Naar hoofdinhoud Naar hoofdnavigatiemenu

Behandeling Wet studievoorschot hoger onderwijs



Verslag van de vergadering van 20 januari 2015 (2014/2015 nr. 17)

Aanvang: 10.22 uur

Status: gecorrigeerd


Aan de orde is de behandeling van:

het wetsvoorstel Wijziging van onder meer de Wet studiefinanciering 2000 in verband met de introductie van een nieuw stelsel van studiefinanciering in het hoger onderwijs en de uitvoering van een toekomstgerichte onderwijsagenda voor het hoger onderwijs (Wet studievoorschot hoger onderwijs) (34035).


De voorzitter:

Ik heet de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van harte welkom in de Eerste Kamer.

De beraadslaging wordt geopend.


De heer Essers (CDA):

Voorzitter. Na twee uitgebreide schriftelijke rondes zal vandaag door deze Kamer de balans worden opgemaakt van het wetsvoorstel studievoorschot hoger onderwijs. Vooropgesteld: de CDA-fractie is niet ten principale tegen lenen voor bekostiging van een studie. Het huidige stelsel is deels ook gebaseerd op het bieden van de mogelijkheid voor studenten om bij de overheid voor hun studie te lenen. In het recente verleden bestond bij mijn partij ook steun voor het invoeren van een leenstelsel in de masterfase alsmede voor de later weer ingetrokken langstudeerboete. Daarbij heeft zij wel altijd de redelijkheid en proportionaliteit van de in te voeren maatregelen in de gaten gehouden. Zij heeft er bovendien steeds op toegezien dat in deze maatregelen voldoende incentives voor studenten waren opgenomen om nominaal af te studeren. Het onderhavige wetsvoorstel schiet op deze punten helaas volledig tekort. Mijn fractie hecht ook zeer aan het bestrijden van de zesjescultuur en het verder verbeteren van de kwaliteit van het hoger onderwijs. Het is van het grootste belang dat ons hoger onderwijs zich kan blijven meten met dat in andere landen. Ook op deze punten schiet het wetsvoorstel tekort. Zo is volstrekt onduidelijk welke verbeteringen in de kwaliteit van het hoger onderwijs precies zullen worden aangebracht. Verder is onduidelijk welke investeringen daarvoor zullen worden verricht. Garanties ontbreken.

Om in de sfeer van dit wetsvoorstel te blijven: naar onze mening moet de minister haar huiswerk overdoen.

Het feit dat wij niet a priori tegen lenen voor de eigen studie zijn, laat onverlet dat wij steeds hebben aangedrongen op een stelsel waarin de financiering van de studie niet primair afhankelijk is van het aangaan van schulden. Er moeten stimulansen worden gecreëerd voor bijvoorbeeld ouders en grootouders om fiscaal gefaciliteerd te sparen voor de studie van hun kinderen en kleinkinderen. De vroegere Zilvervlootregeling was daarvan een goed voorbeeld. Studenten moeten niet worden opgezadeld met hoge studieschulden, maar zij moeten bij voorkeur tijdens hun studie kunnen terugvallen op de door hun ouders en grootouders gespaarde middelen met het oog op die studie. Ouders hebben in dezen een eigen verantwoordelijkheid. Studiebeurzen moeten beschikbaar zijn als vangnet voor studenten die niet op hun ouders kunnen terugvallen of voor wie de ouders die verantwoordelijkheid niet willen nemen.

In laatste instantie is het aangaan van leningen bij de overheid voor de financiering van studiekosten aanvaardbaar mits die leningen onder redelijke voorwaarden worden verstrekt. In het onderhavige wetsvoorstel is het aangaan van een studielening bij de overheid geen laatste optie, maar feitelijk het uitganspunt. Met uitzondering van de aanvullende studiebeurs wordt er geen koppeling gelegd met de inkomenssituatie van de ouders. De basisbeurs komt volledig te vervallen terwijl ook de fiscale aftrek van studiekosten voor de studenten die de basisbeurs verliezen, wordt afgeschaft.

De heer Ganzevoort (GroenLinks):

De heer Essers komt er misschien nog op, maar is hij van mening dat ook de mogelijkheid van ouders en grootouders om te sparen voor de studie van hun kinderen en kleinkinderen, komt te vervallen?

De heer Essers (CDA):

Nee, maar ik pleit ervoor dat die mogelijkheid meer wordt gestimuleerd. In de fiscale sfeer zouden er garanties moeten komen dat dit — gelet op de lage rendementen op dit moment — uiteindelijk een heel goede investering zal zijn.

De heer Ganzevoort (GroenLinks):

Dit zou dan wellicht een mooi voorstel zijn voor het Belastingplan of zoiets, maar het heeft niet per se met deze wet te maken, zo begrijp ik de heer Essers.

De heer Essers (CDA):

Nee, maar ik breng naar voren dat het uitgangspunt moet zijn dat de studie met eigen middelen wordt gefinancierd, middelen die door de ouders opzij worden gelegd. Daarvoor zouden fiscale tegemoetkomingen moeten komen. Pas in laatste instantie is er dan een mogelijkheid om te lenen. Nu draaien wij het om; nu is lenen het uitgangspunt.

Wat zijn volgens de regering de belangrijkste argumenten voor dit wetsvoorstel? In de eerste plaats het feit dat dit wetsvoorstel een jaarlijkse opbrengst van 640 miljoen oplevert. Volgens de regering zal die opbrengst worden geïnvesteerd in de verbetering van de kwaliteit van het hoger onderwijs door onder andere een verhoging van het aantal contacturen tussen student en docent, excellentietrajecten, een intensievere begeleiding van studenten, en het bieden van internationale studiekansen en andere onderwijsvormen. Bovendien zullen door het vervallen van de basisbeurs studenten van wie de ouders voldoende inkomen en vermogen hebben om een bijdrage te leveren aan de studiekosten, in de toekomst niet langer een basisbeurs krijgen. Als ouders ondanks voldoende inkomen of vermogen toch niet willen bijspringen, kunnen studenten altijd nog lenen. Daarmee worden overheidsmiddelen bespaard die kunnen worden ingezet om de kwaliteit van het hoger onderwijs te verbeteren. Een derde argument pro is dat voor kinderen van ouders met een inkomen beneden modaal, de aanvullende studiebeurs met ongeveer €100 wordt verruimd tot maximaal €365,33 per maand. Tot slot is er sprake van soepele leenvoorwaarden. Zo is de maximale terugbetaaltermijn 35 jaar, wordt de resterende schuld kwijtgescholden aan het einde van de terugbetaalperiode, gaat de aflossingsverplichting pas gelden vanaf het wettelijk minimumloon, en hoeft niet meer dan 4% van het meerinkomen boven dat minimumloon te worden ingezet voor aflossing. Bovendien hoeft pas twee jaar na het afstuderen te worden begonnen met het terugbetalen en bestaan er mogelijkheden voor flexibel en vervroegd aflossen. De ov-kaart blijft bestaan.

Naar de mening van de CDA-fractie staan tegenover deze vermeende argumenten pro de nodige reële bezwaren. Een van haar belangrijkste bezwaren tegen dit wetsvoorstel is dat de voornaamste doelstelling ervan — de verbetering van de kwaliteit van het hoger onderwijs — nu juist in gevaar wordt gebracht door dit wetsvoorstel, namelijk door de verwachte gevolgen van de introductie van het leenstelsel. De verwachting is namelijk dat studenten door het wegvallen van de basisbeurs meer baantjes zullen nemen om extra inkomen te verdienen om zodoende extra leningen te voorkomen. Zeker als deze extra werkzaamheden niets met de studie te maken hebben, zullen die ten koste van die studie gaan. Dan dreigt op zijn minst studievertraging op te treden. Dit wordt nog eens bevorderd doordat het maximaal bij te verdienen inkomen komt te vervallen. Ook het onderscheid tussen thuiswonende en uitwonende studenten komt te vervallen. Daardoor is men meer tijd kwijt aan reizen en blijft er minder tijd over voor studiegerelateerde activiteiten in de eigen universiteitsstad. De regering laat het zoeken naar een balans tussen studie en werk helemaal over aan de eigen individuele afweging van iedere student.

Dat geldt ook voor de keuze tussen bijverdienen of extra lenen. De regering meent op basis van de huidige situatie dat studenten goed met deze keuze kunnen omgaan. Wij zijn echter van mening dat de balans tussen werk en studie in het huidige stelsel al te vaak wordt verstoord in het nadeel van de tijd voor de studie. Daar komt bij dat de huidige situatie een andere is dan de situatie na invoering van het leenstelsel. De kans wordt dan ook alleen maar groter dat die balans nog verder wordt verstoord als straks de basisbeurs komt te vervallen. Mijn inschatting is dan ook dat daarmee de bedoeling van de regering, het bereiken van onder andere meer contacturen tussen student en docent en het meer in het buitenland studeren, zwaar onder druk komt te staan. Ik hoor graag de visie van de minister hierop. Wat zal zij doen om te verhinderen dat kostbare studietijd verloren gaat indien studenten meer gaan bijverdienen om de weggevallen basisbeurs te compenseren?

Een hiermee samenhangend bezwaar is dat het wetsvoorstel niet voorziet in een vermindering van de aflossingsverplichting bij nominaal afstuderen en/of bij het behalen van een zeer goed cijfergemiddelde. Dit zou, aldus de regering, ten koste gaan van de middelen die vrijkomen om in de verbetering van de kwaliteit van het hoger onderwijs te investeren. Iedere maand die een student extra studeert, kost de overheid echter geld. Nominaal c.q. goed studeren, stimuleert kwaliteit in groepen en bespaart geld doordat de student korter bij de universiteit rondloopt. Met andere woorden: een voor de hand liggende incentive om schaarse collectieve onderwijsmiddelen beter in te zetten en de zesjescultuur tegen te gaan, wordt tegengehouden, omdat deze incentive minder geld zou opleveren om de kwaliteit van het onderwijs te verbeteren. De leden van de CDA-fractie pleiten er sterk voor om alsnog een dergelijke koppeling aan te brengen. Daarop krijg ik graag een reactie van de minister.

Tegenover de verruiming van de aanvullende studiebeurs met €100 staat het verdwijnen van de basisbeurs, die €286,15 is voor uitwonende studenten. Het gevolg daarvan is dat uitwonende studenten er ook al €186,15 per maand op achteruitgaan. Daar komt bij dat veel kinderen van ouders met een laag middeninkomen net niet in aanmerking komen voor die aanvullende beurs. DUO kijkt naar het inkomen van beide ouders en deelt de ouders dan mee welk bedrag zij per maand worden geacht bij te dragen aan de studie van hun kind, als dat kind DUO tenminste toestemming geeft om te checken of hij of zij in aanmerking komt voor een aanvullende beurs. Nu de basisbeurs wegvalt, gaat deze verwachte bijdrage van de ouders automatisch omhoog. Het kind heeft immers minder inkomsten. Dit betekent dat veel ouders die eerst voldoende inkomen hadden om de studie van hun kind te financieren, dat nu niet meer hebben, terwijl hun kind geen aanvullende beurs krijgt. Zo bezien is het effect van het verdwijnen van de basisbeurs het grootst bij de middeninkomens. Dit komt dan nog eens bovenop de verdere inkomensafhankelijke versoberingen van voorzieningen op het gebied van zorg, kindregelingen en wonen. Die versoberingen raken de middeninkomens meer dan evenredig, terwijl deze groep tegelijkertijd wordt geconfronteerd met een toenemende collectieve lastendruk. Ik verwijs ook naar het advies van de Raad van State bij de Miljoenennota 2015. De Raad van State wijst daarin op het feit dat de gevolgen van technische ontwikkelingen vooral de werkgelegenheid bij de middengroepen raken. Dit alles lijkt, aldus de Raad van State, "te duiden op een in veel opzichten niet te veronachtzamen en zorgelijke ontwikkeling, waarbij in het bijzonder de aankomende generaties van de middengroepen in het gedrang komen". Hierop krijg ik graag een reactie van de minister.

Een belangrijke tekortkoming van dit wetsvoorstel is naar onze mening ook dat er geen harde (wettelijke) zekerheid wordt geboden dat de voorgenomen investeringen in de verbetering van de kwaliteit van het hoger onderwijs er ook daadwerkelijk zullen komen en hoe die investeringen er dan precies uit gaan zien. De regering wil nu geen aparte investeringsagenda maken voor de inkomsten uit het leenstelsel, maar wil deze opnemen in de later dit jaar te schrijven strategische agenda. Wij vinden het een grote tekortkoming van dit wetsvoorstel dat die agenda thans niet beschikbaar is. Dit betekent namelijk dat vandaag van deze Kamer wordt gevraagd in te stemmen met dit verstrekkende wetsvoorstel waardoor veel jonge mensen in een hogere schuldpositie terechtkomen, zonder dat er zekerheid bestaat over wat er met de revenuen gaat gebeuren. Er zijn al sterke geruchten dat de door de instellingen gedane beloften om vooruitlopend op de revenuen van het wetsvoorstel nu reeds te investeren in kwaliteitsverbetering, boterzacht zijn. Kan de minister ingaan op de mate van betrouwbaarheid van deze toezeggingen? In hoeverre zijn deze toezeggingen daadwerkelijk opgenomen in de begrotingen van deze instellingen? Tevens is niet duidelijk hoe wordt gegarandeerd dat de investeringen in het hoger onderwijs daadwerkelijk ten goede zullen komen aan studenten en bijvoorbeeld niet zullen worden besteed aan allerhande managementfuncties of aan onderzoeksondersteunende zaken. Hierop krijg ik graag een reactie van de minister.

Daar komt bij dat de regering in de memorie van antwoord erg schimmig doet over de borging van de beloofde maatregelen ter verbetering van de onderwijskwaliteit. Zo is niet duidelijk of dit aspect wordt meegenomen in toekomstige visitatie- en accreditatieprocedures. Wij vragen de minister opnieuw om een duidelijke uitspraak hierover. Naar de mening van de CDA-fractie leidt het in dit wetsvoorstel voorgestelde instemmingsrecht voor studenten op de hoofdlijnen van de begroting eerder tot onnodige bureaucratie en vertragingen in de besluitvormingsprocedures dan tot een daadwerkelijke borging van de extra investeringen in verbetering van de onderwijskwaliteit. Hoe kijkt de minister hiertegen aan?

Om budgettaire redenen houdt de regering ook vast aan een zeer magere overgangsregeling. Volgens het wetsvoorstel is er een cohortgarantie: studenten die al in de bachelorfase zitten, behouden recht op de huidige maximaal driejarige studiefinanciering. Als zij de master gaan doen, vallen zij echter onder de nieuwe systematiek van het studievoorschot. Dit is in strijd met de sterke koppeling die in het hoger onderwijs bestaat tussen de bachelor- en masterfase. Er is geen student die bij het starten van zijn studie aan de universiteit ervoor kiest om alleen de bachelor te doen. Bovendien is dit in strijd met de huidige praktijk dat je de basisbeurs voor de masterfase reeds kunt krijgen in het vierde bachelorjaar. Volgens de minister, in de nadere memorie van antwoord, zou "het grootste gedeelte van de (aankomende) studenten op de hoogte (zijn) van het feit dat de studiefinanciering gaat veranderen". Uit een in januari 2015 gehouden enquête door FNV Jong, het LAKS en de JOB onder 1.365 scholieren, mbo-, hbo- en wo-studenten blijkt echter dat er bij de huidige en toekomstige generaties studenten nog altijd zeer veel onwetendheid bestaat over de gevolgen van het leenstelsel. Des te meer onwetendheid over wat er komen zou, bestond er natuurlijk ten tijde van de indiening van dit wetsvoorstel en zeker ook bij de aanvang van de studie. Ook dit geeft de onredelijkheid van het overgangsrecht aan. Graag vernemen wij de visie van de minister hierop. Tevens vragen wij haar om in te gaan op de resultaten van voormelde enquête. Is de minister het met ons eens dat het fundamentele beginsel van rechtszekerheid, waar deze Kamer zozeer borg voor staat, ook in dit geval niet door budgettaire argumenten opzij kan en mag worden gezet?

Een ander punt van grote zorg bij ons is de negatieve invloed die dit wetsvoorstel zal hebben op de toegankelijkheid van het hoger onderwijs. Het Centraal Planbureau verwacht als gevolg van dit wetsvoorstel een daling van 2% van het aantal hbo- en wo-studenten, oftewel 2.700 studenten per jaar. Hierbij speelt een belangrijke rol de angst van veel studenten om een hoge studieschuld te hebben na het afstuderen, terwijl er geen garantie is op een baan met een goed inkomen. De regering gaat ervan uit dat dit effect na enkele jaren zal wegebben. Niettemin zal zij de effecten op de toestroom monitoren. Niet duidelijk is echter wanneer de minister precies gaat ingrijpen. Is dat bij een terugloop van meer dan 2%, meer dan 5% of meer dan 10%? En over welke periode moet dit effect zich hebben voorgedaan voordat de minister ingrijpt: na één jaar, na twee jaren, na vijf jaren? Dat is nu allemaal volstrekt onduidelijk. Graag krijg ik daar nu duidelijkheid over van de minister.

Daarnaast wijst de minister keer op keer, als een volleerd hypotheekadviseur, op de soepele voorwaarden die zijn verbonden aan het leenstelsel. Daarmee komt zij echter wel in een spagaat terecht. Als gevolg van de soepele leenvoorwaarden worden studenten ertoe verleid om zo veel mogelijk studieschulden aan te gaan. Dit staat echter weer haaks op het streven van diezelfde regering dat burgers voorzichtig moeten zijn met het aangaan van schulden; zie de recente problemen op het terrein van de woningmarkt, de aanpassingen van de hypotheekrenteaftrek en het aanscherpen van de voorwaarden waaronder banken leningen verstrekken. Dat zijn allemaal maatregelen die zijn gericht op het terugdringen van schulden bij de burgers. Hoe verklaart de minister deze tegenstrijdigheid in het regeringsbeleid? Aangezien het lang niet altijd meer zo is dat studeren garant staat voor een baan met een hoog salaris, dreigen niet alleen pas afgestudeerden te hoge schulden te krijgen, maar is er ook een serieus toekomstig invorderingsrisico voor de Staat. Wat vindt de minister hiervan en wat gaat zij doen om dit risico te beperken?

Daar komt bij dat de invoering van het studievoorschot erg duur uitpakt voor studies met een tweejarige master. Dit zijn alle bèta- en researchmasters, evenals alle universitaire lerarenopleidingen. Medische en meestal ook theologische masters zijn zelfs driejarig. Het moge duidelijk zijn dat in dergelijke gevallen de studieschuld veel hoger dreigt te worden dan de gemiddelde leenschuld. Werken naast de studie om lenen te voorkomen, zal leiden tot studievertraging en bemoeilijkt het onderwijsproces dat uitgaat van vele contacturen en langdurige stages. De vrees bestaat dat daardoor in de toekomst minder voor dergelijke studies zal worden gekozen.

