 10 miljoen per jaar, als je het verdeelt.

Staatssecretaris Tielen:

Zo zou je het kunnen zeggen, ja. De PVV vroeg ook nog naar financiën. De kosten die scholen maken, kunnen voor het grootste deel gedekt worden. Het gaat natuurlijk niet over iets wat extra is; het gaat eigenlijk over de kern van het onderwijs dat we actualiseren en meer maken. We hebben dus geld om hen daarbij te helpen, maar uiteindelijk is alles wat we met de lumpsum geven, bedoeld om de kerndoelen tot uitdrukking te brengen. Dat zijn tientallen miljarden, om het zo maar even te zeggen. Binnen de lumpsum is er natuurlijk ruimte voor nieuwe leermiddelen, nascholing, et cetera, et cetera. Nogmaals, daarnaast is er 50 miljoen extra voor ondersteuning bij het implementeren van de kerndoelen.

De fractie van Forum voor Democratie vroeg hoe het gaat met de invoering en de toetsing. O nee, wacht even, de vraag van Forum ging eigenlijk ook over geld, namelijk of er extra geld nodig is, niet zozeer voor scholen maar voor onszelf. Bij de herziening van de kerndoelen heeft het kabinet-Rutte IV in 2022 extra middelen beschikbaar gesteld, waarmee men is begonnen om de kerndoelen te formuleren. Daar was geld voor beschikbaar. Inmiddels is er geen extra geld meer nodig, want we zijn zover dat het gewoon kan. Er is dus geen extra geld nodig.

Mevrouw Musa vroeg hoe we ervoor zorgen dat een en ander periodiek geactualiseerd blijft worden en, met name, hoe we ervoor zorgen dat het onderwijsveld er goed bij betrokken is. Ik denk dat dat heel belangrijk is. Daarom hebben we ook dat verschil tussen de wet en de AMvB, om te zorgen dat er enige mate van flexibiliteit in zit. Daarnaast hebben we ook een zogenoemde onderhoudskalender, een soort meerjarig onderhoudsplan, om aan te geven welke vakken aan de beurt zijn voor klein of groot onderhoud. Dat betekent dus dat er gekeken wordt of de kerndoelen nog actueel zijn en zo niet, hoe ze dat kunnen worden. Daarbij hebben we bijvoorbeeld Nederlands, rekenen en wiskunde al bovenaan de onderhoudskalender staan. Betrekken we daar scholen bij? Ja, juist, want zij zorgen ervoor dat de wet in het klaslokaal komt en dat de kerndoelen dus in de praktijk komen. De betrokkenheid van scholen en leraren blijft dus heel groot. Er is ook het Loket curriculumsignalen. Daar kunnen zowel docenten als andere betrokkenen een signaal afgeven als de indruk is dat de kerndoelen niet meer bij de tijd zijn en actualisatie behoeven.

Meneer Walenkamp vroeg naar de periodieke evaluatie. Zoals ik al zei, zorgt de AMvB kerndoelen er in ieder geval voor dat er parlementaire betrokkenheid is. Dan zijn er een aantal evaluaties gepland. In 2030 is de eerste tussentijdse evaluatie. In 2032 is de tweede evaluatie. Dan wordt ook het advies van de Onderwijsraad erbij betrokken. In 2035 is de derde evaluatie. Op die manier hebben we in 2035 alle middelen in handen, denk ik, om een blijvende, heel sterke kerndoelenverzameling te hebben.

Mevrouw Roovers i (GroenLinks-PvdA):

Ik zie dat de staatssecretaris een ander mapje pakt, dus ik neem aan dat dit de overgang was van wet naar school, waar de meeste van mijn vragen over gingen?

Staatssecretaris Tielen:

Ja, van wet naar klaslokalen.

Mevrouw Roovers (GroenLinks-PvdA):

Ik hoorde de staatssecretaris de Nederlandse taal verrijken met een nieuw begrip, namelijk "curriculair leiderschap". Die term was mij onbekend, evenals de competentie die daarbij hoort, dus ik zou de minister graag willen vragen wat dat inhoudt en van wie ze dat verwacht. Is dat een competentie van de school, een docent, een staatssecretaris? Wat moet ik me daarbij voorstellen?

Staatssecretaris Tielen:

Van een staatssecretaris verwacht ik heel veel, maar dat is niet per se degene die ik als eerste op curriculair leiderschap ga aanspreken. Dit gaat ook over het werken in teams, maar dit komt in mapje 3 aan bod, omdat dit onderwijsbreed geldt. Juist doordat een hele hoop van de kerndoelen vakoverstijgend of vakdoorkruisend zijn — laat ik het zo zeggen — is het belangrijk dat leraren steeds meer in teams met elkaar werken. Het liefst gebeurt dat onder de bezielende leiding van een goede schoolleider. We weten inmiddels dat de beste scholen over het algemeen worden geleid door de beste schoolleiders. Daar zal enige mate van causaliteit in zitten. Curriculair leiderschap verwachten we dus van het onderwijspersoneel in brede zin, waarbij schoolleiders daarop natuurlijk aanspreekbaar zouden moeten zijn. Ik denk overigens dat beide woorden — het zijn toch twee woorden — gewoon in Van Dale staan. Ik weet dus niet of ik de taal echt verrijkt heb.

Voorzitter. Ik heb nog een hoop overige vragen, onder andere over de prestaties, leraren en nog een aantal andere aan het onderwijs rakende zaken. Dat is het leuke van onderwijs: het gaat natuurlijk over heel erg veel.

Allereerst de prestaties. Mevrouw Roovers vroeg naar de oorzaken van de teruglopende prestaties op het gebied van burgerschap. Zij noemde dat Nederland daarop, net als op taal, ondergemiddeld presteert. We hebben gezien dat scholen, ook in het basisonderwijs, er veel en intensief mee bezig zijn, maar ook worstelen met het ontwikkelen van een aanbod dat doelgericht en samenhangend is. Dat heeft toch ook een beetje te maken met de relatieve nieuwheid van het vakgebied; zo zal ik het toch maar noemen. Het is op zichzelf natuurlijk een langer bestaand vakgebied, maar het opnemen als een belangrijk leerdoel voelt voor veel scholen toch als relatief nieuw. In 2025 hebben we de effecten van de burgerschapsopdracht geëvalueerd. Dat zijn we nu aan het omzetten in een goed leesbare Kamerbrief, om het maar zo te zeggen. Ik weet dat we een Kamerbrief automatisch naar de Tweede Kamer sturen, maar deze komt eraan. Een tipje van de sluier: daaruit komt onder andere naar voren dat wij graag inzetten op meer helderheid over de wettelijke taken. Daar helpt deze wet natuurlijk bij. De kerndoelen helpen daarbij door scholen houvast te geven bij het vertalen van de wettelijke burgerschapsopdracht naar de praktijk. Daarnaast kijken we hoe we de ondersteuningsstructuur, het Expertisepunt Burgerschap, kunnen verstevigen. Het Expertisepunt Burgerschap bestaat uit een aantal organisaties, waaronder ProDemos — dat is mevrouw Roovers wel bekend — die scholen daarbij hulp kunnen bieden. We kijken of meer en betere nascholing op de burgerschapsopdracht nodig is en of we die zouden moeten bieden, en naar het delen van good practices.

Wat betreft de dalende prestaties zegt meneer Walenkamp dat het moet plaatsvinden in de klas, met ruimte voor de leraar. Ik zou het misschien bijna niet beter kunnen zeggen. Ik zei het daarstraks al: het effect van onderwijs begint bij de leraar. De nieuwe kerndoelen bieden de ruimte en de richting die daarvoor nodig zijn. De leraar is daarbij niet in zijn eentje, maar gaat juist met collega's in teams aan de slag om ervoor te zorgen dat de prestaties van alle leerlingen verbeteren.

Meneer Walenkamp vroeg ook of het komt door al die experimenten en vernieuwingen. Ik denk dat dat een te nauwe blik zou zijn. Er is niet echt één oorzaak aan te wijzen. Het heeft wel meerdere effecten. Dat zien we op het gebied van de basisvaardigheden. Ik noemde taal al, maar dat geldt ook voor rekenen, digitale geletterdheid en burgerschap. We hebben ambitieuze doelen, maar die zijn wel haalbaar. Daarmee creëren we duidelijke richting in het onderwijs en maken we het actueler. Op die manier zorgen we er ook voor dat er meer samenhang binnen en tussen de leergebieden is, zodat je taal niet alleen leert in de taalles, maar in het hele onderwijs. Ik ben van plan om voor de zomer nog wat meer woorden te wijden aan de dalende prestaties op met name de basisvaardigheden en wat we daaraan gaan doen met de versterkingsagenda voor taal en andere basisvaardigheden.

