T01683

Toezegging Openbaarheid adviezen Commissie toezicht financiën politieke partijen (32.752)



De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zegt de Kamer, naar aanleiding van vragen van de leden Koole (PvdA) en De Graaf (D66), toe de adviezen van de Commissie toezicht financiën politieke partijen die hij niet opvolgt openbaar te maken, tenzij het gaat om 'veiligheidsadviezen' (art. 35, lid 3, sub b). Tevens zegt hij toe de Kamer per brief te zullen informeren over het onderwerp van de openbaarmaking van adviezen van de commissie.


Kerngegevens

Nummer T01683
Status voldaan
Datum toezegging 26 februari 2013
Deadline 1 oktober 2013
Verantwoordelijke(n) Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Kamerleden mr. Th.C. de Graaf (D66)
prof. dr. R.A. Koole (PvdA)
Commissie commissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat / Algemene Zaken en Huis van de Koningin (BZK/AZ)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen financiering
politieke partijen
toezicht
Kamerstukken Wet financiering politieke partijen (32.752)


Uit de stukken

Handelingen I 2012/2013, nr. 18, item 2, blz. 8-9

De heer Koole (PvdA): Mag ik vervolgens vragen waarom het advies van de commissie niet altijd terstond bekend wordt gemaakt, niet alleen aan de betreffende partij, maar aan de Tweede Kamer, aan het parlement als geheel? Nu is het immers theoretisch mogelijk dat de commissie adviseert om aan de partij van de minister zelf een boete op te leggen. De minister zou in de verleiding kunnen komen om dit advies niet over te nemen. De partij krijgt dit advies dan wel te horen via het besluit, maar zal niet protesteren tegen het niet overnemen van dit advies. Dat brengt de positie van de minister in gevaar. Om elke discussie te voorkomen, zou de minister elk advies van de commissie terstond naar de Kamer moeten sturen. Is de minister het daarmee eens? Zo nee, waarom niet?

(...)

Handelingen I 2012/2013, nr. 18, item 5, blz. 25-26

Minister Plasterk: De heer Koole heeft een originele en verstandige casus voorgelegd. Er is eerder in de Tweede Kamer geredeneerd dat het openbaar maken van de adviezen van de commissie niet noodzakelijk is. Immers, als de minister besluit om het advies niet te volgen, is de politieke partij die daarvan het nadeel ondervindt, altijd in de gelegenheid om naar buiten te treden met dat advies en bezwaar te maken tegen het feit dat de minister het advies niet heeft gevolgd. De minister kan daarop dan worden aangesproken. De heer Koole vraagt zich het volgende af. Wat gebeurt er als de commissie adviseert om een boete op te leggen aan een politieke partij en de minister besluit om dat niet te doen? De politieke partij heeft dan geen grond om dat publiek te maken, want zij is blij met het niet opleggen van de boete. Vanuit het algemeen belang is het een onwenselijke situatie dat men dan niet weet dat de minister contrair is gegaan aan het door de commissie gegeven advies.

Ik vind dat een houtsnijdend bezwaar. Ik zeg in alle eerlijkheid dat ik een zekere aarzeling heb om toe te zeggen dat voortaan alle adviezen openbaar gemaakt worden. Als het de bedoeling was geweest om het advies openbaar te laten zijn, dan had dat in de Tweede Kamer als zodanig besproken moeten worden. Ik stel het volgende voor. Voor dit moment zeg ik toe om het openbaar te maken als de minister contrair gaat aan het gegeven advies, met uitzondering van situaties die betrekking hebben op artikel 35, lid 3, onder b; dat zijn de veiligheidsadviezen. Dus nogmaals: als de minister contrair gaat aan het door de commissie gegeven advies, wordt dat door de minister van Binnenlandse Zaken openbaar gemaakt, tenzij het gaat om de tweede categorie van de drie categorieën die ik zojuist noemde, namelijk het besluit om iets niet openbaar te maken omdat het de veiligheid van een persoon zou kunnen aantasten. Dan moet je dat feit niet openbaar willen maken. Ik wil die toezegging doen en bezien of dit in de praktijk werkt. Overigens kan ik mij niet voorstellen dat de minister vaak contrair zal gaan aan een commissieadvies. Die situatie zal zich weinig voordoen. Als die praktijk een nuttige blijkt te zijn, zouden wij die in de volgende wetswijziging in de wet kunnen vastleggen.