Daarmee komt dit wetsvoorstel in conflict met een andere doelstelling van de regering, namelijk het bevorderen van de instroom in technische opleidingen en het wegwerken van het tekort aan leraren in bètarichtingen. Maar ook in het algemeen wenst deze regering meer universitair opgeleide leraren. Daarbij zij bedacht dat universitaire leraren niet de best betaalde academici zijn, dus gemakkelijk terugbetalen van de studielening is ook geen argument. Wat is hierover de mening van de minister? Welke gevolgen heeft dit wetsvoorstel naar haar mening voor de doelstelling van het door de negen topsectoren in samenwerking met de overheid opgestelde Masterplan Bèta en Technologie dat in 2025 maar liefst 40% van alle afgestudeerden een bèta- en technologische opleiding heeft genoten en de even urgente als ambitieuze doelstelling dat als onderdeel van deze ambitie gedurende een langere periode minstens 40.000 bèta-technologische mensen per jaar extra door opleiding en zijinstroom moeten worden aangetrokken? Ligt het voor deze gevallen niet voor de hand om bij dergelijke masters de studieschulden over een of meerdere jaren kwijt te schelden? Ik hoor graag de reactie van de minister, die hopelijk verdergaat dan de memorie van antwoord waarin een hogere studieschuld voor deze groep studenten toch enigszins wordt gebagatelliseerd en waarin wordt gesteld dat deze studenten zich relatief sterk laten leiden door een inhoudelijke motivatie. Ook zouden de investeringen in een meerjarige master zich volgens de minister doorgaans ruimschoots terugbetalen. Denkt de minister werkelijk dat deze argumentatie de zorg bij potentiële studenten voor aanmerkelijk hogere studieschulden zal wegnemen? Ook hier kondigt de minister weer aan dat zij zal monitoren. Maar wanneer zal zij dat precies doen en wanneer zal zij ingrijpen? Monitoring moet wel serieus worden genomen en mag geen doekje voor het bloeden zijn.

Een andere vraag is hoe deze wet zich verhoudt tot het promoten van deelonderwijs. In hoeverre bevordert deze wet volgens de minister de doelstelling van de regering om meer ruimte te bieden aan deelonderwijs en life long learning?

Niet alleen de basisbeurs verdwijnt, ook de fiscale aftrekmogelijkheden voor studiekosten worden afgeschaft in gevallen waarin recht bestaat op reguliere studiefinanciering. In feite worden studenten daarmee deels dubbel belast: de door hen zelf gedragen uitgaven die worden gedaan voor een opleiding of studie met het oog op de verwerving van inkomen uit werk en woning, zijn niet langer aftrekbaar terwijl zij straks na hun studie "gewoon" progressief worden belast over hun bruto arbeidsinkomsten. Het vervallen van de fiscale aftrekmogelijkheden komt extra hard aan bij de private hogescholen waar sprake is van onbekostigd onderwijs, terwijl het overgrote deel van de opbrengsten van dit wetsvoorstel ten goede komt aan het bekostigde onderwijs. Uit berekeningen blijkt dat het wegvallen van de fiscale aftrek in deze gevallen tot hoge lastenstijgingen kan leiden. Volgens berekeningen van de Nederlandse Raad voor Training en Opleiding levert het wegvallen van de fiscale aftrek een nadeel op van gemiddeld meer dan €5.000 per studiejaar, uitgaande van een collegegeld van €14.500 en kosten voor lesmateriaal van €1.200. Een lastenstijging van €5.000. Door voor deze categorie studenten de aftrek in de een of andere vorm te handhaven, zouden deze gevolgen vermeden kunnen worden. Dergelijke inkomenseffecten zijn naar onze mening te belangrijk om serieus aangedragen oplossingen voor deze problematiek weg te wuiven met eenvoudsargumenten. Graag een duidelijke reactie van de minister.

De aantrekkelijke leenvoorwaarden hebben nog een ander averechts effect. Ouders met hoge inkomens en vermogens zouden hun kinderen kunnen stimuleren om maximaal gebruik te maken van de leenmogelijkheden. Het rendement op het aldus in eigen vermogen gehouden geld dat anders in de studie van de kinderen zou worden gestoken, is naar verwachting hoger dan de kosten die zijn verbonden aan het studievoorschot. Het wegvallen van de basisbeurs hoeft dus niet te betekenen dat ouders die het kunnen betalen, het vervallen van de basisbeurs altijd met eigen middelen zullen compenseren. Hier staat tegenover dat kinderen uit laagverdienende gezinnen relatief naar verwachting het meeste zullen afzien van een studie vanwege hun leenaversie. Kortom, studenten van ouders die het kunnen betalen, zullen weleens meer kunnen gaan lenen dan studenten met ouders die het niet kunnen betalen. Wat vindt de minister hiervan?

Voorzitter. Met ons valt altijd te praten over een verbetering van de onderwijskwaliteit. Graag zelfs! Ook over een leenstelsel valt met ons best te praten. Maar dit wetsvoorstel slaat wat ons betreft de plank mis. De balans van argumenten pro en contra slaat duidelijk door in de richting van de argumenten contra. Dat zal echt anders moeten. Wij kijken uit naar de beantwoording van onze vragen door de minister. We hebben nog niet alle hoop opgegeven — wij staan positief in het leven — en we laten ons graag positief verrassen door deze minister, maar vooralsnog zijn wij van mening dat zij haar huiswerk echt moet overdoen.


De heer Bruijn (VVD):

Voorzitter. Wij zijn net begonnen en ik zie dat er nu al met spullen wordt gegooid. Dat belooft iets voor deze dag.

In april 2010 overhandigde oud-minister Veerman een rapport over de toekomst van het hoger onderwijs aan demissionair staatssecretaris Van Bijsterveldt. Over dat rapport waren niet alleen beide CDA prominenten enthousiast; zij vielen elkaar bijkans snikkend in de armen. Het werd ook in het veld en in de politiek alom positief ontvangen. In het rapport wordt geconcludeerd dat substantiële investeringen in het hoger onderwijs absoluut noodzakelijk zijn om de Nederlandse positie in de internationale concurrentiestrijd te behouden en te versterken. De commissie sloot een verschuiving tussen publieke en private bijdragen niet uit.

Dat laatste gebeurt nu met dit wetsvoorstel. De regering geeft daarmee ook vorm aan de afspraken in het Nationaal Onderwijsakkoord. Hierin hebben de regering en de onderwijssector zich gecommitteerd aan de afspraak dat de investeringen die voortkomen uit de hervormingen van de studiefinanciering, zullen worden gebruikt voor maatregelen die eraan bijdragen dat de kwaliteit van het hoger onderwijs wordt verbeterd.

Mijn fractie dankt de minister voor de uitgebreide beantwoording van de schriftelijke vragen. Zij heeft tijdens de voorbereiding van dit debat de samenwerking met de collega-woordvoerders in deze Kamer en ook met de scholierenorganisaties en de studenten zeer op prijs gesteld. Ik noem ook de door de SP en het CDA georganiseerde deskundigenbijeenkomst en de aanwezigheid van de collega's van genoemde partijen tijdens het door VVD en LSVb georganiseerde debat over dit wetsvoorstel.

Ik zou bij aanvang van mijn betoog enkele woorden willen wijden aan de inzet van de twee studentenorganisaties ISO en LSVb, die hier ook aanwezig zijn. Zij zijn al meer dan drie decennia de "stem" van studerend Nederland, in woord en daad, aan de onderhandelingstafel, in de wandelgangen van de Tweede en de Eerste Kamer of op het Malieveld, dat soms zelfs bijna vol stond. Los van de uitkomst van het debat van vandaag wil ik mijn waardering uitspreken voor de wijze waarop ISO en LSVb het maatschappelijk debat over het leenstelsel voeden en aanjagen ondanks het feit dat zij het hartgrondig oneens zijn met het wetsvoorstel dat wij vandaag bespreken. Zonder wrijving geen glans!

Ik ga ervan uit dat wij allen, de jongeren voorop, de noodzaak van de investeringen in het hoger onderwijs onderschrijven. Dat is ons gemeenschappelijk vertrekpunt. De verschillen van opvatting zitten in het antwoord op de vraag hoe deze investeringen betaald moeten worden. Voor mijn fractie wint het belang van investeren in het onderwijs conform Veerman en de manier waarop dit wetsvoorstel daarin voorziet, het van de alternatieven.

Wat zijn die alternatieven? Afzien van de investeringen of zelfs bezuinigen op onderwijs, wat in sommige verkiezingsprogramma's als kennelijke oplossing wordt voorgesteld? Veerman ontraadt het expliciet. Verhogen van het collegegeld? Niemand die dat wil. De investeringen financieren uit het verhogen van de collectieve lasten of het verder laten oplopen van de staatsschuld? Mijn fractie is tegen een dergelijk leenstelsel. Het zou betekenen dat de meest kansrijke, hoogst opgeleide en straks meest verdienende groep wat dit betreft buiten beeld wordt gelaten.

De heer Kuiper (ChristenUnie):

Ik zou het met de heer Bruijn even willen hebben over de context die hij nu schetst, de context die is ontstaan sinds het rapport van de commissie-Veerman. De commissie heeft inderdaad gezegd dat er meer moet worden geïnvesteerd in het onderwijs. Wat hebben wij daarna gezien? Kortingen op de universiteiten. Wij hebben al een lange geschiedenis van verhoging van college- en instellingsgelden. De prijs van ons hoger onderwijs is beslist aan de maat; dat wil zeggen dat die al aanzienlijk is. Als u zegt dat we ook nog wel een verschuiving kunnen doen, eigenlijk naar een belasting van de student, en dat een alternatief, namelijk het laten oplopen van de staatsschuld, voor u niet acceptabel is, protesteer ik wel een beetje tegen die schets van de situatie. Door dit wetsvoorstel zal de staatsschuld immers oplopen met 17 miljard. Ik vind het verbazingwekkend dat de VVD daar nu eigenlijk vrij luchtig over doet.

De heer Bruijn (VVD):

Ik neem daar kennis van en ik denk dat ik eerst mijn betoog vervolg. Ik kom vanzelf op de toegankelijkheid en de gevolgen. Ik kom dus vanzelf bij het antwoord op uw vraag.

De heer Kuiper (ChristenUnie):

Ik betwist dus uw schets van de situatie en ik wil ook een expliciet antwoord op de vraag hoe u dan toch voor uw rekening neemt dat de staatsschuld met 17 miljard gaat oplopen. Dat antwoord komt dus misschien in de loop van uw betoog.

De heer Bruijn (VVD):

Het is heel simpel: als je structureel 1 miljard wilt investeren in het onderwijs, moet je dat uit iets financieren. Als we het erover eens zijn dat dat geld naar het onderwijs moet, is dat het vertrekpunt. Kijkend naar de rijksbegroting, zijn er dan maar een paar knoppen waaraan je kunt draaien en een paar potten waar je het geld uit kunt halen. Je kunt de belasting verhogen; dat remt de economie en kost deze generatie straks banen. Je kunt de staatschuld verder laten oplopen met 1 miljard extra per jaar. De staatsschuld die deze generatie van ons zal erven, is nu al 420.000 miljoen euro en loopt per dag met 50 miljoen euro op; daar zijn wij niet voor. Je kunt de last ook spreiden over alle Nederlanders. Dat is wat dit kabinet doet en dat lijkt ons inderdaad de redelijkste optie, zeker als de sterkste schouders daarbij de zwaarste lasten dragen. Ik kom daarop terug.

Mijn fractie is dus tegen een leenstelsel waarmee de staatsschuld oploopt. Dat zou betekenen dat de kansrijkste, hoogst opgeleide en straks meest verdienende groep wat dit betreft buiten beschouwing wordt gelaten. En dat in een tijd waarin iedereen de broekriem moet aanhalen om orde op zaken te stellen. Dit kabinet laat daarbij juist de sterkste schouders de zwaarste lasten dragen, zoals blijkt uit de analyse van de economische effecten van het financieel kader van het regeerakkoord — dus van het totale pakket, waarvan dit een onderdeel is — uit december 2012. Voor de liefhebbers: ik heb het over figuur 5.2, op pagina 18. Juist die meest kansrijken onder onze jongeren mogen er trots op zijn dat zij een bijdrage kunnen leveren aan beter onderwijs en daarmee aan economische groei en toekomstige welvaart van hun eigen generatie.

In het OESO-rapport dat enkele weken geleden verscheen, wordt gewezen op de gevaren van te grote sociaaleconomische verschillen tussen de minst draagkrachtigen en de middenlaag.

De heer Essers (CDA):

Ik heb er net in mijn bijdrage op gewezen dat de schouders in "de sterkste schouders de zwaarste lasten" vaak de schouders van ouders met middeninkomens zijn. Zeker als zij net iets meer verdienen dan modaal, gaan zij vanwege dit stelsel een veel grotere bijdrage leveren. Ik zie dus nog niet zo gauw hoe die draagkrachtgedachte in dit wetsvoorstel goed tot uitdrukking komt. Ouders met een hoog inkomen zullen tegen hun kinderen zeggen: ga maar maximaal lenen, want wij hebben een hoger rendement op ons eigen vermogen dan wat lenen kost. Ik zie dat verband met het draagkrachtbeginsel dus nog niet zo snel.

De heer Bruijn (VVD):

Dat begrijp ik, maar dat komt doordat de heer Essers niet kijkt naar het totale pakket. Uit de doorrekening van het regeerakkoord uit 2012, waarvan dit totale pakket een onderdeel is, blijkt dat de gemiddelde Nederlander ongeveer 1% koopkracht structureel inlevert om Nederland uit de crisis te halen, om ervoor te zorgen dat we kunnen stoppen met lenen, om naar een begrotingsevenwicht te gaan en om de lasten niet te hoeven verhogen. Uit die berekening van het totale regeerakkoord blijkt ook dat de laagst verdienenden met de minste koopkracht er als totale groep iets op vooruitgaan, ongeveer 0,5% structureel, en dat de hoogst verdienenden er ongeveer 3% op achteruitgaan. Daar zit het leenstelsel in. Degenen met de hoogste koopkracht en de hoogste opleiding, dus de mensen in de kansrijkste groep, zullen door deze maatregel binnen de komende generatie gemiddeld 1% structureel inleveren. Je zou zelfs kunnen beweren dat dat weinig is, maar laten we dat "redelijk" noemen. Binnen het totale pakket wijkt dit in ieder geval volstrekt niet af. Het zou zelfs heel vreemd zijn om die kansrijkste groep buiten beschouwing te laten. Op deze manier dragen de sterkste schouders dus absoluut de zwaarste lasten, maar de heer Essers moet natuurlijk wel naar het totale pakket kijken en daar niet een paar dingen uit pikken, zoals hij doet.

De heer Essers (CDA):

Ik kijk naar het totale pakket en naar de lastenstijging voor de middeninkomens, waar het effect van dit wetsvoorstel nog eens bij komt. Ook de Raad van State heeft erop gewezen dat het uitermate zorgelijk is dat de middeninkomens er steeds meer op achteruitgaan.

De heer Bruijn (VVD):

De heer Essers stelt weer dezelfde vraag en ik geef dus toch maar hetzelfde antwoord. Je kunt natuurlijk inzoomen op een deelonderwerp. Dat is altijd gemakkelijk. Ik kan zo ook kijken naar zijn verkiezingsprogramma, naar de doorrekeningen door het Centraal Planbureau in Keuzes in Kaart uit 2012 en naar de puntenwolken. Dan zijn er daarin wel mensen te vinden die er 10% op achteruitgaan, ook uitkeringstrekkers. Dat is in alle programma's zo. Ik kijk dus naar het totale pakket, waar dit een onderdeel van is. Ik kijk naar de doorrekening daarvan, waar de heer Essers terecht op doelt. Ik deel dus ook zijn zorg, want ook ik vind dat wij daarnaar moeten kijken. Dan blijkt dat op basis van het totale regeerakkoord de sterkste schouders de zwaarste lasten dragen. De minst draagkrachtigen gaan er op basis van het totale regeerakkoord iets op vooruit. Degenen met de sterkste schouders gaan er het meest op achteruit. Daar is dit een onderdeel van. Als je er een deel uit pikt — ik kan dat ook doen aan de andere kant — kun je natuurlijk heel andere effecten voorspiegelen, maar ik vind dat je naar het totale pakket moet kijken.

Mevrouw Gerkens (SP):

Ik vind dit een merkwaardige uitspraak van de heer Bruijn, want ik vind juist dat hij niet naar het totale pakket kijkt. Hij kijkt naar het totale financiële plaatje, maar hij kijkt niet precies naar de door de heer Essers genoemde effecten, bijvoorbeeld voor de middeninkomens. De heer Bruijn kijkt ook niet naar wat deze maatregel betekent voor de totale kennis van ons land. Onderwijs is toch niet iets wat je alleen ondergaat om later op zoek te gaan naar de best betaalde baan? Onderwijs is toch ook iets wat onze hele samenleving draagt en waar onze totale welvaart uit voortkomt? Waarom zou je die last dan slechts bij één groep neerleggen?

De heer Bruijn (VVD):

Ik ben blij met die vraag van mevrouw Gerkens. Ik heb gezien dat de SP in de Tweede Kamer de motie heeft gesteund om de aanbevelingen van Veerman uit te voeren. Wij zijn het er dus over eens dat hier in ieder geval geld naartoe moet. Een bezuiniging van 800 miljoen op het onderwijs, zoals de SP in haar verkiezingsprogramma bepleit, lijkt mij niet de weg om de uitval te verminderen. Ik sta dus voorlopig nog op het standpunt dat dit een heel redelijke manier is om het onderwijs voor iedereen beter te maken, om de lasten evenredig te verspreiden over iedereen, ook over de kansrijkste en meest verdienende groep, en met name om het onderwijs klaar te maken voor de toekomst. Ik ga straks overigens nog uitgebreid in op de toegankelijkheid. Misschien kunnen we deze gedachtewisseling straks dus voortzetten, maar dat wil ik natuurlijk met veel plezier ook nu doen.

Mevrouw Gerkens (SP):

Mijnheer Bruijn werpt iets tegen, namelijk dat de SP in haar verkiezingsprogramma hierop 800 miljoen bezuinigt. Dat doen wij niet; wij bezuinigen 1 miljard en wij bezuinigen op de managementlaag. Daarbij gaat het om 8% van het personeel. Wij bezuinigen 5% op die overhead en die bezuiniging herinvesteren wij in het onderwijs. Dat was ook een optie geweest, maar die optie heb ik de heer Bruijn niet horen noemen. Dat vind ik jammer, want er zijn wel degelijk mogelijkheden om binnen de begroting, zonder verder in grote schulden te komen, de kwaliteit van het onderwijs te verbeteren, zoals de SP met haar tegenbegroting voor 2015 al met 450 miljoen had willen doen, wat geen enkele andere partij heeft gedaan.

De heer Bruijn (VVD):

Dan is het toch heel bijzonder dat bijvoorbeeld in de paragraaf beginnend op pagina 48 van de doorrekeningen door het Centraal Planbureau, in Keuzes in Kaart 2012, staat dat de netto-effecten van het totale pakket van het hoofdstuk Onderwijs in het SP-programma in de vergelijking van de programma's ergens onderaan bungelen. We moeten nu of op een ander moment dus nog eens goed doorakkeren hoe die begroting er precies uitziet, maar voorlopig is dat het effect dat is berekend door het Centraal Planbureau, waardoor u uw programma vrijwillig hebt laten doorrekenen. Ik deel overigens het belang dat u hecht aan goed onderwijs.

De voorzitter:

Mevrouw Gerkens, tot slot op dit punt.

Mevrouw Gerkens (SP):

De uitleg is heel simpel: het Centraal Planbureau werkt met bepaalde modellen en heeft niet doorberekend dat dit bij de managementlaag wordt weggehaald. Dat wilde het CPB niet doen; dat heeft het CPB niet geaccepteerd. De doorrekening door het CPB is dus anders dan die van ons. Die van ons ziet er een stuk rooskleuriger uit.

De heer Bruijn (VVD):

Dat is heel goed nieuws. Ik ben benieuwd naar de inbreng van mevrouw Gerkens en naar de nauwkeurige herberekening en doorberekening van dat hele pakket, want als dat beter is, moeten wij daar natuurlijk voor kiezen.

