Naar hoofdinhoud Naar hoofdnavigatiemenu

Plenair Sörensen bij behandeling Wet studievoorschot hoger onderwijs



Verslag van de vergadering van 20 januari 2015 (2014/2015 nr. 17)

Status: gecorrigeerd

Aanvang: 11.32 uur


De heer Sörensen (PVV):

Voorzitter, collega's en andere aanwezigen. We staan vandaag voor een belangrijke politieke besluitvorming. Ik ga het daar niet al te lang over hebben omdat dit wetsvoorstel uitentreure, overigens volkomen terecht, in de Tweede Kamer is behandeld en is geamendeerd en omdat onze commissie daarover ook in twee vragenrondes grondig haar licht heeft doen schijnen.

Wij staan nu voor een politieke afweging als we de berichten bekijken, waar onze fractie trouwens gelukkig mee is. In mijn maidenspeech zei ik al dat deze Kamer een politiek lichaam is, zoals nu weer eens wordt bewezen. Ik hoop dat mijn collega's zich bij de politieke afweging die we vandaag gaan maken, vooral laten leiden door hun partijprogramma in plaats van door achteraf gemaakte afspraken.

Voor ons ligt de wet die Wet studiefinanciering 2000 wordt genoemd maar die wij liever betitelen als de wet op de studielening, want dat is de kern van de zaak. Wij trappen niet in eufemismen. Het is dus een bezuiniging. Mijn fractie is van mening dat die niet kan en mag worden gedragen door de generaties die in de toekomst dit land gaan besturen en die toch al met zoveel schulden worden opgezadeld.

Wat ons eigenlijk het meest tegen de borst stuit, is dat al die politieke partijen die voortdurend zeggen dat er extra moet worden geïnvesteerd in het onderwijs, hier dan toch mee akkoord gaan. Ik heb net ook van collega Bruijn gehoord dat dat geld wordt weggehaald en daarna wordt geherinvesteerd. Dat zijn allemaal zaken waarvan we nog maar moeten zien dat het gebeurt. Bovendien is het allemaal nog veel te vaag. Studenten en docenten gaan dit met elkaar bepalen, maar mijn ervaring in het onderwijs is dat dat — al zal dat nu niet het geval zijn — meestal leidt tot hogere salarissen van het hogere kader.

Deze wet is ook een inperking van de keuzevrijheid van de studenten, met name van die studenten die van huis uit een wat mindere beurs hebben. Collega Essers noemde terecht al de middeninkomens, de mensen die in dit land de belastingen opbrengen, de mensen die 's ochtends om 9 uur naar hun werk gaan en die 's avonds weer thuiskomen nadat ze hard gewerkt hebben, de mensen in het midden- en kleinbedrijf, van wie trouwens het salaris nogal fluctueert. Hoe wordt daarmee rekening gehouden? Hoe wordt er rekening gehouden met een winkelier, een kleine ondernemer van wie het salaris van het ene jaar op het andere flink kan verschillen?

Is dat nu de emancipatie? Ik heb ooit eens een politiek leider horen zeggen dat hij gek was op gelijkschakelen. Is dit dat nu wat wij ten koste van die hardwerkende Nederlanders gaan doen? Hun kinderen hebben toch ook recht op studeren en op net zo veel mogelijkheden als anderen?

Dit wetsvoorstel zadelt studenten, met name uit de middeninkomens, op met een jarenlange schuld. Onlangs heb ik gehoord dat Nederland het meest spaarzame volk is en dat wij Nederlanders zelfs wanneer wij amper rente krijgen toch braaf naar de spaarbank gaan, want zo zijn wij opgevoed. Maar klaarblijkelijk wil de regering daarvan af. Dat is een probleem, want in mijn stad — ik hoef niet te zeggen welke dat is — is 15% van de volwassenen onder de armoedegrens terechtgekomen door leningen. Wat doet onze overheid nu? Die zegt: ga lenen, dat is fantastisch. Wij geven dus het slechte voorbeeld.

Wat doet het met iemand die afgestudeerd is en die daarna 35 jaar tegen een lening aankijkt? De regering stelt dat dat geen lening is maar een investering, die zichzelf later ruimschoots terugverdient door een hoger inkomen. Maar er wordt nu al rekening mee gehouden dat het wel eens net zo kan zijn als met het minimumloon, al heb je zo'n studie gedaan. Natuurlijk weet de minister wat het salaris is van een onderwijzer. Moet die dan nog eens extra belast worden, zeker als je dat salaris vergelijkt met dat van een gewone handwerker, zoals mijn zoon die elektricien is, of van een havenarbeider in Rotterdam? Dat zijn allemaal mensen die veel meer verdienen maar die geen studieschulden hebben.

De regering stelt ook in antwoord op een vraag van mijn collega Reynaers dat deze maatregel zo een beetje bijdraagt aan de financiële bewustwording van de student. Zoiets hoorde ik ook tussen de regels door van collega Bruijn, die het wat mooier verwoordde. Ongelooflijk toch, die financiële bewustwording van de student? Zullen we dat niet gewoon overlaten aan de ouders en aan de studenten zelf? Moet de overheid hier als schoolmeester optreden?

