Plenair Beukering bij behandeling (zonder stemming aangenomen)



Verslag van de vergadering van 15 december 2020 (2020/2021 nr. 16)

Status: gerectificeerd

Aanvang: 11.57 uur


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Beukering (Fractie-Van Pareren):

Voorzitter, dank u wel. Vorig jaar stond ik hier ook en was de staatssecretaris alleen aanwezig bij het debat. Ik ben zeer verheugd dat nu beide bewindslieden hier zijn. Daarvoor dank!

Er is nogal wat gebeurd in ons land. Dat heeft Defensie en haar personeel ook heel sterk geraakt. De coronacrisis heeft ons heel veel geleerd. Een van de belangrijkste lessen tot nu toe is de volgende. Je kunt heel snel op organisaties bezuinigen, ze afbreken, maar het weer opbouwen van de verloren gegane capaciteiten kost enorm veel tijd, energie en geld. Minister De Jonge ervaart dit iedere dag. In de gezondheidszorg zijn de afgelopen jaren 75.000 paar handen aan het bed wegbezuinigd. Daar plukken we nu, en ik vrees nog heel lang, de wrange vruchten van.

We zien helaas bij deze Defensiebegroting dat deze les niet verwerkt is op Plein 4. Sterker nog, de problemen worden geprobeerd onder de pet of onder de radar van de Kamer te houden, zoals de groeiende personeelstekorten — voor uw beeldvorming, voorzitter, het tekort aan militairen is inmiddels opgelopen tot boven de 9.000 — aanbestedingsproblemen met allerlei grote projecten, waar de Algemene Rekenkamer op wijst, maar ook organisatorische gevolgen van het BUT-model: beleid, uitvoering en toezicht. Wij missen, om het eufemistisch te stellen, een gevoel van urgentie.

Mevrouw Faber-van de Klashorst (PVV):

Meneer Beukering heeft het over personeelstekorten bij Defensie, maar is het ook niet zo dat het ook een beetje aan Defensie zelf ligt? Want je hoort toch ook wel geluiden uit het veld, vooral uit de lagere rangen. Die willen graag verder. Die willen graag blijven bij Defensie. Er wordt van alles beloofd, maar dan worden die beloftes niet nagekomen. Op een bepaald moment denken deze mensen: nou, dikke neus, drie bier, wij gaan. Ze krijgen ook vaak tijdelijke contracten, terwijl ze graag langer willen blijven, maar dat wordt ook niet geregeld. Dus is het voor een deel ook niet te verwijten aan het hogere kader?

De heer Beukering (Fractie-Van Pareren):

Ik ben heel blij met deze vraag. Het is inderdaad een juiste constatering van mevrouw Faber. Het is ook een stuk self-inflicted pain, als je kijkt naar de salarissen, de arbeidsvoorwaarden, de toelages van de militairen. Als de mensen die bij ons voor de deur staan, de marechaussees, overgaan naar een ander departement, politie, DSI, dan kunnen ze er €400, €500 netto per maand op vooruitgaan en dan zijn ze elke avond thuis. Dat is een andere situatie. Ik weet dat de minister bezig is met te proberen weer een cao af te sluiten. Dat moet nog voor de kerst gebeuren, maar daar moet extra geld bij. Ik kom daar later in mijn betoog op. Het is dus deels een organisatieprobleem, zoals mevrouw Faber aangeeft, maar ook een cultuurprobleem. Het is een feit dat militairen de slechtst betaalde mensen van Nederland zijn. Ze worden keurig opgeleid. Ze hebben een geweldige opleiding. Het zijn geweldige mensen. Ze werken zich echt een slag de rondte, maar uiteindelijk telt het eind van de maand ook mee.

Mevrouw Faber-van de Klashorst (PVV):

Ik ben in ieder geval blij met het antwoord van meneer Beukering, maar ik kan mij nog een gesprek herinneren met een hoge officier. Die vertelde mij: we leiden jonge mensen op en na een paar jaar zijn ze klaar voor een terugkeer naar de maatschappij. Toen kreeg ik een beetje het gevoel dat er helemaal geen animo was om deze jonge, enthousiaste mensen te behouden.

De voorzitter:

Dus uw vraag is?

Mevrouw Faber-van de Klashorst (PVV):

Het hoge kader moet nu niet gaan zitten jammeren. Ze moeten ook de hand in eigen boezem steken in dezen.

De heer Beukering (Fractie-Van Pareren):

Dat is absoluut een juiste constatering. Iedereen heeft een deel van de schuld. Het arbeidsvoorwaardensysteem is gebaseerd op het begin van de vorige eeuw. Daar zal een deltaplan voor personeel voor moeten komen.