Het OESO-rapport dat enkele weken geleden verscheen, wijst op de gevaren van te grote sociale verschillen tussen de minst draagkrachtigen en de middenlaag. Nu is dit niet de plaats voor een verhandeling over de merites van de meritocratie, hoewel ook ik, net als u, voorzitter, ongetwijfeld meteen moet denken aan het boek hierover van Michael Young uit 1958, overigens een heel goed jaar. Onder de minst draagkrachtigen zitten echter in ieder geval de meeste laag opgeleiden en werklozen. In het OESO-rapport wordt er dan ook voor gepleit om te investeren in onderwijs, wat met dit wetsvoorstel gebeurt, en te zorgen voor economische groei en banen. Die groei, die banen, bereiken we niet door het laten oplopen van de collectieve lastendruk of van de staatsschuld. Ook onze jongeren, om wie dit allemaal gaat, zullen daar niet voor willen kiezen. Een studie levert de samenleving en de student zelf veel op. Sommigen, ook in deze Kamer, vragen er aandacht voor dat de student geen investeerder is en dat studeren niet in eerste instantie een businesscase is; ik kijk ook naar de PvdA-fractie. Ik ben het daarmee eens. Een student is niet in eerste instantie een investeerder en studeren is niet in eerste instantie een businesscase. Inderdaad, het gaat om individuele ontplooiing; een belangrijk liberaal uitgangspunt waar ook de samenleving als geheel het sociaal-cultureel en economisch van moet hebben. De Teldersstichting heeft het belang ervan recent nog uitgewerkt in een zeer leesbaar geschrift over Bildung. Ik verwijs maar naar grote klassieke liberale denkers als Von Humboldt en John Stuart Mill.

Maar er zijn door studenten zelf zorgen naar voren gebracht die, laten we zeggen, van een andere dimensie zijn en die gaan over de financiën. En als we die studenten serieus nemen, en dat doen we, juist met dit wetsvoorstel, dan moeten we ons in die zorgen verdiepen. En dan zien we, dat volgens het CBS het inkomen van hoogopgeleiden bijna twee keer zo hoog is als dat van mensen zonder hoger onderwijs. En zoals bleek uit het dankzij CDA en SP georganiseerde deskundigengesprek: ongeveer het enige waar de deskundigen het over eens zijn, is dat de keuze voor een studie na invoering van dit wetsvoorstel nog steeds loont, ook in economische zin. Volgens CHEPS levert studeren per studiejaar een rendement op van 8% tot 12% over het werkzame leven. Als je dat geld dan mag lenen tegen een aanzienlijk lager percentage, dan moet de te maken afweging voor de gemiddelde ho-fähige scholier te doen zijn en vergt deze geen bovenmatig neuronendicht brein noch een bijzonder complexe voorlichting, een gewiekste investeerder of een ingewikkelde businesscase. 200% min 1% daarvan is altijd nog 198% van het inkomen als je niet gaat studeren.

Een groot deel van de meer dan duizend vragen die in de Tweede Kamer over dit wetsvoorstel gesteld zijn, ging hierover. Volgens sommigen leidt een sociaal leenstelsel ertoe dat jongeren voor de rest van hun leven worden opgezadeld met torenhoge schulden. Anderen vreesden, dat jongeren "uit leenangst" afzien van een studie. Een en ander was aanleiding voor een groot aantal onderzoeken en rapporten. Uit de verschillende onderzoeken blijkt, dat deelname aan het hoger onderwijs weinig prijsgevoelig is en dat verhoging van de eigen bijdrage een beperkt en tijdelijk effect heeft op de toegankelijkheid. Uit cijfers van het Nibud uit 2010 valt al op te maken dat er bij studenten niet zozeer sprake is van leenangst als wel van leenzucht. Aangezien die leenzucht zich voor een groot deel sublimeert in consumptieve context, zou er van een verschuiving naar investeringen nog wel eens een didactisch effect kunnen uitgaan. Volgens het CPB, vorige week nog, is de toegang tot het onderwijs in Nederland goed geregeld, ook voor de lagere sociaal-economische klassen. En die toegankelijkheid verandert volgens onderzoeksorganisatie CHEPS niet door de invoering, of beter gezegd de terugkeer, van een leenstelsel. Ook het SCP heeft uit onderzoek gevonden dat geen enkele scholier meer twijfels krijgt of afziet van een studie door het leenstelsel. Zij zijn er te slim voor. Dat geldt ook voor scholieren uit gezinnen met lage inkomens. Traditionele deelnamepatronen herstellen zich doorgaans snel. Het CPB heeft op basis van internationale ervaringen een tijdelijke daling van de deelname geraamd van rond de 2%, ofwel voor hbo en wo samen 2.700 per jaar. Als de door het CPB genoemde studenten die tijdelijk niet meer zullen instromen vallen binnen de groep van 13.000 hbo- en 2.000 wo-studenten die toch al in het eerste jaar zouden zijn uitgevallen — en dat is niet uitgesloten, ook niet door het CPB — dan wordt met dit wetsvoorstel een belangrijke stap gezet naar een meer bewuste studiekeuze. Dit is alleen achteraf vast te stellen. Je kunt natuurlijk niet gaan enquêteren met de vraag of iemand later een uitvaller wordt. De VVD-fractie dankt de minister dan ook voor haar toezegging in de memorie van antwoord dat zij dit in kaart zal brengen, alsmede wat de effecten zijn op de participatie in extracurriculaire activiteiten zoals bestuursjaren. Mijn fractie verzoekt de minister, deze Kamer van de bevindingen ter zake op de hoogte te stellen. Graag een toezegging. Overigens heeft de VVD er begrip voor dat een numerieke tolerabele uitvalgrens niet te stellen is — die discussie is gevoerd in de schriftelijke ronde — zonder inzicht in de aard van de uitvallers, bijvoorbeeld als dat voor een deel de mensen zouden zijn die toch al uitvallen; het punt dat de heer Essers gemaakt heeft.

De heer Essers (CDA):

Ik ben het er helemaal mee eens dat de keuze voor wel of niet studeren geen businesscase is, maar de inschatting hoeveel studenten er minder gaan studeren als gevolg van dit wetsvoorstel is natuurlijk ook geen businesscase. Elke student of potentiële student die vanwege dit wetsvoorstel zegt het toch niet aan te durven, is echt een groot verlies, is een verloren student. Dus ik heb er bezwaar tegen om te zeggen dat het allemaal wel mee zal vallen en dat het wel weg zal ebben. Daarmee heb je de kans dat een behoorlijke groep studenten nu verloren gaat voor het wetenschappelijk onderwijs. Ik zie de heer Bruijn knikken, dus daar zijn we het over eens. We moeten er echt voor zorgen dat de uitval zo laag mogelijk is. We moeten voor elke student knokken. Ik vraag de heer Bruijn daarom wanneer naar zijn mening de monitoring tot ingrijpen moet leiden. Is dat wanneer de verwachtingen van het CPB worden overtroffen in negatieve zin en er meer dan 2% uitval is? Over welke periode wil de heer Bruijn dit bekijken? Ik vind dat de huidige generatie studenten maar ook de generatie van straks er recht op heeft om dat te weten.

De heer Bruijn (VVD):

Het eerste punt van de heer Essers, die 2.700, is inderdaad een raming van het CPB. Dat is een raming die gemaakt is voordat het wetsvoorstel werd bijgestuurd. De VVD deelt dus de zorgen van de heer Essers; die worden zelfs door de hele Tweede Kamer en de regering gedeeld. Die zorgen zijn aanleiding geweest voor een groot pakket van verzachtende maatregelen in de sfeer van terugbetaling en van intensievere voorlichting, waar ik straks nog op terugkom. Dus die zorgen zijn gedeeld. Nu moet bekeken worden in hoeverre de aanvullende maatregelen in redelijkheid tegemoetkomen aan die zorgen. Zekerheid daarover krijg je nooit.

De heer Essers had ook een vraag over de tolerabele uitvalgrens. Ja, dat is interessant. Mijn fractie heeft daar vragen over gesteld in de schriftelijke ronde. Wij hebben toen de uitleg gekregen van de minister dat naarmate een groter deel van de studenten die niet zullen gaan studeren achteraf blijkt te horen bij de groep die anders was uitgevallen — dat valt te zien aan een dalende uitval — de tolerabele uitvalgrens hoger zal zijn. Want van een student die toch zou zijn uitgevallen, die niet gaat studeren uit leenangst — die volstrekt overbodig is — vind ik het natuurlijk niet jammer dat hij niet gaat studeren. Je beschermt die scholier zelfs tegen een verkeerde studiekeuze. Stel dat er 2.000 scholieren afzien van een studie en dat blijkt dat de uitval met 2.000 terugloopt, dan laat het zich raden dat de keus van een groot deel van de mensen die niet gaan studeren anders zou zijn uitgevallen. Dan is die 2.000 dus een tolerabele uitvalgrens. Maar als we zien, wat ik absoluut niet verwacht, dat er toch nog scholieren zijn die niet begrijpen dat je beter kan gaan studeren en die dus afzien van een studie, terwijl dat niet degenen zijn die later uitvallen — dat zie je dus aan een blijvende stabiele uitval — dan is dat natuurlijk wel direct boven de tolerabele uitvalgrens. We zullen moeten zien hoe dat uitpakt. Als je goed kijkt naar de kwalitatieve groepen waar je het over hebt, kun je niet van tevoren een nominale grens stellen voor die uitval. Dat neemt natuurlijk niet weg dat wij allen die uitval willen minimaliseren.

Zoals uitgebreid samengevat op pagina 10 van de memorie van antwoord lijkt er op basis van alle informatie geen reden om te veronderstellen dat structureel grote groepen jongeren straks niet meer gaan studeren. Vervolgens is het wetsvoorstel vanwege die zorgen tijdens het traject in de Tweede Kamer aangepast met een pakket. Onder andere de maandlasten voor aflossing gaan van 12% naar 4%. Dat is nog een derde van wat we nu hebben en gemiddeld 1% van het verzamelinkomen. Dat ligt dus onder het gemiddelde percentage dat alle Nederlanders inleveren om Nederland uit de crisis te halen. De aflostermijn is verlengd van 15 naar 35 jaar. Wat er dan nog staat aan restschuld wordt kwijtgescholden. Dus niemand betaalt meer dan 4% van zijn inkomen boven het minimumloon aan aflossing. De aflosdrempel, die nu op bijstandsniveau ligt, is verhoogd naar het niveau van het minimuminkomen. Het wordt mogelijk gemaakt om flexibel en vervroegd af te lossen. Voor studenten uit gezinnen tot een inkomen van €46.000 blijft de aanvullende beurs bestaan. En voor inkomens beneden €30.000 gaat deze met ruim €100 per maand omhoog.

Hoewel zekerheid in het algemeen en bij wetsvoorstellen in het bijzonder nooit te geven is — anders hadden we hier immers niks te doen — was met deze aanpassingen, alles overwegende, de conclusie niet alleen van de regering, maar ook van de meerderheid in de Tweede Kamer, dat iedereen die gemotiveerd is kan studeren.

En om dan terug te keren naar Veerman: de verschuiving tussen collectieve en private bijdrages is conform zijn advies. Nederland geeft relatief gezien ongeveer even veel uit aan hoger onderwijs als bijvoorbeeld Duitsland. Maar in Nederland gaat nu een veel groter deel van dit geld naar inkomensondersteuning van studenten, te weten 3 miljard per jaar. Met het studievoorschot wordt deze inkomenssteun met 1 miljard verlaagd, waardoor meer belastinggeld vrijkomt voor een kwaliteitsimpuls op hogescholen en universiteiten. Ik hoor al steun hier aan mijn rechterhand. Het levensonderhoud blijft met 2 miljard gesubsidieerd, ook al kan men de vraag stellen of dat wel een collectieve verantwoordelijkheid is. Daarnaast blijft de overheid, lees de belastingbetaler, ook in het nieuwe stelsel het overgrote deel van de studie betalen. Van een goed opgeleide bevolking profiteren we immers allemaal.

Laat duidelijk zijn: twijfel is de moeder aller vooruitgang. Zonder onzekerheid geen beleid. Maar de toegankelijkheid van het hoger onderwijs voor eenieder die in staat is om succesvol te studeren en dat ook wil is voor de VVD belangrijk. Het zijn immers niet de bedoelingen waar het op aankomt, het zijn de uitkomsten. Mijn fractie is dan ook blij met de toezegging van deze minister, gesteund door diverse breed gesteunde moties in de Tweede Kamer, dat zij veel aandacht gaat besteden aan goede voorlichting en de komende jaren scherp in de gaten gaat houden of de instroom, doorstroom en uitstroom van jongeren in het hoger onderwijs op peil blijven en of een eventuele verandering ervan verband houdt met de invoering van dit wetsvoorstel.

Overigens is aan de voorlichting al ruim aandacht besteed. Ik heb hier een brief van de minister uit oktober 2014, persoonlijk gericht aan mijn zoon Martin. Ik bekijk die brief met enige jaloezie, want ik heb zelf nog nooit een persoonlijke brief van de minister mogen ontvangen. Maar goed, het is altijd goed om voorbijgestreefd te worden door je kinderen. De informatie in deze brief over dit wetstraject en het op handen zijnde studievoorschot was glashelder, ook voor Martin. En kennelijk was de voorlichting ook voor anderen glashelder, getuige de 34.625 handtekeningen die wij vorige week dankzij de studenten ontvingen.

Toch zou ik nog willen vragen hoe de minister aankijkt tegen de mogelijkheden voor nadere voorlichting aan de nu aankomende studenten, nu het tijdpad van de behandeling van dit wetsvoorstel duidelijker lijkt en wat ons betreft ook is. Graag zouden de leden van mijn fractie willen weten of de minister bereid is ook deze Kamer op de hoogte te houden van ten eerste haar bevindingen uit het monitoren en de diverse aangekondigde effectmetingen van het studievoorschot, zoals aangekondigd in de memorie van antwoord, inclusief de opbrengst ervan, ten tweede van de inhoud van het eind van dit jaar te verschijnen advies van de VO-raad inzake een steviger verankering van loopbaanoriëntatie en ten derde van de evaluatie van de loopbaanbegeleiding in het mbo, inclusief de doorstroom mbo-hbo en mbo-arbeidsmarkt, die in 2015 zal verschijnen. Graag een toezegging.

Leren houdt niet op vanaf het moment dat je in je twintiger jaren een diploma haalt. Om jezelf te blijven ontwikkelen als mens, maar ook om de kansen te vergroten op de arbeidsmarkt, is het belangrijk om te blijven leren. Dit nieuwe stelsel biedt daarvoor de mogelijkheden. Daarom wordt in dit wetsvoorstel geregeld, dat mensen ouder dan dertig die in deeltijd willen studeren aanspraak kunnen maken op collegegeldkrediet als studievoorschot. Graag vernemen wij van de minister hoe het staat met de uitvoering van de motie-Duisenberg over de invoeringstermijn van deze regeling.

Het traject van deze wet loopt inmiddels zo'n twee jaar. Het wetsvoorstel is een politiek compromis dat gesteund is door de VVD. Het is niet aan ons om de politieke discussie die in de Tweede Kamer gevoerd is over te doen. Er resteren voor mijn fractie nog wel twee belangrijke aandachtspunten waarover meer duidelijkheid gewenst is. Zij zien op de rechtmatigheid en de doelmatigheid van dit wetsvoorstel. Het betreft de economische effecten en de investeringen.

Ten eerste de economische effecten van dit wetsvoorstel: een onderwerp dat alle bevolkingsgroepen treft en partijen van links tot rechts ter harte gaat. Het wetsvoorstel bevat een aantal maatregelen die macro-economisch inkomensherverdelend werken ten opzichte van het basispad. Ik heb het pakket al in detail benoemd. Het gaat onder meer over de inkomensafhankelijke terugbetaalgrens van 4% en de inkomensafhankelijke aanvullende beurs. De leden van mijn fractie onderschrijven dat er voor het nemen van deze nivellerende maatregelen goede redenen lijken te zijn met het oog op de toegankelijkheid. Maar neemt die toegankelijkheid door deze specifieke, toegevoegde maatregelen ook werkelijk toe? Kan de regering hier inzicht in geven?

Dit klemt des te meer, en dit zal de jongeren interesseren, nu deze maatregelen ook een prijs hebben als gevolg van hun effecten op structurele werkgelegenheid. Banen dus, arbeid. De leden van mijn fractie vragen zich dan ook af, wat de macro-economische effecten van deze maatregelen zijn en of deze effecten naar verwachting worden gecompenseerd doordat de opbrengst van het wetsvoorstel wordt geïnvesteerd in de kwaliteit van het hoger onderwijs. Dat komt economische groei en structurele werkgelegenheid immers juist ten goede.

Wat is structurele werkgelegenheid? Het is in het rapport Keuzes in Kaart 2012 gedefinieerd als de werkgelegenheid na bijvoorbeeld 28 jaar. In de memorie van antwoord gaat de regering, naar aanleiding van de vraag van mijn fractie hierover, in op de effecten van het wetsvoorstel op arbeidsparticipatie van studenten zelf tijdens de studie, op studie-uitval en via deze op werkgelegenheid. Het was legitiem, maar onze vraag ziet echter met name op de effecten van de blote maatregelen die ten aanzien van de straks terugbetalende afgestudeerden worden genomen en het al of niet inkomensafhankelijk maken daarvan ten opzichte van het basispad. Met "basispad" wordt in dit geval bedoeld het wetsvoorstel zonder deze inkomensafhankelijke regelingen. Men kan het terugbetalen van de studieschuld en de vrijstelling onder bepaalde grenzen modelmatig zien als een inkomensafhankelijke heffing. Gegeven dat men die schuld heeft, is de terugbetaling geheel afhankelijk van inkomen en beïnvloedt deze direct het nettoloon en dus profijt van arbeid en aanbod. Dit is te ramen als ware het een gewone heffing. Dat zijn de effecten van onderwijsinvesteringen ook, zo weten we uit Keuzes in Kaart 2012, zoals ik zojuist met mevrouw Gerkens heb besproken.

Mijn fractie vraagt de minister om een toezegging dat zij dit zal meenemen bij de eerste wetsevaluatie. Dit betreft dan nog steeds een ex-anteraming ten opzichte van het dan voorliggende basispad en niet een ex-postdoorrekening, zoals nu gesuggereerd in de memorie van antwoord. Dat is inderdaad onmogelijk. De leden van mijn fractie zijn, ongetwijfeld met het kabinet, geïnteresseerd in de effecten van de maatregelen op arbeid. En zoals gezegd, de VVD, de partij voor de arbeid, ziet ook dat er voor inkomensherverdelende maatregelen goede argumenten kunnen zijn. Dat doet echter niet af aan de noodzaak en aan onze verantwoordelijkheid, de effecten van de maatregelen op arbeid inzichtelijk te maken.

Dan de investeringen. De middelen die vrijkomen door de hervorming van het stelsel van studiefinanciering zijn uitsluitend bestemd voor een kwaliteitsimpuls voor het hoger onderwijs. Dat heeft de minister al toegezegd, zoals wij hebben gelezen. Mijn fractie hecht daar zeer aan. Misschien kan de minister dit nogmaals bevestigen, want er is kennelijk nog twijfel over.

Ik kom dan bij de ideologische kernvraag hoe deze investeringen gaan bijdragen aan beter onderwijs. Welnu, het gaat dan om een veelheid aan maatregelen. Met sommige ervan hebben instellingen al een begin gemaakt. We zien de verplichte studiebijsluiter en matching-activiteiten voor een betere studiekeuze, university colleges, brede bachelors, associate degrees, een driejarige hbo-bachelor voor vwo'ers, de opleidingscommissies, externe borging van examenkwaliteit — een belangrijk onderwerp — en het aanjagen van profilering en differentiatie tussen hogescholen en universiteiten via bindende prestatieafspraken.