Over de leraren gesproken, mevrouw Roovers zei: leuk als je heel goed kan werven, maar hoe komt het dat er zo veel mensen uitstromen? Allereerst is het goed om te zeggen dat een hele grote meerderheid van de leraren, meer dan 95%, heel tevreden of zeer tevreden is over zijn of haar baan. De tevredenheid over heel veel arbeidsvoorwaarden is de afgelopen jaren sterk gestegen, met name in het basisonderwijs. Hoe kan het dan dat er toch wat uitstroom is? Het antwoord daarop is eigenlijk best makkelijk. Dat is namelijk dat heel veel mensen de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt. Dat is het belangrijkste dat we daar zien. Uiteraard moet je dan ook nog kijken of er andere vertrekredenen zijn. We houden de baantevredenheid en andere redenen om te vertrekken dus wel in beeld. Overigens zien we ook wel dat leraren die om andere redenen vertrekken uit het onderwijs na een tijdje weer terugkeren. Sommigen zijn gewoon tijdelijk klaar met veranderingen, ingewikkelde klassen, zorgen van ouders en dat soort dingen. Vaak komen zij toch wel weer terug, omdat het onderwijs echt een baan is waar mensen met heel hun ziel en zaligheid en vol expertise mee aan de slag zijn. Daar hebben we dus oog voor.

We hebben ook in het coalitieakkoord afgesproken om te proberen de zijinstroom te verhogen. We proberen ook mensen die een aantal jaar in een andere bedrijfstak hebben gewerkt met hun expertise naar het onderwijs te trekken. We zijn daar druk mee bezig. Overigens stuur ik voor de zomer een brief over het lerarenbeleid naar de Tweede Kamer.

Meneer Rietkerk vroeg naar het tekort aan taaldocenten en NT2. Ik zei al dat taal niet alleen voor taaldocenten is, maar dat je ze natuurlijk ook nodig hebt. Dat is zeker het geval bij Nederlands als tweede taal. Ik ben daarover in gesprek met de minister van Werk en Participatie, die met name met de inburgeringstrajecten en NT2-docenten werkt. Verder kijk ik ook wat we wel en niet kunnen leren over de kwaliteit van het staatsexamen NT2. Samen zal dat iets moeten zeggen over Nederlands als tweede taal en taaldocenten.

Meneer Van Kesteren maakte zich zorgen over de didactische vaardigheden van leraren, in ieder geval over of daar wel genoeg naar wordt gekeken. Ja, er wordt bij sollicitaties voldoende gekeken naar de didactische vaardigheden. Dat hoor ik tenminste terug uit de sector. Het heeft overigens ook in de lerarenopleidingen belangrijke aandacht. Daarnaast kijken wij samen met scholen hoe we evidence-informed werken — dat gaat dus over meer dan alleen boeken of leermiddelen; dat gaat ook over didactische principes en vaardigheden — toe kunnen voegen aan het didactische repertoire van scholen en docenten. Zoals ik eerder bij een ander onderwerp al zei, proberen we voortdurend op te halen wat daarvoor nodig is en wat docenten daar zelf in behoeven, zodat dat bij de tijd is en aansluit op de behoeftes.

De heer Van Kesteren i (PVV):

Het gaat mij voornamelijk om de zijinstromers. Er wordt primair bekeken of het mensen zijn met technische kennis, basiskennis, veel kennis van een bepaald vakgebied, maar het is belangrijk dat zij ook de didactische kwaliteiten hebben. Ik vraag me af of ze zich die eigen kunnen maken in de korte tijd waarin ze worden bijgeschoold. Ik probeer er aandacht voor te vragen dat daar, met name in sollicitatiegesprekken, voorwaarden aan worden verbonden, zodat die didactische kennis ontwikkeld wordt.

Staatssecretaris Tielen:

Weet dat die didactische kennis sowieso onderdeel is van het curriculum voor zijinstromers. Ook zijinstromers moeten altijd eerst een assessment doen, waarin ook didactiek een rol speelt. Op de vraag of het voldoende is, kan ik niet voor honderd procent ja of nee zeggen, maar het zit er in ieder geval in. Ik kan in de lerarenbrief nog wel wat nadere zinnen wijden aan de zijinstroom. Het is in ieder geval wel onderdeel van zowel het assessment als het programma dat zijinstromers volgen. U heeft namelijk helemaal gelijk: alleen iets weten …

De voorzitter:

De voorzitter kan dit beamen.

(Hilariteit)

Staatssecretaris Tielen:

We horen graag alle juicy stories daarover!

Meneer Van Kesteren vroeg ook in hoeverre effectieve didactiek kan worden gestimuleerd. Denk aan automatiseren en herhalen. Ik stelde in de schorsing nog even de vraag of ik mevrouw Lagas blij zal maken met het automatiseren van de voorzetsels in het Duits die gevolgd worden door een derde naamval. Nou, nu gaat iedereen in zijn hoofd denken. Dat hoef ik dan niet te doen; dat kunt u allemaal zelf in uw hoofd doen. Maar uiteindelijk schrijven wij niet vanuit de kerndoelen specifieke aanpakken voor. De kerndoelen gaan over wat er aan bod moet komen in het onderwijs. Vervolgens is het aan leraren en scholen hoe ze dat gaan invullen. Daarbij dringen we wel aan op evidence informed. Op die manier proberen we ook daar richting aan te geven, maar het niet af te dwingen. Dat kan niet, dat willen we niet en dat hoeft ook niet, omdat we vanuit evidence informed nu al bezig zijn, onder andere met het Nationaal Kennisinstituut Onderwijs, om te kijken hoe we docenten daarvan op de hoogte kunnen stellen en hoe we ze kunnen helpen bij wat ze nodig hebben om op dat punt te professionaliseren.

De heer Van Kesteren vroeg of ik ook met kleinere partijen dan de grote onderwijsorganisaties wil overleggen, zoals Leraren in Actie en Beter Onderwijs Nederland. Jazeker. Ik ben van het samenwerken, maar ook daarin wel met een duidelijke richting. Ik denk dat het ons altijd kan verrijken om met elkaar in gesprek te zijn over hoe dingen anders beter of vanuit een bepaalde inspiratie kunnen worden gedaan.

Dan een ander onderwerp, dat er uiteraard wel weer mee te maken heeft, want we hebben het alleen over onderwijs. Mevrouw Roovers vroeg naar het thema "vroege selectie". Uit onderzoek weten we dat in Nederland relatief vroeg wordt geselecteerd en dat dit ook effect heeft, onder andere op de basisvaardigheden. Het ingewikkelde daarbij vind ik dat je van tevoren niet weet waar iemand het beste past. Dat is de hele zoektocht. Hoe kun je al vroeg in de schoolcarrière wel of niet voorspellen waarin iemand het beste is? En moet je dan de lat hoger of juist minder hoog of wat dan ook leggen? Dat is de zoektocht. We weten dat een aantal dingen daarbij kan helpen, onder andere de brede brugklassen en de brede scholengemeenschappen. Scholen kunnen de selectie nu al tot een bepaald niveau uitstellen, bijvoorbeeld door een tweejarige dakpanbrugklas te bieden. Ik heb daar zelf ook ooit in gezeten. Dat kan. Er wordt ook kennisopbouw en kennisdeling gestimuleerd. Mevrouw Roovers vroeg hoe dat kan, omdat er een bezuiniging is geweest. We hebben die bezuiniging vanaf 2027 teruggedraaid, ook om scholen te blijven stimuleren. We zijn nu aan het kijken hoe we dat goed kunnen uitwerken.

Mijn grootste zorg zit eigenlijk bij de vmbo-selectie. Vaak denken we bij brede brugklassen dat die dan van vmbo-beroepsgericht tot aan gymnasium moet lopen, allemaal bij elkaar. Ik denk dat dit heel ver voert. Er zijn al heel veel gemengde brugklassen. In het vmbo zit heel veel aanbod en zijn verschillende niveaus ondergebracht. Daar zit mijn grootste zorg. Ik zou willen dat we in ieder geval daar beginnen met bredere brugklassen. Ik zeg dat nu en heb dat al op meer plekken gezegd, maar kan nog niet precies aangeven hoe dat er uit moet gaan zien. We zijn dit aan het uitwerken en ik hoop daar voor de zomer concreter over te kunnen zijn. Ook ik kan dat natuurlijk niet bepalen. Dat moeten we samen doen met de VO-raad, het Landelijk Expertisecentrum PO-VO, de Gelijke Kansen Alliantie et cetera. Er is heel veel kennis en kunde, maar er zijn ook heel veel meningen. Ik probeer dat daarin samen te pakken.

