25.892

Wet bescherming persoonsgegevens



Dit voorstel vervangt de Wet Persoonsregistraties (WPR) en geeft uitvoering aan richtlijn 95/46/EG (PbEG L 281) van de Europese Unie ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer, met name in het kader van de informatiemaatschappij.

Het voorstel vereenvoudigt de administratieve procedures voor de houders van gegevensregistraties en geeft de Registratiekamer meer bevoegdheden; ondermeer om op te treden tegen onrechtmatige gegevensverwerking.

Het wetsvoorstel Verwerking van persoonsgegevens (26.410) bevat aanvullingen op dit voorstel.

Deze samenvatting is gebaseerd op het wetsvoorstel en de memorie van toelichting zoals ingediend bij de Tweede Kamer.


Stand van zaken

Het voorstel (EK, 92)  is op 23 november 1999 met algemene stemmen aangenomen door de Tweede Kamer.

De Eerste Kamer heeft het voorstel op 3 juli 2000 zonder stemming aangenomen.


Kerngegevens

ingediend

14 februari 1998

titel

Regels inzake de bescherming van persoonsgegevens (Wet bescherming persoonsgegevens)

schriftelijke voorbereiding

ondertekening

  • minister van Justitie
  • minister voor Grotesteden- en Integratiebeleid

inwerkingtreding

Op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.


Hoofdlijnen

De Wet persoonsregistraties stelde 'persoonsgegevens' centraal. In deze regeling staat de 'verwerking van gegevens' centraal. Gegevensverwerking omvat onder meer:

"het verzamelen, vastleggen, ordenen, bewaren, bijwerken, wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, verstrekken door middel van doorzending, verspreiding of enige andere vorm van terbeschikkingstelling, samenbrengen, met elkaar in verband brengen, alsmede het afschermen, uitwissen of vernietigen van persoonsgegevens".

Het voorstel bepaalt onder meer dat de verantwoordelijke voor de gegevensverwerking de plicht heeft geregistreerde personen van deze registratie op de hoogte te stellen.

De mogelijkheden van rechthebbenden om verzet aan te tekenen tegen het feit dat een verantwoordelijke gegevenswerker hun persoonsgegevens gebruikt worden verruimd. De betrokkene kan dit doen door een gerechtvaardigd eigenbelang aan te tonen.

Het voorstel bepaalt dat dit belang bij reclametoezendingen van rechtswege wordt aangenomen als de betrokkene bezwaar maakt tegen de toezending van reclame-uitingen.


Documenten

4