Daarnaast kunnen instellingen gaan investeren in studiebegeleiding en internationalisering, waaronder beurzen. Er kunnen extra docenten worden aangetrokken voor kleinschaliger onderwijs en uitbreiding van het aantal contacturen. Ook kan extra geïnvesteerd worden in digitaal leren en ICT-faciliteiten en in modernisering en uitbreiding van studieplekken en onderwijsruimtes.

Zoals gemeld in de memorie van toelichting moet de strategische agenda op basis waarvan de opbrengsten van dit wetsvoorstel geïnvesteerd worden rechtdoen aan de dynamiek van individuele instellingen en opleidingen. Dit ook indachtig het streven naar profilering, een andere ambitie uit het alom ondersteunde rapport-Veerman. De instellingen kiezen dus zelf hun agenda. Die moet gedragen worden door docenten en studenten. Mede daarom wordt in dit wetsvoorstel voorzien in een instemmingsrecht. Kan de minister omschrijven wat de regering verstaat onder "hoofdlijnen van de begroting" daar waar het gaat om de instemmingsbevoegdheid van de medezeggenschap? Wat zijn de ervaringen van instellingen die nu een dergelijk instemmingsrecht kennen? Mijn fractie gaat ervan uit dat dit in 95% van de gevallen goed gaat, gezien de kwaliteit van bestuurders en de raden in Nederland. Maar wat gebeurt er in de gevallen waarin er wel een conflict ontstaat en goedkeuring wordt onthouden? Wat kan het bestuur doen met betrekking tot operationele continuïteit, hangende een eventuele procedure? Kan de bestuurbaarheid dan in gevaar komen? Graag de visie van de minister.

De investeringen moeten dus passen bij de strategie van instellingen, de gemaakte afspraken in het Nationaal Onderwijsakkoord en de kwaliteitsafspraken die gemaakt worden met het ministerie en waar de financiële middelen aan worden gekoppeld. Hier worden, zo schrijft de regering in de memorie van toelichting in paragraaf 8.3 nadrukkelijk ook de ervaringen met de huidige prestatieafspraken in het hoger onderwijs bij betrokken. Dat experiment eindigt eind 2017 en de evaluatie ervan zal een belangrijke basis vormen voor de uitwerking van de kwaliteitsafspraken, aldus de memorie van toelichting. Een en ander wordt uitgewerkt bij — ik durf het nauwelijks meer te noemen — AMvB die, zo begrijpen de leden van mijn fractie, zal worden voorgehangen bij deze Kamer. Graag een bevestiging.

Voor mijn fractie is het, net als voor andere — en dit is terecht door onder andere D66 naar voren gebracht — belangrijk dat de te hanteren criteria zo veel mogelijk zien op de kwaliteit van het onderwijs. Criteria die daar verder van afstaan worden in de wetenschap ook wel surrogaatmarkers genoemd. Voorbeelden daarvan zijn aantallen studenten of aantallen diploma's per tijdseenheid, per seconde bijvoorbeeld. Het waren de minst slechte criteria die we hadden. Bij gebrek aan beter worden ze als financieringsparameter gebruikt. Ze hebben ontegenzeglijk perverse effecten, leidend tot plaatsbare kritiek — ik kijk ook naar de PvdA — over doorgeschoten rendementsdenken. En ik ga daar graag op in. De beperkte waarde van die parameters was precies de basis voor de experimenten met prestatieafspraken. Dat is een zoektocht naar criteria die onderwijskwaliteit dichter benaderen en die de instellingen bij voorkeur zelf aandragen en waar dan afspraken over gemaakt worden.

Kwaliteitscriteria vallen uiteen in twee categorieën: kwantificeerbare en niet-kwantificeerbare. Het kwantificeerbaar zijn van een kwaliteitscriterium zegt niets over de kwaliteit van dat criterium. Daar moeten we dus niet a priori voor terugschrikken. Een kwantitatieve indicator is niet pervers of verderfelijk omdat hij kwantitatief is. Een indicator kan wel pervers zijn als hij te ver afstaat van de onderwijskwaliteit.

Voorbeelden van kwantificeerbare kwaliteitsparameters zijn minder drukke collegezalen en intensievere begeleiding, dus betere student-docentratio's, maar ook contacturen en uitval. Dat zijn allemaal parameters die genoemd zijn niet alleen door de VVD, maar ook door D66 op zijn website en in zijn verkiezingsprogramma, dat goed verteerbaar is, op dit punt. Ook valt te denken aan innovatieve, nog in ontwikkeling zijnde, veelbelovende kwaliteitsinstrumenten. Voorbeelden daarvan zijn leerwegonafhankelijke instellingsoverstijgende toetsen, wat ook profilering faciliteert — zo zeg ik ook tegen de minister — en niet hetzelfde is als landelijk examineren. Dit kan ook de zesjescultuur tegengaan. Andere voorbeelden zijn leerwinst en toegevoegde waarde. Met leerwinst en toegevoegde waarde, maar ook met de leerwegonafhankelijke toetsing wordt nu in verschillende onderwijssectoren ervaring opgedaan. Er zijn al, onder andere door het ministerie, interessante gegevens over naar buiten gebracht. Kan de minister hierop ingaan?

Ook uit de HO-Tour, een belangrijk initiatief, komen op dit moment inspirerende nieuwe ideeën naar voren, zoals ik gisteren nog heb mogen ondervinden bij Hogeschool Utrecht. Naast dit soort kwantificeerbare kwaliteitsparameters — en ik kijk dan weer naar D66 — kunnen instellingen ook gaan kiezen voor kwaliteitsverbeterende activiteiten die niet altijd per se in maat en getal uit te drukken, maar daarmee niet minder belangrijk zijn, zoals een academische cultuur, internationalisering en excellentietrajecten.

Aan de laatstgenoemde trajecten is in de achterliggende jaren door de overheid en de instellingen samen al specifiek aandacht besteed in de vorm van het Sirius Programma en in de context van de prestatieafspraken. Het Sirius Programma heeft positieve effecten op de kwaliteitscultuur. Dit blijkt onder andere uit de midterm-reviewprestatieafspraken, die de minister deze Kamer op 23 december jongstleden toezond en waar mijn fractie de minister voor dankzegt.

Het Manifest voor het excellentieonderwijs van de toekomst, dat is gepresenteerd aan de vooravond van de afsluiting van het Sirius Programma op de Summit Excellentie op 2 oktober 2014, bevat door het veld gedragen aanbevelingen voor de toekomst van het onderwijs, nu de subsidies voor de instellingen vanuit het Siriusprogramma helaas zijn afgelopen. Mijn fractie vraagt de regering om bij de besteding van de middelen uit het studievoorschot nadrukkelijk aandacht te besteden aan de ervaringen opgedaan met de Sirius-trajecten en de indicatoren die daarbij zijn ontwikkeld en worden gehanteerd, aan het benutten daarvan bij het versterken van het onderwijs aan alle studenten en aan de actiepunten uit het genoemde manifest. Graag een reactie en een toezegging.

De heer Essers (CDA):

Hoe wil de heer Bruijn borgen en checken of al die beloftes op het terrein van verbetering van de onderwijskwaliteit ook daadwerkelijk worden nagekomen en tot de gewenste resultaten leiden? Wil hij dat meenemen in accreditatieprocedures en onderwijsvisitaties? Welk beeld heeft hij daarbij?

De heer Bruijn (VVD):

De heer Essers stelt een relevante vraag. De essentie van dit wetsvoorstel is dat we dat in eerste instantie overlaten aan het debat tussen de instellingen — de docenten en de studenten — en de overheid die daarover namens ons in gesprek gaat. Dat experiment is met de prestatieafspraken al gedaan. Dat is gedaan naar aanleiding van het feit dat wij de huidige criteria voor aantallen studenten en van aantallen diploma's niet de ideale criteria vinden. Dit wetsvoorstel voorziet in ruimte — het wordt bij AMvB verder geregeld, die ongetwijfeld in deze Kamer wordt voorgehangen — om in dat debat met de instellingen en de studenten zelf, de verantwoordelijke student, te komen tot nieuwe ideeën en innovatieve plannen. De HO-Tour loopt daarin voorop. Ik vind dat een uitstekend initiatief. Ik zou dat niet van bovenaf willen dichttimmeren. Dit wetsvoorstel gaat daar eigenlijk niet over. Dit wetsvoorstel laat bewust ruimte om die discussie decentraal te voeren en om vooral de studenten daarbij aan het woord te laten. Ik vind het een prima keuze om dat zo te doen.

De heer De Lange (OSF):

Ik luister met belangstelling naar collega Bruijn en ik luister vooral naar wat hij niet zegt. Hij praat over kwaliteit en over van alles en nog wat op een heel generieke manier, zonder in te gaan op de gigantische verschillen die aan de universiteiten optreden tussen de diverse disciplines. De eisen die gesteld worden, datgene wat onder kwaliteit gevangen wordt, verschilt gigantisch van de ene discipline tot de andere. Het is naar mijn smaak totaal onmogelijk om over gemiddelden te spreken als je op die verschillen verder niet ingaat. Laat ik een heel concreet voorbeeld geven. We moeten heel vaak aanhoren — dat schijnt een mantra van deze tijd te zijn — dat het onderwijs niet deugt en dat het verbeterd moet worden. Ik ken zat disciplines waar het onderwijs meer dan uitstekend is, op een niveau dat internationaal meer dan aan de maat is, waar andere landen een voorbeeld aan kunnen nemen. Alsmaar dat verhaal dat het onderwijs zo slecht zou zijn en dat meer personeel de oplossing zou zijn; ik geloof er helemaal niets van en ik zeg dit uit eigen ervaring. Als die verschillen tussen disciplines niet benoemd worden, zijn we met een heel lege discussie bezig. Daar krijg ik graag de reactie van mijn collega Bruijn op.

De heer Bruijn (VVD):

Die wil ik heel graag geven. Ten eerste heb ik de woorden gemiddeld en slecht niet gebruikt. Het onderwijs in Nederland is internationaal top. Ik kan daar vanuit mijn discipline van getuigen. Ik heb iedere dag met studenten te maken in collegezalen en in werkgroepen. Ons onderwijs behoort over de volle breedte tot het beste onderwijs ter wereld.

De heer De Lange (OSF):

Niet over de volle breedte.

De heer Bruijn (VVD):

Gemiddeld genomen dan misschien wel. Laat ik het woord "gemiddeld" dan een keer gebruiken. Maar er is ruimte voor verbetering. Die ruimte voor verbetering is door de commissie-Veerman geïdentificeerd en benoemd. Ook in mijn discipline en ook bij mijzelf als docent is er ruimte voor verbetering. Die zal er bij de heer De Lange ook zijn. Het gaat erom, die ruimte voor verbetering te benutten. Het gaat er dus niet om, te zeggen dat het onderwijs slecht is. Het gaat er ook niet om, te zeggen dat het overal hetzelfde is. Het gaat erom, daar waar het beter kan die ruimte te benutten. Vervolgens zegt de heer De Lange terecht dat er tussen disciplines verschillen zijn. En dan zeg ik: dat is nu het mooie van dit wetsvoorstel. Dit wetsvoorstel laat ruimte voor de decentrale discussie per discipline, per opleiding en desnoods per student en docent om te kijken wat er per opleiding beter kan. Ik heb het gisteren, met de minister, mogen meemaken toen ik te gast was bij de HO-Tour. De onderwijsliteratuur laat zien hoe moeilijk het is om goede kwaliteitscriteria te verzinnen voor het onderwijs. Daarom lijkt het mij een uitstekend idee om dat vandaag niet dicht te timmeren, maar om dit in het vervolg van dit wetsvoorstel, binnen de ruimte die dit wetsvoorstel straks ook financieel zal bieden, met elkaar te bespreken.

De heer De Lange (OSF):

Daar kun je natuurlijk uitgebreid over van mening verschillen. Daar zal ik in mijn eigen bijdrage op ingaan. Dat lijkt mij het beste.

De heer Kuiper (ChristenUnie):

De heer Bruijn en ik zullen niet verschillen van mening als het gaat om het belang van de investeringen in hoger onderwijs. Dit is inderdaad in de lijn van de commissie-Veerman. Wij verschillen wel van mening over de bron waar dat geld gevonden moet worden. Ik heb nog wel een vraag aan de heer Bruijn. Vindt hij dat straks, als de ontwikkelingen op gang komen die hij beschrijft, alle hogescholen en universiteiten in Nederland op gelijke wijze een deel moeten kunnen krijgen van die investeringen? Hoe ziet hij dat voor zich?

De heer Bruijn (VVD):

Dat is nu typisch iets wat uitgewerkt zal worden en wat wij vandaag niet dichttimmeren. Dus ik geef daar geen antwoord op. Het belangrijkste is in ieder geval dat alle instellingen, alle studenten en alle docenten betrokken raken bij dit debat. Hoe die middelen vervolgens verdeeld worden, hangt af van de uitkomst van het debat. Het kan zijn dat er een instelling is of, liever gezegd, een opleiding waar alle studenten, alle docenten en alle objectief meetbare parameters van zeggen: deze opleiding is zo goed; daar hoeven we niks aan te verbeteren. Dan zullen in het verlengde daarvan minder van de extra middelen naar die opleiding stromen en dan zal misschien een andere opleiding, waarvoor wij met z'n allen meer ruimte voor verbetering nodig vinden, meer geïnvesteerd worden. Ik vind dat maatwerk het mooie van dit wetsvoorstel.

De heer Kuiper (ChristenUnie):

Hoe ziet de heer Bruijn dat proces voor zich? Dat gaat dan gebeuren op al die hogescholen en universiteiten. Er worden ideeën ontwikkeld en voorstellen gedaan. Is men dan afhankelijk van een soort trekkingsrecht of beschikking van een ministerie? Hoe ziet hij dat voor zich?

De heer Bruijn (VVD):

Nogmaals, dat gaan we vandaag niet dichttimmeren. Ik verwijs naar het experiment dat vooruitlopend hierop is gedaan met de prestatie-afspraken door de commissie-Van Vught. De commissie heeft gezegd: we geven een klein deel van het budget van de instellingen niet aan de hand van de parameters die we allemaal pervers vinden, namelijk aantallen studenten en aantallen diploma's, maar aan de hand van kwaliteitscriteria waar de instellingen, de studenten en docenten zelf mee komen. Dat experiment is kennelijk geslaagd. Je kunt daar natuurlijk van alles op aan te merken hebben, maar in de evaluatie die wij hebben gekregen, is men lovend. En op basis van wat ik om mij heen zie, is dat ook goed. Ik noem daar zelf de Sirius-criteria bij, die ook door de instellingen zelf zijn ontwikkeld in overleg met studenten. Dat gaat over de excellentietrajecten. Hoe ga je dat vervolgens exact doen? Laten we dat nu vooral eens overlaten aan de student, de docent en de opleiding en laten we dat nu niet vandaag hier dichttimmeren.

Voorzitter. Ik rond af. Alles overziend, als wij om ons heen kijken naar de samenleving van vandaag en de sociaal-culturele en economische uitdagingen waar onze jongeren straks voor zullen komen te staan, is er absoluut geen betere en meer noodzakelijke investering dan die in goed onderwijs. Wij zijn hier in ieder geval verenigd in ons streven naar beter onderwijs. Het is niet meer dan redelijk dat die jongeren zelf daar dan ook een bijdrage aan leveren. Een solidaire bijdrage, die met hooguit enkele percentages van het inkomen niet groter is dan de bijdrage die deze regering aan alle Nederlanders vraagt om de noodzakelijke hervormingen in het algemeen mogelijk te maken en om Nederland en zijn publieke stelsel, dat van ons allemaal is, klaar te maken voor de toekomst.

Ik wacht de beantwoording door de regering met veel interesse af.


De heer Sörensen (PVV):

Voorzitter, collega's en andere aanwezigen. We staan vandaag voor een belangrijke politieke besluitvorming. Ik ga het daar niet al te lang over hebben omdat dit wetsvoorstel uitentreure, overigens volkomen terecht, in de Tweede Kamer is behandeld en is geamendeerd en omdat onze commissie daarover ook in twee vragenrondes grondig haar licht heeft doen schijnen.

Wij staan nu voor een politieke afweging als we de berichten bekijken, waar onze fractie trouwens gelukkig mee is. In mijn maidenspeech zei ik al dat deze Kamer een politiek lichaam is, zoals nu weer eens wordt bewezen. Ik hoop dat mijn collega's zich bij de politieke afweging die we vandaag gaan maken, vooral laten leiden door hun partijprogramma in plaats van door achteraf gemaakte afspraken.

Voor ons ligt de wet die Wet studiefinanciering 2000 wordt genoemd maar die wij liever betitelen als de wet op de studielening, want dat is de kern van de zaak. Wij trappen niet in eufemismen. Het is dus een bezuiniging. Mijn fractie is van mening dat die niet kan en mag worden gedragen door de generaties die in de toekomst dit land gaan besturen en die toch al met zoveel schulden worden opgezadeld.

Wat ons eigenlijk het meest tegen de borst stuit, is dat al die politieke partijen die voortdurend zeggen dat er extra moet worden geïnvesteerd in het onderwijs, hier dan toch mee akkoord gaan. Ik heb net ook van collega Bruijn gehoord dat dat geld wordt weggehaald en daarna wordt geherinvesteerd. Dat zijn allemaal zaken waarvan we nog maar moeten zien dat het gebeurt. Bovendien is het allemaal nog veel te vaag. Studenten en docenten gaan dit met elkaar bepalen, maar mijn ervaring in het onderwijs is dat dat — al zal dat nu niet het geval zijn — meestal leidt tot hogere salarissen van het hogere kader.

Deze wet is ook een inperking van de keuzevrijheid van de studenten, met name van die studenten die van huis uit een wat mindere beurs hebben. Collega Essers noemde terecht al de middeninkomens, de mensen die in dit land de belastingen opbrengen, de mensen die 's ochtends om 9 uur naar hun werk gaan en die 's avonds weer thuiskomen nadat ze hard gewerkt hebben, de mensen in het midden- en kleinbedrijf, van wie trouwens het salaris nogal fluctueert. Hoe wordt daarmee rekening gehouden? Hoe wordt er rekening gehouden met een winkelier, een kleine ondernemer van wie het salaris van het ene jaar op het andere flink kan verschillen?

Is dat nu de emancipatie? Ik heb ooit eens een politiek leider horen zeggen dat hij gek was op gelijkschakelen. Is dit dat nu wat wij ten koste van die hardwerkende Nederlanders gaan doen? Hun kinderen hebben toch ook recht op studeren en op net zo veel mogelijkheden als anderen?

Dit wetsvoorstel zadelt studenten, met name uit de middeninkomens, op met een jarenlange schuld. Onlangs heb ik gehoord dat Nederland het meest spaarzame volk is en dat wij Nederlanders zelfs wanneer wij amper rente krijgen toch braaf naar de spaarbank gaan, want zo zijn wij opgevoed. Maar klaarblijkelijk wil de regering daarvan af. Dat is een probleem, want in mijn stad — ik hoef niet te zeggen welke dat is — is 15% van de volwassenen onder de armoedegrens terechtgekomen door leningen. Wat doet onze overheid nu? Die zegt: ga lenen, dat is fantastisch. Wij geven dus het slechte voorbeeld.