Meneer Walenkamp vroeg naar inclusief onderwijs, wat een heel ander onderwerp is. Maar tegelijkertijd heeft alles wel met elkaar te maken, want wat ik al eerder zei, het gebeurt uiteindelijk in de klas tussen de docent en de klas. Morgen vindt een Tweede Kamerdebat plaats over het passend en inclusief onderwijs, waarin we met name zullen debatteren, denk ik, over de brief die ik daarover vorige week heb gestuurd. Het voert wat ver als ik probeer die brief nu in twee alinea's samen te vatten. Toch ga ik het een beetje proberen, ook omdat meneer Walenkamp aangaf dat er heel veel tegenstand is vanuit het veld. Ik heb dat ook gelezen. Inclusief onderwijs gaat vooral over: voor ieder kind echt goed onderwijs. Dat begint met een goed bevoegde docent en samen met leeftijdgenoten leren ontwikkelen en naar school gaan. Als we dat inclusief onderwijs zouden noemen, betekent dat een sterke pedagogische basis en een schoolklimaat waarin kinderen zich vrij en veilig voelen, en docenten ook ruimte hebben om die ontwikkeling in te gaan. Dat doen we niet van dag één op dag twee. Daar hebben we drie fases voor uitgestippeld. We maken er een transitieplan voor, uiteraard samen met alle betrokken organisaties. Uiteindelijk is de visie dat de meeste scholen, naast klein gespecialiseerd onderwijs, voor iedereen een plezierige leeromgeving zijn. Dat is een beetje anders dan hoe ik het terug hoorde van een aantal enquêteresultaten. U heeft in mijn reactie wellicht gezien dat ik het gevoel heb dat er hier en daar wel wat misverstanden zijn. Daar ga ik graag over in gesprek met de betrokken lerarenorganisaties, ook de kleine.

Meneer De Vries vroeg naar het onderzoek van Van Schoonhoven. Dan hebben we het over burgerschap en het toezicht van de inspectie. Hij vroeg allereerst of ik het ken. Het antwoord is "ja". Er zijn in de Tweede Kamer eerder ook vragen over gesteld. Wat de inspectie kan doen, is toezicht houden op het naleven van de wettelijke voorschriften, waaronder de burgerschapsopdracht. Op grond van artikel 13 van de Wet op het onderwijstoezicht bepalen we met onderzoekskaders wat de inspectie gaat doen. De burgerschapsopdracht zit ook in die onderzoekskaders. Uiteraard blijft dat binnen de kaders van de wet. Er is ruimte voor scholen voor een eigen pedagogisch-didactische visie, een eigen richting van de school, maar de basiswaarden moeten worden bevorderd. Het onderwijs mag daar niet mee in strijd zijn, dus niet een antidemocratische rechtsstaat, zogezegd.

Het ingewikkelde van inspecties is — ook weer zo'n mooi dilemma — dat we aan de ene kant het liefst een zo onafhankelijk mogelijke inspectie willen, die neutraal en objectief op basis van de wet naar dingen kijkt. Aan de andere kant willen we soms wel een beetje meer sturen waar ze naar kijken. Dat is iets waar ik altijd graag over in gesprek ga met het parlement. Dat hebben we volgens mij in de wet goed afgebakend.

Forum voor Democratie vroeg hoe ik garandeer dat de inspectie dat zuiver en objectief doet. Ook daar geldt weer: de inspectie is onafhankelijk en legt haar werkwijze vast in onderzoekskaders. Dat is een zorgvuldig proces met democratische controle. Het enige — en daar werd ook wel een beetje naar verwezen — is dat toezicht houden geen hele harde natuurwetenschap is. Je bent altijd deels afhankelijk van degene die de formulieren invult. Dat is nu eenmaal zo. Tegelijkertijd hebben we de onderzoekskaders en wettelijke regels redelijk duidelijk. Ik maak me daar dus iets minder zorgen over, maar ik denk dat het goed is om voortdurend met de Kamer te spreken om dat scherp te houden.

Meneer Walenkamp vindt — tenminste, hij vroeg of ik dat ook vind, dus dan zal hij het zelf ook wel vinden — dat we terug moeten naar toetsbare feitenkennis en verder eigenlijk niet zo veel. Onderwijs omvat echter niet alleen kennis, maar ook vaardigheden en ook een bepaalde attitude, een houding. We hebben het in dit geval vandaag onder andere ook over onderdeel zijn van onze democratische rechtsstaat, die begrijpen en daar respect voor hebben. Dat is een bepaalde houding. Naast kennis zijn dus vaardigheden nodig, maar wel altijd in een relevante context. Zo hebben we dat proberen te vatten in de kerndoelen. Die zijn aan de ene kant heel toetsbaar, maar soms ook iets minder strak toetsbaar. Denk aan schrijfvaardigheid, hoe je een stuk schrijft. Daar kun je minder van zeggen dat het precies zo of niet zo moet. Daarbij is er altijd een mate van interpretatie. Het is aan scholen om op basis van onderwijskundig onderzoek te kijken welke toetsinstrumenten zij daarbij kunnen gebruiken. Er zijn grote problemen, zei meneer Walenkamp ook. Het gaat niet zo goed. Ja, als je puur en alleen naar de prestaties kijkt, word ik daar ook niet per se heel feestelijk van. Tegelijkertijd hebben we dus ook veel te doen. Dat is ook goed, en er gaat ook heel veel goed. Er zijn meer dan 200.000 leraren in Nederland en die werken elke dag met ziel en zaligheid, expertise en kundigheid aan goed onderwijs. Maar er gebeuren ook veel dingen waar het onderwijs mee moet dealen en daar proberen we hard aan te werken. Vanuit hier — en dan bedoel ik vanuit de overheid, in samenwerking met de parlementen — proberen we focus aan te brengen, zodat scholen en leraren die focus ook kunnen neerleggen, onder andere op taal en de andere basisvaardigheden. We moeten er ook voor zorgen dat alles wat leraren nodig hebben om zo veel mogelijk resultaat van hun inspanningen te behalen, wordt ondersteund met bij- en nascholing, toetsing et cetera. Ik heb op het ministerie het motto geïntroduceerd "een dag niet geleerd is een dag niet geleefd." Of in ieder geval: ik noem het daar elke dag. Ik denk dat we inderdaad ook nog echt wel wat te doen hebben. Er zijn veel ambities, maar in de basis wordt er ook heel hard en goed gewerkt.

De vraag over thuisonderwijs is natuurlijk superactueel. Vandaag was daar in het vragenuur in de Tweede Kamer ook nog een vraag over, namelijk over de groei van het aantal aanvragen voor thuisonderwijs. Ik vind dat ieder kind steengoed onderwijs moet en mag krijgen. Dat betekent als uitgangaspunt onderwijs door een bevoegde docent en samen met leeftijdsgenoten. Soms zijn er uitzonderingen op, maar dat is wel de basis. Dat betekent wat mij betreft dat alle kinderen in Nederland gewoon naar school gaan. Er zijn zoveel verschillende scholen, in zoveel verschillende kleuren en verschijningsvormen, dat er ook heel veel keuze is. De Hoge Raad heeft volgens mij een arrest uitgesproken waarin is gezegd dat een openbare school in de omgeving, binnen een bepaalde straal, gewoon goed onderwijs biedt en dat een kind daar naartoe moet kunnen gaan. Gemeenten en het Openbaar Ministerie kijken nu hoe zij met dat arrest van de Hoge Raad omgaan. Ook ik zal bekijken wat we moeten doen met de vrijstelling, met name de vrijstelling in artikel 5 onder b, van de Leerplichtwet, waarin vanwege richtingsbezwaren vrijstelling kan worden verleend. Daar zijn inderdaad veel aanvragen voor en het aantal vrijstellingen is gigantisch gestegen. Daarom zal ik daarop moeten reageren. Voor de zomer kom ik met een brief naar de Tweede Kamer, waarbij het uitgangspunt dat u mij net hoorde zeggen de basis zal zijn, wetende dat we uiteindelijk ook een politieke meerderheid moeten hebben.

Voorzitter. Ik weet het niet zeker, dus ik kijk even naar u en uw leden, maar volgens mij heb ik hiermee alle vragen beantwoord.

De voorzitter:

En voor zover dat niet zo is, kunnen Kamerleden in de tweede termijn daar nog naar vragen. Ik zie dat het 17.30 uur is. Ik weet dat de commissie OCW van 18.30 uur tot 19.30 uur een bijeenkomst heeft met KOREL. Ik wil eigenlijk nog gewoon doorgaan met de tweede termijn van de kant van de Kamer tot ongeveer 18.00 uur. Dan heeft u nog tijd voor de dinerpauze en daarna ook voor de bijeenkomst met KOREL.

