Behandeling Begroting Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit 2019



Verslag van de vergadering van 11 december 2018 (2018/2019 nr. 11)

Aanvang: 16.01 uur

Status: gecorrigeerd


Aan de orde is de behandeling van:

het wetsvoorstel Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (XIV) en het Diergezondheidsfonds (F) voor het jaar 2019 (35000-XIV).


De voorzitter:

Aan de orde is de termijn van de kant van de Kamer van wetsvoorstel 35000-XIV, Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en het Diergezondheidsfonds voor het jaar 2019. Ik heet de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van harte welkom in de Eerste Kamer.

De beraadslaging wordt geopend.

De voorzitter:

Het woord is aan de heer Koffeman namens de PvdD.


De heer Koffeman (PvdD):

Voorzitter, dank u wel. De Nederlandse landbouw ondergaat een totale gedaanteverwisseling. De metamorfose van het platteland is de doodsteek voor het agrarisch gezinsbedrijf. Elke dag stoppen zeven boeren met hun bedrijf, ondanks het feit dat nog steeds 40% van de Europese begroting naar landbouw gaat. De Nederlandse landbouw maakt boeren financieel, emotioneel en sociaal kapot, zeiden de Nederlandse melkveehouders Herman en José Bongers vorig jaar in dagblad Trouw. Het kwam uit de grond van hun hart. Het drijft boeren letterlijk tot zelfmoord, zozeer dat de minister ervoor pleitte een meldpunt voor dat probleem in te stellen. Het gaat niet goed met de landbouw in Nederland, maar desondanks blijven politiek verantwoordelijken ruim baan geven aan de landbouw, laten ze gods water over gods akker lopen. Op 11 juli 2000, bijna twintig jaar geleden, schreef NRC: "De landbouw in Nederland moet er over tien jaar geheel anders uitzien dan nu." Zou het er na al die jaren eindelijk een keer van komen? De grote doorbraak ligt binnen handbereik. Het ministerie is er klaar voor, de plannen staan zwart-op-wit op papier en worden gesteund door het kabinet, de landbouw in Nederland zal binnen tien jaar geheel anders zijn.

Het bericht was ontleend aan de visienota van VVD, Partij van de Arbeid en D66 op de landbouw. Wat schreven ze? Inderdaad: binnen tien jaar moet het helemaal anders. Ze erkenden toen dat de landbouw tegen maatschappelijke, economische en ecologische grenzen aanliep. In tien jaar tijd, dus uiterlijk in 2010, zou de landbouw ten volle rekening houden met de veiligheid en gezondheid van mens en dier en zou het ecosysteem volledig voldoen aan de geldende milieuwetgeving, waarbij de nationale milieudoelstellingen gehaald zouden worden en zou de biologische landbouw 10% van het landbouwareaal beslaan. De veehouderij zou bovendien stukken kleiner zijn, met minder dieren, minder milieubelasting en een veel beter dierenwelzijn.

Hoe anders is de werkelijkheid van nu en hoe anders was de werkelijkheid van 2010. In 2007 constateerde minister Cees Veerman bij zijn afscheid tussentijds dat het systeem totaal vastgelopen was. We importeren veevoer, we exporteren varkens en de rotzooi, de mest, houden we hier. 600 miljoen dieren die jaarlijks geofferd worden op het altaar van de economie, 80 miljard kilo mest en de natuur die als grote verliezer letterlijk wegkwijnt. Hoe kan het dat een probleem zo breed erkend wordt, al zo lang erkend wordt, maar niet tot een oplossing gebracht lijkt te kunnen worden? De minister is tot de ontdekking gekomen dat de huidige werkelijkheid een stuk weerbarstiger is dan herinneringen aan een kleinschalig gezinsbedrijf van weleer. Een dappere constatering, maar de vraag is welke mogelijkheden de minister ziet om haar veranderde kijk om te zetten in adequaat beleid, dat inzet op drastische vermindering van de veestapel, het geven van meer ruimte aan agrarische gezinsbedrijven en het stoppen van de moordende schaalvergroting. Of bedoelt ze mogelijk dat haar eigen beeld te beperkt was in de zin dat ze niet zou moeten inzetten op kleinschaligheid, op grondgebonden landbouw en op bescherming van weidevogels, maar ruimte moet bieden aan grootschalige landbouw onder voorwaarden? Ze ontdekte dat ze als boerendochter zelf ook in een hok was beland. In de Volkskrant zei ze, voorafgaand aan de landbouwbegroting in de Tweede Kamer: "Ik leefde dichtbij de natuur, we waren grondgebonden (genoeg land om eigen mest uit te kunnen rijden) en er was thuis veel aandacht voor weidevogels. Dat was ook mijn ideale plaatje toen ik begon als minister. Maar in de loop van de tijd ben ik gaan inzien dat mijn eigen beeld veel te beperkt was. Mijn dogma's stonden op schudden".