Wat doet het met iemand die afgestudeerd is en die daarna 35 jaar tegen een lening aankijkt? De regering stelt dat dat geen lening is maar een investering, die zichzelf later ruimschoots terugverdient door een hoger inkomen. Maar er wordt nu al rekening mee gehouden dat het wel eens net zo kan zijn als met het minimumloon, al heb je zo'n studie gedaan. Natuurlijk weet de minister wat het salaris is van een onderwijzer. Moet die dan nog eens extra belast worden, zeker als je dat salaris vergelijkt met dat van een gewone handwerker, zoals mijn zoon die elektricien is, of van een havenarbeider in Rotterdam? Dat zijn allemaal mensen die veel meer verdienen maar die geen studieschulden hebben.

De regering stelt ook in antwoord op een vraag van mijn collega Reynaers dat deze maatregel zo een beetje bijdraagt aan de financiële bewustwording van de student. Zoiets hoorde ik ook tussen de regels door van collega Bruijn, die het wat mooier verwoordde. Ongelooflijk toch, die financiële bewustwording van de student? Zullen we dat niet gewoon overlaten aan de ouders en aan de studenten zelf? Moet de overheid hier als schoolmeester optreden?

Studenten lenen tegen een bepaalde rente. Die rente fluctueert. Is de minister bereid de rente van de leningen mee te laten gaan met die fluctuaties, zodat de overheid nimmer meer rente ontvangt dan zij zelf betaalt voor die leningen? Dit is een vraag aan de minister, maar ik zie dat collega Bruijn die vraag al gaat beantwoorden voor haar.

De heer Bruijn (VVD):

Ik heb twee vragen aan de heer Sörensen. De eerste gaat over de financiële bewustwording. Dat woord heb ik in mijn inbreng niet gebruikt. Ik heb het wel gehad over de signalering door het Nibud dat er bij studenten eerder sprake is van leenzucht dan van leenangst en dat dat dus in die zin wellicht kan bijdragen aan het gedrag van studenten als zij nu leren om te lenen voor een investering.

De heer Sörensen (PVV):

Dat bedoelde ik. Ik denk dat we dat best aan studenten en hun ouders kunnen overlaten.

De heer Bruijn (VVD):

Dank voor deze correctie. Mijn tweede vraag gaat over de zorgen dat het geld zou verdwijnen in de basisbekostiging, bijvoorbeeld in het salaris van docenten. Die zorgen deel ik met u, net als alle partijen in de Tweede Kamer, want die hebben geleid tot de motie-Bisschop op stuk nr. 49, die regelt dat de basisbekostiging op grond van de algemene berekeningswijze onderscheiden is van de aanvullende bekostiging op grond van de kwaliteitsafspraken. Dus het geld kan nooit in die basislumpsum naar de salarissen verdwijnen. U was daarvoor. Wij zijn daar ook voor. Ziet u nu toch nog een gat in deze motie? Gaat u een aanvullende motie indienen, of was u die motie even vergeten?

De heer Sörensen (PVV):

Ik was die even vergeten.

De heer Ganzevoort (GroenLinks):

Was de heer Sörensen misschien ook vergeten hoeveel de PVV bezuinigt op het onderwijs?

De heer Sörensen (PVV):

Nee.

De heer Ganzevoort (GroenLinks):

Mooi. Dan is namelijk de hele klacht over bezuinigingen waarmee de heer Sörensen begon een beetje een grote broek. Als wij zien dat de PVV zelf 1,9 miljard op onderwijs bezuinigt, waarvan 0,2 miljard op hoger onderwijs, dan moet hij hier niet mee aankomen.

De heer Sörensen (PVV):

Waarom niet? Wij hebben die bezuiniging wel degelijk ingevuld, ongeveer net zoals collega Gerkens zei. Maar ik sprak niet over onszelf en ook niet over de SP maar wel over andere partijen, zoals uw partij.

De heer Ganzevoort (GroenLinks):

Waaronder een verhoging van het eerstejaars collegegeld.

De heer Sörensen (PVV):

Ja.

Ik ga over naar mijn volgende punt.

Als ik deze wet lees en doorreken, met alle vragen daaromheen, dan zie ik nog iets ander voor me, namelijk de grote bureaucratie. Deze wet zal leiden tot een gruwelijke ambtelijke rompslomp. Lees de wet door zoals die na amendering door de Tweede Kamer is gekomen en de bureaucratie staart je aan. Daarop zitten we niet te wachten. Als je de wet goed bekijkt, zou je eigenlijk ieder jaar met aanpassingen moeten komen voor iedere student, en zou je iedere keer weer moeten berekenen wat er thuis verdiend wordt. Dat lijkt mij toch een zeer moeilijke en bureaucratische zaak. Ik vraag mij af hoe de minister dit wil gaan doen.

Voorzitter, ik had u beloofd dat ik het niet te lang zou maken. Ik ben zoals men weet vrij laat in de politiek gekomen. Mijn politieke voorbeeld Fortuyn vertelde me altijd dat je als je iets afkraakt, eigenlijk ook met een alternatief moet komen. Ik heb daar met mijn fractie goed naar geluisterd.

Eén punt is hier slechts terloops besproken maar wel in de commissie, namelijk de kinderbijslag. Als je ouder bent dan 16 jaar en gaat studeren, dan gaat de kinderbijslag alsnog naar het onderwijs. Ik begrijp dat het iets totaal anders is, maar waarom wordt er niet eens gekeken naar de toch voor een groot deel achterhaalde extra bijdrage die bij huishoudens met een laag inkomen gewoon in het gezinsbudget opgaat? Kinderbijslag is gewoon een extra inkomen voor het totale gezin. Waarom wordt dit geld niet gestort op een rekening ten name van het kind waarvoor het bedoeld is, zodat het ook indien de tijd er rijp voor is, als het kind het echt nodig heeft, bijvoorbeeld kan worden gebruikt voor studiefinanciering? Dat is mijn alternatief. Ik begrijp dat ik dat eigenlijk in een andere commissie naar voren zou moeten brengen, maar laten wij er eens naar kijken.

Mijn fractie ziet voorlopig nog te veel bezwaren tegen dit wetsvoorstel. Ik zal mijn fractie derhalve adviseren — maar dat is uiteraard aan de fractie — om tegen te stemmen.


Mevrouw Sent (PvdA):

Voorzitter. Vandaag behandelen wij het voorstel tot omvorming van de basisbeurs in het hoger onderwijs tot een studievoorschot, met als doel een doelmatiger en rechtvaardiger stelsel en een kwaliteitsverbetering in het hoger onderwijs. Voor de PvdA is het cruciaal dat bij een verhoging van de eigen bijdrage van studenten aan de studie, iedereen die wil en kan studeren, ook de financiële ruimte voelt om te gaan studeren.

Het verheugt mijn fractie dan ook dat de verhoging van de eigen bijdrage voor studenten in het hoger onderwijs geflankeerd wordt door een forse verlichting van de maandelijkse terugbetaallasten. Denk hierbij aan de mogelijkheid tot verlenging van de terugbetaaltermijn naar 35 jaar, ingaand twee jaar na het behalen van het diploma. Of aan de verlaging van het percentage van het meerinkomen dat een student maximaal hoeft in te zetten voor aflossing van het voorschot van 12% tot 4%. Ook gaat de aflossingsverplichting pas gelden vanaf 100% van het wettelijk minimumloon, inclusief 8% vakantietoeslag, terwijl dat nu 84% is en voor huishoudens 143%.

Voorts blijft de mogelijkheid om tijdelijk een terugbetaalpauze in te lassen voor maximaal vijf jaar, verspreid over twintig kwartalen; de zogenoemde jokerjaren.

Ook steunen wij de verhoging van de aanvullende beurs met €100 voor studenten van ouders met een lager inkomen, zodat zij niet op financiële gronden af hoeven te zien van een studie in het hoger onderwijs.

Voorts is de PvdA blij dat de onder het vorige kabinet geplande versoberingen op de aanvullende beurs zijn teruggedraaid.

Graag citeer ik uit een bericht, opgesteld door de Jonge Socialisten in de PvdA, samen met de Jonge Democraten en de JOVD: "Wij zijn ervan overtuigd dat het geld dat nu aan het levensonderhoud van studenten wordt besteed, beter op zijn plek is als investering in de kwaliteit van het onderwijs. Tegelijkertijd wordt de toegankelijkheid van het onderwijs gewaarborgd door een hogere aanvullende beurs en gunstige afbetalingsvoorwaarden." Deze argumenten voor het voorliggende wetsvoorstel onderschrijft mijn fractie van harte.

Met een ander argument heeft mijn fractie evenwel grote moeite, namelijk de zogenaamde businesscase voor studeren. Volgens de regering is er sprake van een veranderend paradigma ten aanzien van studenten en studiefinanciering, van de zelfstandige student naar de investerende student. Gezien de hoge persoonlijke opbrengsten van de opleiding is het niet meer dan logisch om van studenten ook een hogere eigen bijdrage te vragen voor de kosten die zij maken tijdens hun studie, aldus de regering.

Mijn fractie meent juist dat het studenten niet alleen gaat om individueel profijt maar ook om het ontplooien van individueel talent, om bildung, deels ten behoeve van de samenleving. Wij menen dat het ontplooien van talenten ten behoeve van zowel zichzelf als de samenleving juist de motivatie zou moeten zijn voor jongeren om te gaan studeren. Wij achten het dan ook niet wenselijk om jongeren in termen van rendement en profijt aan te spreken, in plaats van een beroep te doen op de verantwoordelijkheid van deze jonge mensen om hun talenten te ontplooien, ook ten behoeve van de samenleving. Wij houden dit pleidooi voor de verantwoordelijke student juist vanuit sociaaldemocratisch perspectief, zo zeg ik tegen collega Bruijn.

Wij vragen de minister dan ook of de vormende, verheffende taak van hoger onderwijs onder druk zou komen staan door de nadruk op individueel profijt. Hoe kan zij voorkomen dat met dit wetsvoorstel de student uitsluitend of voornamelijk wordt aangesproken als calculerende, slechts op het eigen profijt gerichte burger?

Zo zou een onbedoeld neveneffect van het voorliggende wetsvoorstel kunnen zijn dat de inkomensongelijkheid toeneemt. Immers, het zou ertoe kunnen leiden dat studenten zich later gelegitimeerd voelen hogere salarissen te eisen. Zij hebben er immers voor geleend en die investering moet toch terugkomen? Daardoor zouden de inkomensverschillen met mensen die niet hebben gestudeerd en die daarvoor dus niet hebben moeten investeren, groter kunnen worden. Acht de minister dit wenselijk? Zo nee, welke consequenties verbindt zij daaraan?

Mijn fractie is blij met de extra financiële middelen die als gevolg van het voorliggende wetsvoorstel vrijkomen voor het hoger onderwijs.

Mevrouw Gerkens (SP):

Mevrouw Sent stelt een aantal vragen over zaken waar zij zich ongerust over maakt, namelijk dat verdere individualisering wordt toegejuicht door dit wetsvoorstel. Hoe zou dit nu volgens haar kunnen worden voorkomen? Ik denk dat de angst die zij hier uit terecht is.

Mevrouw Sent (PvdA):

Ik denk dat het heel belangrijk is om in de communicatie aan de studenten de nadruk te leggen op de verantwoordelijke student die een bijdrage levert aan de samenleving.

Mevrouw Gerkens (SP):

Het is toch niet per definitie zo dat je als je nu een hogere opleiding volgt, je ook dat betere salaris gaat verdienen? Dan lijkt het mij logisch dat de student een calculerende beslissing neemt, namelijk: laat ik maar geen leraar worden, want daar verdien niet zoveel mee. Vervolgens zul je zien dat die kwaliteit in het bedrijfsleven gaat werken. Volgens mij krijgen wij dan precies op de plekken waar we die kwaliteit hard nodig hebben, een aderlating. Mevrouw Sent kan nu wel een beroep doen op de verantwoordelijkheid van de student, maar de overheid doet een beroep op het inkomen van de student. Dus volgens mij zit daar toch echt een spagaat.

Mevrouw Sent (PvdA):

Die verantwoordelijke student krijgt onderwijs van een betere kwaliteit. Dat vinden wij allemaal belangrijk. De vraag is hoe je daarvoor de middelen vrijmaakt en hoe je het geld in het hoger onderwijs het best kunt uitgeven. Daarvan zeggen wij met onze jongeren in de PvdA dat je dat geld beter kunt uitgeven aan de kwaliteit van onderwijs dan aan het levensonderhoud van de studenten.

De voorzitter:

Tot slot, mevrouw Gerkens.

Mevrouw Gerkens (SP):

Of je haalt het weg bij het hoger management. Dat is ook een keuze die je kunt maken. Maar het antwoord van mevrouw Sent is geen antwoord op de vraag hoe zij denkt te voorkomen dat studenten nu gaan kiezen voor opleidingen waarmee ze per definitie veel geld verdienen en niet voor opleidingen waarvan wij zeggen dat die in onze maatschappij heel hard nodig zijn, zoals in de zorg of het onderwijs. Dat probleem noemde mevrouw Sent ook al. Ik heb geen antwoord gehoord.

Mevrouw Sent (PvdA):

Ik heb ten eerste gezegd dat het belangrijk is om in de communicatie de nadruk te leggen op de verantwoordelijke student. Daarnaast wordt inderdaad een aantal studenten mogelijk onevenredig zwaar getroffen die daarop hun studiekeuze zullen aanpassen. De minister heeft toegezegd in de Tweede Kamer om dat heel zorgvuldig te monitoren en om actie te ondernemen als er onwenselijke effecten zijn.

De heer Kuiper (ChristenUnie):

Mevrouw Sent maakte een paar passages terug de opmerking dat de emanciperende werking van het hoger onderwijs niet verloren mag gaan door deze maatregel, maar waar doelt zij dan precies op? Waar ziet zij het gevaar? Zijn er bepaalde groepen die gevaar lopen?

Mevrouw Sent (PvdA):

Het gevaar zou zijn dat je, als je de student vooral aanspreekt op het eigen financiële gewin, een burger creëert waar wij ons als sociaaldemocraten zorgen over maken. Wij willen juist mensen die zich met de verheffing inzetten voor de samenleving. Wij menen dat als het geld doelmatig en rechtvaardig wordt besteed in het hoger onderwijs en als de kwaliteit van het hoger onderwijs daarmee gediend is, daarmee die doelstelling kan worden bereikt.

De heer Kuiper (ChristenUnie):

De commisssie-Veerman noemde twee groepen die achterblijven als het gaat om deelname aan het hoger onderwijs, namelijk sociaaleconomisch zwakkere groepen en allochtone groepen. Is uw vrees dan dat door deze maatregelen, door deze manier om de financiering te leggen bij de student zelf, met name deze groepen niet mee zouden kunnen komen in het hoger onderwijs?

Mevrouw Sent (PvdA):

Juist niet. Wij zijn buitengewoon blij met het flankerend beleid, de beperking van de maandelijkse terugbetaallasten en de verhoging van de aanvullende beurs voor lagere inkomensgroepen. Wij menen dat daarmee de toegankelijkheid van het hoger onderwijs geborgd blijft. Tegelijkertijd zijn wij blij dat dit gemonitord wordt en dat er actie wordt ondernomen, mochten er onwenselijke effecten optreden.

De heer Kuiper (ChristenUnie):

U noemde niet alleen toegankelijkheid maar ook rechtvaardigheid van het stelsel belangrijk. Het zal straks zo zijn dat sommige studenten die het hoger onderwijs hebben doorlopen, met een heel hoge schuld zitten omdat zij alles hebben moeten lenen, zelfs met een aanvullende beurs, terwijl andere studenten geen schuld hebben opgebouwd omdat zij ouders hebben die de studie hebben kunnen betalen. Dat geeft mensen dus een ongelijke startpositie op de arbeidsmarkt. Vindt u dat rechtvaardig?

Mevrouw Sent (PvdA):

Die positie hebben ze nu ook al. Er is nu ook verschil tussen hoeveel kinderen uit lagere en uit hogere inkomensgroepen lenen. Wat het wetsvoorstel juist doet, is een aantal verzachtende maatregelen invoeren waardoor voor lagere inkomens de toegankelijkheid geborgd blijft. Per saldo zal de extra lening gemiddeld €6.000 zijn volgens de berekeningen van het Centraal Planbureau.

De heer Kuiper (ChristenUnie):

Ik bestrijd dat de betekenis van lenen in dit wetsvoorstel gelijk te stellen zou zijn met de opstap die iedere student nu krijgt door middel van een basisbeurs. Daarin zit het element van gelijkheid en rechtvaardigheid.

Mevrouw Sent (PvdA):

Dat was geen vraag maar een opmerking.

De heer Koffeman (PvdD):

Collega Sent spreekt haar zorg uit over het feit dat onderwijs zou kunnen tenderen in de richting van een rendementssysteem of een businesscase en dat dat niet de bedoeling kan zijn. Zij heeft daarover een vraag aan de minister, van wie zij wil weten welke consequenties deze verbindt aan die zorgen. Zijn die zorgen voor de PvdA zo essentieel dat dus nog niet vaststaat dat er, als de minister daarop niet bevredigend antwoordt, wordt ingestemd met dit wetsvoorstel?

Mevrouw Sent (PvdA):

Wij hebben altijd de goede gewoonte om ons stemgedrag te laten afhangen van het plenaire debat. Anders zouden wij geen plenair debat hoeven voeren.

De heer Koffeman (PvdD):

Het is geweldig dat u het zo spannend maakt!

Mevrouw Sent (PvdA):

Mijn fractie is blij met de extra financiële middelen die als gevolg van het voorliggende wetsvoorstel vrijkomen voor het hoger onderwijs, maar heeft vragen over de specifieke aanwending van dit geld. In het akkoord over het studievoorschot is afgesproken dat de middelen die vrijkomen als gevolg van dit wetsvoorstel, zullen worden geïnvesteerd in het hoger onderwijs en zullen worden gekoppeld aan de strategische plannen van de instellingen en de kwaliteitsafspraken die gemaakt worden met het ministerie, zo lezen wij in de memorie van antwoord. De vraag hoe dit vorm krijgt, wordt pas beantwoord na de evaluatie van de prestatieafspraken. Dan is blijkens de memorie van antwoord pas de vraag aan de orde in hoeverre de vrijkomende middelen in de vorm van aanvullende bekostiging op grond van kwaliteitsafspraken worden toegekend en welk deel aan de basisbekostiging wordt toegevoegd.

Ware het niet beter geweest duidelijkheid over de aanwending van de vrijvallende financiële middelen te verschaffen alvorens deze af te romen, zo vraagt mijn fractie aan de minister.

De heer Essers (CDA):

Is die laatste vraag nu een retorische of een open vraag?

Mevrouw Sent (PvdA):

Wij stellen open vragen en hopen dat de minister ons adequaat antwoordt op onze vragen.

De heer Essers (CDA):

Met alle respect, we hebben twee uitgebreide schriftelijke rondes gehad waarin dit punt herhaaldelijk is teruggekomen. U hebt toch wel een voorlopig standpunt over die vraag, naar ik aanneem? Dat is toch volstrekt open?

Mevrouw Sent (PvdA):

Wij hebben er begrip voor, zoals ook al in het debat met de heer Bruijn naar voren is gekomen, dat het belangrijk is om de evaluatie van de prestatieafspraken af te wachten. Die evaluatie geeft volgens een voorlopige rapportage het vertrouwen dat een verbetering mogelijk is en dat er kwaliteitsafspraken kunnen worden gemaakt. Bovendien vinden wij het ook belangrijk dat die kwaliteitsafspraken door de instellingen gedragen worden met instemming van de studenten en van het personeel in plaats van dat er van bovenaf wordt opgelegd hoe de kwaliteit volgens het ministerie zou kunnen worden verbeterd.