De heer Koole (PvdA): Natuurlijk ben ik blij met deze toezegging, maar ik vraag de minister toch waarom niet in het algemeen wordt gezegd dat alle adviezen openbaar gemaakt worden, behalve de categorie waar de veiligheid in het geding is. Dat kan ook.

Minister Plasterk: Ik noemde zojuist al een procedureel argument. Als in de wet de instelling van een commissie wordt geregeld en in de Tweede Kamer wordt daar niet bij gezegd dat de adviezen publiek moeten worden, dan zou de aard van de commissie echt veranderen als ik hier zou toezeggen dat de adviezen publiek worden. Daarnaast denk ik dat wij ervaring moeten opdoen met de wijze waarop het in de praktijk werkt. Op een aantal onderdelen, bijvoorbeeld de bestuurlijke boete, kan de commissie een eigen initiatief nemen. Op andere onderdelen ligt het voortouw in principe bij de minister. De minister zal bijvoorbeeld de commissie vragen of zij vindt dat er sprake is van een neveninstelling die onder de reikwijdte van de wet zou moeten vallen. Als de commissie dan zegt dat dit het geval is, dan zal de minister daarop acteren, gehoord het advies dat hij heeft gekregen. Ik weet echter niet wat de frequentie daarvan zal zijn, wat de aard van de adviezen zal zijn en of het altijd zal gaan om geschreven adviezen. Er kunnen ook mondelinge adviezen gegeven worden. Ik meen dus tegemoet te komen aan het reële bezwaar, via de toezegging die ik zojuist heb gedaan, zonder de aard van de commissie geheel te veranderen.

De heer Koole (PvdA): Het is vooral bedoeld om de positie van de minister te beschermen. Die positie mag niet ter discussie komen te staan als de minister contrair gaat aan een advies van de commissie. Dat kan men voorkomen door gewoon alle adviezen openbaar te maken. In dat geval weet men wat er is geadviseerd en komt daar geen geroezemoes over. Alleen als het gaat om veiligheidsaspecten, zouden adviezen niet openbaar gemaakt hoeven te worden. Om die reden doe ik toch het verzoek om alle adviezen openbaar te maken, behalve de zojuist genoemde categorie.

De minister heeft nu een paar keer gerefereerd aan het debat in de Tweede Kamer. Ik herinner de minister eraan dat wij een zelfstandige positie als wetgevende Kamer hebben. Wat de Tweede Kamer in haar wijsheid ook allemaal heeft geoordeeld, wij hebben alle vrijheid om daar eigen opvattingen over te hebben. De minister kan zich derhalve niet verschuilen achter een opvatting die in de Tweede Kamer leeft.

Minister Plasterk: Het laatste is evident. Wij kennen de constitutionele verhoudingen, dus dat kan voor de Kamer een reden zijn om de wet niet te accepteren. Ik kan echter niet tussen twee Kamers heen en weer fladderen om te zeggen dat de ene Kamer liever uitgaat van € 3.500 dan € 4.500. Ik verdedig hier ten volle wat door de Tweede Kamer is vastgesteld. Ik mag daar wel naar verwijzen, maar ik realiseer mij dat dit als eigenstandig argument in de Eerste Kamer geen rol hoeft te spelen. Die kan besluiten dat zij de wet niet ziet zitten.

De heer Thom de Graaf (D66): Het gaat niet over de wettekst. Als het over de wettekst zou gaan, zou de minister een groot punt hebben. Wij hebben niet het recht van amendement. Hooguit kunnen wij zeggen dat wij weigeren een wet aan te nemen, tenzij er een veranderingsvoorstel komt. Dat is hier echter niet aan de orde. De vraag is of er binnen de door de regering en de Tweede Kamer vastgestelde tekst ruimte is om de adviezen in beginsel openbaar te maken. Het antwoord daarop is natuurlijk dat er juridisch ruimte voor is, maar dat de minister het niet wil, althans niet helemaal. Ik vraag de minister, in aansluiting op het verzoek van de heer Koole, of hij in ieder geval kan toezeggen dat alle adviezen die zich daarvoor lenen – in dat geval is er altijd een uitzondering mogelijk als de minister meent dat het echt niet kan – gewoon openbaar gemaakt worden. Tevens vraag ik of wij ook kunnen afspreken dat als de minister zelf een advies openbaar maakt omdat hij van dat advies afwijkt, hij dan ook motiveert waarom hij dat doet. Misschien kan de minister daar nog even over nadenken. Ik neem aan dat de Kamer het plezierig vindt als de minister hier een nadere uitwerkingsbrief over stuurt op het moment dat hij de commissie instelt, want hij praat natuurlijk ook nog met de commissie over de werkzaamheden. Als wij dat kunnen afspreken, dan zou dat al winst zijn.