Dan wil ik graag het woord geven aan mevrouw Roovers van de fractie van GroenLinks-PvdA, mede namens de fracties van de SP, Volt, Visseren-Hamakers en de Partij voor de Dieren.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

Mevrouw Roovers i (GroenLinks-PvdA):

Voorzitter, dank u wel. Ik kan het kort houden. In ieder geval heb ik nu de mogelijkheid om vanaf deze plek collega Musa publiekelijk te feliciteren met haar maidenspeech. Ik kijk uit naar verdere samenwerking. Verder wil ik in ieder geval de staatssecretaris bedanken voor haar beantwoording. Ik houd het in deze tweede termijn kort, omdat dat in dit geval ook kan. Dit debat is eigenlijk het afrondende proces van een lang traject van wetsbehandeling en voorbereiding daarop. Onze voorzitter zegt weleens: wij zijn de bezemwagen van het parlementaire proces. Als het niet goed verlopen is — daar zijn nogal wat recente voorbeelden van — betekent dit dat wij hier heel veel werk hebben en hier urenlang zitten, rustig tot 23.00 uur. In dit geval denk ik dat als er minder van de wagen gevallen is gaandeweg het proces, we ook wat sneller klaar kunnen zijn. Ik ben blij dat er een herziening ligt van de wet op de kerndoelen. Collega Van Meenen memoreerde het al: het veld is hier heel goed in meegenomen. Dat helpt allemaal bij de afronding van het proces. Dat geldt ook voor de schriftelijke rondes die er geweest zijn. Ik wil het verder dus eigenlijk heel kort houden. De bezemwagen heeft vandaag maar weinig werk. Ik zal mijn fractie adviseren om voor het wetsvoorstel te stemmen.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik graag het woord aan de heer De Vries van de SGP.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer De Vries i (SGP):

Dank, voorzitter. Ook ik zal het kort houden. Dank aan de staatssecretaris voor de beantwoording van de vragen en ook voor de warmte waarmee zij over onderwijs spreekt. Ik vind dat heel mooi. U vindt ons onderwijs zelf iets moois en raakt daarmee de harten van menig lid van deze Kamer, ook mijn hart.

Ik heb een paar kleine opmerkingen. Ik hoorde u heel in het begin even zeggen: we hebben het hier over kerndoelen en curriculum. Nee, curriculum is hier denk ik niet aan de orde. Het is aan de school om burgerschap al dan niet tot een zelfstandig vak te maken of het te integreren. We hebben het nadrukkelijk niet over curriculum. U heeft terecht al gezegd dat we het niet hebben over didactiek. Het gaat hier echt alleen maar om de kerndoelen.

Ik heb gelukkig een positief antwoord gehad op mijn vraag of we de vrijheid van levensbeschouwing wat betreft onder andere AI er niet alleen in gelezen hebben, maar of dat er werkelijk in stond. U heeft dat beaamd. Ik ben daar heel blij mee. Overigens is het niet zo dat wij daarmee per se een dualistisch standpunt hanteren, want wij zien de mens als een geheel. Nou goed, dat wordt heel filosofisch. Er zijn heel veel niet-religieuze mensen die ook geen materialistisch wereldbeeld aanhangen. Dat geldt dus breder dan misschien gedacht.

Mijn vraag over de inspectie blijft een beetje hangen, moet ik eerlijk zeggen. Ja, de inspectie is onafhankelijk. Tegelijkertijd is ze gebonden aan de wet, dus kan ze ook niet maar doen wat ze wil. Nu is er door het onderzoek wel aanleiding om te zeggen dat er enige reden is tot ongerustheid. Er zijn signalen afgegeven door scholen dat de inspectie af en toe te ver gaat. Ik zou de staatssecretaris toch zeer nadrukkelijk willen aanbevelen om dat soort signalen serieus te nemen en te kijken of de inspectie inderdaad af en toe niet toch wat buiten haar boekje gaat. Dus ja, de inspectie is onafhankelijk in haar functioneren, maar blijft gebonden aan de wettekst. Daar mag ze aan gehouden worden. Dat zou ik ook graag willen aanbevelen.

Collega Musa had ik eigenlijk al half gefeliciteerd, maar bij dezen nog een echte felicitatie. Prachtig. Heel mooi, die persoonlijke getuigenis. Dat is heel fijn.

Dank u, voorzitter.

De voorzitter:

Ik dank u wel. Dan geef ik nu graag het woord aan mevrouw Musa van de fractie van de VVD.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

Mevrouw Musa i (VVD):

Voorzitter. Dank aan de staatssecretaris en de ambtelijke staf voor de zorgvuldige beantwoording. Ik vind het leuk om te zien hoeveel plezier u uitstraalt en dat u dit een prachtig ministerie vindt. De beantwoording geeft ons vertrouwen in de verdere uitwerking van deze belangrijke wet. Ik heb verder geen vragen meer.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik nu graag het woord aan de heer Walenkamp namens de fractie-Walenkamp.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Walenkamp i (Fractie-Walenkamp):

Dank u wel voor het woord, voorzitter. Dank aan de staatssecretaris voor haar beantwoording en haar enthousiasme. Ik heb heel wat vragen gesteld. De meeste heeft de staatssecretaris beantwoord. Sta me toe om nog een paar vervolgvragen te stellen, omdat ik het antwoord soms niet helemaal begrepen heb.

Dank voor uw reactie over het inclusieve onderwijs. Ik zeg het maar heel eerlijk: we hebben de neiging om vooral naar boven te kijken hoe we tot de allerbeste wetenschappers komen, naar 4, 5 en 6 vwo, met een paar praktische mensen. Maar een hoop leerlingen zitten gewoon op het vmbo-tl. Dat bedoel ik heel positief. Vandaar dat ik ook blij bent dat u zegt dat u voor de zomer komt met een aantal concrete punten om het vmbo-tl, en dan zeker de brugklas, zo vorm te geven dat de jongere mensen daar de juiste begeleiding krijgen, zodat ze inderdaad stappen kunnen zetten. Ik beschouw dat maar als een toezegging. Ik hoop dat u, via de voorzitter, mij terechtwijst als dat niet zo is. Ik noem dat maar even de "scaffolding method", of de "steigermethode", zodat zij ook kunnen voldoende aan de leerdoelen waar we vandaag over spreken. Dat zien we toch echt als een uitdaging.

U spreekt daarnaast in uw tweede mapje, van wet naar klaslokaal, over een mogelijke trendbreuk. Nederland stond altijd in de top van de PISA-beoordeling van de OESO en in 2023 onderaan. Neemt u mij niet kwalijk als ik het verkeerd begrepen heb, maar het kwam op mij een beetje passief over. Het leek erop dat het wachten is op de trendbreuk. Nederland kan wat mij betreft echt wel wat leren van Ierland, Finland en Estland. We kunnen het ook hebben over Singapore, Japan en Zuid-Korea, maar dat zijn echt heel andere culturen. Kunt u één of twee punten noemen waarvan u zegt: dit vind ik bijvoorbeeld zo geweldig aan Ierland? De leescultuur in Ierland was in de beoordeling van het PISA-rapport van een paar jaar geleden bijzonder negatief, maar daar hebben ze in Ierland keihard en heel succesvol aan gewerkt. Wat zijn de lessons learned van Ierland en een paar andere landen waarvan u zegt "daar ga ik voor 1 januari aanstaande echt keihard werk van maken", zodat daar die trendbreuk doorzet?

U heeft volgens mij niet heel concreet geantwoord op mijn vraag over de encycliek. Dat was ook meer de laatste leuke vraag. Wat ik wilde zeggen, is dat het toch prachtig is dat we iemand hebben van zeer hoog niveau die de voordelen, maar vooral ook de nadelen van AI heeft geduid, dus de kansen, maar ook de risico's. Mag ik de staatssecretaris vragen of zij kort kan reflecteren op wat zij daar positief of negatief aan vindt en hoe zij dat aan de leerdoelen kan relateren? Ik heb dat opgevat als het zoeken naar de waarheid, de zuivere waarheid. Ik dacht dat de staatssecretaris daar met haar achtergrond bij Veritas wel iets mee had.

Dan kom ik op mijn laatste vraag. Wij hebben ook wat vragen gesteld over de onderwijsinspectie. U hebt wel gereageerd op het punt van de SGP. Laat ik mijn vraag concreter stellen. In heel wat scholen die slecht, dan wel niet al te positief worden beoordeeld, is vooral 4 havo een probleem. Dat is ook qua leerdoelen een probleem. 4 havo is echt een verzamelbak van zeker vijf richtingen. Om het concreet te stellen: hoe gaat u de onderwijsinspectie zo inzetten dat die specifieke 4 havo — het zijn zeker twintig scholen die het predicaat "zwak" tot "niet al te geweldig" hebben gekregen — qua leerdoelen gaat verbeteren? Graag een concrete reactie. Succes!

Dank u wel. Binnen de tijd.

De voorzitter:

Binnen de tijd inderdaad. Dank u wel. Dan geef ik graag het woord aan mevrouw Lagas van de fractie van BBB.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

Mevrouw Lagas i (BBB):

Voorzitter, ik kan kort zijn. Allereerst hartelijk bedankt voor de duidelijke antwoorden. Ik dank ook de collega's voor de eensgezindheid. Die eensgezindheid is niet vaak het geval. Ik maakte daarstraks bij de koffie al de opmerking dat een van ons wel namens ons allemaal had kunnen spreken, want volgens mij zitten wij hier allemaal met dezelfde doelen.