Toen NRC vorig jaar aandacht vroeg voor de grootschalige mestfraude die onder boeren allang een publiek geheim was, ontbood de minister de sleutelspelers in de mestverwerking op haar ministerie. Ze eiste dat er actie zou worden ondernomen. Het mestadviesbureau Bergs Advies stuurde naar aanleiding van de oproep van de minister op 15 november 2017 een brief met een plan van aanpak en het aanbod om gebruik te maken van de expertise van het bureau. Binnen de grenzen van wet- en regelgeving zag Bergs Advies voldoende mogelijkheden om de problemen snel op te lossen. Exact een jaar later deed Justitie op tien plaatsen invallen, waaronder bij Bergs Advies. De ongehoorde brutaliteit dat mestfraudeurs zich opwerpen als adviseur van de minister geeft aan dat er een totaal gebrek aan schaamte is bij de mensen die dier, natuur en milieu beschouwen als pinautomaten om hun kortetermijnbelangen te realiseren.

De minister blijft ondanks deze georganiseerde criminaliteit, die al jarenlang voortduurt, geloven in zelfregulering van de sector. Vorig jaar zei de minister bij een interpellatie over de mestfraude dat de NVWA keihard werkt aan het voorkomen van mestfraude, maar dat de NVWA meer prioriteiten heeft. Volgens de minister doet de handhavingsinstantie wat zij kan, maar ze zegt ook: "Als we alles op alles zetten om mestfraude te voorkomen, krijgen we problemen op andere vlakken". En: "We kunnen niet op iedere vracht een controleur zetten. Het blijft de verantwoordelijkheid van de sector. Zij zullen daarom een plan van aanpak opstellen". En: "In het verleden was het eerst de overheid en dan de sector. Dat blijkt onvoldoende te hebben gewerkt en daarom doen we het nu andersom, dus eerst de sector zelf". Mijn vraag aan de minister is: hoe lang nog? De minister lijkt geen andere mogelijkheid te zien dan zelfregulering. Dat bedoelde ik met het citaat over eerst de overheid en dan de sector, en dat dit niet gewerkt heeft.

De minister beloofde de Eerste Kamer periodiek te informeren over de voortgang van de plannen voor het bestrijden van mestfraude. Ik wil haar heel graag uitnodigen om ons vandaag deelgenoot te maken van de voortgang en eventueel voortschrijdend inzicht om toch extra prioriteit te geven aan handhaving. Het is ronduit onrustbarend dat Rob de Rijk, de landelijk coördinerend milieuofficier van justitie in NRC de noodklok moest luiden over de omvang van de veestapel. Die moet krimpen, omdat grootschalige mestfraude alleen op die manier kan worden aangepakt. De minister zei in haar reactie dat ze het OM niet nodig heeft om te weten dat ze de handhaving moet intensiveren. Wat is er dan voor nodig? Op welke manier gaat de minister toezicht en handhaving intensiveren? Op welke termijn gebeurt dit en hoe verhoudt zich dat tot haar opvatting dat zelfregulering kansrijker zou zijn dan overheidsingrijpen?

