Debat over nut en noodzaak van doorwerken na de AOW-leeftijd



24 september 2015

De Eerste Kamer heeft dinsdag 22 september met minister Asscher (Sociale Zaken en Werkgelegenheid) gedebatteerd over het wetsvoorstel Wet werken na de AOW-gerechtigde leeftijd (34.073). Een aantal senatoren plaatste kritische kanttekeningen bij nut en noodzaak van dit wetsvoorstel, gelet op de huidige hoge werkloosheid onder met name oudere werklozen. Kamerleden zijn ook beducht voor verdringing op de arbeidsmarkt als meer ouderen na hun AOW blijven doorwerken. De Eerste Kamer stemt op 29 september over het wetsvoorstel.

Senator Ester (CU) gaf aan dat doorwerken na de AOW-gerechtigde leeftijd  niet de hoogste prioriteit van de CU heeft, zeker gelet op de huidige werkloosheid. De focus zou eerder moeten liggen op het aan de slag helpen van oudere werklozen. "Dat zou de hoogste prioriteit moeten zijn." Aan de andere kant constateerde hij dat er AOW'ers  zijn die betaalde arbeid willen blijven verrichten, veelal niet zozeer om geld, maar omdat het hen voldoening geeft. Hij erkende dat dit voor werkgevers problemen geeft en kon billijken dat het kabinet kiest voor een licht arbeidsrechtelijk regime. Senator Ester noemde het wetsvoorstel ambigue, omdat het kabinet enerzijds het doorwerken niet wil stimuleren - alleen arbeidsrechtelijke obstakels wegnemen - maar anderzijds het belang van langer doorwerken wel uitvoerig memoreert. Hij vroeg zich af of het kabinet met het wetsvoorstel toch ook een arbeidsmarkteffect op het oog heeft.

Wel stelde senator Ester de minister de vraag of het wetsvoorstel de concurrentie tussen groepen niet zal aanwakkeren. Hij was niet meteen overtuigd van de geruststellende woorden van de minister over de beperkte verdringingseffecten van het wetsvoorstel.

De senator stelde dat de CU niet over de hele linie onoverkomelijke bezwaren tegen het voorstel heeft, zeker nu de loondoorbetaling bij ziekte door een amendement uit de Tweede Kamer is verbeterd. "De CU wordt uiteindelijk warm noch koud van het wetsvoorstel", aldus senator Ester. Hij  vroeg zich ten slotte af of doorwerken na de AOW-leeftijd een hoge vlucht zal nemen, zeker nu de AOW-leeftijd al versneld omhoog gaat

Senator Elzinga (SP) constateerde dat de Eerste Kamer thans zeventien leden heeft die ook na het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd in het werken nog een zinvolle dagbesteding zien. Hij vroeg zich af of het onderscheid in arbeidsmarktbescherming op grond van leeftijd zoals dat in het wetsvoorstel ligt besloten wel is te rechtvaardigen. De senator memoreerde ook dat de arbeidsmarkt er sinds het begin van de crisis in 2008 anders uitziet: van de daarvoor verwachte krapte op de arbeidsmarkt is geen sprake meer, aldus de SP-senator.

Volgens Elzinga is de SP niet overtuigd van het nut van het wetsvoorstel. Hij wees de minister op mogelijke verdringing van anderen op de arbeidsmarkt, mensen die voor hun inkomen afhankelijk zijn van werk. De senator vroeg de minister hoe hij de verdringing met maatregelen wil tegengaan. In zijn tweede termijn verklaarde Elzinga dat de SP vanwege het risico op verdringing het wetsvoorstel niet zal steunen.

Senator Kok (PVV) plaatste vraagtekens bij de urgentie, noodzaak, timing en realiteitsgehalte van het wetsvoorstel. Hij sprak van een voortdurende kaalslag met betrekking tot de AOW, waarbij maatregelen volgens hem door opportunisme in plaats van door beleidsmatige noodzaak zijn ingegeven. Onder meer door de versnelde verhoging van de AOW-leeftijd zal de doelgroep van het wetsvoorstel fors afnemen ten opzichte van de huidige 100 duizend AOW'ers. Anderzijds wordt de financiële noodzaak voor AOW'ers om door te werken alleen maar groter, zo meende hij.

Volgens senator Kok is de timing van de maatregel ook tamelijk ongelukkig, omdat juist de groep ouderen tussen 55 en 65 jaar nu maar moeizaam aan het werk komt. Hij waarschuwde voor ongelijke concurrentie op arbeidsvoorwaarden en voor verdringing op de arbeidsmarkt van oudere werklozen die nog geen AOW hebben. De minister zou juist daar meer aan moeten doen. Hij karakteriseerde het wetsvoorstel als een stukje illusiepolitiek: er is gewoon geen werk voor de AOW'ers en de groep mensen daar net onder, aldus Kok.