Het is fijn dat u het belang van de geschiedenis zo duidelijk heeft ondersteund en dat u ook bent ingegaan — dat was overigens geen vraag van mij, maar van collega's — op de actualisering van de kerndoelen en de eventuele aanscherping daarvan. Het is ook fijn dat er een evaluatiemoment kan plaatsvinden. Toch nog even een vraag aan de staatssecretaris: mag ik aannemen dat het werkveld dan dezelfde rol heeft als bij de totstandkoming van deze wet? Anders gaat het misschien langs het werkveld heen.

U stelt het mooie docentschap centraal, met voldoende vrijheid.

Ik wil nog even terugkomen op het doorijleffect van de kerndoelen, die in het funderend onderwijs starten en doorlopen naar het vervolgonderwijs. Dat klopt, maar dat duurt nog heel wat jaren. U hoeft daar echt nu geen antwoord op te geven, maar ik vind het wel een gemiste kans.

Het is mooi dat het parlement betrokken blijft het vervolgtraject.

Dan nog even naar de bibliotheek toe. Het is goed dat we inzetten op een spoedige behandeling. Ik roep de collega's hier in de Eerste Kamer daar ook toe op. Ik wil de staatssecretaris nog de optie meegeven om in gesprek te gaan met de VNG en daarbij wat steviger in te zetten op de borging van de middelen voor de zorgplicht. Een bibliotheek kun je natuurlijk heel vrij vertalen als een hok met boeken waar je af en toe een boek kunt lenen, maar ook als een instelling die structureel zou moeten samenwerken met het onderwijs. Als die zorgplicht niet stevig verankerd wordt, ook met de bijbehorende middelen, dan hebben we een mooi plan, maar wordt het doel niet gehaald.

Ik zal mijn fractie adviseren om voor dit wetsvoorstel te stemmen.

De voorzitter:

Ik dank u wel. Dan geef ik graag het woord aan de heer Van Kesteren namens de PVV.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Van Kesteren i (PVV):

Voorzitter, dank u wel voor het woord. Ik dank de staatssecretaris voor de uitgebreide beantwoording van mijn vragen. Ik vind ook dat deze staatssecretaris heeft laten zien dat haar affiniteit bij de man en de vrouw voor de klas ligt. Dat vindt mijn fractie heel belangrijk. Toch wil ik deze staatssecretaris ook nog wat aandachtspunten meegeven.

De leraar wil kennis overdragen, waarbij hij zijn, of zij haar didactische vaardigheden gebruikt om dat zo goed mogelijk vorm te geven. Het werk van de leraar moet dan ook beperkt blijven tot kennisoverdracht en didactisch handelen. Alle andere taken moeten tot een minimum worden beperkt en/of gereduceerd. Van de leraar wordt invulling van een uitgebreid takenpakket verwacht. Die veelzijdigheid, die van elke leraar wordt verwacht, is naar mijn idee een van de oorzaken van veel uitval van met name oudere leraren en vertrek uit het onderwijs van met name jonge leraren.

Voorzitter. Het onderwijs telt veel interne begeleiders, adviseurs, ondersteuners en managers. Die beschikken allemaal over een onderwijsbevoegdheid. Carrière maken in het onderwijs betekent in de regel voor de klas weg. In het recente verleden werden didactische problemen, sociaalmaatschappelijke problemen en gedragsproblemen in het schoolteam met korte lijntjes op pragmatische wijze opgelost. Dat is mijn meer dan 40-jarige ervaring in het onderwijs. Tegenwoordig dient de leraar zich te melden bij een loket van onderwijsdeskundigen, die zich dan over dergelijke problematiek gaan buigen, met zeer veel overleg en administratie voor de leerkracht tot gevolg.

Voorzitter. Die extra overleg en administratie verhoogt de werkdruk aanzienlijk. Mijn pleidooi in deze tweede termijn is dan ook dat onderwijs primair lesgeven moet zijn en dat ondersteunende functionarissen de leerkracht daadwerkelijk werk uit handen nemen, zodat de leraar zich voornamelijk kan richten op de overdracht van basisvaardigheden en bezig kan met de uitvoering van dit wetsvoorstel, waarin de basisvaardigheden worden genoemd.

Voorzitter. De staatssecretaris zegt dat met name taal een prominente plek in moet nemen in het lessenpakket. Ik zou toch de redactiesommen onder de aandacht willen brengen, zoals nu vaak in rekenmethoden het geval is. Veel leeswerk, uitmondend in een rekensom. Dat zou minder prioriteit moeten krijgen. Een hogere prioriteit zou met name het automatiseren en het hoofdrekenen moeten krijgen, zodat met goed taalonderwijs ook redactiesommen opgelost kunnen worden.

Tot slot, voorzitter. Ik heb het hier allemaal opgeschreven, maar ik kan het bijna niet terugvinden. Het motto van mijn pleidooi in tweede termijn is "terug naar de basis". Terug naar de plek waar het onderwijsbeleid moet worden uitgevoerd, en dat is in de klas.

Tot zover. Dank u wel.

De voorzitter:

Ik dank u wel. Dan geef ik graag het woord aan de heer Rietkerk van het CDA.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Rietkerk i (CDA):

Dank u wel, voorzitter. Allereest dank ook ik de staatssecretaris voor het geven van de antwoorden: deskundig, adequaat en met een warm onderwijshart. Ik denk dat medewerkers, schoolleiders en schoolbestuurders dat zullen beamen. De prioriteit taal, taal, taal steunen wij, zoals ik al heb aangegeven. Die sprak ook weer uit de antwoorden.

Ik heb één aanvullende vraag, en die heeft betrekking op het budget professionalisering. Het gaat mij niet om de bedragen of de hoogte van de bedragen, die 50 miljoen, want die daalt in de lumpsum, heeft de staatssecretaris gezegd. Mijn aanvullende vraag is de volgende. Hoe gaat de staatssecretaris ervoor zorgen of stimuleren dat het professionaliseringsbudget in het vo met aandacht voor de context van de school en de teamontwikkeling wordt ingezet, dus ten behoeve van de school en de teamontwikkeling?

Waarom vraag ik dat? De Staat van het Onderwijs laat zien dat, met name in het vo, professionalisering van leraren nog te weinig met concrete onderwijsdoelen, zoals een rijke implementatie van het nieuwe curriculum, is verbonden. Het kan een stap voorwaarts zijn als de komende jaren de verbinding met de extra impuls in de lumpsum indaalt. Overigens zal ik mijn fractie adviseren voor dit wetsvoorstel te stemmen.

De voorzitter:

Dank u wel. Ik geef graag het woord aan de heer Kemperman van Forum voor Democratie.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Kemperman i (FVD):

Dank u wel, voorzitter. Dank aan de staatssecretaris voor de bevlogen en mooie antwoorden. Ik miste er nog een paar, maar daar ga ik nu natuurlijk op terugkomen in mijn tweede termijn.

We krijgen straks de Wet vrij en veilig onderwijs, die volgens mij dingen gaat vastleggen die eigenlijk normaal zouden moeten zijn. We zien een enorme toename van wet op wet op wet. Dan moet je ook gaan handhaven en monitoren …

O jee. O, gelukkig, het gaat. U valt, mevrouw Musa, en mijn spreektijd is weg! Dit kan niet de bedoeling zijn. Ik had nog 3 minuut 59, voorzitter!

De voorzitter:

Ik was zo geschrokken dat ik even alles stopzet. U mag opnieuw beginnen. Gaat uw gang.

De heer Kemperman (FVD):

Ik mag opnieuw beginnen. Dank u wel.

Als we alles vastleggen in wetten en maar gaan stapelen en stapelen, wat betekent dit dan voor de administratieve lasten? Dit is al door collega's geadresseerd in de tweede termijn. Ik hoor de staatssecretaris geruststellende woorden spreken over die extra administratieve last voor docenten en ik hoor dat hierover met docenten in het werkveld is gesproken, maar dit lijkt een patroon. Ik geloof u direct, maar we hebben het ook wel vaker gehad over zorgwetten of over veiligheid, en dan spreekt men met koepels. De bewindspersonen kijken naar boven, spreken met koepels, hebben overleg en we horen geruststellende woorden. Ik weet niet waarom ik naar die meneer daarboven kijk. Maar spreek je dan met agenten die op straat lopen — misschien is dit helemaal niet waar, hoor — dan zeggen degenen waarmee ik spreek: we zijn altijd maar bezig om alles vast te leggen, en we zijn te weinig bezig met ons werk. Spreek je met verpleegkundigen, dan hoor je precies hetzelfde verhaal. Spreek je met docenten … Ook docent Walenkamp heeft het vandaag gemeld. De heer Van Kesteren zei: onderwijs is lesgeven, kennisoverdracht, voor die klas staan, en niet bezig zijn met het vullen van systemen. Als we straks weer die wetten gaan stapelen en die Wet vrij en veilig onderwijs er ook nog eens bij krijgen, dan kan ik mij niet aan de indruk onttrekken dat dit toch ten koste moet gaan van de man of vrouw die gepassioneerd kennis staat over te dragen voor een klas scholieren of kinderen.