In 2003 constateerde het korps landelijke politiediensten dat de vee- en vleessector zo verweven is met de politiek dat de onderzoekers vreesden voor de integriteit van het openbaar bestuur. Dat rapport werd geheim gehouden, en toen het in 2004 alsnog naar buiten kwam via een klokkenluider, werd de klokkenluider vervolgd. Alle adviesorganen van de regering hebben al gepleit voor een drastische verkleining van de veestapel: de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur, het Planbureau voor de Leefomgeving, het Centraal Bureau voor de Statistiek, het Centraal Planbureau en eerder al het Milieu- en Natuurplanbureau en het Sociaal en Cultureel Planbureau. Maar alle adviezen worden voortdurend in de wind geslagen. Kennelijk is er op de achtergrond een dominante factor die het onwenselijk maakt om de adviezen op te volgen. Kan de minister daarop reflecteren? Waarom worden al deze adviezen stelselmatig terzijde geschoven en leiden ze in elk geval niet tot gewijzigd beleid dat zichtbaar opschuift in de adviesrichting?

Het gaat hier niet om vrijblijvende adviezen, maar om adviezen die stuk voor stuk zeer urgent van aard zijn. We weten dat de veehouderij grote invloed heeft op het klimaatprobleem, maar in de maatregelen om de opwarming van de aarde onder de 1,5˚C te houden — een doel waaraan wij ons verbonden hebben in Parijs — speelt de landbouw nauwelijks een rol. Mijn vraag aan de minister is waarom zij die handschoen niet oppakt. Deelt ze de mening dat overal waar extraneiteiten optreden — negatieve effecten die niet in de kostprijs van een product tot uitdrukking komen en ten laste komen van de samenleving — die extraneiteiten beprijsd zouden moeten worden, zodat het principe van "de vervuiler betaalt" die extraneiteiten zou kunnen inperken? Als de minister met ons van mening is dat dit zou moeten gebeuren, zou ik haar willen vragen welke concrete maatregelen ze daarvoor in gedachten heeft. Als de minister het niet met ons eens is, kan ze dan aangeven waarom ze vindt dat die extraneiteiten buiten de klimaatdiscussie mogen blijven en voor rekening van de samenleving moeten komen? Waarom wordt op zelfregulering ingezet, waar die overduidelijk niet werkt, niet gewerkt heeft en niet kan werken omdat eigenbelang het overduidelijk wint van het algemeen belang?

Nu de klimaattop in Katowice zo goed als mislukt is en we zelf zullen moeten inzetten op een manier om de opwarming van de aarde tegen te gaan, kan het toch niet zo zijn dat Nederland als vieste jongetje van de klas in tal van opzichten blijft doen alsof zijn neus bloedt als het gaat om de relatie tussen veehouderij en klimaat? Hoe lang blijft de minister nog toekijken bij het klimaat-, natuur- en milieuvriendelijker maken van de veehouderij, nu het beeld dat ze aanvankelijk had — kennelijk in het eerste jaar van haar ambtstermijn — drastische wijzigingen heeft ondergaan? Kan de minister ons meenemen in de gedachte die nog steeds bij velen leeft, dat mest geen probleem zou zijn maar een geweldige grondstof, dat broeikasgassen afgevangen kunnen worden als je de dieren maar jaarrond in een hermetisch afgesloten laboratoriumstal houdt en dat het geven van fosfaatarm voer het fosfaatprobleem zou kunnen verminderen? Kortom, dat de sector alle ruimte krijgt om te experimenteren met dieren die niet naar hun aard kunnen leven, op niet-grondgebonden veebedrijven, in aantallen die op geen enkele wijze te verantwoorden zijn volgens vrijwel alle adviesorganen van de regering, maar die desondanks niet worden teruggedrongen, hoe groot de noodzaak daartoe ook is? Kan de minister aangeven hoe ze burgers wil meenemen in de gedachte dat het klimaatprobleem vooral op hun bord ligt en dat burgers zelf in actie moeten komen? Er wordt veel gerept over keuzevrijheid van de burger, maar hoe vrij moet die keuze zijn in een land dat goeddeels onder de zeespiegel ligt en zich niet al te lang meer kan onttrekken aan het wassende water?