De heer Essers (CDA):

Vindt u dat, als die afspraken gemaakt zijn, er ook echt mechanismen moeten komen om ze af te dwingen en om te controleren of ze worden nagekomen, bijvoorbeeld door visitatieprocedures?

Mevrouw Sent (PvdA):

Daarop geef ik hetzelfde antwoord als de heer Bruijn. Dat is vooruitlopen op de afspraken die uiteindelijk met de instellingen gemaakt zullen worden. Het is niet helemaal hopen dat het allemaal goedkomt. Vooralsnog geven de prestatieafspraken en het overzicht van de effecten tot nu toe het vertrouwen dat ook met de kwaliteitsafspraken een goede vooruitgang zal kunnen worden geboekt in het verbeteren van de kwaliteit in het hoger onderwijs.

De voorzitter:

Tot slot, mijnheer Essers.

De heer Essers (CDA):

Ik vind dat toch gek. Afspraken maken is één ding maar je zult toch ook mechanismen moeten inbouwen om te borgen dat die afspraken worden nagekomen? Dat kun je toch niet helemaal overlaten aan het vrije krachtenspel?

Mevrouw Sent (PvdA):

Die mechanismen zijn er nu ook. Zo is er instemmingsrecht van personeel en van studenten binnen het wetsvoorstel. Er worden evaluaties naar de Kamer gestuurd. Daarover wordt gedebatteerd, er volgen AMvB's. Dus die mechanismen zijn niet zo vrij als collega Essers mogelijk wil suggereren.

Ware het niet beter geweest duidelijkheid over de aanwending van de vrijvallende financiële middelen te verschaffen alvorens deze af te romen, zo vroeg ik zojuist aan de minister. Geeft de midtermreview van de prestatieafspraken hoger onderwijs de minister hierbij het vertrouwen dat er afspraken gemaakt kunnen en zullen worden die tot een kwaliteitsverbetering zullen leiden en zo ja, waarom? Welke voorlopige lessen trekt zij uit de midtermreview voor de toekomstige vormgeving van de kwaliteitsafspraken?

Hoe meent de minister het risico te kunnen vermijden dat kwantitatieve indicatoren een doel op zich worden? Die vraag stel ik samen met D66. Hoe voorkomt zij dat geoormerkte gelden voor kwaliteitsverbetering verwachtingen oproepen die niet kunnen worden waargemaakt? En welke rol is er voor medewerkers en studenten weggelegd in de besluitvorming over de aanwending van de vrijvallende financiële middelen? Dit zijn veel vragen, omdat er nog onduidelijkheid bestaat. Mijn fractie hoopt dat de minister tijdens dit plenaire debat ons de gewenste duidelijkheid weet te verschaffen. Met andere woorden, het zijn open vragen en geen retorische vragen.

Graag vraagt de PvdA de aandacht van de minister voor de positie van een aantal groepen studenten. De eerste betreft studenten met een functiebeperking. Studenten die als gevolg van hun handicap of chronische ziekte studievertraging oplopen, en wier studiefinancieringsduur door DUO is verlengd met een jaar, kunnen aanspraak maken op een eenmalige kwijtschelding van €1.200 als zij binnen de diplomatermijn met goed gevolg een hbo-bacheloropleiding, een wo-bachelor of een wo-masteropleiding afronden. Deze kwijtschelding zal plaatsvinden tegelijkertijd met de omzetting van de prestatiebeurs, maar tot die kwijtschelding kan al tijdens de studie voorwaardelijk worden besloten.

De kwijtschelding is gelijk aan een extra jaar thuiswonendenbeurs in het huidige stelsel. Uitwonende studenten met een functiebeperking gaan er evenwel in het nieuwe stelsel meer dan €2.000 op achteruit. Ook studenten met een functiebeperking die meer dan een jaar studievertraging oplopen, worden onevenredig hard getroffen. Acht de minister dit met mijn fractie onwenselijk? Zo ja, welke mogelijkheid ziet zij om studenten met een functiebeperking verder tegemoet te komen?

De tweede groep die speciale aandacht behoeft, betreft mbo-doorstromers. Als mbo'ers met studieschuld doorstromen naar het hoger onderwijs, worden de afbetalingsvoorwaarden automatisch omgezet naar het nieuwe afbetalingsstelsel. Daarmee worden de nieuwe afbetalingsvoorwaarden met terugwerkende kracht van toepassing op de oude studieschuld. Deze omzetting naar het nieuwe stelsel vindt evenwel niet plaats wanneer een hbo'er doorstroomt naar het wo.

Graag ontvangt mijn fractie een dragende motivering van de minister voor dit verschil tussen mbo'ers en hbo'ers die willen doorstromen. Voorts vernemen wij graag van de minister hoe zij de rechtszekerheid van mbo-scholieren hierin beoordeelt.

En dan zijn er groepen studenten die mogelijk onevenredig zwaar worden getroffen omdat hun studie meer tijd in beslag neemt dan gemiddeld. Denk hierbij aan geneeskundestudenten die coschappen lopen en daardoor weinig tot geen tijd overhouden om bij te verdienen. Voor studenten in deze situatie zijn er twee oplossingen: ofwel zij behouden de basisbeurs, ofwel zij ontvangen een vergoeding voor hun coschappen, net zoals studenten die stage lopen een stagevergoeding ontvangen. Deelt de minister onze zorgen? Welke mogelijkheid ziet zij dan om deze studenten tegemoet te komen? Of denk aan studenten met een relatief zware bacheloropleiding of een meerjarige masteropleiding. Deze studenten eindigen mogelijk met een hogere studieschuld dan de gemiddelde bachelor- en masterstudent. Acht de minister dit wenselijk? Zo nee, welke oplossingen is zij bereid deze studenten te bieden?

De laatste, en zeker niet de onbelangrijkste groep, betreft studenten die momenteel een bacheloropleiding volgen en als gevolg van het voorliggende wetsvoorstel bij het volgen van een masteropleiding geconfronteerd zouden worden met een nieuw studiefinancieringsstelsel. Dat wil zeggen, wanneer ze vanaf 1 september 2015 met een master beginnen, worden ze geconfronteerd met het feit dat ze een vierde jaar basisbeurs niet meer als gift krijgen bij het halen van hun diploma. Daarmee ontvangt een student die nominaal studeert uiteindelijk minder inkomensondersteuning dan hij of zij op grond van de WSF 2000 aan het begin van zijn of haar studie mocht verwachten. Daarmee wordt voorts plotseling onderscheid gemaakt tussen huidige hbo-studenten met vier jaar prestatiebeurs en behoud van volledige rechten en wo-studenten met drie jaar prestatiebeurs.

Hoe verhoudt dit zich tot de rechtszekerheid van de huidige wo-bachelorstudenten? Dit verneemt mijn fractie graag van de minister. Bij de keuze om te gaan studeren en bij de keuze welke studie zij gaan volgen, hebben deze studenten immers de nieuwe regels niet kunnen meewegen. En wat gaat de minister doen wanneer blijkt dat van de huidige bachelorstudenten sommigen om puur financiële redenen overwegen niet met een masterstudie te beginnen, omdat zij er op hadden gerekend ook tijdens de master nog een basisbeurs te ontvangen?

Het kan op de instemming van mijn fractie rekenen dat de regering na invoering van het wetsvoorstel de effecten op de toegankelijkheid goed blijft monitoren, zodat zo nodig tijdig bijgestuurd kan worden. Daartoe is de regering aangespoord door in de Tweede Kamer breed gesteunde moties. Daarin wordt de regering opgeroepen om de gevolgen van de maatregelen voor studenten in kaart te brengen, met name voor degenen die afkomstig zijn uit gezinnen met lage inkomens, zo zeg ik tegen de senator van de ChristenUnie. Tevens wordt de regering verzocht om na vier jaar een tussentijdse monitoring uit te voeren en daarbij de onderwijsinstellingen en studentenbonden actief te betrekken. Daarnaast wordt de regering verzocht om studenten een rol te geven in het vaststellen van de opzet en wijze van uitvoering van de monitoring.

Dit zal de regering onder andere doen aan de hand van instroom-, doorstroom- en uitvalcijfers, en door leengedrag, studievoortgang en studietempo te monitoren. En met de meerderheid van de Tweede Kamer onderschrijft mijn fractie de behoefte aan een kader voor de bedragen die vanuit het profileringsfonds kunnen worden uitgekeerd om jongeren die buiten hun schuld om of door extracurriculaire activiteiten langer doen over hun studie op een meer inzichtelijke manier te compenseren.

Al dat monitoren roept bij mijn fractie wel de vraag op wanneer de minister de effecten van het voorliggende wetsvoorstel onwenselijk acht. Bij welke verandering van de instroom-, doorstoom- en uitvalcijfers zal zij komen met een aanpassing van het studievoorschot? En bij welke verandering van het leengedrag, de studievoortgang en het studietempo meent zij de vormgeving van het stelsel van studiefinanciering te moeten aanpassen?

Een stelselwijziging zoals wij die vandaag bespreken, vraagt om zeer zorgvuldige voorlichting. Het spijt ons bijzonder dat het onze Kamer niet is gelukt de behandeling voor de aanmeldingsdeadline voor de decentrale selectie van 15 januari af te ronden. Het Nibud pleit er hierbij voor dat studenten een zogenaamde "nudge" kunnen krijgen om zo snel mogelijk af te lossen. Dit kan door het benadrukken van de voordelen van zo snel mogelijk aflossen en de standaardoptie aflossen in 15 jaar te maken, met een termijn van 35 jaar als opt-outmogelijkheid.

De heer Koffeman (PvdD):

Collega Sent zegt dat het haar spijt dat wij dit wetsvoorstel niet hebben kunnen afronden voor de termijn waarop studenten zich konden aanmelden. Studenten hebben dit vorige week moeten doen. Zij hebben zich nu ergens voor aangemeld zonder de financiële consequenties daarvan te kennen. Bij elke manier om schulden aan te gaan, wordt zo'n werkwijze afgewezen. Wijst de PvdA die werkwijze van de regering ook af? Vindt mevrouw Sent het onacceptabel dat studenten niet weten voor welke schulden zij vorige week hebben getekend als dit wetvoorstel wordt aangenomen?

Mevrouw Sent (PvdA):

Die studenten kunnen hun aanmelding altijd nog terugtrekken als het wetsvoorstel wordt aangenomen. Zij zijn daarmee geen verplichting aangegaan.

De heer Koffeman (PvdD):

U gaat er dus gemakshalve van uit dat er eigenlijk maar twee keuzes voor studenten zijn: of zij maken hun aanmelding ongedaan of zij laten haar in stand. Het feit dat er een volledig nieuwe studiefinanciering komt, noemt u niet meer dan spijtig. U verbindt daar geen gevolgen aan.

Mevrouw Sent (PvdA):

De studenten kunnen op basis van het nieuwe stelsel van studiefinanciering een weloverwogen beslissing nemen. Ik roep het Nibud op om samen met de overheid een campagne te voeren waarin studenten op hun verantwoordelijkheid worden aangesproken. Studenten moeten een duwtje krijgen zodat zij geen onverantwoord hoge schulden aangaan.

De heer Koffeman (PvdD):

Ik stel vast dat de PvdA nu tegen studenten zegt: take it or leave it. Ik vind dat in strijd met de spijt die mevrouw Sent zojuist uitsprak. Zij geeft studenten alleen de volgende mogelijkheid: als het nieuwe systeem je niet bevalt, dan ga je toch lekker niet studeren. Een andere studie zit er niet meer in omdat zij zich vorige week hadden moeten aanmelden.

Mevrouw Sent (PvdA):

Ik kom zo dadelijk terug op degenen die besluiten om vanwege de maatregelen niet te gaan studeren. Ik zal daar mijn zorg over uitspreken en ik hoop dat dit de heer Koffeman goed zal doen.

Ik was gebleven bij de voorlichting en de rol van het Nibud. Daarnaast kan mogelijk de aanloopfase afgeschaft worden en kunnen studenten direct beginnen met aflossen, gecombineerd met een eventuele verhoging van de "jokerjaren" met twee jaar. De studenten behouden immers sowieso het uitstel van terugbetaling als het financieel niet haalbaar is en/of door gebruik te maken van de vijf of zeven "jokerjaren". De keuze voor studenten is niet anders, maar zo krijgt het gedrag van oud-studenten een "duwtje in de goede richting", aldus het Nibud. Voorts pleit het Nibud voor het toespitsen van de voorlichting op de diverse doelgroepen en voor een landelijke registratie van studieschulden.

Het doet mijn fractie genoegen om in de memorie van antwoord te lezen dat de regering nauw samenwerkt met het Nibud en andere organisaties om de voorlichting, de framing en defaults in goede banen te leiden. En het doet mij als gedragseconoom genoegen dat hierbij gebruikgemaakt wordt van inzichten uit de gedragseconomie.

Het doet mij en mijn fractiegenoten echter geen genoegen om het volgende op de website startstuderen.nl van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap te lezen: "Ga je vanaf september 2015 een bachelorstudie doen aan het hbo of wo en vraag je daar voor het eerst een financiering voor aan bij DUO? Of start je per 1 september 2015 met een masterstudie? Dan krijg je geen basisbeurs meer, maar kun je een studievoorschot aanvragen." Toegegeven, deze stellige bewering wordt verderop in de tekst genuanceerd, maar de student leest daar eenvoudig overheen. Het ware naar de mening van de PvdA beter geweest als de redacteur die het stuk op 23 juni 2014 plaatste meteen duidelijk had gemaakt dat de invoering afhankelijk is van instemming van de beide Kamers der Staten-Generaal. Dan had hij of zij meteen bij één van de zestien aanpassingen die sindsdien zijn gedaan en voor de laatste update op 12 januari 2015 aan kunnen geven dat de Tweede Kamer inmiddels haar instemming had verleend. Deelt de minister dit ongenoegen met ons?

Ik kom nu op het punt van de heer Koffeman. Het tijdelijk gevolg van het voorliggend wetsvoorstel wil mijn fractie niet onbesproken laten. Hierbij doel ik op de verwachte tijdelijke daling van de deelname aan hoger onderwijs. Zo heeft het Centraal Planbureau op basis van internationale vergelijkingen doorgerekend dat er in Nederland bij een verhoging van de eigen bijdrage aan het hoger onderwijs, een daling van de deelname zou kunnen optreden van rond de 2%, oftewel 2.700 studenten per jaar voor hbo en wo samen. De regering benadrukt daarbij in de nadere memorie van antwoord dat zij op basis van internationale vergelijkingen uitgevoerd door het Center for Higher Education Policy Studies (CHEPS) verwacht dat de traditionele deelnamepatronen zich na één of twee jaar herstellen.

De regering heeft aangegeven de effecten op de toegankelijkheid goed te blijven monitoren, zodat zo nodig tijdig bijgestuurd kan worden. Is de minister daarbij bereid en in staat om de tijdelijke uitvallers op wiens carrière het afzien van deelname aan hoger onderwijs een permanent effect heeft op te sporen en aan te moedigen alsnog aan het hoger onderwijs deel te nemen? En nog belangrijker: is de minister bereid alles uit de kast te halen om te voorkomen dat getalenteerde mensen puur vanwege de verhoogde eigen bijdrage niet aan een studie beginnen? 2.700 is veel, maar elke potentiële student die puur om financiële redenen afziet van een studie is er één te veel. Is de minister dat met onze fractie eens? En wat is zij voornemens te gaan doen om genoemde mogelijke dip van 2% te voorkomen?

De heer Kuiper (ChristenUnie):

Mevrouw Sent is gedragseconoom en daarom ook stel ik haar de volgende vraag. Heeft zij een idee bij welke groepen de afschrikkende werking van de verhoging van de eigen bijdrage, zoals zij het noemt, neerslaat? Wellicht is er sprake van leenangst. Die 2% is een gemiddelde en het zijn schattingen op basis van buitenlands onderzoek. Ik wil precies weten wat er in Nederland gebeurt. Wij hebben het vermoeden dat dit met name neerslaat in sociaal-economisch zwakkere milieus of in allochtone milieus. Mevrouw Sent heeft zelf in de schriftelijke voorbereiding naar mogelijke pieken in de afschrikking gevraagd. Heeft zij daar als gedragseconoom kennis van? Bij welke groepen slaat dit neer?

De voorzitter:

Heeft de heer De Lange een aansluitende vraag?

De heer De Lange (OSF):

Mijn vraag heeft er heel veel mee te maken. Mevrouw Sent zegt in feite dat wij de komende jaren moeten monitoren hoeveel studenten, als dit wetsvoorstel onverhoopt wordt aangenomen, om financiële redenen afhaken. Dit zouden er inderdaad duizenden kunnen zijn. Als uit die monitoring blijkt dat mensen om financiële redenen afhaken, kunnen wij alsnog maatregelen nemen om hen terug te winnen voor het hoger onderwijs. Is dat een realistische visie die een gedragseconoom past? Als je na een of twee jaar besloten hebt om af te haken, wat moet er dan wel niet gebeuren om je te doen besluiten om weer aan te haken? Het lijkt mij totaal onrealistisch. Ik hoor graag dat mevrouw Sent dat met mij eens is.

Mevrouw Sent (PvdA):

Het is heel erg lastig om adequate voorspellingen te doen. Wij economen weten daar alles van. Het is ook heel erg lastig om internationale systemen te vergelijken. Dat moet je wel doen om de verwachte uitval te voorspellen. Die 2% is overigens gebaseerd op een oudere versie van het wetsvoorstel zonder het flankerend beleid dat op allerlei manieren moeite doet om studenten aan te sporen en het niet van de dikte van de portemonnee te laten afhangen om deel te nemen aan het hoger onderwijs. Juist vanwege die onduidelijkheid sporen wij de minister aan om de studenten op te sporen en aan te moedigen om alsnog aan het hoger onderwijs deel te nemen. Die 2% is blijkens de meeste onderzoeken ook maar een tijdelijke dip. Dat wil zeggen: tijdelijk voor het hoger onderwijs, maar permanent voor de carrière van de mogelijk 2.700 getroffen studenten. Daarom vinden wij het belangrijk om die op te sporen en aan te moedigen. Wij moeten ervoor zorgen dat die tijdelijke dip voor hen geen permanente vlek op hun carrière wordt.

De heer Kuiper (ChristenUnie):

Ik denk dat de effecten sterker zullen zijn in de milieus waar de portemonnee niet zo dik is. Mevrouw Sent stelt deze vraag aan de minister en dat zal zij niet zonder reden doen. Waar is zij bang voor? Zij laat ook de term "dikke portemonnee vallen". Wil zij benoemen wat haar vrees is? Wat gaat er gebeuren?

Mevrouw Sent (PvdA):

Het kan ook heel goed dat de studenten die afzien van deelname aan het hoger onderwijs sowieso in het eerste jaar vanwege onvoldoende motivatie afhaken. Dat weten wij gewoon niet. Het is heel lastig om internationaal vergelijkingen te maken. Je weet niet precies om welke populatie het gaat. Daarom is het belangrijk om een vinger aan de pols te houden en deze studenten op te sporen. Wij moeten ervoor zorgen dat dit geen permanente beperking is van de carrière van uitvallers.

Ik rond af met de wijze woorden van mijn favoriete filosoof Loesje: "Studielening. Krijg ik dan ook een kwaliteitsgarantie?" Om onder andere hierop zicht te krijgen, heb ik een aantal vragen aan de minister voorgelegd en kijk ik met de leden van mijn fractie uit naar haar antwoorden.

Mevrouw Gerkens (SP):

Heeft mevrouw Sent het leenstelsel laten toetsen aan het IVESCR-verdrag, het verdrag voor economische en culturele rechten? Daar staat in dat wij het hoger onderwijs langzamerhand kosteloos moeten maken. Dat is de afspraak. Daar staat ook in dat wij, zolang wij dat nog niet doen, geen stappen mogen zetten die de situatie verslechteren.