Een ander punt is toezicht en onderwijs. Toezicht houdt zich aan kaders, werkwijzen en protocollen. Collega De Vries heeft dit al geadresseerd. Diverse collega's halen het rapport aan waaruit blijkt dat de inspectie toch wellicht wat overenthousiast haar taken uitvoert en wat ruimer interpreteert en meer doet dan alleen noodzakelijke inspectie of toezicht. U heeft er vertrouwen in dat de inspectie dat als onafhankelijke dienst goed blijft doen, maar wat doen we dan met signalen uit zo'n rapport? Dat ligt daar toch. Een concrete vraag: welke mogelijkheden heeft de staatssecretaris als dat toch anders blijkt te zijn dan het vertrouwen dat zij daarin stelt dat het wel goed komt? Kunt u daar dan ook iets mee? Ik denk dat dat belangrijk is.

Ik heb u gevraagd naar extra geld. Ik concludeer dat er tussen 2022 en 2024 50% meer capaciteit bij de onderwijsinspectie is aangenomen. Kan dit gezien worden als het voorsorteren op deze wet of de komende onderwijswetten? Wat is daar de aanleiding van? Het gaat toch om een paar honderd mensen die er extra bij zijn gekomen, die ook in het programma intensiveren toezicht aan de slag gaan en dus toezicht gaan houden, dus dat leidt weer tot allerlei dingen.

Een zorg die eigenlijk bevestigd werd in mijn betoog in de eerste termijn, is die rondom de burgerschapsopdracht. U noemde de samenwerking met ProDemos als voorbeeld. Als je dan gaat kijken, dan zie je welke ideologieën in dat soort gedachtegoed postvatten. Een van de bekende dingen is dat bijvoorbeeld Open Society Foundations actief financier zijn geweest van ProDemos. Ik twijfel er niet aan dat ze daar heel goed werk doen, maar dat is precies het punt dat ik wilde maken als je dat soort normatieve kaders laat voeden door partijen die er een bepaalde gedachte op nahouden. Dat is niet per definitie de gedachte die mijn partij erop nahoudt.

Ik heb om een toezegging gevraagd, maar helaas heb ik die gemist. Ik heb 'm letterlijk nog uitgesproken. We kunnen twee dingen doen. U kunt van mij de tekst van de toezegging nog krijgen, maar ik heb ook een motie die eigenlijk om hetzelfde vraagt. Die wil ik dan toch maar indienen in deze termijn.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de wetgever met dit voorstel meer focus aanbrengt op kerndoelen en burgerschapsonderwijs;

overwegende dat de invulling en toetsing van kerndoelen feitelijk wordt gedelegeerd aan inspectie en uitvoeringsorganen;

overwegende dat een normatief kader op het terrein van burgerschap kan raken aan grondwettelijke vrijheden, waaronder die uit artikel 23 van de Grondwet;

verzoekt de regering om periodiek, in elk geval bij iedere wezenlijke wijziging van kerndoelen of burgerschapsnormen, het parlement vooraf in de gelegenheid te stellen zich daarover uit te spreken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Kemperman en Walenkamp.

Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. Daarmee maakt zij deel uit van de beraadslaging.

Zij krijgt letter F (36699).

De heer Kemperman (FVD):

Voorzitter, ik heb nog een laatste punt en dan ben ik klaar. Ik hoorde de staatssecretaris met betrekking tot de actuele ontwikkelingen rondom het arrest over het thuisonderwijs zeggen dat zij met alle partijen in gesprek gaat en overleg voert et cetera. Toch heeft de gemeente Den Haag al besloten om de ontheffingen in te trekken en actief te gaan handhaven, waardoor de mensen die nu die vrijstelling genieten in die gemeente in september gewoon gedwongen worden in de schoolbanken plaats te nemen. Er zal zeker nog een debat in de Tweede Kamer over komen. Los van wat wij ervan vinden: hoe ziet de staatssecretaris dit? Het arrest is nog niet droog, de staatssecretaris gaat nog in overleg en we gaan kijken hoe dat geïnterpreteerd moet worden, maar een gemeente zegt al tegen de onderwijsinspectie: we trekken de ontheffingen in en mensen zijn verplicht om regulier onderwijs te volgen.

Dat waren mijn vragen. Ik zie uit naar de antwoorden. Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik tot slot graag het woord aan mevrouw Van Bijsterveld van JA21.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

Mevrouw Van Bijsterveld i (JA21):

Dank u wel, voorzitter. Ik wil nog even iets zeggen voor de Handelingen. Ik ben het in de eerste termijn vergeten, maar u volgens mij ook. Ik spreek ook namens de fractie-Van Gasteren.

De voorzitter:

U spreekt mede namens de fractie-Van Gasteren.

Mevrouw Van Bijsterveld (JA21):

Ja. Allereerst uiteraard dank aan de staatssecretaris voor de beantwoording en haar passievolle betoog voor het onderwijs. Dat is mooi om te zien. Dit laat onverlet dat mijn fractie kritisch blijft op de gedelegeerde wetgeving. De staatssecretaris geeft aan dat er met de voorhang een goede balans is gevonden voor parlementaire controle en inbreng, maar dat het belangrijk is om ook de flexibiliteit te behouden. Wij zullen het uiteraard kritisch blijven volgen, ook de AMvB's die nog in de voorhang tot ons komen. Het is goed dat die controle er op die manier inderdaad kan zijn. Om die reden zullen mijn fractie en de fractie-Van Gasteren dit wetsvoorstel positief beoordelen en ondersteunen.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Wenst een van de leden nog het woord in de tweede termijn? Dat is niet het geval. Dan ga ik schorsen tot 19.45 uur voor de dinerpauze en een aantal andere vergaderingen. Ik wens iedereen smakelijk eten.

De vergadering wordt van 17.53 uur tot 19.45 uur geschorst.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De voorzitter:

Ik heropen deze vergadering over een onderwerp dat ons allen zeer aangaat. Dat hebben we net in de pauze ook gemerkt. Voor de goede orde wil ik even opmerken dat de motie die ingediend is door de heer Kemperman — hij is er op dit moment niet — de letter F krijgt, en niet de letter I, zoals ik gezegd had. Dus staatssecretaris, als u zo de motie bespreekt, dan is het de letter F.

Ik geef nu graag het woord aan de staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

Staatssecretaris Tielen i:

Dank u wel, voorzitter. Dank ook aan uw Kamer. Volgens mij hebben we een heel plezierig debat gehad, dat ook echt wel ergens over gaat, zoals u zelf al aangaf. We hebben er allemaal wel een mening over en zoeken met elkaar naar hoe we dat het beste regelen vanuit dit huis. Dank ook voor alle ondersteuning die ik daarbij van uw leden heb gehoord. Ik hoop dat we nog vaker op deze manier met elkaar kunnen spreken over wetten die het onderwijs aangaan.

Er waren nog een aantal vragen, dus laat ik daar gewoon een voor een bij stilstaan en antwoord op geven. Ik begin met die van de heer Walenkamp. De heer De Vries denkt dat ik met die van hem begin, maar daar kom ik zo op. Meneer Walenkamp vroeg specifiek naar 4 havo, omdat in 4 havo zo veel verschillende leerlingen uit verschillende routes bij elkaar komen, zoals hij het volgens mij heel goed zei. Dat is wat mij betreft dan ook een heel mooi voorbeeld van breed onderwijs. Alleen, voor de bovenbouw van havo en vwo gelden niet zozeer de kerndoelen, waarvoor we met deze wet de grondslag leggen, maar de examenprogramma's en de eindtermen. Uiteraard sluiten die wel op elkaar aan. Dat laat onverlet dat het belangrijk is dat het onderwijs, ook in 4 havo, gericht is op het behalen van die eindtermen met een passend onderwijsprogramma. Ook daarbij ziet de inspectie toe op de kwaliteit van het onderwijs.

Meneer Walenkamp vroeg ook hoe we ervoor zorgen dat leerlingen op het vmbo de kerndoelen halen. Volgens mij haalde hij dat ook weer heel terecht aan: de helft van de leerlingen op het voortgezet onderwijs zit op het vmbo, dus wat dat betreft mogen we daar met z'n allen vaak nog wel meer aandacht aan besteden. In de fase voor de totstandkoming van de uiteindelijke versie van de wet, namelijk die van het uitproberen in de praktijk, hebben we dat uitgeprobeerd in vmbo-klassen. Toen kregen we van de docenten terug dat ze er goed mee kunnen werken. Als meneer Walenkamp bedoelt dat hij zich wel zorgen maakt over de basisvaardigheden op het vmbo — ik zie meneer Walenkamp knikken — dan ben ik dat met hem eens. Kijk naar de prestaties op het gebied van lezen en rekenen. Laten we lezen maar weer even als eerste nemen. Het vmbo heeft daar echt wel wat aan te doen, niet zozeer omdat we met z'n allen ergens een norm aan stellen, maar omdat het heel belangrijk is dat die kinderen, als ze hun eindexamen hebben gedaan, in ieder geval een bepaald basisniveau van taalbegrip en taalgebruik hebben. We zijn aan het kijken hoe we dat specifiek voor het vmbo kunnen verbeteren. Daar kom ik in het najaar op terug, in de versterkingsagenda taal en andere basisvaardigheden.