Er wordt weleens van politici gezegd dat hun vergezichten niet veel verder reiken dan de volgende verkiezingen, maar ik verwacht van deze minister echt meer, al was het maar uit overwegingen van rentmeesterschap, waarvan ik weet dat ze er echt voor staat. Dat maakt het ook lastig te begrijpen dat de overheid uitgaat van achterhaalde rekenmodellen over de hoeveelheid stikstof in de natuur, maar niet bereid lijkt om haar beleid daarop aan te passen. Mag ik de minister als leestip het zeer behartigenswaardige artikel van prof. Michiel Wallis de Vries, buitengewoon hoogleraar ecologie en bescherming van insecten aan de Universiteit Wageningen in overweging geven? Hij breekt een lans voor een steviger aanpak van de Programmatische Aanpak Stikstof op een wijze waarop de PAS verenigbaar zou zijn met de Europese Habitat-richtlijn. Het kabinet kan er niet op vertrouwen dat de ingezette daling van de stikstofbelasting op de natuur in de toekomst verder zal doorzetten en ook niet dat technische maatregelen de negatieve effecten van een overmaat aan stikstof teniet zouden kunnen doen. In 2013 werd de toestand voor alle stikstofgevoelige habitatten en voor 80% van de stikstofgevoelige soorten als matig tot zeer ongunstig beoordeeld. Er is geen enkele aanwijzing dat de situatie sindsdien op enig vlak verbeterd zou zijn. Het plaggen van heide en het vaker maaien van graslanden levert hooguit tijdelijk soelaas, blijkt uit onderzoek.

Het is zeer te hopen dat de Raad van State die zich niet alleen zal baseren op het wensdenken dat nu uit het beleid spreekt, maar op harde metingen van de gemeten stikstofbelasting en de waargenomen toestand van de natuur, een oordeel zal geven op 14 februari.

Juist voor deze minister, die heeft aangegeven open te staan voor een Deltaplan voor de biodiversiteit, is het een geweldige kans om eindelijk inhoud te geven aan een echte transitie naar een kringlooplandbouw die de natuur respecteert. Waarom is er wel een Programmatische Aanpak Stikstof, maar geen programmatische aanpak natuurkwaliteit? Er is geen reden om de industriële landbouw uit de wind te houden, niet in ecologische en niet in economische zin. Ik hoor graag de visie van de minister hierop. Echt alle kleine beestjes helpen.

Ten slotte wil ik het graag hebben over de dramatische situatie in de Oostvaardersplassen. 1.830 gezonde edelherten worden geslachtofferd aan een falend beleid. Er ligt een complete corridor klaar naar de Veluwe, het Rivierengebied en het Duitse achterland. Het beleid was volledig beoordeeld en gemonitord door een internationale wetenschappelijke commissie, maar toenmalig staatssecretaris Henk Bleker zag er niets in en sloot de vluchtweg voor de dieren letterlijk af. Dieren konden daardoor niet meer hun natuurlijk trekgedrag aan de dag leggen. Hij deed dat tegen beter weten in. Het Rijk hevelde de verantwoordelijkheid voor het gebied geheel over naar de daarop nauwelijks voorbereide provincie Flevoland, waardoor het tot dan toe gevoerde en wetenschappelijk gevalideerde beleid geheel in duigen viel. De omliggende bosgebieden, die de dieren beschutting hadden kunnen bieden, werden aangewezen om er parkeerplaatsen, vakantiehuizen, pannenkoekhuizen of boerenbedrijven te vestigen. De corridor bleef onbenut en de dieren kregen in hun uitzichtloos lijden letterlijk het nekschot door Pieter van Geel, die geen specifieke deskundigheid heeft op het gebied van faunabeleid of natuurbeheer, maar die in een Willy Alfredo-achtige constellatie zijn oordeel velde na elkaar tegensprekende deskundigen gehoord te hebben. Het oordeel: 1.830 gezonde edelherten mochten worden afgeschoten, ondanks het feit dat daartoe geen enkele actuele aanleiding was. Ondanks het feit dat dat tot geen enkele duurzame oplossing zou leiden. Ondanks het feit dat het niet alleen familieverbanden binnen de langstlevende en sterkste hertenpopulatie van Europa letterlijk aan flarden zou schieten. En ondanks het feit dat 50% van de medewerkers van Staatsbosbeheer geen verantwoordelijkheid wilde nemen voor het faunabeleid ter plaatse en overplaatsing vroeg wegens gewetensbezwaren.