De voorzitter:

Dank u wel. Meneer Beukering, vervolgt uw betoog.

De heer Beukering (Fractie-Van Pareren):

In het kort: het gaat niet goed met de krijgsmacht. Ik zal dit in mijn betoog op drie sporen aanvliegen. De bottomline van mijn betoog is dat deze Defensiebegroting de problemen niet oplost, maar deze enkel doorschuift naar het volgende kabinet. Daar moeten wij als Eerste Kamer iets van vinden en, naar ik hoop, een mogelijk begin van een oplossing voor aandragen.

In haar Defensievisie 2035 stelt de minister dat er 13 tot 17 miljard extra nodig is om de krijgsmacht klaar te maken voor de toekomst. Dat is correct. Maar vandaag en in de komende jaren kan met deze begroting niet worden voldaan aan de opgedragen grondwettelijke taken. De invulling wordt over de kabinetsperiode getild. Wij, als Eerste Kamer, moeten onze verantwoordelijkheid nemen en de minister helpen om een pad aan te geven hoe en wanneer wij wel met de krijgsmacht aan de grondwettelijke verplichtingen kunnen voldoen. Graag een reactie van de minister hierop.

Met deze begroting wordt niet eens een begin gemaakt met de oplossing van dit grote probleem. Onze veiligheidsverzekering is stuk. Bovendien zakt de begroting over een paar jaar wederom substantieel terug in plaats van dat de verwachte stijgende lijn zichtbaar wordt. We gaan weer terug naar de tijd van het gebroken geweertje. In veel reacties op de visie van de minister werd door oud-militairen en experts, maar ook door de Rekenkamer in haar verantwoordingsonderzoek, gesteld: "De minister geeft het parlement een te rooskleurig en onvolledig beeld van de achtergebleven gereedheid". Ook hier krijg ik graag een reactie op van de minister.

Zelfs Clingendael, in de persoon van Ko Colijn, geeft aan dat deze minister voor haar opvolger slechts papier achterlaat. Op 12 oktober kreeg de minister nog een zeer kritisch rapport van de Rekenkamer over het te laag begroten van grote projecten. Het antwoord dat de Rekenkamer kreeg, was dat "deze gang van zaken gebruikelijk is bij deze procedures". Waarop de Rekenkamer antwoordde: "maar daarmee nog niet juist".

Kortom, de Defensievisie 2035 is een merkwaardig testament met veel aandacht voor technologie, maar er ligt niet eens een plan om het te gaan uitvoeren. Door deze begroting worden de problemen over de schutting naar de opvolgers gegooid. Ik krijg hier graag een reactie op van de minister.

De tweede lijn van mijn betoog is die van internationale samenwerking en verplichtingen, met name de gedane belofte van de premier in 2014 in Wales. In 2008 noemde de NAVO Nederland een anorexiapatiënt. In 2010 werd aangegeven dat er amputaties waren verricht in schaarse capaciteiten. En nu, in 2020, worden wij als paria's bestempeld. Anders gezegd: de NAVO geeft ons een dikke onvoldoende en wij parasiteren op andere, ook Europese, landen.

Zo roept de NAVO ons onder andere op tot "much needed investments in landforces", maar noch de Defensievisie 2035, noch de Defensiebegroting geeft daar invulling aan. Met de zevende economie in de NAVO bungelen wij onderaan — om precies te zijn: als achttiende van de 29 — als het gaat over het nakomen van deze belofte. Ook hier zet deze Defensiebegroting geen stappen in de goede richting, ook niet op termijn. Gaat de belofte van 2% nu definitief de prullenbak in? Accepteert de minister dat ze haar grondwettelijke taken niet kan uitvoeren en laat ze de gedane belofte aan de bondgenoten maar zitten? Laten we hier dan ook duidelijk over zijn naar onze bondgenoten en naar onze eigen mensen. Graag een reactie van de minister.