Meneer Walenkamp vroeg naar voorbeelden uit andere landen. Hij noemde daarbij een voor mij inderdaad herkenbaar lijstje. Een aantal van uw andere leden refereerde ook aan de manier waarop andere landen van een diepe, bijna bodempositie weer terug naar de top kwamen. Dat ging niet vanzelf. Volgens mij zei meneer Walenkamp: de staatssecretaris klonk er een beetje passief in. Dat trek ik me wel aan, want passiviteit is niet iets waar ik me graag mee associeer. Nee, ik ga dus niet zitten wachten tot dingen vanzelf beter worden; daar gaan we echt mee aan de slag. Wij proberen bijvoorbeeld nu al toe te passen wat we zien uit andere landen, bijvoorbeeld uit Ierland: blijf focus houden. Daar hebben ze ook in Australië goede ervaringen mee. Blijf focus houden op de basisvaardigheden, bijvoorbeeld taal. Dat is voor het onderwijs belangrijk. Dat kijkt natuurlijk naar schoolleiders, schoolbesturen en ook de overheid, maar het is ook samenlevingsbreed. Ik hoop dat het belang van taal en taalbegrip verder komt dan alleen maar deze debatzalen en dat mensen thuis daar ook aandacht voor hebben, omdat op die manier ook de motivatie toeneemt van andere mensen rondom de jeugd, bijvoorbeeld ouders of andere opvoeders, en zij daarin ook een rol voor henzelf in zien en bijvoorbeeld gaan voorlezen. Dus: focus. Ze hebben in Ierland en Australië ook met succes de onderwijsoverdracht verbeterd via teams van docenten. Daar refereerde ik in de eerste termijn ook al aan: leraar zijn is niet iets wat je in je eentje voor de klas doet, maar iets wat je echt wel in teams doet, zeker als je taal in alle vakken terug wil laten komen. Dat zien we dan ook als uitgangspunt bij de professionalisering.

In Schotland zijn ze ook druk bezig geweest. Daaruit leren we dat je vooral aan moet sluiten bij wat docenten al kunnen en moet vragen wat er nodig is om daarop aan te sluiten. Volgens mij hebben we het er hier ook al een beetje over gehad: geen papieren, gedroomde werkelijkheid, maar gewoon de praktijk van de klas. Daarop moet je aansluiten om aan te vullen wat er aan professionalisering nodig is. Uit Estland kennen we allemaal de manier waarop digitalisering en kunstmatige intelligentie daar goed geïntegreerd zijn in het onderwijs en daardoor niet alleen op de digitale geletterdheid, maar ook op de andere basisvaardigheden een positieve impact hebben gehad. In Finland hebben we wetenschappelijk bewezen terug kunnen zien hoe de belangrijk de kwaliteit van docenten en het op een hoog niveau houden daarvan zijn voor de basisvaardigheden. Uit al die verschillende landen plukken we dus diverse leerpunten, die we samenpakken in de versterkingsagenda taal en andere basisvaardigheden.

Wat betreft kunstmatige intelligentie begon meneer Walenkamp nog over de encycliek van de paus. Ik ben van oorsprong katholiek, maar dat geloof heb ik al een tijdje niet meer echt beleden. Desondanks is het natuurlijk altijd interessant om van wereldleiders, in welke vorm dan ook, hun mening te horen. Maar deze debatzaal lijkt me nou niet de plek om daar heel specifiek op te reflecteren. Dat moet dan maar een keer bij een kopje koffie of zo.

Mevrouw Lagas vroeg naar de actualisering van de kerndoelen en de evaluatiemomenten. Haar vraag was vooral, als ik het goed heb begrepen, of er in het vervolg en in de evaluatie op dezelfde wijze wordt omgegaan met de mensen in het veld die we hebben betrokken in het voortraject. Het antwoord daarop is: jazeker.

Mevrouw Lagas vroeg ook of ik in gesprek wil gaan met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten over de volgende combinatie: aan de ene kant de zorgplicht in de wet op de openbare bibliotheken — hopelijk behandelen we deze voor de zomer — ten aanzien van een toereikend aanbod in de bibliotheken en aan de andere kant de financiën die via het Gemeentefonds lopen. Dat lijkt me een heel goed idee. Ik zei het in de eerste termijn ook al: volgens mij moeten we heel veel dingen in dit land samen doen. Zeker de Vereniging van Nederlandse Gemeenten kan ons daar tips over geven — dat geldt ook andersom — over hoe we ervoor zorgen dat bibliotheken kunnen uitvoeren wat wij van hen verwachten en ook hoe we dit in de wet gaan vastleggen. Daarbij kan ik me echt voorstellen dat in de gemeente Delden iets anders nodig is dan in de gemeente Haarlem, om maar iets te noemen. Maar juist daarom is die afstemming ook heel goed, denk ik.

Ik vond het leuk hoe de heer Van Kesteren de link legde tussen taal in alle vakken en de redactiesommen. Dat risico snap ik heel goed, maar dat was natuurlijk niet de bedoeling van mijn opmerking. Taal is belangrijk voor alles, maar dat betekent niet dat het overal de boventoon moet voeren. Ik kan me voorstellen dat een aantal andere aspecten van de rekenvaardigheid ook van belang zijn. Maar ik ga daar dan weer niet specifiek op sturen. Uiteindelijk gaat het erom welke lesmethodes en leermiddelen docenten willen gebruiken. Dat mogen ze zelf kiezen. We zijn wel bezig om te kijken hoe we dat evidence-informed meer kracht kunnen bijzetten. Dat gaat dus niet alleen over leermiddelen, maar over het hele lesgeven, waar leermiddelen een onderdeel van zijn. Ik zei al dat we hopen dat we samen met scholen kunnen kijken hoe ze daar de beste keuzes in kunnen maken. Ik kan me voorstellen dat er scholen zijn die zo min mogelijk redactiesommen kiezen en dat er andere scholen zijn die dat zo veel mogelijk doen. Nou goed, dat is echt wel aan scholen zelf, als het maar evidence-informed is. We moeten daar trouwens nog een betere Nederlandse term voor hebben. Dat is de oproep, een soort prijsvraag. Het is niet "bewezen effectief", want dat is "evidence-based", maar we moeten nog een goede term hebben voor "evidence-informed". Het gaat erom dat scholen daarbij de beste keuze maken.

De heer Rietkerk vroeg hoe we ervoor zorgen dat het stimuleren van professionalisering zo veel mogelijk in teamontwikkeling en in de context van de school wordt ingezet. Dat is echt de strekking van wat we daarover hebben afgesproken in het coalitieakkoord. Meneer Rietkerk verwees naar de 50 miljoen in totaal, maar voor professionalisering, waaronder de vraag hoe je omgaat met de kerndoelen, en hoe je ervoor zorgt dat de basisvaardigheden heel veel beter worden en het didactische niveau omhooggaat, staat veel meer geld in de boeken, namelijk structureel 346 miljoen euro. Uiteindelijk gaan wij niet bepalen hoe dat precies uitgegeven moet worden. Dat doen wij uiteraard in overleg met het veld, om te zorgen dat het aansluit op de behoeftes.

De heer Rietkerk i (CDA):

Ik begrijp inderdaad dat dat niet zo van boven wordt opgelegd. Mijn vraag ging over het volgende. Het is een meerjarig traject, tot '31. Het gaat over de context van de school. Het gaat erom dat professionalisering meer aan teamontwikkeling wordt gekoppeld dan aan een individu. Dat is een thema. Het is logisch dat het kabinet dat in afstemming doet met het veld.

Staatssecretaris Tielen:

Ja.

De heer Rietkerk (CDA):

Wat kan de staatssecretaris toezeggen ten aanzien van de vorderingen? Dat hoeft helemaal niet in een brief, of in een begroting of in een jaarverslag. Hoe kunnen we terugvinden welke stimulans er uitgaat van dit debat, en ook van wat de staatssecretaris wil, denk ik, en van wat het regeerakkoord zegt? Hoe kunnen we dat een beetje monitoren?

Staatssecretaris Tielen:

Ik denk eigenlijk dat begrotingen en jaarverslagen helemaal niet zulke gekke plekken zijn, omdat het echt om een stevig bedrag gaat en om een stevige ambitie en opdracht vanuit het coalitieakkoord. Ik zou dus sowieso daarin iets op willen nemen hierover.

De heer Rietkerk (CDA):

Ik zie dit als een toezegging.