Het bloedbad dat zich op dit moment afspeelt, mag niet in beeld komen. De Nederlandse Vereniging van Journalisten voelt zich overvallen door het gebieds- en vliegverbod in en boven de Oostvaardersplassen. Elke democratische controle van een uit de hand gelopen beleid wordt gefrustreerd. Daarom heb ik een aantal vragen aan de minister. Kan hij aangeven op wiens verzoek het vliegverbod is ingesteld en hoe het zich verhoudt tot fundamentele persrechten? Kan de minister aangeven hoe ze het beoordeelt dat jonge dieren worden afgeschoten in het zicht van hun moeder en dat dieren in totale paniek raken door dergelijk handelen? Kan de minister aangeven hoe ze het beoordeelt dat het moederdier dat gisteren geschoten werd aangeschoten wegvluchtte, omdat het kennelijk niet goed geraakt werd, en moest creperen in de natuur? Kan de minister aangeven hoe deskundig de schutters zijn gegeven dit voorval? Als 50% van de boswachters die bekend zijn met het gedrag en de samenstelling van de kudde en met de inrichting van het gebied, gewetensbezwaren hebben en afhaken, valt moeilijk in te zien dat hun vervangers een dergelijk massaal afschot pijnloos zouden kunnen uitvoeren. Medewerkers van Staatsbosbeheer geven aan dat ze hulp krijgen bij het afschot door medewerkers van het Koninklijk Jachtdepartement. Kan de minister dit bevestigen? En zo ja, meent ze dan dat de subsidie voor het Koninklijk Jachtdepartement ruimte biedt om ook in andere gebieden dieren af te schieten? Kan de minister aangeven hoe ze meent dat beschermde dieren zoals de zeearend, die broedt in het gebied, vrij zouden moeten kunnen blijven van verstoring? Is ze bereid toezicht en handhaving op dergelijke verstoring te verscherpen, en overweegt ze het beheer van het gebied terug te nemen naar rijksniveau om drama's zoals zich nu voordoen, in de toekomst te voorkomen? Is de minister bereid het besluit van staatssecretaris Bleker om de edelherten op te sluiten achter de hekken van de Oostvaardersplassen te herzien door alsnog de corridor naar de Veluwe, die klaarligt, in gebruik te nemen? Zo niet, wie vindt de minister dan dat verantwoordelijk is voor het drama dat zich op dit moment voltrekt? De Oostvaardersplassen zijn tot stand gekomen onder verantwoordelijkheid van het Rijk en het zou te makkelijk zijn om nu de handen in onschuld te wassen.

Voorzitter. Het zou nooit de keuze van de Partij voor de Dieren zijn geweest om dieren uit te zetten in een natuurgebied waar die dieren zich niet spontaan zouden hebben gevestigd. Maar nu de dieren daar zijn, zullen we hun wettelijk erkende, intrinsieke waarde moeten respecteren. Je kunt niet de intrinsieke waarde van een dier — dat wil zeggen: zijn waarde los van zijn nut voor de mens — erkennen en tegelijk elk dier dat je als mens in de weg zit, van het leven beroven. Kan de minister daarop reflecteren? Kan ze dat ook doen in relatie tot de twee miljoen dieren die jaarlijks van het leven beroofd worden, louter voor het genoegen van een klein aantal jagers? Hoe beoordeelt de minister het voor de lol doden van dieren, zonder dat het doden enig maatschappelijk nut of enige maatschappelijke noodzaak kent? Is de minister bereid om de jachtlijst van de vijf soorten — houtduif, wilde eend, haas, fazant en konijn — te heroverwegen en te bezien of de lijst van vrij bejaagbare soorten teruggebracht kan worden naar nul.

Voorafgaand aan de Tweede Kamerverkiezingen van 2012 bleek uit de Groene Kieswijzer dat naast de Partij voor de Dieren ook de VVD, het CDA, de Partij van de Arbeid, de SP, D66, GroenLinks en de ChristenUnie de plezierjacht afwijzen. De PVV nam niet deel aan de Groene Kieswijzer, maar heeft bij eerdere gelegenheden al aangegeven de plezierjacht af te wijzen. Als die verkiezingsbelofte gehouden wordt — alle huidige coalitiepartijen hebben de kiezer beloofd dat te doen — dan zijn die vijf diersoorten voortaan kogelvrij in plaats van vogelvrij. Ik hoor graag van de minister of ze bereid is tot deze aanpassing van de jachtlijst. Ik overweeg een motie op dit punt.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Koffeman. Ik geef het woord aan de heer Reuten.