Studenten lenen tegen een bepaalde rente. Die rente fluctueert. Is de minister bereid de rente van de leningen mee te laten gaan met die fluctuaties, zodat de overheid nimmer meer rente ontvangt dan zij zelf betaalt voor die leningen? Dit is een vraag aan de minister, maar ik zie dat collega Bruijn die vraag al gaat beantwoorden voor haar.

De heer Bruijn (VVD):

Ik heb twee vragen aan de heer Sörensen. De eerste gaat over de financiële bewustwording. Dat woord heb ik in mijn inbreng niet gebruikt. Ik heb het wel gehad over de signalering door het Nibud dat er bij studenten eerder sprake is van leenzucht dan van leenangst en dat dat dus in die zin wellicht kan bijdragen aan het gedrag van studenten als zij nu leren om te lenen voor een investering.

De heer Sörensen (PVV):

Dat bedoelde ik. Ik denk dat we dat best aan studenten en hun ouders kunnen overlaten.

De heer Bruijn (VVD):

Dank voor deze correctie. Mijn tweede vraag gaat over de zorgen dat het geld zou verdwijnen in de basisbekostiging, bijvoorbeeld in het salaris van docenten. Die zorgen deel ik met u, net als alle partijen in de Tweede Kamer, want die hebben geleid tot de motie-Bisschop op stuk nr. 49, die regelt dat de basisbekostiging op grond van de algemene berekeningswijze onderscheiden is van de aanvullende bekostiging op grond van de kwaliteitsafspraken. Dus het geld kan nooit in die basislumpsum naar de salarissen verdwijnen. U was daarvoor. Wij zijn daar ook voor. Ziet u nu toch nog een gat in deze motie? Gaat u een aanvullende motie indienen, of was u die motie even vergeten?

De heer Sörensen (PVV):

Ik was die even vergeten.

De heer Ganzevoort (GroenLinks):

Was de heer Sörensen misschien ook vergeten hoeveel de PVV bezuinigt op het onderwijs?

De heer Sörensen (PVV):

Nee.

De heer Ganzevoort (GroenLinks):

Mooi. Dan is namelijk de hele klacht over bezuinigingen waarmee de heer Sörensen begon een beetje een grote broek. Als wij zien dat de PVV zelf 1,9 miljard op onderwijs bezuinigt, waarvan 0,2 miljard op hoger onderwijs, dan moet hij hier niet mee aankomen.

De heer Sörensen (PVV):

Waarom niet? Wij hebben die bezuiniging wel degelijk ingevuld, ongeveer net zoals collega Gerkens zei. Maar ik sprak niet over onszelf en ook niet over de SP maar wel over andere partijen, zoals uw partij.

De heer Ganzevoort (GroenLinks):

Waaronder een verhoging van het eerstejaars collegegeld.

De heer Sörensen (PVV):

Ja.

Ik ga over naar mijn volgende punt.

Als ik deze wet lees en doorreken, met alle vragen daaromheen, dan zie ik nog iets ander voor me, namelijk de grote bureaucratie. Deze wet zal leiden tot een gruwelijke ambtelijke rompslomp. Lees de wet door zoals die na amendering door de Tweede Kamer is gekomen en de bureaucratie staart je aan. Daarop zitten we niet te wachten. Als je de wet goed bekijkt, zou je eigenlijk ieder jaar met aanpassingen moeten komen voor iedere student, en zou je iedere keer weer moeten berekenen wat er thuis verdiend wordt. Dat lijkt mij toch een zeer moeilijke en bureaucratische zaak. Ik vraag mij af hoe de minister dit wil gaan doen.

Voorzitter, ik had u beloofd dat ik het niet te lang zou maken. Ik ben zoals men weet vrij laat in de politiek gekomen. Mijn politieke voorbeeld Fortuyn vertelde me altijd dat je als je iets afkraakt, eigenlijk ook met een alternatief moet komen. Ik heb daar met mijn fractie goed naar geluisterd.

Eén punt is hier slechts terloops besproken maar wel in de commissie, namelijk de kinderbijslag. Als je ouder bent dan 16 jaar en gaat studeren, dan gaat de kinderbijslag alsnog naar het onderwijs. Ik begrijp dat het iets totaal anders is, maar waarom wordt er niet eens gekeken naar de toch voor een groot deel achterhaalde extra bijdrage die bij huishoudens met een laag inkomen gewoon in het gezinsbudget opgaat? Kinderbijslag is gewoon een extra inkomen voor het totale gezin. Waarom wordt dit geld niet gestort op een rekening ten name van het kind waarvoor het bedoeld is, zodat het ook indien de tijd er rijp voor is, als het kind het echt nodig heeft, bijvoorbeeld kan worden gebruikt voor studiefinanciering? Dat is mijn alternatief. Ik begrijp dat ik dat eigenlijk in een andere commissie naar voren zou moeten brengen, maar laten wij er eens naar kijken.

Mijn fractie ziet voorlopig nog te veel bezwaren tegen dit wetsvoorstel. Ik zal mijn fractie derhalve adviseren — maar dat is uiteraard aan de fractie — om tegen te stemmen.