Naar hoofdinhoud Naar hoofdnavigatiemenu
T01921

Toezegging Toepassing van de nieuwe voorlopige hechtenisgrond monitoren en daarover met de Raad voor de rechtspraak spreken (33.360)



De Minister van Veiligheid en Justitie zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van de het lid Swagerman (VVD) en onder verwijzing naar een opmerking van het lid Beuving (PvdA), toe de toepassing van de nieuwe voorlopige hechtenisgrond, die inhoudt dat bij geweld in de publieke ruimte en geweld tegen personen met een publieke taak de mogelijkheden voor toepassing van voorlopige hechtenis worden verruimd met het oog op een snelle berechting van de verdachte, te monitoren en hierover met de Raad van de rechtspraak te spreken. 


Kerngegevens

Nummer T01921
Status voldaan
Datum toezegging 6 mei 2014
Deadline 1 juli 2015
Verantwoordelijke(n) Minister van Veiligheid en Justitie
Kamerleden Mr.dr. J. Beuving (PvdA)
Mr. B.J. Swagerman (VVD)
Commissie commissie voor Veiligheid en Justitie (V&J)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie overig
Onderwerpen monitoring
snelrechtgrond
voorlopige hechtenis
Kamerstukken Uitbreiding gronden voor voorlopige hechtenis (33.360)


Uit de stukken

Handelingen I 2013-2014, nr. 28, item 7 − blz. 2

De heer Swagerman (VVD):

Het wetsvoorstel heeft tot doel bij geweld in de publieke ruimte en geweld tegen personen met een publieke taak de mogelijkheden voor toepassing van voorlopige hechtenis te verruimen met het oog op een snelle berechting van de verdachte. Los van het feit dat hier sprake is van een soort stelselbreuk met het vigerende systeem, dringt zich de vraag op of de snelle berechting niet gewoon op een andere wijze kan plaatsvinden. Extra prioriteit van de Nationale Politie qua opsporing en onderzoek, in de betekenis van voortvarend ter hand nemen, en verscherping van de straftoemeting door middel van een aangepaste strafvorderingsrichtlijn zijn daarbij denkbaar. Ik hoor graag een reactie van de minister hierop.

De regering stelt dat dergelijke misdrijven een ernstig gevaarzettend karakter voor personen hebben en een ernstige verstoring van de openbare orde teweegbrengen, die leidt tot grote maatschappelijke onrust. Dat zou zeker zo kunnen zijn en het zal zich wellicht ook bij delicten voordoen die niet in dit wetsvoorstel worden genoemd. De vraag is natuurlijk of dit in alle gevallen zo is. Mijn fractie betwijfelt dit zeer. Is het dan niet zaak dat de toepassing van de nieuwe grond op de een of andere manier een aparte motivering door de rechter-commissaris behoeft? Begrijpt mijn fractie het goed dat de minister dit geheel en al ter beoordeling aan de rechter-commissaris laat, of is hij bereid hier nog extra aandacht aan te schenken, bijvoorbeeld door overleg met de Raad voor de rechtspraak c.q. de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak? Op zijn minst zou hier een gemotiveerde vordering van de officier van justitie verlangd kunnen worden en het sturen daarop is in elk geval iets wat binnen de invloedssfeer van de minister ligt. Ook hierop hoor ik graag een reactie van de minister.

Handelingen I 2013-2014, nr. 28, item 7 − blz. 7

Mevrouw Beuving (PvdA):

In het decembernummer van Strafblad schreven drie Rotterdamse rechters: "De praktijk van de voorlopige hechtenis is een efficiënte koekjesfabriek. Ongeacht bij welke rechter de voorlopige hechtenis wordt gevorderd of door welke deze wordt getoetst en ogenschijnlijk bijna los van de hem of haar voorgelegde casus, lijkt het resultaat steeds hetzelfde: vasthouden!"

Handelingen I 2013-2014, nr. 28, item 7 - blz. 15

Minister Opstelten:

Waarom wordt de voorlopige hechtenis niet beter gemotiveerd? De heer Swagerman vroeg daarnaar. Ik moet zeggen dat het mij niet past om aan rechters voor te schrijven hoe zij hun taak binnen het wettelijke kader uitvoeren. Zoals gezegd, heb ik van het Rotterdamse initiatief met belangstelling, waardering en respect kennisgenomen. Ik zal met de Raad voor de rechtspraak spreken om op die manier informatie te krijgen over de toepassing van deze mogelijke nieuwe wettelijke grond. De Raad voor de rechtspraak is natuurlijk nauw betrokken bij wat ik net heb gezegd. Ik zal dat ook doen in verband met de toegezegde evaluatie. De Kamerleden weten dat er, mocht dit wetsvoorstel het Staatsblad halen, binnen drie jaar een evaluatie plaatsvindt. Een amendement daartoe is in de Tweede Kamer, met mijn steun, aangenomen. Verder is het OM er op grond van de wet al aan gehouden zijn vordering te motiveren. Ik zie geen reden om hieraan nadere eisen te stellen, omdat men dat zal gaan doen.

Handelingen I 2013-2014, nr. 28, item 7 - blz. 24

Minister Opstelten:

Ik vind het voorbeeld van mevrouw Beuving van de koekjesfabriek wel mooi: dat kan niet en dat zal niet. Een rechter moet gewoon zijn werk kunnen doen. Dat hebben wij laatst ook in het debat over de rechtsstaat aan de orde gehad. Daar zullen wij het op toetsen. Zelf meen ik dat dit voorstel prudent moet worden toegepast. Het verzekeren van de snelrechtgrond is heel belangrijk. Ik heb al over het OM gesproken; we zullen dat blijven monitoren en daarover met de Raad voor de rechtspraak spreken.


Brondocumenten


Historie