De heer Reuten (SP):

Dank u wel, voorzitter. Ik bespreek namens de SP-fractie twee onderwerpen: eerst kringlooplandbouw en de klimaatdoelen, en vervolgens het meer specifieke probleem van de stikstofuitstoot door dierlijke mest.

In het kader van de LNV-begroting 2019 zond de minister ons haar toekomstvisie, getiteld "Landbouw, natuur en voedsel: waardevol en verbonden. Nederland als koploper in kringlooplandbouw". Mijn fractie ziet deze visie als een belangrijke intentie. Wat nog ontbreekt zijn operationeel meetbare doelstellingen waardoor beleidsrealisatie meetbaar is. De termen "meetlat" en "toetsing" op bladzijde 37 zijn ongelukkig gekozen, en ik vraag de minister wanneer de Kamer een vervolg op haar visie ontvangt waarin wél operationeel meetbare doelstellingen staan.

Heikel is dat de minister kringlooplandbouw niet, of nog niet, koppelt aan regionale zelfvoorziening. Zo staat op bladzijde 31: "De omslag naar kringlooplandbouw zal veel innovaties vragen en uitlokken. Dat zal een impuls geven aan de agro-innovatie in Nederland die onze positie op de wereldmarkt ten goede zal komen". Mij lijkt dit spreken in de verleden tijd. Het bereiken van de klimaatdoelen en het uiteindelijke doel van 0% opwarming van de aarde liggen, reeds drie jaar na Parijs, steeds verder weg, zo blijkt uit recente rapporten, bijvoorbeeld het Nederlandse rapport "Noodzakelijk beleid Klimaatakkoord" van november. Het behalen van de doelen vergt rigoureuzere maatregelen dan thans beoogd. Het transport van internationale handel veroorzaakt 28% van de wereldwijde C02-uitstoot. We zullen dus moeten stoppen met het gesleep van producten over de planeet. Dat is een vloek voor de huidige Nederlandse exportgerichte delen van de agrarische sector, maar uiteindelijk is een halt onontkoombaar. Ik weet dat dit de lange termijn betreft, maar die lange termijn vergt doorlopend maatregelen op de korte termijn. Welke zijn de voorgenomen rigoureuze kortetermijnmaatregelen van de minister op dit vlak? En gaat de minister de sector nu aanzeggen dat export een aflopende zaak is, zodat betrokkenen daar bij voorgenomen investeringen rekening mee kunnen houden?

Wat betreft effectieve kortetermijnmaatregelen adviseert de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur om de btw op dierlijke producten te verhogen en die op plantaardige producten te verlagen. Ook het rapport Noodzakelijk beleid Klimaatakkoord adviseert dit en eerder deed eveneens de WRR dit. Vleesconsumptie heeft immers een relatief hoge CO2-voetafdruk. Senator Koffeman wijst hier al vanaf 2007 op. De minister schrijft in haar reactie op het Rli-rapport dat zij dit advies niet overneemt vanwege de btw-afspraken uit het regeerakkoord. Maar staat na het afsluiten van een regeerakkoord het denken bij dit kabinet stil? De minister kan bij nieuwe informatie en nieuwe adviezen haar collega's en de coalitie toch proberen te overtuigen? Zegt zij toe spoedig een poging daartoe te doen en de Kamer daarover te informeren?

Ik bespreek kort een tweede en specifieker onderwerp: de uitstoot van stikstof door dierlijke mest en de handhaving van de mestregels. Dit betreft een casus waarover een redelijke hoeveelheid cijfers beschikbaar is. Dat lijkt minder het geval voor bijvoorbeeld dierenmishandeling binnen de veehouderij, wat ernstiger is dan de mestcasus. Volgens recente CBS-cijfers is de totale uitstoot van stikstof door dierlijke mest in de afgelopen vijf jaar met 11% toegenomen. Is het de minister bekend of de CBS-cijfers gebaseerd zijn op rapportages van de sector zelf?