Voorzitter. Tot slot, zoals beloofd, de derde aanvliegroute. Dit is het begin van een oplossing. Een van de nog steeds bij Defensie doorlopende bezuinigingsmaatregelen is de RVU-boete door het functioneel leeftijdsontslag uit de Militaire Ambtenarenwet. Onder druk van de bezuinigingen wordt deze regeling sinds enkele jaren door Sociale Zaken aangewezen als een prepensioenregeling. Maar dat is het niet. Het is een doorlopende bezuinigingsmaatregel. Kom daar dan ook gewoon voor uit. Voor de goede orde: dit is ontstaan terwijl de betrokken militairen destijds geen keuze hadden. Zij moesten vertrekken en aan de wet voldoen. Vervolgens moet de organisatie in het kader van de fiscale regeling de jaarlijkse boete nog steeds betalen. Dit probleem loopt nog steeds door. Vandaar dit verzoek. Een interdepartementale commissie tezamen met de Belastingdienst en Sociale Zaken hiervoor instellen een jaar nadat we hierover in dit huis hebben gesproken, zoals de staatssecretaris nu wel kan doen, is voor ons echt niet genoeg. Het is zelfs bestuurlijk zwak, onrechtvaardig en ongewenst te noemen. Dit kabinet kan het eenvoudig zelf oplossen, maar het lijkt erop dat hiervoor de wil ontbreekt. De lessen van het gebroken geweertje en corona zijn nog steeds niet geland. Ook dit probleem wordt door het kabinet op de lange baan geschoven, terwijl het stoppen van deze boete juist gunstig zou zijn voor Defensie. Is dit nu weer een perpetuum mobile van uitstel? Want we weten wat er van uitstel komt.

Het ministerie van Financiën maakt aan de ene kant het budget voor Defensie vrij, maar op dezelfde dag wordt met de andere hand de boete geïnd. Onze bondgenoten en de NAVO zien dat natuurlijk ook. Dat heet in goed Nederlands gewoon windowdressing.

Voorzitter. Vorig jaar vroeg ik al om hiermee te stoppen. Sterker nog, dit zou kunnen zijn gerepareerd in de Voorjaarsnota, zelfs met terugwerkende kracht. Mijn motie werd steeds aangehouden en nu zit er helaas weer niets over in de Defensiebegroting. In de Tweede Kamer is hierover bij het begrotingsdebat onlangs gesproken, maar wederom kwam er geen vlees of vis, of zelfs maar enig gevoel van urgentie bij het kabinet. Laten wij als senaat duidelijk zijn en ons uitspreken. Defensie heeft destijds de wet gerespecteerd en de militairen met FLO gestuurd en inmiddels is de regeling aangepast. Wat nu overblijft en ons als Kamer rest, is deze onrechtvaardigheid over de tussenfase met terugwerkende kracht repareren en vervolgens te doen wat onze krijgsmacht en onze mensen in Wales is beloofd. De restitutie van deze onterecht geheven boete zal Defensie helpen om met name de grote personeelsproblemen op te lossen. Daar liggen nog veel op te lossen zaken, zoals het nieuwe bezoldigingsstelsel en het daarbij behorende toelagesysteem et cetera. Wij kunnen vanuit dit huis het ministerie van Defensie op een relatief eenvoudige wijze hiermee helpen, en wel direct.

Voorzitter, ten slotte. Er komt hierdoor een einde aan het nodeloos rondpompen van geld, aan het schimmig doen over hoeveel geld er nu daadwerkelijk wordt besteed aan Defensie en het helpt de minister bij haar arbeidsvoorwaardenoverleg. Hierdoor stijgt de Nederlandse bijdrage aan zijn veiligheid en die van zijn bondgenoten; daar zijn wij allen immers verantwoordelijk voor. Het zijn tenslotte grondwettelijke taken. We zien uit naar de reacties.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Beukering. Meneer Arbouw namens de VVD.

De heer Arbouw (VVD):

Ik heb twee vragen. U hebt forse kritiek op de voorliggende begroting, maar u snapt ook dat dit een begroting is die in feite richting de verkiezingen van volgend jaar gaat en richting het formeren van een nieuw kabinet. Vindt u uw geluid dat de begroting niet goed is en op een andere wijze invulling zou moeten krijgen niet meer een politiek debat voor de komende coalitiebesprekingen?

De heer Beukering (Fractie-Van Pareren):

Ik ben het niet geheel met de heer Arbouw eens. Het gaat over de situatie van een heel grote organisatie die in enorme problemen zit. De minister erkent dat aan een kant zelf, maar er wordt niet aangegeven hoe we het moeten doen. Daarmee wordt het probleem verschoven naar de opvolgers en dat is niet correct. We hadden in deze begroting al kunnen aangeven dat dit enorme problemen zijn en hoe we ze gaan aanpakken. Mijn fractie en ik begrijpen heel goed dat je dat niet in een keer kunt doen, maar je kunt niet een visie of droom neerzetten en dan geen boter bij de vis doen.

