De vermeende overbodigheid van de Eerste Kamer



17 november 2000

Na ruim één jaar lidmaatschap van de Eerste Kamer is het mij wel duidelijk dat er een belangrijke functie van dit orgaan in ons staatsbestel is, doch dat dat zeer moeilijk aan buitenstaanders valt uit te leggen.

Natuurlijk staat de Eerste Kamer niet vaak in de schijnwerpers en de werkelijke politieke beslissingen over de zaken die spelen worden in de Tweede Kamer genomen. Een lid van de Eerste Kamer treedt niet op de voorgrond, voor een groot deel van de leden omdat ze dat al veelvuldig in het verleden deden als minister, burgemeester of Tweede-Kamerlid en de behoefte aan schijnwerpers niet meer hebben. Voor een ander deel omdat de wetgeving en de politieke keuzes mede door andere dan politieke voorkeuren wordt bepaald. Heel sterk telt in de Eerste Kamer de bestuurlijke en juridische invalshoek, zijn voorstellen van de regering, en ook de daarin aangebrachte amendementen van de Tweede Kamer, handhaafbaar, en wordt de doelmatigheid en doeltreffendheid gediend? Dat zijn criteria waar de Eerste Kamer uitdrukkelijk naar kijkt. Een niet handhaafbaar wetsvoorstel is niet alleen voor het betrokken wetsvoorstel slecht, doch ook slecht voor de legitimiteit van ander beleid. Doelmatigheid en doeltreffendheid betekenen vooral ook dat naar de juiste instrumenten wordt gekeken. Zo kan via overreding, transactie of dwang een maatschappelijk doel worden gerealiseerd, maar wordt de keuze voor de geëigende instrumenten respectievelijk faciliterend, voorlichtend, subsidies of heffingen, of voorschrijvend met gebods- en verbodsbepalingen bepaald door de aard van het op te lossen maatschappelijk probleem.

Bovenstaande kan het beste worden geïllustreerd aan de hand van een wetsvoorstel dat de Tweede Kamer gemakkelijk passeerde en dat in de Eerste Kamer de nodige vragen opriep.

Vorig jaar (oktober 1999) bereikte wetsvoorstel 26357 Wijziging van de Destructiewet in verband met de kosten van onschadelijkmaking van gespecificeerd hoog-risico-materiaal de Eerste Kamer. Vanuit volksgezondheidsoverwegingen, denk aan de actuele BSE-problematiek, wordt voorgeschreven dat organen, zoals hersenen, ruggenmerg, zwezerik e.d. van dieren die risico's veroorzaken ter destructie moeten worden aangeboden. Dit materiaal wordt verbrand of op andere wijze volledig vernietigd en daarmee uit het circuit gehaald. Een zeer gewenste en door ieder onderschreven beleid.

De kosten voor deze activiteit worden door de overheid, volgens het principe de vervuiler betaalt, neergelegd bij de boer die het materiaal aanbiedt. In de omringende landen is dat niet het geval en zo kent men in Frankrijk een opslag op het vlees waaruit deze vernietiging, vanuit volksgezondheidsredenen gewenst, wordt bekostigd.

Tijdens de behandeling werd door verschillende woordvoerders gewezen op de fraude-of onttrekkingbevorderende toerekeningssystematiek van de overheid. Gevraagd werd één en ander snel te evalueren en zo mogelijk een andere verrekeningssystematiek, die niet de gemiddelde boer met zo'n  5.000,-- gulden per jaar belast, te introduceren. Met de toezegging van de evaluatie nam de Eerste Kamer genoegen. Inmiddels is gebleken dat de gevreesde onttrekking en mogelijk zelfs fraude inderdaad optreedt en heeft de Eerste Kamer nogmaals gewezen op het eerder ingenomen standpunt en de bewindslieden gevraagd de verrekeningssystematiek aan te passen. Dat is nu zeer opportuun geworden nu ook de Rekenkamer zich in deze zin heeft uitgelaten.

Een regering die de Eerste Kamer serieus neemt had daarmee een nu zelf gecreëerd probleem kunnen voorkomen.

De voorgestelde wetgeving was immers noch handhaafbaar, noch doelmatig, noch doeltreffend en stuitte daarom op veel verzet in de Eerste Kamer. Die kwaliteits- en bestuurlijke afweging is weggelegd voor de Eerste Kamer. Het is voor mij, die politiek en bestuur aantrekkelijk acht, een zeer zinvolle bijdrage aan de democratische rechtsstaat.

Deze column is op persoonlijke titel geschreven