Naar hoofdinhoud Naar hoofdnavigatiemenu

Rappelabele toezeggingen minister voor Rechtsbescherming (Vooruitblik februari 2019)



Dit is het rappel vanaf 02-01-19 tot 02-07-19.

 




Toezegging Uitbreiding spreekrecht tot stieffamilie (34.082) (T02307)

De Minister van Veiligheid en Justitie zegt de Kamer, naar aanleiding van een opmerking van het lid Markuszower(PVV), toe de uitbreiding van het spreekrecht tot de stieffamilie mee te nemen in de evaluatie van het huidige spreekrecht.


Kerngegevens

Nummer T02307
Status openstaand
Datum toezegging 5 april 2016
Deadline 1 juli 2020
Voormalige Verantwoordelijke(n) Minister van Veiligheid en Justitie
Huidige Verantwoordelijke(n) Minister voor Rechtsbescherming
Kamerleden Mr. G. Markuszower (PVV)
Commissie commissie voor Justitie en Veiligheid (J&V)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen slachtofferspreekrecht
stieffamilie
Kamerstukken Aanvulling spreekrecht van slachtoffers en nabestaanden in het strafproces (34.082)


Uit de stukken

Handelingen I 2015-2016, nr. 26 - blz. 9-10

De heer Markuszower(PVV): Schriftelijk vroeg mijn fractie in deze Kamer nog aan de minister of hij het niet schrijnend vindt dat het thans onmogelijk is en ook onmogelijk blijft als deze wet wordt aangenomen voor bijvoorbeeld een stiefmoeder of een stiefzusje van een vermoord meisje om tijdens de strafzaak te spreken. Dit voorbeeld speelde onlangs daadwerkelijk. Het antwoord van de minister viel mij tegen. Hij acht het niet opportuun om in een lopend proces wetswijzigingen te bevorderen die de kring van spreekgerechtigden uitbreiden en gaf er de voorkeur aan om dit element pas mee te nemen bij de evaluatie van de wet.

Handelingen I 2015-2016, nr. 26 - blz. 19

Minister Van der Steur: De PVV-fractie heeft ook gevraagd naar de uitbreiding van het spreekrecht tot de stieffamilie. Het klopt dat er sprake is van bepaalde ontwikkelingen in het familierecht. Er ontstaan steeds meer vormen van families en familierelaties. We hebben er ook in de Tweede Kamer over gesproken. Toen is aangegeven dat dit een kwestie is die zorgvuldig moet worden afgewogen, omdat niet precies kan worden overzien wat het effect daarvan zou zijn. Stieffamilie is bijvoorbeeld geen wettelijk begrip. Het is op basis van de wet ook niet meteen duidelijk te maken wie daaronder valt. Ik merk in dit verband ook op dat ik in gesprekken met het OM heb begrepen dat zich soms mensen melden voor bijvoorbeeld het spreekrecht waarvan het OM zegt: die mensen zijn helemaal geen slachtoffer. Of het slachtoffer zegt over die mensen: zij zijn geen slachtoffer, ze horen helemaal niet bij mij, ik wil dat niet. Ook daarvoor geldt dat wij daar heel zorgvuldig in moeten zijn. Om die reden heb ik de PVV fractie toegezegd dat ik die kwestie meeneem in de evaluatie van het huidige spreekrecht. Dat komt in 2017 aan de orde.

EK 2015 - 2016, 34 082, E, Nadere memorie van antwoord - blz. 5

De leden van de PVV-fractie merken op dat in de lopende strafzaak tegen de van verkrachting en moord verdachte De G. de stiefmoeder en -zuster van het slachtoffer Nicole van der Hurk geen spreekrecht hebben gekregen. Deze leden vragen of zij het niet schrijnend vindt dat in het voorliggende wetsvoorstel het onmogelijk blijft voor een stiefmoeder en -zuster van een vermoord meisje om spreekrecht te hebben. Ik stel voorop dat dit wetsvoorstel betrekking heeft op de uitbreiding van de omvang van het spreekrecht en niet op de kring van spreekgerechtigden. Over dit onderwerp heb ik onlangs (december 2015) vragen beantwoord van de leden van de Tweede Kamer, Swinkels en Bergkamp (D66), waarvan de kern was dat ik het vooralsnog niet opportuun acht om op basis van een tussenuitspraak van een rechtbank in eerste aanleg in een lopend proces aan te kondigen dat ik een wetswijziging ter zake zal bevorderen. Ik geef er de voorkeur aan om dit punt andermaal te bezien bij de aangekondigde evaluatie van dit wetsvoorstel, nadat het tot wet zal zijn verheven. Er is dan ook meer te zeggen over de omvang van het probleem en de wijze waarop het in de praktijk is aangepakt.