Senator Nagel (50PLUS) verwees naar de nieuwe situatie die nu ontstaat met de komst van duizenden vluchtelingen en de mogelijk gevolgen hiervan voor de arbeidsmarkt. Hij verwees daarnaast naar de verdringing op de arbeidsmarkt op korte termijn waar het CPB ook op heeft gewezen. Er zitten nog steeds 600.000 mensen werkloos thuis, zo haalde hij de vakbeweging aan die de Eerste Kamer had opgeroepen dit wetsvoorstel te verwerpen.

Ook senator Nagel vroeg aandacht voor de huidige hoge werkloosheid onder ouderen. De werkloosheid is de afgelopen twaalf maanden weliswaar gedaald, maar niet onder de ouderen, integendeel, zo betoogde Nagel. De terugloop is ongelijk verdeeld over de generaties. De werkloosheid onder 55-65-jarigen is met 8,4% nog nooit zo hoog geweest, aldus Nagel. Hij noemde de invoering van dit wetsvoorstel nu daarom volstrekt onverantwoord. Hij vroeg de minister de wet uit te stellen.

Senator Lintmeijer (GroenLinks) zag een zekere tweeslachtigheid in de opstelling van het kabinet: wel faciliteren, maar niet stimuleren. Hij eiste gelijkwaardige condities voor alle oudere werknemers wat betreft rechtspositie en waarschuwde voor het ontstaan van een B-categorie werknemers. De senator vroeg de minister de effecten van verdringing te monitoren. "Wat ons betreft liever iemand van 60 aan een baan dan iemand van 69", aldus Lintmeijer, die vreesde dat dit wetsvoorstel tot teveel ongelijkheid leidt.

Senator Prast (D66) juichte het wegnemen van belemmeringen voor langer doorwerken zeer toe. Volgens haar is van verdringing geen sprake. Dat argument werd vroeger ook gebruikt toen meer vrouwen op de arbeidsmarkt kwamen en bleek niet op te gaan.

Dit wetsontwerp draagt volgens senator Prast bij aan de aanpassing van de regels aan de moderne tijd. "De AOW'er van nu is een andere dan die van 1956." Zij vroeg aandacht voor enkele aspecten van bevoordelende leeftijdsdiscriminatie voor AOW'ers, onder meer op fiscaal terrein. Ook vroeg zij de minister naar inkomenseffecten van het wetsvoorstel, maar zij constateerde wel dat het wetsvoorstel bijdraagt aan de participatie van alle burgers op de arbeidsmarkt.

Senator Vreeman (PvdA) memoreerde in zijn maidenspeech dat het een onderwerp betrof dat onder meer hemzelf als AOW'er en een kwart van de andere senatoren aangaat. Hij zag in het wetsvoorstel geen massale verdringing van andere werknemers, ook al omdat werkgevers nauwelijks investeren in langer doorwerken van hun werknemers en omdat de meeste mensen hun vitaliteit op oudere leeftijd juist gebruiken om eerder te stoppen met werken. Mensen zoeken naar een periode van nieuwe zingeving en nieuwe vrijheid, aldus Vreeman.

Vreeman stelde het wetsvoorstel in het bredere perspectief van het faciliteren van een moderne levensloop van mensen. Faciliteren wij de moderne levensloop nu adequaat, vroeg hij zich af. Dat is maar ten dele het geval, constateerde Vreeman. Hij vroeg in zijn bijdrage daarom ook om meer aandacht voor mensen in de spitstijd van hun leven en voor de jeugd, met name voor het tegengaan van discriminatie van allochtone jongeren op de arbeidsmarkt.

Minister Asscher gaf aan dat meer dan de helft van de doorwerkende ouderen zelfstandigen zijn (zzp'ers). Hij begreep de zorgen van de Eerste Kamer over mogelijke verdringing. Hij verwachtte dat die niet noemenswaardig zal zijn, maar op korte termijn is ze niet uit te sluiten, zo gaf de minister de Kamer wel toe; maar op lange termijn is dat effect er volgens Asscher niet. Echte cijfers zijn er echter niet te geven, maar de groep doorwerkende ouderen is zo klein in relatie tot de totale omvang van de arbeidsmarkt dat verdringing niet waarschijnlijk is, aldus de minister. De structurele verhoging van de deelname van vrouwen op de arbeidsmarkt ging hand in hand met uitbreiding van de werkgelegenheid. Hij zei de Kamer wel toe waakzaam te zullen zijn in verband met bijvoorbeeld kostenverschillen.

Asscher verklaarde zich niet bereid de invoering van het wetsvoorstel - 1 januari 2016 - in verband met de hoge werkloosheid uit te stellen. Volgens hem is er geen relatie met de conjunctuur. Wel zegde hij toe de werking van de wet binnen twee jaar te evalueren en daarbij vooral ook te zullen kijken naar mogelijke verdringing.


Deel dit item: