T02449

Toezegging Essays over digitalisering (34.355)



De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zegt de Kamer, naar aanleiding van vragen van de leden Bruijn (VVD) en Rinnooy Kan (D66), toe essays te laten schrijven over digitalisering in het hoger onderwijs en daarbij ook de mogelijke scenario's, de internationale dimensie en de taak- en rolverdeling tussen universiteiten en hogescholen mee te nemen. De auteurs worden ook onder representanten van de groep jongeren gezocht.


Kerngegevens

Nummer T02449
Status voldaan
Datum toezegging 6 juni 2017
Deadline 1 juli 2018
Verantwoordelijke(n) Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Kamerleden Prof.dr. J.A. Bruijn (VVD)
Prof.dr. A.H.G. Rinnooy Kan (D66)
Commissie commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen digitalisering
essay
jongeren
Kamerstukken Bevordering internationalisering hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (34.355)


Uit de stukken

Handelingen I 2016-2017, nr. 30, item 7 - blz. 4

De heer Bruijn (VVD): In zijn recente publicatie "Haalt de universiteit 2040?" — dat is een interessante titel — noemt Bert van der Zwaan, rector van Universiteit Utrecht, de MOOC een tussenstation naar een global teaching pool met debundling van curricula en nieuwe onderwijsvormen zoals de SPOC. Hij signaleert nu reeds in de VS een daadwerkelijke en zeer snelle verschuiving van de klassieke naar de digitale universiteit vanwege de veel grotere mogelijkheden en de veel lagere kosten. De student "spoccelt" buiten de context van een instelling zijn persoonlijke curriculum bij elkaar in zijn eigen tempo en het eindexamen, de naam en de graad maken plaats voor een instellings- en leerwegonafhankelijk toelatingsexamen voor een arbeidsmarkt, wat bijvoorbeeld het Amerikaanse artsexamen al is. Dat trekt zich niets meer aan van de vraag waar en in welk tempo de student zijn competenties bij elkaar heeft "gespocceld"; het toetst ze. Innovatief toetsen wordt dan dus steeds belangrijker. Daarbij moet de student zich staande houden in een enorm aanbod van kennis en onderwijsmateriaal en wordt de docent van goeroe een gids, zo betoogt althans Van der Zwaan. En inderdaad, technologie is disruptief. Bij veel retailers heeft men lang volgehouden dat de klant redenen heeft om fysiek in de winkel te willen komen, maar bij velen bleek dat niet het geval en kwamen ze daar te laat achter.

(...)

Handelingen I 2016-2017, nr. 30, item 7 - blz. 6

De heer Bruijn (VVD): Dan gaat de heer Rinnooy Kan uit van de premisse van het bestaan van een instelling, maar dan zeg ik nogmaals — lees het boek van de heer Van der Zwaan — dat er nu al studenten zijn die zelf een curriculum bij elkaar "spoccelen" en die dit geheel buiten de context van een instelling doen. Dat zijn er niet weinig en hun aantal neemt toe. Daar liggen bijvoorbeeld mijn zorgen over de bildung, de sociaal-culturele inbedding, het kwaliteitstoezicht et cetera. Vervolgens gaan zij naar een centraal examen of een werkgever met hun stapel diploma's of certificaten van die docenten. Zij zeggen tegen die werkgever: hier ben ik; dit heb ik gedaan; wil mij aannemen. Die studenten vinden dat prima, die docenten vinden het prima en ook die werkgever vindt het goed. De vraag is of wij dit als samenleving een wenselijke ontwikkeling vinden, omdat dit zich in ieder geval potentieel onttrekt aan zaken als toezicht op toegankelijkheid, toezicht op kwaliteit en toezicht op de breedte van het curriculum. Misschien vinden we dat toezicht niet belangrijk. Dat kan, maar het is een feit dat deze ontwikkeling zich al afspeelt, in toenemende mate buiten de context van die instellingen en dus ook van de door de heer Rinnooy Kan genoemde examencommissie. Mijn fractie vindt dat er op z'n minst goed naar dit punt moet worden gekeken, want als die ontwikkeling net zo snel gaat als andere recente ICT-ontwikkelingen, zou zij weleens heel disruptief kunnen zijn, misschien ook ten nadele van bepaalde studentenpopulaties.