Ik ben geschrokken van het LNV-rapport Versterkte Handhavingsstrategie Mest van september 2018. Uit selecte steekproefinformatie door de NVWA in 2017 blijkt dat 47% van de bedrijven onvoldoende voldoet aan de mestregels. Dit betreft controles bij ongeveer 8% van de bedrijven. De opgelegde sancties acht de sector "in te calculeren omdat de pakkans laag is". De memorie van toelichting bij de begroting stelt dat de NVWA als toezichthouder uitgaat van vertrouwen, maar stevig optreedt als dat vertrouwen beschaamd wordt. Hoe rijmt de minister de stevigheid van het optreden, met name de hoogte van de boetes, met de overtredingen? Per welke datum worden de boetes zeer fors verhoogd? Of is zij het eens met de landelijk milieuofficier van het Openbaar Ministerie dat de regels in feite niet handhaafbaar zijn en dat minder mest slechts bereikbaar is door verkleining van de veestapel?

De genoemde 47% betreft een selecte steekproef. Ik herhaal wat ik de minister reeds in een mondeling overleg voorhield. Het goedwillende deel van de sector heeft er mijns inziens recht op dat de NVWA tevens controleert via een aselecte steekproef, bijvoorbeeld bij 1.000 bedrijven, zijnde een kwart van de gecontroleerde bedrijven. Graag deze toezegging van de minister.

Voorzitter, hiermee sluit ik af. Ik zie uit naar de antwoorden van de minister.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Reuten. Uw tekst op papier is wederom voorzien van een prachtig notenapparaat. Ik geef het woord aan de heer Binnema.


De heer Binnema (GroenLinks):

Dank u wel, mevrouw de voorzitter. Begin dit jaar bracht de Gezondheidsraad het advies Gezondheidswinst door schonere lucht uit. Daarin constateerde de raad dat luchtverontreiniging een belangrijke bijdrage levert aan ziekte en sterfte. Alleen al blootstelling aan fijnstof is verantwoordelijk voor zo'n 4% van de ziektelast in Nederland. Na roken behoort luchtverontreiniging daarmee tot een van de belangrijkste risicofactoren, net als overgewicht en weinig lichamelijke activiteit. Een verdere verbetering van de luchtkwaliteit is cruciaal. Dat vereist volgens diezelfde Gezondheidsraad ambitieuze plannen van de overheid, met prioriteit bij het terugdringen van de concentraties fijnstof en stikstofdioxide afkomstig van wegverkeer, waaronder ook landbouwverkeer, en het aanpakken van de uitstoot van ammoniak vanuit de veehouderij. Herkent de minister de urgentie van deze problematiek? Kan zij wat betreft de veehouderij aangeven welke maatregelen zij neemt en in welke mate die maatregelen bijdragen aan de zo noodzakelijke gezondheidswinst?

Het is zo'n twee maanden geleden dat de minister bij een bijeenkomst van Natuurmonumenten in Amersfoort sprak over ons voedsel en het voedselsysteem. Bij die gelegenheid zei de minister dat ons systeem om voedsel te produceren, een ingewikkeld systeem is geworden: het is erop gericht om steeds meer voedsel tegen de laagst mogelijke prijzen te produceren. In de voorgaande bijdrage is daar ook al op ingegaan. Zij zei: "In dat systeem groeit iets scheef. Daar krijgt eerst de natuur last van, dan wij." Ook in de deskundigenbijeenkomst die onze Kamercommissie enkele weken geleden over het Natuurpact, de natuurwaarden en de Vogel- en Habitatrichtlijn hield, kwam de cruciale rol van de verduurzaming van de landbouw om natuurwaarden te realiseren en biodiversiteit te vergroten aan de orde.