Mevrouw Sent (PvdA):

Daar hebben wij inderdaad naar gekeken omdat wij daar ook mailtjes over hebben gekregen. Het collegegeld blijft €1.900; dat wordt niet verhoogd. Per saldo draagt de overheid nog steeds €6.500 per student per jaar bij aan het hoger onderwijs.

Mevrouw Gerkens (SP):

De feiten die mevrouw Sent noemt, kloppen. Het ministerie van Onderwijs heeft een rapportage gevraagd van de effecten van de invoering van het leenstelsel op de ratificatie van het verdrag. Die rapportage zag er niet zo rooskleurig uit. Het collegegeld gaat niet omhoog, maar de toegankelijkheid van het onderwijs wordt sowieso minder, 2% of wellicht zelfs een hoger percentage. Ook de inkomens verschillen. Wellicht kan de overheid dit verdrag niet ratificeren, terwijl er zeer belangrijke dingen in staan, onder andere op het gebied van mensenrechten. Daar is de partij van mevrouw Sent ook voorstander van.

Mevrouw Sent (PvdA):

Ik bestrijd dat de toegankelijkheid van het hoger onderwijs hierdoor verslechtert. Ik wijs op de flankerende maatregelen. Ik noem de langere aflossingstermijn. Er hoeft pas afgelost te worden bij een hoger inkomen. Ik noem ook de verhoging van de aanvullende beurs voor lagere inkomens. Ik bestrijd dat dit stelsel permanent invloed heeft op de toegankelijkheid van het hoger onderwijs. Het is interessant — de heer Bruijn haalde dit ook al aan — dat de SP in haar verkiezingsprogramma per saldo 800 miljoen op het onderwijs bezuinigt. Met dit voorstel wordt juist extra geld ingezet voor de kwaliteit van het hoger onderwijs. Dit geld wordt vrijgemaakt door de middelen doelmatiger en rechtvaardiger in te zetten, en niet voor het levensonderhoud van studenten.

Mevrouw Gerkens (SP):

Ik verzoek mevrouw Sent om deze vraag straks in een interruptie te stellen, want dan heb ik wel de tijd om dat uit te leggen. Ik begrijp dat zij mijn reactie op de vraag van de heer Bruijn niet goed heeft meegekregen.

Mevrouw Sent geeft geen reactie op het feit dat eigen onderzoek van OCW aangeeft dat dit echt in strijd is met dat verdrag. Mevrouw Sent kan wel vinden dat het allemaal veel beter is, maar het Comité kan er heel anders over denken. Is mevrouw Sent op de hoogte van die rapportage en wat is haar mening daarover?

Mevrouw Sent (PvdA):

Die mening heb ik zojuist gegeven. Ik ben ervan op de hoogte. Het is nog steeds zo dat de overheid €6.500 per student per jaar bijdraagt. Het collegegeld wordt niet verhoogd. Er is alleen een doelmatiger aanwending van middelen die nu naar levensonderhoud gaan. Die middelen wordt ingezet voor kwaliteitsverhoging. Daar hebben de studenten uiteindelijk ook baat bij. Daarmee houden wij ons onderwijssysteem concurrerend in tegenstelling tot de plannen van de SP om te bezuinigen op het hoger onderwijs.

De voorzitter:

Ik kijk even naar de klok, maar ik wil de heer Engels toch nog de gelegenheid geven om voor de lunchpauze het woord te voeren.


De heer Engels (D66):

Voorzitter. Toen ik naar het spreekgestoelte liep, kreeg ik nog diverse aansporingen uit mijn omgeving mee. Het laat zich raden, wat die inhielden.

Dit wetsvoorstel strekt ertoe om het bestaande studiefinancieringsstelsel te hervormen. In de kern komt het erop neer dat de basisbeurs plaats gaat maken voor het zogeheten studievoorschot. De belangrijkste rechtvaardiging daarvoor is dat daarmee structureel substantiële middelen beschikbaar komen voor noodzakelijke investeringen in de kwaliteit van het hoger onderwijs. Deze significante financiële impuls is een voor de D66-fractie essentieel element van het wetsvoorstel.

D66 heeft de ambitie om gericht te investeren in een samenleving waarin kennis inmiddels een centrale rol speelt. Kennis heeft een bepalende invloed op de kwaliteit van de samenleving. Kennis is een bron van dynamiek en van ons leer- en aanpassingsvermogen. Kennis heeft ook een intrinsieke maatschappelijke waarde, bijvoorbeeld voor cultuur, beschaving, democratie, burgerschap, historisch besef en reflectief vermogen. Kennis is naast grondstoffen, kapitaal en arbeid inmiddels onze belangrijkste productiefactor. Investeren in de kenniseconomie draagt in die zin bij aan de groei van onze productiviteit. Daardoor kunnen we meer investeren in bijvoorbeeld duurzame ontwikkeling, de besparing van schaarse grondstoffen en fossiele energie, het verder terugbrengen van de staatsschuld en het betalen van groeiende zorgkosten en pensioenlasten.

De toekomst van Nederland ligt met andere woorden ook, of misschien wel juist in tijden van financiële krimp, in voortgaande impulsen voor onderwijs, onderzoek en innovatie. In de afgelopen jaren heeft Nederland op de verschillende internationale ranglijsten van universiteiten, innovatieve landen en landen met bedrijven met wereldfaam terrein verloren. We behoren nog steeds tot de internationale top, maar staan niet meer op het podium waar de medailles worden verdeeld. In het Nederlandse hoger onderwijs is al jaren sprake van een gestage beknibbeling op de beschikbare middelen. Daardoor daalt in vergelijking met de landen om ons heen het aantal onderzoekers, inmiddels tot onder het OESO-gemiddelde, en stijgt het aantal studenten nog steeds. Met een scherpere keuze voor kennis, concurrentiekracht en excellentie in het hoger onderwijs kan Nederland in Europa weer een vooraanstaande positie innemen en weer een centrale rol gaan spelen als vestigingsplaats van internationaal talentvolle mensen, bedrijven en instellingen.

De mogelijkheid om met de opbrengsten van het nieuwe leenstelsel te investeren in de kwaliteit van het hoger onderwijs is, zoals gezegd, voor de D66-fractie een wezenlijk element in het wetsvoorstel. Op dat punt heb ik mijn fractie niet duidelijk kunnen maken hoe groot de opbrengst nu precies zal zijn. Er wordt gesproken over 1 miljard op jaarbasis, maar er zijn ook schattingen die uitgaan van 620 miljoen, maar pas ingaand over een jaar of zes. Ik wil graag precies van de minister weten van welke structurele investeringsruimte wij vanaf welke begroting kunnen uitgaan. Ook wil ik graag een heldere uitspraak dat deze ruimte in de loop van de tijd niet gaat weglekken bij bijvoorbeeld hogere studentenaantallen of andere groeiende kostendragers. Als laatste wil ik nog graag zeker gesteld zien dat de uit de studiefinanciering vrijvallende middelen uitsluitend zullen worden besteed aan de kwaliteit van het hoger onderwijs en dus niet aan onderzoek of wetenschapsbeleid of aan andere onderwijssectoren, die in eerdere akkoorden mede dankzij mijn partij al extra middelen kregen toebedeeld. Het geld dat nu niet meer aan studenten wordt besteed via de studiefinanciering, moet uitdrukkelijk aan die studenten toekomen in de vorm van nog betere begeleiding en nog beter onderwijs.

De heer Koffeman (PvdD):

Collega Engels vraagt garanties voor de besteding van de vrijkomende gelden. Die vraag steunt mijn fractie van harte. Kan hij ook aangeven hoe hard die garanties moeten zijn om voor dit wetsvoorstel te stemmen? Of geeft hij de regering het voordeel van de twijfel? Zegt hij: wij willen heel graag dat het geld daaraan besteed wordt, maar wij zien wel of het ook gebeurt?

De heer Engels (D66):

Ik dacht dat ik heel helder ben geweest. Ik vraag de minister om daar duidelijkheid over te geven. Aan de hand van het antwoord van de minister zal ik u laten weten wat dit betekent voor het oordeel van mijn fractie, maar niet nu.

De heer Koffeman (PvdD):

Ook dat is geweldig. Ik begrijp dat als er onvoldoende toezeggingen komen van de minister dat geld goed besteed wordt, dat bepalend is voor het stemgedrag van de fractie van D66.

De heer Engels (D66):

Dan is dat een van de bepalende factoren voor het stemgedrag van mijn fractie.

De heer Koffeman (PvdD):

Oké.

De heer Engels (D66):

Voor de goede orde: wij maken dat zelf uit. Anders krijgen wij misverstanden.

Het wetsvoorstel geeft studenten en personeel een instemmingsrecht op de hoofdlijnen van de instellingsbegroting. Ik wil niet verhelen dat mijn fractie aanvankelijk wat aarzelend was over dit onderdeel, waaraan met name de herinnering aan de medezeggenschapsstructuur en vooral de medezeggenschapscultuur van de jaren zestig van de vorige eeuw debet was. De "demokratiese universitaire radenrepubliek" waarin studenten korte tijd zelf de programma’s en literatuur bepaalden, gevolgd door de WUB, nog vreugdelozer, die tot eindeloze vergaderingen en grote stapels papier leidde. Inmiddels zien wij overigens vooral bureaucratie en management in het hoger onderwijs. Het is de vraag of we daar nu zo blij mee moeten zijn, maar daar kom ik nog over te spreken.

Wat ons van de grote waarde van deze medezeggenschapscomponent heeft overtuigd, is het principe dat studenten die op basis van het nieuwe studiefinancieringsstelsel zelf meer investeren in hun opleiding, zelf ook meer invloed moeten kunnen uitoefenen op de besteding van de extra gelden die hiermee voor het hoger onderwijs worden gegenereerd. Juist ook zij moeten in staat gesteld worden te kunnen beoordelen of de beoogde kwaliteitsslag ook daadwerkelijk zal worden gemaakt. Om die reden moeten zij in een vroegtijdig stadium kunnen meepraten over de strategie van de instelling en de richting van het beleid.

Het voorstel geeft ruimte voor elke onderwijsinstelling om de precieze vorm van deze medezeggenschap in een medezeggenschapsreglement in te richten naar de plaatselijke werkwijzen en omstandigheden. Daarin kan ook worden afgebakend wat onder de hoofdlijnen van een begroting moet worden gerekend. In ieder geval zullen daaronder moeten worden begrepen de beschikbare middelen voor onderwijs, onderzoek, personeel, huisvesting, beheer en nieuwe investeringen. Maar het is duidelijk dat studenten hiermee de koers van een instelling kunnen controleren en beïnvloeden. De raden van toezicht zullen wat mij betreft nadrukkelijk op dit alles moeten toezien. In laatste instantie, maar hopelijk slechts als stok achter de deur, kan een procedure bij de geschillencommissie uitkomst bieden, zonder dat onderzoek en onderwijs meteen vastlopen.

Mijn fractie gaat ervan uit dat studenten mondig en betrokken genoeg zijn om hun medezeggenschapsrol in te vullen. Dat is mij in ieder geval uit de plezierige en vruchtbare contacten die ik de laatste weken heb gehad genoegzaam gebleken. Niettemin vraagt mijn fractie zich af of zij voldoende gebruik kunnen maken van de in de WHW gewaarborgde faciliteiten voor professionalisering en deskundigheidsbevordering. Graag vraag ik de minister of zij een beeld heeft van hoe ruimhartig de instellingen hiermee omgaan en of studenten zich voldoende bewust zijn van de mogelijkheden op dit punt.

Het wetsvoorstel bevat een veelheid aan maatregelen om de toegankelijkheid van het hoger onderwijs te blijven waarborgen. Ik zal ze niet allemaal noemen, want ze zijn al genoegzaam de revue gepasseerd. Uit de expertmeeting die de Kamercommissie in december heeft gehouden met onder andere het Centraal Planbureau, het Nibud en het CHEPS werd duidelijk dat het studievoorschot een beperkt effect zal hebben op de studiekeuze. De geschatte vermindering van de studenteninstroom in het hoger onderwijs is maximaal en slechts tijdelijk 2%, los van de later in het wetsvoorstel opgenomen extra compenserende maatregelen voor de lagere inkomensgroepen zoals hiervoor genoemd. Uit de expertmeeting kwam ook naar voren dat het uiteindelijke bedrag van de studieschuld gemiddeld € 6.000 hoger zal liggen. De verschillende risico's ten aanzien van de effecten van het wetsvoorstel voor de overheidsfinanciën, de instellingen, de arbeidsmarkt en de studenten bleken tijdens de expertmeeting al met al overzienbaar. Alle betrokkenen gaven aan dat lenen voor een studie in het hoger onderwijs een bewuste en verantwoorde keuze is. Het is een investering in de eigen toekomst waar men een leven lang de vruchten van kan plukken.

Deze observaties van de expertmeeting klinken op zichzelf genomen tamelijk geruststellend. Maar dat wil niet zeggen dat er bij het voorstel geen kanttekeningen te maken zijn. Ook mijn fractie heeft zo zijn vraagtekens bij bepaalde elementen van het nieuwe systeem.

Zo heeft mijn fractie zorgen over de doorstroming van het mbo naar het hbo. Die 2% instroomreductie op het totaal lijkt niet verontrustend, maar er is toch sprake van een financiële drempel die jongeren uit gezinnen met lage inkomens in een aantal gevallen zal verhinderen om de sprong naar het hoger onderwijs te wagen. Elk talent dat zich niet maximaal kan ontplooien, is er eigenlijk een te veel. De verwachting is gewettigd dat vooral jongeren met een mbo-4-diploma — en dus een zelfstandige arbeidsmarktkwalificatie —uit die lagere inkomensgroepen die drempel hoog zullen vinden, mogelijk te hoog.

Het zal daarbij relatief, denken wij, ook vaker gaan om jongeren uit nieuwe bevolkingsgroepen in de grote steden. Herkent de minister deze schaduwkant van het nieuwe stelsel? Mijn fractie ziet dat met het akkoord dat de minister met enkele fracties in de Tweede Kamer heeft gesloten op het punt van de toegankelijkheid veel verbeterd is in vergelijking met de oorspronkelijke plannen. Toch is er nog sprake van een zorgelijk perspectief voor juist de kwetsbaarste groepen. Ik nodig de minister nadrukkelijk uit om nader hierop in te gaan. Een eerste evaluatie over twee of drie jaar zou nuttig zijn, net als een toezegging van de minister dat indien de doorstroming echt zou achterblijven, extra maatregelen zullen worden genomen. Ik hoop dat ik die toezegging van de minister vandaag expliciet kan krijgen en mee terug kan nemen naar mijn fractie.

De groep van uitwonende studenten met een functiebeperking loopt in het nieuwe stelsel aan tegen een nadeel van 2.000 euro, namelijk het extra basisbeursjaar dat zij onder het huidige stelsel mogen ontvangen minus een eenmalige kwijtschelding van 1.200 euro. De minister geeft op zichzelf genomen terecht aan dat onderscheid tussen thuis- en uitwonende studenten met een functiebeperking niet wenselijk is, gezien de voorzieningen die voor studenten met een functiebeperking bestaan. Toch is mijn fractie niet gelukkig met de nu ontstane situatie. Daarom hebben wij in de schriftelijke voorbereiding gevraagd om extra maatregelen ingeval uit de toegezegde monitoring blijkt dat uitwonende studenten met een functiebeperking toch aanzienlijk meer hinder ondervinden van het vervallen van het onderscheid tussen het thuis- en uitwonend zijn dan nu wordt verwacht, bijvoorbeeld als de genoemde voorzieningen en het profileringsfonds van de instellingen deze groep niet voldoende ondersteuning bieden. Mijn fractie vindt de reactie van de minister op dit punt nog weinig tegemoetkomend. Het is de vraag of de vrees dat extra maatregelen te zwaar zouden kunnen drukken op de beoogde investeringsruimte op dit punt gerechtvaardigd is. Wij dringen bij de minister erop aan, op dit punt een sterkere beweging te maken.

Mijn fractie heeft in de schriftelijke voorbereiding meerdere vragen gesteld over de positie van en de rechtszekerheid voor bepaalde categorieën studenten in relatie tot de uitvoering van dit wetsvoorstel. Het is mijn fractie nog niet helemaal duidelijk hoe nu precies de cohortgarantie is gedacht. Wij begrijpen dat alle studenten die nu een wo-bacheloropleiding volgen en daarvoor studiefinanciering ontvangen, voor de nominale duur van de studie hun basisbeurs behouden. Een aansluitende wo-masterstudie moet dan worden gezien als een nieuwe studie, waarvoor het nieuwe stelsel zal gelden. Betekent dit nu dat studenten die vanaf 1 september 2015 een masterstudie beginnen een vierde jaar basisbeurs niet meer als gift krijgen als zij afstuderen? Gaat dit uit een oogpunt van rechtszekerheid en gerechtvaardigde verwachtingen niet te ver, zo vraag ik de minister.

Daarnaast heeft mijn fractie aandacht gevraagd voor de huidige hbo-studenten die na het behalen van hun propedeuse de overstap willen maken naar het wo. Deze studenten, die na één jaar hbo-onderwijs ervoor kiezen om hun weg op de universiteit te vervolgen, ontvangen voor hun driejarige bacheloropleiding twee jaar basisbeurs, omdat hun eerste jaar op het hbo wordt meegeteld. Ik vraag de minister voor de goede orde of wij, gelet op de memorie van antwoord, mogen vaststellen dat dit effect zich blijkbaar ook al in het huidige systeem kan voordoen.

Ook hebben wij gevraagd op welke wijze de huidige studenten voldoende kunnen profiteren van de verwachte kwaliteitsslag en investeringen. Wij begrijpen uit de memorie van antwoord dat met de instellingen is afgesproken dat zij nu al beginnen met investeren in de kwaliteit van het onderwijs en dat de eerste cohorten studenten een voucher krijgen ter waarde van €2.000 voor verdere studie.

In verband met de meerjarige masters heeft de minister aangegeven dat onderzoek uitwijst dat studenten als gevolg van de afschaffing van de basisbeurs niet zullen afzien van het volgen van een meerjarige master, omdat deze gedreven studenten zich minder laten leiden door financiële overwegingen. Mijn fractie heeft gevraagd of de regering maatregelen overweegt, wanneer uit de effectenmonitor zou blijken dat de aantallen studenten van meerjarige masteropleidingen toch aanzienlijk gaan teruglopen. Wij stellen met instemming vast dat ingeval van een drastische terugloop in het aantal aanmeldingen als gevolg van het nieuwe leenstelsel, maatregelen zullen worden genomen die aansluiten op de kosten-batenanalyse en die de mogelijkheden voor studenten vergroten om zich voor een dergelijke opleiding te kwalificeren.

De studentenorganisaties hebben gewezen op de rechtspositie van de student, die zij als kwetsbaar en zwak omschrijven. Mijn fractie heeft voor een deel begrip voor deze zorgen. Er blijken bijvoorbeeld grote verschillen te bestaan tussen onderwijsinstellingen bij de toekenning van bestuursbeurzen. Studentbestuurders hebben het recht om collegegeldvrij te besturen, maar sommige instellingen hebben de mogelijkheid tot collegegeldvrij besturen kennelijk nog niet ingevoerd. Ook als dit wel het geval is, komen de studenten in de praktijk restricties tegen. Mijn fractie heeft grote aarzelingen bij de differentiaties die zich in de praktijk op dit punt blijken voor te doen. Graag vraag ik de minister hoe zij kijkt naar dit probleem.