(...)

Handelingen I 2016-2017, nr. 30, item 7 - blz. 30-31

Minister Bussemaker: De heer Bruijn vroeg om een verder onderzoek en een vervolgtraject. Ik zou die suggestie willen meenemen, maar dan net op een andere manier. Ik denk namelijk dat het interessanter is om een aantal mensen eens te vragen om, in aanvulling op wat Van der Zwaan en Van Dijck cum suis al hebben gedaan, een essay te schrijven en om hun gedachten te laten gaan over wat er nu eigenlijk allemaal op ons afkomt en daarbij ook de internationale dimensie te betrekken. Ik kan mij heel goed voorstellen dat dit een belangrijk onderdeel wordt van de volgende strategische agenda, die mijn opvolger zal opstellen. Ik hoop dat de heer Bruijn dit als een toezegging ziet om werk te maken van de discussie over digitalisering, maar dan niet met één onderzoeksrapport maar met een levende discussie, waardoor wij zo veel mogelijk mensen erbij kunnen betrekken.

De heer Bruijn (VVD): Dank voor deze toezegging. Die klinkt mij als muziek in de oren. Ik vraag de minister om daarbij in ieder geval ook de mogelijke scenario's te willen laten meenemen. Natuurlijk zal de universiteit blijven bestaan. Daar zit mijn vrees niet. Ik denk dat het antwoord op de vraag van Bert van der Zwaan "ja" is. Het ging mij om de andere trajecten die de minister zelf al schetste, waarbij je ziet dat studenten ook buiten instellingen om in toenemende mate hun curriculum bij elkaar sprokkelen, vervolgens naar een werkgever gaan en daar al dan niet toegang krijgen tot de arbeidsmarkt. Die ontwikkeling is er al. Dat gaat buiten instellingen om en het gaat ook buiten onze invloedssfeer om als collectieve sector, als gemeenschap. Daar zitten de risico's van uitholling van het curriculum als het gaat om toegankelijkheid, betaalbaarheid, sociaal-culturele vorming, bildung et cetera. Als de minister bij de opdracht die zij gaat verstrekken voor het schrijven van die essays in ieder geval de scenario's die denkbaar zijn zou willen meenemen, waaronder deze, dan komt dat zeker tegemoet aan hetgeen ik heb gevraagd.

Minister Bussemaker: Daar ben ik graag toe bereid. Ik denk alleen niet in heel scherpe scenario's, maar bijvoorbeeld wel het scenario waarin je alles laat gebeuren en het scenario waarin je veel meer de publieke waarden herdefinieert in een tijd van de digitale samenleving. Misschien moeten we ook denken aan scenario's waarin je je afvraagt voor welke groep digitalisering nu voordelen heeft. Ik denk dus vaak niet vanuit die publieke waarden als toegankelijkheid en kwaliteit voor reguliere bachelorstudenten. Ik denk dat het digitale onderwijs een enorme bijdrage kan leveren, met name voor degenen die later in hun carrière onderdelen willen leren, certificaten willen behalen en zich op een onderdeel willen laten bijscholen. Wij experimenteren overigens ook met andere vormen, zoals flexstuderen. Daar beginnen wij volgend jaar mee bij een aantal hogescholen en universiteiten, ook op nadrukkelijk verzoek van studenten. Dan gaat het bijvoorbeeld om studenten die kinderen hebben, een sportcarrière combineren met studeren of al een eigen onderneming hebben gestart. Hoe kun je meer maatwerk leveren in dat hele studieprogramma?