De heer Arbouw (VVD):

Volgens mij is er in deze kabinetsperiode een forse investering gedaan door het kabinet op het gebied van Defensie. U zegt zelf ook dat het in stappen moet. De minister-president heeft in 2014 aangegeven dat we zeker naar die 2%-norm toe moeten. Dat debat is ook in mijn partij gevoerd afgelopen weekend toen het over het verkiezingsprogramma ging. Daarin is nog eens heel goed neergezet dat het inderdaad snel moet. Daar is geen enkele discussie over, maar het moet wel stapsgewijs.

De voorzitter:

Dus uw vraag is?

De heer Arbouw (VVD):

Het is aan het volgende kabinet om dat opnieuw te doen. Mijn tweede vraag gaat over de RVU. Vorig jaar heeft u dat betoog ook gehouden. U heeft de staatssecretaris toen ook horen zeggen dat zij het eigenlijk helemaal met u eens is. Het ministerie heeft ook verschillende dingen gedaan. U heeft zelf ook bij departementen gewerkt, net als ik. U weet dus hoe dat werkt. Heeft u nog overwogen om dit punt aan de orde te stellen bij begrotingen van de bewindslieden die hier wel degelijk een keuze in kunnen maken, bijvoorbeeld Sociale Zaken of Financiën?

De heer Beukering (Fractie-Van Pareren):

Een heldere vraag. Een helder antwoord: dat hebben wij niet gedaan. Dit is een kabinetsaangelegenheid en wij hebben het aangekaart bij de minister van Defensie.

De voorzitter:

Dank u wel. Mevrouw Moonen namens de fractie van D66.

Mevrouw Moonen (D66):

De heer Beukering gebruikt harde woorden over Defensie. Zo gaf hij aan dat het de slechtst betaalde beroepsgroep is van de ambtenaren in Nederland. Waar baseert u dat eigenlijk op, meneer Beukering?

De heer Beukering (Fractie-Van Pareren):

Dat baseer ik op allerlei berekeningen die gewoon openbaar zijn en die nu ook op tafel worden gelegd bij het arbeidsvoorwaardenoverleg.

Mevrouw Moonen (D66):

Ik deel die visie niet, ook kijkend naar de basissalarissen en de aanvullende, zeer goede secundaire arbeidsvoorwaarden. Ik deel deze opvatting van de heer Beukering dus niet. Volgens mij klopt die ook niet. U gaf ook aan dat de minister weinig heeft geoogst en weinig heeft bereikt. Daar gaat mijn tweede vraag over. Op het moment dat wij hier aan het speechen zijn, zijn maar liefst 160 militairen actief bij het UMC in Utrecht om te helpen in de coronacrisis. Ik kwam ze tegen in de teststraten.

De voorzitter:

En uw vraag is?

Mevrouw Moonen (D66):

Mijn vraag is: zou de heer Beukering ook willen ingaan op de inzet van de Nederlandse militairen in de bestrijding van covid en op hoe ze daar nu een heel positief verschil maken?

De voorzitter:

Graag een heel kort antwoord, meneer Beukering.

De heer Beukering (Fractie-Van Pareren):

Ik ken de situatie en ik weet dat de militairen alles op haren en snaren zetten. Het ondersteunen van de regering op nationaal gebied is ook een van de taken, een van de grondwettelijke taken, maar dat is een druppel op de gloeiende plaat.

De voorzitter:

Dank u wel. Mevrouw Moonen, tot slot, derde.

Mevrouw Moonen (D66):

Ja, derde. Vanmiddag bespreken we in de commissie de langetermijnvisie van de minister, die er wel degelijk ligt. Daar blijkt toch duidelijk uit dat de minister en de staatssecretaris een visie hebben op de toekomst van Defensie? Hoe kijkt u dan tegen zo'n visie aan?

De voorzitter:

Tot slot, meneer Beukering.

De heer Beukering (Fractie-Van Pareren):

Dat heb ik ook gezegd en daar gaan we nog uitgebreid over praten. De visie is een prachtige droom, waarin technologie heel erg centraal staat. Maar dromen zijn bedrog. De mensen hebben nu, as we speak, behoefte aan brood op de plank en voldoende spullen. Als ik u het voorbeeld geef dat wij vier onderzeeboten hebben …

De voorzitter:

Nee, helaas hebben we geen tijd voor allerlei voorbeelden. Dank u wel, meneer Beukering.

Wenst een van de leden nog het woord in de eerste termijn? Dat is niet het geval. Minister en staatssecretaris, bent u in de gelegenheid om direct te antwoorden op de vragen van de Kamer? Dat is het geval. Dan geef ik het woord aan de minister van Defensie.