T02354

Toezegging Toezenden brief over het halen van de rechterlijke macht uit de begroting van Veiligheid en Justitie (34.485 VI)



De minister van Veiligheid en Justitie zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van de leden Duthler (VVD) en Ruers (SP), toe dat een brief aan de Kamer wordt verstuurd met afwegingen over het uit de begroting van Veiligheid en Justitie halen van de rechterlijke macht.


Kerngegevens

Nummer T02354
Status voldaan
Datum toezegging 5 juli 2016
Deadline 1 oktober 2016
Verantwoordelijke(n) Minister van Veiligheid en Justitie
Kamerleden mr. dr. A.W. Duthler (Fractie-Duthler)
mr.dr. R.F. Ruers (SP)
Commissie commissie voor Veiligheid en Justitie (V&J)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen rechtspraak
Veiligheid en Justitie, begroting
Kamerstukken Wijziging begrotingsstaten Veiligheid en Justitie 2016 (voorjaarsnota) (34.485 VI)


Uit de stukken

Handelingen I 2015-2016, nr. 37, item 14, blz. 7-15

De heer Ruers (SP):

(...)

En dan de rechtspraak, als onafhankelijk orgaan onderdeel van de trias politica, de basis van onze democratische rechtsstaat. Ook daarover is de afgelopen tijd weer veel te doen geweest. We hebben daar vanmiddag al over gesproken. Een belangrijk moment was de enquête van de rechters van de Tegenlichtgroep. Die enquête, waarop niet minder dan 35% van alle rechters heeft gereageerd, laat zich het best vertalen als één grote waarschuwing aan de regering dat onze rechtspraak in zwaar weer verkeert of, zoals men zelf zegt, door de bodem is gezakt. De oorzaken zijn bekend: de bezuinigingen en de verbestuurlijking van de rechtspraak. Of kan men het misschien nog beter noemen: de verboekhouding van de rechtspraak? De onafhankelijke rechtspraak is verworden tot een product van de neoliberale overheid. Visie, voor zover aanwezig, en inhoud zijn ondergeschikt gemaakt aan een sluitende boekhouding. Als de boekhouding maar klopt, is het volgens de regering wel in orde. Ik begrijp dat dit debat hier vandaag niet voldoende gelegenheid biedt om diepgaand te reflecteren op deze kwestie die de grondslagen van de democratische rechtsstaat aangaat, maar als we de malaise van de rechtspraak willen doorgronden en oplossen, zal dat aspect niet onbesproken kunnen blijven.

(...)

Mevrouw Duthler (VVD):

(...)

Mijn fractie realiseert zich dat het nu niet het moment is om het debat over de financiering van de rechtspraak te voeren. Er komt echter een nieuwe begroting aan. Wil de minister toezeggen dat hij zich opnieuw hard zal maken voor voldoende middelen voor de rechtspraak? Ik merk op dat het budget van de minister van V en J leidend is voor de bekostiging van de rechtspraak. De vraag is echter of dat past bij de zelfstandige en onafhankelijke rol die de rechtspraak in onze door macht en scheiding bepaalde rechtsstaat speelt en of dat past bij de uitgangspunten van de Wet op de rechterlijke organisatie en het daarop gebaseerde Besluit financiering rechtspraak. Passend bij de zelfstandige en onafhankelijke rol die de rechtspraak in onze rechtsstaat speelt, zou zijn dat deze los staat van de beschikbare budgetten van de uitvoering. De rechtspraak is immers geen uitvoerende dienst, maar een onafhankelijke staatsmacht. Hoe denkt de minister over het idee om van de begroting van de rechtspraak een niet-departementale begroting te maken, zodat de problemen op de departementale begroting van het ministerie van V en J geen invloed kunnen hebben op de begroting van de rechtspraak? Graag een reactie van de minister.

(...)

Minister Van der Steur:

(...)

De heer Ruers en mevrouw Duthler vroegen naar het idee om de rechtspraak uit de begroting van V en J te halen. Dat is een idee dat ook in het debat in de Tweede Kamer aan de orde is gekomen. Daar heb ik schriftelijk op gereageerd, naar aanleiding van publicaties in het NJB en Ars Aequi. Ook de minister van Financiën heeft daar vragen over beantwoord in het kader van de Comptabiliteitswet. Ik heb toen gezegd dat daarin een brede afweging moet worden gemaakt. De Tweede Kamer heb ik dan ook na het zomerreces een brief over dit onderwerp toegezegd. Die brief zal ik graag ook aan deze Kamer toesturen. Daarbij heb ik welde opmerking gemaakt dat het maar zeer de vraag is of een organisatie als de rechterlijke macht erbij gebaat is om niet meer onder de verantwoordelijkheid van één vakminister te vallen. Ik ben verantwoordelijk voor de rechtsstaat en de rechtspraak. Mijn inzet is om in debatten zoals dit daarover volledige verantwoording af te leggen. Als je daarentegen een soort Hoog College van Staat wordt, met een eigenbegroting, wie zet zich dan nog in voor de begroting? Dat is toch wel een punt waarover we eens, als de brief er is, met elkaar van gedachten moeten wisselen.

De heer Ruers (SP):

Ik vind het interessant dat de minister iets zegt over zijn verantwoordelijkheid. Anderhalve maand geleden was er in De Rode Hoed een debat over de staat van de rechtsstaat, waarbij dat aspect naar voren kwam. De voorzitter van de Raad voor de rechtspraak zei daarbij: je moet dat niet zelfstandig doen. De Hoge Raad en de Raad van State hebben dat overigens wel gedaan. Toen merkte de heer Corstens, oud-president van de Hoge Raad, op: wij hebben dat inderdaad keurig gedaan en we zijn er zeer tevreden mee. De Hoge Raad heeft geen problemen met het bestuur. De Hoge Raad onderhandelt met de minister over het budget, wat heel goed uitkomt. Dan blijven ze buiten de jaarlijkse kaasschaafmethodes of nog erger, als er ergens geld moet worden gevonden bij Justitie. Zou dat geen oplossing zijn voor de hele rechtspraak?

Minister Van der Steur:

Bij Justitie zeker, maar dan ontstaat dezelfde problematiek bij het ministerie waar ze dan onder vallen, namelijk BZK, zij het dat het dan gaat om een reeks van hogere colleges van Staat die niet noodzakelijkerwijs vallen onder de verantwoordelijkheid van de desbetreffende vakminister. Maar dit is een debat dat goed is om te voeren. Ik dacht dat de Algemene Rekenkamer er ook iets over heeft gezegd. Hierover zullen we een brief aan de Kamer sturen.


Brondocumenten


Historie