De heer Bruijn (VVD): Daar ben ik mee eens, maar ik hoorde de minister ook zeggen dat er nu al een deelpopulatie is die buiten de instellingen om zelf aan de slag gaat, zelf het curriculum bij elkaar sprokkelt en misschien de beste docenten weet te vinden en daar ook voor betaalt. Je kunt dan moeilijk de vraag stellen: laten wij dit nu wel of niet gebeuren? Want het gebeurt namelijk, buiten onze invloedssfeer, in een internationale digitale omgeving. Je kunt je wel afvragen of je dat moet laten gebeuren. Dan zou je het dus moeten verbieden. Ik denk dat de minister daar niet aan denkt, maar goed, dan gaan wij al in op het pad. Maar ik wil in ieder geval dat deel van de scenario's onder de aandacht brengen, omdat daar de risico's zitten. Het onttrekt zich aan enige vorm van toezicht en ook aan het belang van een antwoord op de vraag of wij dit toelaten. Want het gebeurt, ongeacht of wij het willen toelaten.

De heer Rinnooy Kan (D66): In aansluiting hierop: ik luister met genoegen naar het idee van de minister om een aantal betrokkenen om een oordeel te vragen over, of een inschatting te geven van, deze digitale toekomst. Ik zou erop willen aandringen om bij die groep ook een aantal representanten te betrekken van de groep die zojuist in beeld kwam, namelijk de jongeren zelf die op enig moment hun weg zoeken of misschien net gevonden hebben en misschien met heel andere verwachtingen over hun hogere opleiding op de arbeidsmarkt dan wel de onderwijsmarkt verschijnen dan wij gewend zijn. Dat lijkt mij een verrijking van het debat.

Minister Bussemaker: Dat neem ik mee.

(...)

Handelingen I 2016-2017, nr. 30, item 7 - blz. 33

De heer Bruijn (VVD): Ik heb nog een opmerking over digitalisering. Bij de diploma's ging het nu juist om een scenario waarbij een student buiten de instellingen om, zonder daarmee een diploma te behalen, zelf een curriculum bij elkaar sprokkelt dat zo mooi is dat een werkgever wil dat die student bij hem komt werken. Het Conservatorium van Amsterdam ziet dat al gebeuren. Een student vindt buiten het conservatorium ergens een goede docent, wordt opgeleid tot een heel goed cellist, doet dat dus buiten de instelling om en krijgt geen bachelordiploma. Dan kan de werkgever zeggen: kom maar binnen. De vraag is welke mogelijkheid we in dat geval nog hebben om de kwaliteit te bewaken. Het is natuurlijk een heel extreem scenario, maar wel een scenario dat volgens sommigen kennelijk niet onrealistisch is. Ik ben in ieder geval blij dat de minister heeft toegezegd om hier essays over te laten schrijven.+

(...)

De heer Rinnooy Kan (D66): Mijn derde punt gaat over de toekomstverkenning waar we het net over hadden. De minister gaat hier essays over laten schrijven. Eerder suggereerde ik om ook een volgende generatie daarbij een kans te geven om zich te laten horen. Nu ik er nog verder over nadenk, en met name over het Nederlandse bestel, zou ik ook in overweging willen geven om in die toekomstverkenning aandacht te besteden aan de taak- en rolverdeling tussen universiteiten en hogescholen. Ook daarin is Nederland een apart land, met een heel aparte traditie die het continueren of juist heroverwegen meer dan waard kan zijn. Vandaag spraken we bijvoorbeeld een aantal keren over de rol van de hogescholen op diverse onderzoeksterreinen. Een interessant ingrediënt lijkt mij de vraag in hoeverre die rol onderscheidend moet zijn van die van universiteiten.

(...)

Handelingen I 2016-2017, nr. 30, item 7 - blz. 35

Minister Bussemaker: Voorts is mij gevraagd om in de toekomstverkenning ook aandacht te besteden aan de bijzonderheid van het duale stelsel met het hbo en het wo, ook in relatie tot het onderzoek en het onderwijs. Er gebeuren wat dat betreft natuurlijk echt veel bijzondere dingen bij hogescholen. Denk aan het werk van lectoren. Er is steeds meer ruimte voor onderzoek. Ik zeg de Kamer dus toe dat ik ook dit punt op de een of andere manier een plek zal geven in die essays.


Brondocumenten


Historie