De voorzitter:

Dat mag u zo zien.

Staatssecretaris Tielen:

Meneer Kemperman had ook nog een vraag die eigenlijk vooral met de actualiteit te maken heeft, namelijk over het thuisonderwijs en het besluit van de gemeente Den Haag. De Hoge Raad heeft in april een uitspraak gedaan over een vrijstelling op basis van levensbeschouwing. We noemen die in goed vakjargon "vrijstelling 5 onder b". De uitspraak van de Hoge Raad zegt eigenlijk dat daar alleen in zeer uitzonderlijke gevallen ruimte voor moet zijn. De reden daarvoor is, geparafraseerd in mijn woorden, dat er in Nederland zo'n divers scholenaanbod is en er eigenlijk altijd binnen 6 kilometer voor het basisonderwijs en binnen 20 kilometer voor het voortgezet onderwijs een openbare school is waar je terecht kan. Dat is een juridisch feit, eigenlijk ook een nieuw juridisch feit. Het is dus van toepassing op iedereen, zeker op de partijen die dat handhaven. Gemeenten en het Openbaar Ministerie hebben natuurlijk een rol in het handhaven van de Leerplichtwet. Het is aan hen om zich daartoe te verhouden, om het maar zo te zeggen.

Tegelijkertijd hebben wij natuurlijk in Den Haag, niet de gemeente Den Haag, maar hier bij de uitvoerende macht, ook wel een verantwoordelijkheid, omdat wij ook naar die wet moeten kijken. Zoals ik eerder al zei, vind ik het belangrijk dat alle kinderen goed onderwijs krijgen, het liefst door een bevoegde docent en samen met leeftijdgenoten. Dat betekent dat ze het liefst naar school gaan. Ik zal dus voor de zomer de Kamer informeren over hoe we daar vanuit ons mee om moeten gaan. Dat we het niet kunnen laten sudderen, blijkt wel uit de enorme groei van het aantal kinderen die daardoor niet naar school gaan.

Meneer Kemperman vroeg ook naar de overenthousiaste inspectie, om het maar zo te noemen, en de signalen uit het rapport. Volgens mij vroeg meneer Kemperman eigenlijk — meneer De Vries van de SGP vroeg dat ook, al geloof ik dat hij meer een stelling positioneerde dan een vraag stelde — of de staatssecretaris signalen serieus neemt als die er zijn. Ik kan in ieder geval toezeggen dat ik signalen altijd serieus neem. Ik wil ook uitzoeken waar ze vandaan komen, waar ze op zijn gebaseerd en of het vervolgens dan ook opportuun is om er iets mee te doen. Overenthousiasme op zichzelf vind ik niet verkeerd, maar daar wees meneer Kemperman natuurlijk niet op. Hij zegt: als het buiten de wet gaat, dan hebben we wel een probleem. Ik denk dat we het over dat laatste met elkaar eens zijn. De inspectie heeft namelijk gewoon de rol om de wet uit te voeren, niet heel veel meer of minder. Dat roept een vraag op, zie ik.

De heer Kemperman i (FVD):

Dank u wel, staatssecretaris, voor dit antwoord. Het met elkaar eens zijn of overenthousiast zijn, zijn nog begrippen waarmee je alle kanten op kan. Het gaat erom dat de wetgever een bedoeling heeft, een normering stelt en een inspectie in het leven roept om daarop toe te zien. Het overenthousiasme van zo'n inspectie kan dan tot hele vervelende situaties leiden voor mensen die zich in hun rechten aangetast voelen of hun ruimte beknot zien. Stel dat dat geconstateerd wordt; eigenlijk is dat al geconstateerd in het rapport waar collega De Vries aan refereerde. Mijn vraag was specifiek welke mogelijkheden de staatssecretaris heeft om zo'n inspectie, die autonoom, objectief en zelfstandig opereert, maar toch meer doet … Stel dat een gemeente zegt de maximumsnelheid te halveren. Dat mogen gemeenten op hun gemeentelijk wegennet, dus dat is een verkeerd voorbeeld. Stel dat een overheid, een inspectie of een dienst ressorterend onder uw verantwoordelijkheid toch meer doet dan de wetgever bedoeld heeft. Welke mogelijkheden heeft u dan, behalve in gesprek met ze gaan? Die geef ik u alvast cadeau, want ik snap dat die mogelijkheid er is. Welke mogelijkheden heeft u dan om te zeggen: beste mensen, toch even terug — "terug in uw hok" is een hele verkeerde uitspraak — naar waar u voor bedoeld bent? Dat is het handhaven van de wettelijke norm die wij parlementair met elkaar hebben afgesproken.

Staatssecretaris Tielen:

Die eerste stap is wel belangrijk. In gesprek gaan is altijd een mogelijkheid, maar daar zit natuurlijk een aantal stappen achter. Dat is waar meneer Kemperman ook naar vraagt. Hij vraagt of daar stappen achter zitten en wat ik in het uiterste geval, zo hoorde ik hem zeggen, kan doen. In het uiterste geval kan ik de inspectie een aanwijzing geven. Juridisch kan dat allemaal. Het zou vervelend zijn als het daartoe moet komen, want dan hebben we ook echt een verschil van inzicht. Dat is lastig, want volgens mij is de opdracht aan de inspectie op zichzelf heel duidelijk, namelijk handhaven en toezien op de uitvoering van de wet. Als het zover zou komen dat de inspectie zó overenthousiast is dat die er allerlei dingen bij haalt die niet of heel weinig te maken hebben met wat we in beide Kamers met elkaar hebben afgesproken, dan kan ik een aanwijzing geven. Ik hoop dat dat nooit nodig is.

Over overenthousiasme gesproken: de heer Kemperman en de heer Walenkamp hebben daarover een motie ingediend. Die motie verzoekt om periodiek en in elk geval bij iedere wezenlijke wijziging van kerndoelen of burgerschapsnormen het parlement vooraf in de gelegenheid te stellen zich daarover uit te spreken. Het liefst zou ik deze motie de appreciatie "overbodig" willen geven, maar volgens mij kan dat niet in de Eerste Kamer. Doordat we dus de delegatie naar de algemene maatregel van bestuur hebben gelegd, zit er een voorhangprocedure in. Daarmee is geborgd dat bij elke wijziging van de kerndoelen, álle kerndoelen, de Eerste Kamer en de Tweede Kamer vooraf worden geïnformeerd en daarmee een mogelijkheid hebben om daarop mee te praten, om het maar populair te zeggen. Ook bevat de wet een evaluatiebepaling op grond waarvan we na vijf jaar en na tien jaar de Kamer informeren over de stand van zaken van het gehele nieuwe curriculum, en de verplichting om elke tien jaar na de advisering door de Onderwijsraad een verslag te sturen. In mijn visie is daarmee de motie overbodig, omdat we het allemaal doen.

De voorzitter:

Maar wij hebben inderdaad die appreciatie niet. Ik zie de heer Kemperman.

De heer Kemperman (FVD):

Ik begrijp uw reactie. We kunnen semantisch spreken over wel of niet overbodig verklaren en in welk huis. Het wetsvoorstel voorziet al in een aantal stappen die gezet kunnen worden om te doen wat de motie vraagt. Het klinkt bijna als een toezegging van "dat doen we allemaal al". Als u het als zodanig zou verwoorden, zou ik de motie overbodig kunnen vinden en wordt het gedekt door het wetsvoorstel, de procedurele behandeling en de uitvoering.

Staatssecretaris Tielen:

Ja, volgens mij is dat het geval. Of je iets kunt toezeggen op een motie, dat vind ik dan weer ingewikkeld. Ik kan toezeggen dat we periodiek het parlement betrekken bij eventuele veranderingen in de kerndoelen.

De heer Kemperman (FVD):

Dan hebben we een motie minder en is er een motie gesneuveld in de dying seconds van dit debat. Ik interpreteer het als een toezegging dat het al door de procedure et cetera wordt gedekt en trek de motie in. Dank u wel voor de woorden.

Staatssecretaris Tielen:

Ik heb begrepen dat het om motie met letter F gaat.

De voorzitter:

Dat klopt. Dat was de motie met letter F en die hebben we dan niet meer nodig. Dat is fijn.

Aangezien de motie-Kemperman c.s. (36699, letter F) is ingetrokken, maakt zij geen onderwerp van beraadslaging meer uit.

U bent klaar met uw beantwoording in tweede termijn.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Ik kom tot afhandeling van het wetsvoorstel. Wenst een van de leden stemming over het wetsvoorstel? Ik zie meerdere leden. Ik stel voor dat we volgende week gaan stemmen over het wetsvoorstel.

Daarmee zijn we gekomen aan het einde van deze vergadering. Ik dank alle leden, de staatssecretaris, de medewerkers die deze vergadering mogelijk hebben gemaakt, daar achter in die warme kamer, en de aanwezigen op de publieke tribune voor hun komst naar de Kamer.