Minister Plasterk: Ik ben bereid het laatste toe te zeggen. Nogmaals, de positie van de commissie verandert als alle adviezen openbaar worden. Dat is een nieuw element dat nu wordt ingebracht. De heer De Graaf heeft gelijk dat de wettekst zich niet verzet tegen het openbaar maken van alle adviezen. Ik vraag de Kamer mij gelegenheid te geven mij daarop te beraden. Op het moment van instellen van de commissie zal ik in een brief aan de beide Kamers het aspect van de openbaarmaking meenemen, gehoord hetgeen vandaag naar voren is gebracht, tenzij de meerderheid van de Kamer zich daartegen verzet. Als het laatste het geval is, dan hoor ik dat graag in tweede termijn, want dan zal ik dat in mijn overwegingen moeten meenemen.

(...)

Handelingen I 2012/2013, nr. 18, item 5, blz. 39

De heer De Graaf (D66): Geef de adviezen van de commissie een zware status – maak ze dus in beginsel openbaar – en wijk daar in beginsel niet van af. En als de minister dat wel doet, dan met zware motiveringsplicht. Dan creëer je een situatie waarin de commissie van advies echt dat onafhankelijke orgaan kan zijn, zij het meer de facto dan de jure. De minister heeft een brief toegezegd. Het zou heel plezierig zijn als hij daarin op deze positie zou willen ingaan.

(...)

Minister Plasterk: Het voorstel is vandaag niet naar de letter, maar wel naar de uitwerking veranderd door een toezegging die ik heb gedaan. Ik wil benadrukken dat het een redelijk verstrekkende toezegging is, waardoor een en ander iets anders zal verlopen dan in de Tweede Kamer kennelijk is besproken. Daar is dit onderwerp niet expliciet aan de orde geweest. Ik heb toegezegd om de Kamer een brief te sturen waarin ik terugkom op het onderwerp van het publiek maken van de adviezen van de commissie. Het zou een lege toezegging zijn als ik mij niet realiseerde dat de Kamer verwacht dat ik daarin zal bewegen in de richting die door de Kamer wordt beoogd, zodat de transparantie zich ook uitstrekt tot de adviezen van de commissie. Een logisch uitvloeisel daarvan zal zijn dat als een minister, ik of op enigerlei moment in de toekomst een opvolger, contrair gaat aan een advies van de commissie, er als vanzelfsprekend een zware motivatie moet volgen. Het advies is immers publiek en als de minister het niet opvolgt, is het evident dat dit zeer zwaar onderbouwd moet worden. Ik denk dat een minister van Binnenlandse Zaken er in de praktijk goed aan zal doen om, als uitgangspunt, het advies van de commissie over te nemen. Anders beoog je niet het doel om de facto in een hoge mate van onafhankelijkheid te kijken naar de beslissingen die worden genomen.

Mijn terughoudendheid op dit punt was niet ingegeven door een inhoudelijke aarzeling, maar door het feit dat dit ten opzichte van hetgeen door de Tweede Kamer is besproken, een andere positie van de commissie met zich meebrengt. Het maakt een heel groot verschil of de commissie vertrouwelijk de minister bijpraat en adviseert, of dat zij een publiek advies geeft, waarna de minister daarover een besluit neemt. Dat is materieel echt wel een verandering, maar de wet sluit dit niet uit, zoals door de leden De Graaf en Koole is aangegeven. Hoewel het in de Tweede Kamer niet is besproken, voel ik mij dus toch vrij om hier op dit substantiële onderdeel toe te zeggen dit anders te zullen toepassen dan wellicht was voorzien.


Brondocumenten


Historie