Naar hoofdinhoud Naar hoofdnavigatiemenu
T01695

Toezegging Aanpassen ontwerpbesluit bewaarregeling DNA-gegevens en vingerafdrukken, zodat geen gegevens worden bewaard van vrijgesproken personen die het misdrijf onmogelijk kunnen hebben begaan (32.044)



De minister van Veiligheid & Justitie zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Swagerman, toe het ontwerpbesluit inzake de bewaarregeling van DNA-gegevens en vingerafdrukken van vrijgesproken personen aan te passen, zodat in gevallen waarin naar het oordeel van het OM vaststaat dat de vrijgesproken persoon het misdrijf onmogelijk kan hebben begaan, zijn gegevens niet zullen worden bewaard. De minister zegt toe zijn uiterste best te doen een zodanige regeling te ontwerpen zodat deze voldoet aan het EVRM en zegt toe geheel van een regeling af te zien indien uit de advisering van de te consulteren organen - waaronder in ieder geval de Raad van State en het College bescherming persoonsgegevens - zou blijken dat een dergelijke regeling niet kan worden vormgegeven zonder in strijd te komen met het EVRM. Tot slot zegt de minister toe dat het ontwerpbesluit zal worden voorgehangen bij de Staten-Generaal. 


Kerngegevens

Nummer T01695
Status voldaan
Datum toezegging 9 april 2013
Deadline 1 juli 2013
Verantwoordelijke(n) Minister van Veiligheid en Justitie
Kamerleden Mr. B.J. Swagerman (VVD)
Commissie commissie voor Veiligheid en Justitie (V&J)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie lagere regelgeving
Onderwerpen AMvB
bewaring van gegevens
DNA
vingerafdrukken
vrijspraken
Wet herziening ten nadele
Kamerstukken Wet herziening ten nadele (32.044)


Uit de stukken

Handelingen I 2012-2013, nr. 23 - blz. 2

De heer Swagerman (VVD):

Mijn fractie zou graag nadere duiding willen van de minister op een tweetal punten: 1. de opzet bij het begaan van het misdrijf en 2. het ontwerpbesluit. (...)

Ten aanzien van het tweede punt hecht mijn fractie eraan dat de minister komt met een handreiking voor de inrichting van het ontwerpbesluit, die erop neerkomt dat niet van iedere onherroepelijk vrijgesproken verdachte het materiaal bewaard blijft.

Handelingen I 2012-2013, nr. 23 - blz. 7

Minister Opstelten:

Dan kom ik bij het tweede punt dat de heer Swagerman aan de orde heeft gesteld. Dat is ook een ingewikkelde en belangwekkende kwestie. Na aandachtige beschouwing van de naar voren gebrachte overwegingen van de heer Swagerman ben ik bereid het ontwerpbesluit inzake de bewaarregeling van DNA-gegevens en vingerafdrukken van vrijgesproken personen aan te passen op de wijze die tegemoetkomt aan zijn wens, zoals ik die begrepen heb. Die aanpassing zal inhouden dat, in gevallen waarin naar het oordeel van het OM vaststaat dat de vrijgesproken persoon het misdrijf onmogelijk kan hebben begaan, zijn gegevens niet zullen worden bewaard.

Ik plaats hierbij de belangrijke kanttekening dat een risico van een dergelijke regeling wel is dat onderscheid zal worden gemaakt tussen vrijspraken. Bij vrijspraken waarbij de gegevens worden bewaard, is immers sprake van een beslissing van het OM die impliceert dat niet is uitgesloten dat de vrijgesproken persoon toch de dader is. Het is de vraag of die implicatie te verenigen is met de onschuldpresumptie van artikel 6 EVRM. Het Europees Hof wil niet dat er onderscheid wordt gemaakt tussen eerste- en tweederangsvrijspraken met de implicatie dat de mogelijkheid blijft bestaan dat betrokkene toch schuldig is. Tegelijkertijd is het voor de effectiviteit van de wettelijke regeling, in de gevallen waarin het er echt op aankomt, wanneer derhalve een novum in de richting van een herziening ten nadele wijst, erg belangrijk dat DNA-materiaal bewaard blijft van vrijgesproken personen van wie niet is uitgesloten dat zij toch dader zijn. Tegen deze achtergrond zal ik mijn uiterste best doen om een zodanige regeling te ontwerpen dat deze voldoet aan het EVRM. Dat is voor mij echt een randvoorwaarde.

Het oordeel daarover van de te consulteren organen, waaronder het College bescherming persoonsgegevens en de Afdeling advisering van de Raad van State, wil ik daartoe afwachten. Wanneer uit de advisering zou blijken dat een dergelijke regeling niet kan worden vormgegeven zonder in strijd te komen met het EVRM, zal geheel van de regeling worden afgezien. Ik zeg dat met nadruk. Het nader aan te passen ontwerpbesluit zal worden voorgehangen bij de Staten-Generaal. De Kamer krijgt het dus nog te zien. Dat zijn mijn antwoorden op de vragen van de heer Swagerman.


Brondocumenten


Historie