Brondocumenten


Historie







Toezegging Bezien of een aanvullende bevoegdheid van de rechter noodzakelijk is betreffende verplichte aanwezigheid van de verdachte bij de uitspraak (34.082) (T02308)

De Minister van Veiligheid en Justitie zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Markuszower (PVV), toe te bezien of er een aanvullende bevoegdheid van de rechter noodzakelijk is wat betreft de aanwezigheid van de verdachte bij de uitspraak.


Kerngegevens

Nummer T02308
Status openstaand
Datum toezegging 5 april 2016
Deadline 1 juli 2020
Voormalige Verantwoordelijke(n) Minister van Veiligheid en Justitie
Huidige Verantwoordelijke(n) Minister voor Rechtsbescherming
Kamerleden Mr. G. Markuszower (PVV)
Commissie commissie voor Justitie en Veiligheid (J&V)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen slachtofferspreekrecht
terechtzitting
uitspraak
verplichte aanwezigheid
Kamerstukken Aanvulling spreekrecht van slachtoffers en nabestaanden in het strafproces (34.082)


Uit de stukken

Handelingen I 2015-2016, nr. 26 - blz. 9-10

De heer Markuszower(PVV): De PVV in de Tweede Kamer heeft middels een tweetal moties geprobeerd om de geconstateerde gebreken te repareren. In de eerste motie stelde de PVV voor dat verdachten een verschijningsplicht ter zitting opgelegd krijgen als het slachtoffer of de nabestaanden gebruikmaken van hun spreekrecht en de aanwezigheid van de verdachten wensen. De tweede motie die de PVV in de Tweede Kamer indiende, wenste de rechter te verplichten om daadwerkelijk rekening te houden met de inbreng van het slachtoffer of van de nabestaande. Beide moties beogen zowel de verdachte als de rechter tot luisteren te bewegen. Horen is niet genoeg. Naar het slachtoffer moet ook echt gelúísterd worden. Het slachtoffer wil niet alleen maar spreken om te spreken. Het slachtoffer of de nabestaanden van het slachtoffer willen natuurlijk dat er daadwerkelijk iets gedaan wordt met hun inbreng ter zitting. Beide moties hebben het in de Tweede Kamer niet gehaald. De minister ontraadde de moties ook. Hij zegde echter wel toe met de Raad voor de rechtspraak over deze twee punten te overleggen. Kan de minister aangeven wat uit dat overleg met de Raad voor de rechtspraak is gekomen?

Handelingen I 2015-2016, nr. 26 - blz. 19

Minister Van der Steur: De PVV-fractie vroeg naar de verplichte aanwezigheid van de verdachte op de terechtzitting en bij de uitspraak. Daar heb ik ook met de PVV-fractie in de Tweede Kamer uitvoerig over gesproken. Het OM heeft de handelwijze en het beleid op dit punt aangepast naar aanleiding van de debatten met de fractie van de PVV. In de gesprekken met slachtoffers en nabestaanden besteedt het OM aandacht aan de wenselijkheid van de verschijning van de verdachte ter zitting, geeft ook uitleg over de mogelijkheden en onmogelijkheden en vraagt naar de specifieke wensen van het slachtoffer of de nabestaanden ten aanzien van de verschijningsplicht van verdachte. Dat is ook omdat wij hebben vastgesteld dat heel veel slachtoffers en nabestaanden in een aantal gevallen liever niet hebben dat de verdachte aanwezig is bij de zitting, want dan worden ze nog een keer geconfronteerd met betrokkene. Dat belemmert hen in het afleggen van hun verklaringen. Juist omdat niet iedereen dat wil, hebben wij er nooit een verplichting van willen maken. De rechter kan er wel toe besluiten. Dat doet de rechter in de praktijk ook in een aantal gevallen. Het OM kan erom verzoeken. Daarom is het van belang dat het OM dit punt in het contact met het slachtoffer aanroert en vervolgens aan de rechter kan vragen om de verdachte, als dat wordt gewenst, aanwezig te laten zijn.

Of de aanwezigheid bij de uitspraak ook door de rechter kan worden bepaald, daarover bestaat onduidelijkheid, laat ik zeggen enige twijfel. Ik ben bereid om te bezien of er een aanvullende bevoegdheid van de rechter noodzakelijk is wat dit betreft. Als dat het geval is, dan kunnen wij dat meenemen in de herziening van het Wetboek van Strafvordering.


Brondocumenten


Historie