Bij dezelfde toespraak bij Natuurmonumenten wees de minister op het belang van de kringlooplandbouw, die ook in de visie die we vorige week in het mondeling overleg bespraken een grote rol speelt. Het wenkend perspectief dat in die kringlooplandbouw wordt geschetst, is dat in overeenstemming met de natuur wordt geproduceerd. Zoals de minister het formuleerde: "Kringlooplandbouw sluit de natuur niet buiten, maar omarmt haar. Voedselproductiesystemen functioneren niet meer ten koste van de natuur, maar mét haar. Want de natuur geeft aan óns, als wij om háár geven". De huidige situatie van de landbouw lijkt echter nog verre van dat ideaalbeeld verwijderd. Is de minister met GroenLinks van mening dat dit nog een groot aantal stappen vereist? En dat de manier waarop de landbouw is ingericht ertoe leidt dat het er in veel opzichten zorgelijk voorstaat met de biodiversiteit, het bodemleven, het insectenbestand — waarover ons ook zorgwekkende cijfers bereiken — en natuur die tegen weerextremen kan, zoals dat in het toekomstbeeld van de kringlooplandbouw zo fraai wordt geschetst? En daaraan gekoppeld de vraag: wat zijn dan de lastige en pijnlijke maatregelen die de minister bereid is te nemen? Ook daarover hebben we het vorige week bij het mondeling overleg gehad. Die pijnlijke maatregelen zullen nodig zijn, omdat niet alle vormen van de huidige landbouw hierin ingepast kunnen en zullen worden.

Dan nog twee meer bestuurlijke en organisatorische vragen naar aanleiding van de begroting. Een aantal weken geleden hebben we het er bij de Miljoenennota over gehad dat een bedrag van 63 miljoen is vrijgemaakt voor de inrichting van het nieuwe ministerie van LNV. In een brief van mei van dit jaar informeerde de minister de Tweede Kamer over de stappen die werden gezet om een volwaardig functionerend departement neer te zetten. Een belangrijk deel van het werk daarvoor zou nog in de rest van 2018 moeten worden gedaan. Dat had onder meer te maken met personeel, financiën en verantwoordelijkheden, sturing en dergelijke vraagstukken. Welk deel is, nu we het einde van 2018 naderen, wat de minister betreft op orde? Welke uitdagingen wachten er nog in 2019? En misschien een beetje een suggestieve vraag: wat is naar het oordeel van de minister, gebaseerd op de stand van nu en de ervaring met het nieuwe ministerie in het afgelopen jaar, het belangrijkste voordeel gebleken van deze scheiding van EZK en LNV en het opnieuw inrichten van het ministerie van LNV?

De tweede, meer bestuurlijke of organisatorische vraag betreft de zogenaamde regio-envelop van 950 miljoen en — als we goed geïnformeerd zijn — de regiodeals waar nu voorstellen voor liggen voor een bedrag van circa 215 miljoen. We werden onlangs geïnformeerd dat het Rijk en ook de geselecteerde regio's in de komende maanden samen aan de slag zullen gaan om de kansrijke voorstellen tot regiodeals uit te werken. Bij het uiteindelijke sluiten van de deals wordt inzichtelijk gemaakt welke definitieve financiële bijdrage aan zo'n regiodeal uit de regio-envelop zal worden toegekend en hoe dat in jaartranches wordt verdeeld. In die regiodeals zullen ook afspraken moeten worden gemaakt ten aanzien van de doelen, de aanpak van de resultaten, de governance en de monitoring. De minister gaf bij die gelegenheid aan de regiodeals uiterlijk in het voorjaar van 2019 te willen ondertekenen en ook de Kamer daarover te informeren. Ik vraag hier even voor de zekerheid naar, want GroenLinks leest dit graag zo dat beide Kamers daarover worden geïnformeerd. In het bijzonder vragen we dan om in het kader van de informatie over de regiodeals aandacht te besteden aan de manier waarop gemeten en geëvalueerd wordt of de regiodeals de beoogde doelen behalen, zeker waar het uitkeringen betreft die via het Gemeentefonds of het Provinciefonds worden gedaan. Hoe verwacht de minister daarop te kunnen sturen? Wij kijken uit naar de antwoorden van de minister.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Binnema. Wenst een van de leden in eerste termijn nog het woord? Dat is niet het geval.

De beraadslaging wordt geschorst.

De voorzitter:

Ik schors de vergadering tot ongeveer 16.45 uur in afwachting van de staatssecretaris van Financiën en de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

De vergadering wordt van 16.34 uur tot 16.43 uur geschorst.