30.971

Wijziging Wet studiefinanciering 2000 en de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek in verband met de Associate-degreeprogramma's en masteropleidingen



Met dit wetsvoorstel wordt op twee manieren de mogelijkheid vergroot om de opleiding tot leraar te volgen.

In de eerste plaats wordt de universitaire lerarenopleiding (ULO), die volgt op een wo-masteropleiding, als een reguliere opleiding opgenomen in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW). In de tweede plaats worden degenen die een hbo- of wo-opleiding hebben gevolgd in een bepaald vakgebied en daarna besluiten alsnog leraar te worden in dat vak, één jaar extra financieel ondersteund. Het gaat hierbij om een drietal trajecten. Het betreft studenten aan de zogenaamde kopopleiding, de lerarenopleiding hbo die aansluit bij het vakgebied waarbinnen de student zijn of haar opleiding heeft gevolgd, studenten die een educatieve masteropleiding volgen nadat ze een wo-master hebben afgerond, en studenten die een ULO doen, volgend op een wo-masteropleiding.

Deze samenvatting is gebaseerd op het wetsvoorstel en de memorie van toelichting zoals ingediend bij de Tweede Kamer.


Stand van zaken

Het voorstel is op 22 mei 2007 met algemene stemmen aangenomen door de Tweede Kamer.

De Eerste Kamer heeft het voorstel op 12 juni 2007 als hamerstuk afgedaan

De wet is opgenomen in Staatsblad 254 van 17 juli 2007.

De inwerkingtreding is opgenomen in Staatsblad 263 van 19 juli 2007.

De inwerkingtreding van een artikel en onderdelen van een artikel is opgenomen in Staatsblad 216 van 24 juni 2008.


Kerngegevens

ingediend

17 februari 2007

titel

Wijziging van onder meer de Wet studiefinanciering 2000 in verband met onder meer de uitvoerbaarheid van die wet en de invoering van een kopopleiding in het hoger onderwijs, alsmede van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek in verband met onder meer Associate-degreeprogramma's en masteropleidingen op het gebied van het hoger onderwijs

schriftelijke voorbereiding

ondertekening

  • minister voor Grotesteden- en Integratiebeleid

inwerkingtreding

De artikelen van deze wet, met uitzondering van artikel IV, onderdelen A, B, D, G, H, R wat betreft de artikelen 18.65 en 18.66, en de artikelen V tot en met IX, treden in werking op een bij een koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

De artikelen IV, onderdeel B, en V treden in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst, en werken terug tot en met 18 augustus 2006.

Artikel IV, onderdelen A, G en H, treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst, en werkt terug tot en met 1 september 2006. Artikel IV, onderdeel D, treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Artikel IV, onderdeel R, wat betreft artikel 18.65, treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst, en werkt terug tot en met 1 januari 2006.

Artikel IV, onderdeel R, wat betreft artikel 18.66, treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst, en werkt terug tot en met 1 juli 2006.

De artikelen VI tot en met IX treden in werking met ingang van

de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst.


Hoofdlijnen

Daarnaast worden in dit wetsvoorstel enkele wijzigingen van de WHW opgenomen. Dit betreft onderwerpen die ook al waren opgenomen in het wetsvoorstel Financiering in het hoger onderwijs (30.387) en het wetsvoorstel Rechtspositie studenten en raden van toezicht (30.832), de zogenaamde spoedwet. Beide wetsvoorstellen zijn in de Tweede Kamer behandeld, maar door de Eerste Kamer controversieel verklaard met name door voorstellen die verband houden met de invoering van het systeem van de leerrechten of wijzigingen van de studiefinanciering. Een aantal onderwerpen die geen verband houden met bovengenomende onderwerpen moeten echter op korte termijn geregeld worden in het belang van instellingen en studenten en zijn daarom opgenomen in onderhavig wetsvoorstel. Het betreft:

  • het positioneren van de ULO als een afzonderlijke masteropleiding;
  • de introductie van een woonplaatsvereiste in verband met de instellingsbekostiging;
  • de omkering van de toets macrodoelmatigheid en de toets nieuwe opleiding;
  • de formalisering van de associate degree;
  • de opname met terugwerkende kracht in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs (CROHO) van ongedeelde theologische opleidingen, vanwege de onderbrenging van twee theologische universiteiten bij de Universiteit van Tilburg.

Documenten

1