Tevens blijken bezwaarprocedures niet altijd zorgvuldig te zijn of veel, zo niet te veel tijd in beslag te nemen. Mijn fractie is van oordeel dat de rechtsgang voor studenten voldoende kenbaar, transparant, onafhankelijk en duidelijk moet zijn. De studentenorganisaties wijzen op een onderzoek van Panteia waaruit blijkt dat dit in algemene zin nog niet het geval is. In de memorie van antwoord trekt de minister zich terug op de wettelijke rechten en plichten van de student in de WHW en de Wet versterking besturing 2010, en verwijst op basis daarvan naar de instellingen. Meer dan een gesprek van de minister met de VSNU en de VHS is er dan ook niet geweest. Graag zou mijn fractie horen of er inmiddels verbeteringen zijn aan te wijzen.

Ik kom toe aan een substantieel onderdeel: de kwaliteitsafspraken. De D66-fractie onderschrijft zoals gezegd de noodzaak van een grote, structurele kwaliteitsslag in het hoger onderwijs. De overheidsbekostiging van het hoger onderwijs heeft in de afgelopen jaren geen gelijke tred gehouden met de groei van het aantal studenten, zoals de commissie-Veerman heeft geconstateerd. Datzelfde rapport bevat dan ook niet voor niets een groot aantal aanbevelingen die de noodzaak van een krachtige kwaliteitsslag in het onderwijs genoegzaam illustreren. Het wetsvoorstel beoogt tevens een grondslag te bieden voor de invoering van prestatiebekostiging in het hoger onderwijs. Op dat punt rijst een aantal vragen. In het kader van de lopende prestatieafspraken zijn met alle universiteiten en hogescholen afspraken gemaakt over de kwaliteit van het onderwijs, daaronder mede begrepen studiesucces. Daarin zijn onder meer ambities geformuleerd om uitval van studenten tegen te gaan. In dat verband is aandacht besteed aan het bevorderen van de onderwijsvaardigheden van docenten, bijvoorbeeld door de ontwikkeling van verplichte certificaten en kwalificaties, het bieden van "uitdagende colleges", het ontwikkelen van eenentwintigste-eeuwse vaardigheden zoals communicatie, ondernemerschap, samenwerken en creativiteit en helaas zelfs iets zeer wonderlijks als de verkiezing van de docent van het jaar. Dit weekend nog zag ik een stuk voorbijkomen over — als ik het goed onthouden heb — "learning communities in flipping classrooms". Ik hoor gelach, maar dit is serieus bedoeld. Ik geef uiteraard geen enkele aanleiding tot gelach. De bekostiging wordt intussen vooral gedreven door het aantal afgestudeerden. Mijn fractie heeft grote aarzelingen of dit alles de kwaliteit van het hoger onderwijs daadwerkelijk zal verhogen. Wij zien eerder contraproductieve tendensen in termen van bureaucratie, management, infantilisering en kwantitatief denken.

Uit de midterm review van de Reviewcommissie Hoger Onderwijs en Onderzoek van 2014 kan men opmaken dat de universiteiten richting de eindbeoordeling in 2016 al goede voortgang boeken in het realiseren van een betere onderwijskwaliteit en een hoger studiesucces. Voor de hogescholen geldt die verbetering van de onderwijskwaliteit evenzeer, maar in een aantal gevallen blijft een beter rendement nog uit. Hun dilemma is natuurlijk dat een hogere kwaliteit waarbij meer van studenten wordt gevraagd, terwijl het instroomniveau vaak te laag is, moeilijk samengaat met meer studiesucces en hoger rendement. Deze indicaties stellen mijn fractie dus allerminst gerust. Dat geldt helemaal voor het in het hoofdlijnenakkoord met de instellingen neergelegde uitgangspunt dat het rendement niet ten koste mag gaan van de kwaliteit en het hoge eindniveau van de opleidingen.

Mede gebaseerd op eigen waarneming kunnen uiteenlopende problemen worden gedefinieerd die belemmerend werken op de kwaliteit van het hoger onderwijs. Ik noem overvolle collegezalen en zeer grote hoorcolleges, steeds schoolser en simpeler onderwijs om de rendementen te verbeteren en daardoor meer diploma's en dus geld te genereren, bonuspunten als je op college verschijnt en je naam foutloos kunt spellen, colleges waarin PowerPoints worden voorgelezen en leuke filmpjes worden gedraaid, het op de digitale leeromgeving plaatsen van oude tentamens met standaardantwoorden, het gekscherend spreken over het hoger onderwijs als de zulo (zeer uitgebreid lager onderwijs) of vwo-7 en het in sommige opleidingen — en dat is voor mij persoonlijk al helemaal treurig — iets te ver doorgevoerde Engelstalige onderwijs, nog afgezien van het belabberde steenkolenengels van zowel docenten als studenten. Zo zou ik nog een tijdje kunnen doorgaan, want het is af en toe best fijn om even lekker te kunnen mopperen. Zo vaak heb ik die kans niet. Het punt dat ik echter wil maken, is hoe wij kunnen voorkomen dat we met de kwaliteitsafspraken vooral weer inzetten op meetbare en dus kwantitatieve prestatie-indicatoren met een veelheid aan monitoring, verantwoording, visitaties en accreditaties, die in de praktijk tot verkeerde maatregelen leiden. Hoe kunnen wij terugkeren van het ingezette pad met perverse financiële prikkels? Hoe komen wij tot een echte kwaliteitsverbetering van het hoger onderwijs? Realiseren wij ons voldoende dat kwaliteitsverhoging en rendementsverhoging niet samengaan?

De in december uitgebrachte Wetenschapsvisie 2025 bevat een aantal goede aanzetten voor een andere insteek. Er zal een einde komen aan de cultuur van meer studenten, meer diploma's, meer publicaties, meer promoties, meer gehonoreerde aanvragen enzovoorts. Er komt meer rust, zo is ons beloofd, in de financiering van het hoger onderwijs in de vorm van meerjarige financiering. Dat zijn goede stappen naar een versterking van wat men in Duitsland bildung noemt, de zorg voor kennis in en vorming van de gemeenschap.

Mijn achterliggende fundamentele vraag is eigenlijk of wij wel moeten doorgaan met dit type centrale afspraken tussen ministerie en instellingen. Zou het in de context van het instemmingsrecht niet meer voor de hand liggen om de instellingen zelf de verantwoordelijkheid te geven om met docenten en studenten afspraken te maken? Is het niet logischer om daar waar de kwaliteitsslag uiteindelijk gemaakt moet worden, ook de verantwoordelijkheid voor een adequate invulling daarvan neer te leggen? Ik realiseer me dat deze gedachte op dit moment een enigszins abrupt karakter draagt, maar ik zou toch wel van de minister willen weten of zij dit voor de langere termijn een denkbaar perspectief acht. In ieder geval wil ik van de minister graag de toezegging dat zij ons nader informeert over de precieze verhouding tussen het instemmingsrecht op instellingsniveau en de voorgenomen kwaliteitsafspraken op centraal niveau.

De heer Ester (ChristenUnie):

Heel veel is mij uit het hart begrepen. Ik heb dezelfde ervaringen aan de universiteit als de heer Engels, maar toch vraag ik mij af of hij niet ietsje te ver doorslaat met zijn stelling dat kwaliteits- en rendementsverhoging niet samen zouden gaan. Is dat niet wat te pessimistisch gesteld? Je kunt best aan allerlei systemen denken waarin de kwaliteit van het hoger onderwijs wordt verhoogd zonder dat dit per se leidt tot hogere uitval. Als dat wel het geval is, is de kwaliteitsverbetering kennelijk niet goed. Is dit niet te pessimistisch gesteld?

De heer Engels (D66):

Heel kort gezegd, denk ik dat dit op dit moment niet het geval is. Ik was ook nog niet helemaal klaar met mijn betoog. Ik begrijp de achtergrond van de vraag van de heer Ester en ik kan daar ook mee instemmen. Ik stel alleen vast dat ik door de manier waarop we op dit moment bezig zijn met prestatieafspraken tussen ministerie en instellingen, een gelijktijdige verhoging van zowel het niveau van de opleidingen als het rendement niet zie. Ik zie een contraproductieve beweging. Ik ben het met de heer Ester eens dat dit niet de goede beweging is. Ik wil niet beweren dat het niet mogelijk moet zijn om beide te bewerkstelligen, maar dan is mijn pleidooi om anders dan met de huidige prestatieafspraken te bezien of wij met het nieuwe stelsel bewerkstelligen dat die relatie wel heel duidelijk wordt gelegd. Dat is ook precies de achtergrond van mijn vraag aan de minister.

De heer Essers (CDA):

De heer Engels heeft een stukje van zijn geschreven tekst overgeslagen. Dat vind ik zonde, want er staat een passage in die naar mijn mening uitermate relevant is. Die gaat over de beoordeling van docenten c.q. onderzoekers aan universiteiten. Daar ligt de nadruk te veel op de onderzoeksprestaties. Als mensen gericht zijn op een carrièrestijging, zullen ze zich daarop richten en zien ze onderwijs eerder als corvee dan als een uitdaging die past bij hun werk. Ik wil dat graag benadrukken.

De heer Engels (D66):

Daar kan ik me geheel bij aansluiten. Ik heb bij nader inzien, mede gelet op de tijd, besloten om me op het onderwijscomponent te concentreren en mijn opmerkingen over het onderzoek verder te laten zitten. Dat is niet omdat ik daarover achteraf van mening ben veranderd.

Mevrouw Gerkens (SP):

Ik moet zeggen dat ik de bijdrage van de heer Engels zeer fijn vind, want zo kunnen we ook eens filosoferen over de manier waarop we daadwerkelijk de kwaliteit van het onderwijs zouden kunnen verbeteren. Dit brengt mij wel tot iets waar ik steeds tegen aanloop bij dit wetsvoorstel, namelijk dat dit wetsvoorstel de schijn in zich heeft dat het nogal haastig in elkaar gedraaid is. Ik hoor de heer Engels zorgpunten noemen, net als mevrouw Sent en de heer Bruijn. Allemaal noemen zij zorgpunten. We weten ook niet waar we naartoe gaan als die financiële investering in de kwaliteit van het onderwijs er komt en hoe we die zouden moeten laten uitwerken. De heer Engels begrijpt dat ik het leenstelsel niet wil, maar zouden we het niet beter een jaar kunnen uitstellen om nog eens te kijken of we de kwaliteit van dit wetsvoorstel op deze punten kunnen verbeteren?

De heer Engels (D66):

Het antwoord is nee. Dat lijkt mij geen enkel voordeel te bieden. Op een gegeven moment moet je een discussie die heel zorgvuldig en uitgebreid is gevoerd beëindigen en een eindconclusie trekken. Aan het eind van de dag zullen we zien wat die conclusie zal zijn. Ik ben over het algemeen niet erg voor uitstel van discussies waarvan de afloop naar mijn inschatting moeilijk zal veranderen.

Mevrouw Gerkens (SP):

Ik bedoel natuurlijk dat we die tijd gebruiken om het wetsvoorstel te verbeteren, niet om te wachten om over een jaar dezelfde discussie te voeren.

De heer De Lange (OSF):

Collega Engels maakt behartigenswaardige opmerkingen over de perverse prikkels in het hoger onderwijs. Iedereen die daar werkt, zal die zonder meer onderkennen. Als we sturen op de parameters instroom en uitstroom en als we dat consequent doen omdat de financiering daarvan afhangt, weet je van tevoren zeker dat het grondig fout zal gaan. Als we die situatie in verband brengen met het huidige wetsvoorstel, waarin voorgesteld wordt om meer geld in dat systeem van hoger onderwijs te pompen, terwijl we met elkaar vaststellen — de heer Engels doet dat zelf — dat de methode van allocatie van middelen eigenlijk helemaal niet werkt, is het dan wel verstandig om een heleboel geld in een failliet systeem te pompen? Mij dunkt van niet, maar ik wil daar graag de mening van de heer Engels over horen.

De heer Engels (D66):

Ik kan heel moeilijk aansluiting vinden bij de analyse van de geachte collega dat er een pervers systeem zou zijn waarin geen enkel aanknopingspunt is voor verbetering. Ik heb zeker mijn zorgpunten met de minister willen delen. Straks komen er nog een paar aan de orde. Er zijn ook zeker vragen te stellen of we de goede richting te pakken hebben. Maar ik ben niet zo ver met mijn fractie om zulke vergaande conclusies te trekken als de collega hier ter plekke trekt.

De voorzitter:

Heel kort nog, mijnheer De Lange.

De heer De Lange (OSF):

Ik herhaal in feite wat de heer Engels zelf zegt: in het systeem zijn perverse prikkels aanwezig die maken dat op de verkeerde parameters gestuurd wordt. Ik zou zeggen dat daar het probleem ligt in het hoger onderwijs en dat daar dus grondig over nagedacht moet worden. Het is een merkwaardige tussenstap om het systeem als zodanig intact te laten, maar er wel een hele hoop geld in te pompen. Dat lijkt mij niet erg logisch en ook niet erg verantwoord.

De voorzitter:

Mijnheer Koffeman, ik verzoek u om het kort te houden vanwege de tijd.

De heer Koffeman (PvdD):

Collega Engels verwees zojuist naar het Duitse onderwijssysteem. Slimme studenten hebben allang door dat het Duitse onderwijssysteem aantrekkelijker aan het worden is, terwijl het Nederlandse onderwijssysteem minder aantrekkelijk wordt met het leenstelsel. In Duitsland zijn de collegegelden afgeschaft, in België zijn de collegegelden nog maar €600. Deelt collega Engels de mening dat bij invoering van het leenstelsel een heleboel Nederlandse studenten zouden kunnen denken: weet je wat, ik ga in Duitsland of België studeren?

De heer Engels (D66):

Ik kan me, om te beginnen, eerlijk gezegd niet herinneren dat ik over de Duitse situatie heb gesproken.

De heer Koffeman (PvdD):

"Bildung" is redelijk Duits, hoor.

De heer Engels (D66):

Ja. U gebruikt dat woord. Het lijk me een heel interessant woord om hier te gebruiken, maar om nu opeens daaraan vast te koppelen dat ik allerlei opmerkingen heb gemaakt over hoe in Duitsland het systeem werkt … Dat is dus niet zo. Daarom kan ik op uw vraag antwoorden dat ik weinig aanknopingspunten zie om ons mogelijke standpunt over het wetsvoorstel daarop aan te passen.

De heer Koffeman (PvdD):

De vraag luidde: deelt u de zorg dat, als het Nederlandse onderwijssysteem minder aantrekkelijk wordt door de invoering van het leenstelsel, studenten zouden kunnen uitwijken naar Duitsland of België?

De heer Engels (D66):

Die vraag veronderstelt dat eerst moet worden vastgesteld óf het stelsel dat we zouden krijgen als het wetsvoorstel wordt aangenomen, ook daadwerkelijk de effecten heeft die u veronderstelt. Dat kan ik nog niet beoordelen. Ik ga dus niet speculeren over wat dan het gevolg zou moeten zijn.

De voorzitter:

Mijnheer Engels.

De heer Engels (D66):

Ik moet doorgaan, hè? Dat bedoelt u.

Ik was van plan, en dat ga ik nu ook doen, om de minister te vragen om een toezegging te doen om ons nader te informeren over de precieze verhouding tussen het instemmingsrecht op instellingsniveau en de voorgenomen kwaliteitsafspraken op centraal niveau.

Mijn fractie ziet voor nu graag op zijn minst dat de noodzakelijke financiële impuls zodanig vorm krijgt dat het hoger onderwijs weer wordt teruggeleid naar de fundamentele opgave: het opleiden van studenten tot een zo hoog mogelijk niveau van kennis, inzicht en vaardigheden. Daarmee bedoel ik een daadwerkelijke verrijking van kennis en inzicht, niet het produceren van diploma's. Die verrijking is immers uiteindelijk het aantoonbare en maximale maatschappelijke en economische nut van het hoger onderwijs. In dat licht vraag ik aan de minister om ook na te denken over toetsingsnormen of parameters die hanteerbaar zijn en dus een zekere kwantitatieve inslag behoeven, maar die wel de realisatie van de noodzakelijke ambities op een positievere manier meten. Ik sluit graag aan bij de interessante observaties van de collegae Bruijn en Sent op dit punt. Eigenlijk is de vraag: kunnen wij afspraken maken waardoor de instellingen niet worden gedwongen om makkelijkere ambities, zoals rendementsverhoging, te realiseren, terwijl wij dan moeten accepteren dat het opleidingsniveau daalt? Dat is mijn slotvraag aan de minister.

Afsluitend wil ik er geen geheim van maken dat dit wetsvoorstel binnen mijn fractie meerdere keren intensief is besproken. In mijn bijdrage heb ik aangegeven waar wij de pluspunten zien en op welke punten aarzelingen bestaan. Mijn fractie heeft dan ook nog niet de conclusie getrokken dat de beoogde voordelen van het nieuwe stelsel voor de kwaliteit van het hoger onderwijs opwegen tegen een aantal negatieve effecten. Met andere woorden: voor het geven van een eindoordeel zal veel afhangen van de reactie van de minister.

De voorzitter:

Graag heel kort en heel snel, mijnheer Bruijn.

De heer Bruijn (VVD):

De heer Engels neemt nogal afstand van kwantitatieve parameters, met name van studieduur. Hij is ongetwijfeld op de hoogte van het onderzoek in Rotterdam, waar allang is uitgezocht dat een betere student er inderdaad iets langer over doet, maar niet meer dan een jaar langer, en dat alle aanvullende verlenging eigenlijk slecht en niet-rendabel is en evenmin een goede investering van middelen en zeker niet van de tijd van de student. Daarin staat ook dat we het kunnen remmen door beter onderwijs. Wat is er tegen om te overwegen om de studieduur op die manier toch als parameter te handhaven?

De heer Engels (D66):

Ik moet zeggen dat ik een beetje moeite heb om de vraag goed te doorgronden. Ik kan er dus ook niet direct een antwoord op geven. Op welk punt van mijn betoog sluit u precies aan? Daar zit ik even naar te zoeken.

De heer Bruijn (VVD):

Ik sluit aan op uw eigen betoog, waarin u zegt dat we criteria als rendement, en dan uitgedrukt in tijdsduur — het gaat dan om studenten die er wat langer over doen — niet meer mogen gebruiken. Daar is al onderzoek naar gedaan. De betere student doet er inderdaad wat langer over. Daar ging ook de kortstudeerbonus over, door sommigen ten onrechte "langstudeerboete" genoemd. De student die er meer dan een jaar langer over doet, valt in de categorie die door sommigen wel wordt aangeduid met "lapzwanzen".

De heer Engels (D66):

Lapzwanzen is natuurlijk nooit goed. Ik kan me niet herinneren dat ik heel specifiek heb gesproken over bepaalde onderdelen van het vraagstuk hoe je de kwaliteit van het onderwijs zou moeten toetsen.

Mevrouw Gerkens (SP):

Wat is de mening van de heer Engels over het feit dat dit leenstelsel in strijd is met het IVESCR-verdrag?

De heer Engels (D66):

Het is nog maar de vraag of dat zo is. Ik heb er heel recentelijk kennis van genomen dat die vraag is gesteld. Het lijkt mij dus het beste om even af te wachten hoe de minister daarop reageert en dan te beoordelen hoe ernstig dat probleem is. Ik wil daar zo uit mijn hoofd maar niet op reageren, met de kans dat wat ik zeg niet aansluit bij de werkelijkheid.

De beraadslaging wordt geschorst.

De voorzitter:

Ik schors de vergadering voor de lunchpauze.

De vergadering wordt van 12.56 uur tot 13.35 uur geschorst.