Debat over schrappen verbod op godslastering



26 november 2013

De Eerste Kamer heeft op dinsdag 26 november 2013 gedebatteerd over een initiatiefvoorstel van de Tweede Kamerleden Schouw (D66) en De Wit (SP) dat in het Wetboek van Strafrecht het verbod op godslastering schrapt. In het debat werden door diverse woordvoerders zorgen geuit over de beperking van de vrijheid van godsdienst en godsdienstbeleving door het schrappen van dit verbod. Zij onderstreepten het belang van het beschermen van religieuze minderheidsgroepen tegen zwaar kwetsende aantijgingen. Senator Schrijver (PvdA) diende een motie in die de regering verzoekt te onderzoeken of het Wetboek van Strafrecht deze bescherming ook na het schrappen van het verbod op godslastering kan bieden.

Bij het debat waren naast de initiatiefnemers Schouw en De Wit zowel minister Opstelten van Veiligheid en Justitie alsook de oorspronkelijke mede-indiener van het voorstel Van der Ham (D66) aanwezig. Op 3 december 2013 wordt er hoofdelijk gestemd over het wetsvoorstel; over de motie wordt gestemd met zitten en opstaan.

Vrijheid van meningsuiting vs. vrijheid van godsdienst

Senator Franken (CDA) benadrukte dat zowel de vrijheid van meningsuiting als de vrijheid van godsdienst internationaalrechtelijk zijn beschermd en daarin een gelijkwaardige positie hebben. De staat moet volgens Franken een ongestoorde uitoefening van godsdienst beschermen en kan dus soms een beperking van de vrijheid van meningsuiting eisen. Dat er sinds 1968 niemand is vervolgd voor godslastering wil volgens Franken niet zeggen dat het verbod geen enkel effect heeft. Ook de moeilijke bewijsbaarheid (er moet sprake zijn van zware opzet) is geen reden om het verbod te schrappen. Met het verbod op godslastering wordt de openbare orde beschermd. Dat het gaat om een krenking van godsdienstige gevoelens, maakt het volgens de senator niet tot een kerkelijke aangelegenheid.

Zware beledigingen

Senator Kuiper (CU) stelde dat dit wetsvoorstel een verkeerd signaal afgeeft aan de samenleving, aangezien er binnen een multireligieuze samenleving juist behoefte is aan onderling respect en tolerantie. Door het schrappen van het verbod van godslastering wordt volgens senator Kuiper de sluis open gezet voor zware zielsbeledigingen van gelovige medeburgers. De senator betoogde dat het hier niet gaat om een slapend wetsartikel dat geen enkel effect heeft. Kuiper stelde dat er van de overheid wel degelijk een bepaalde bescherming van de vrijheid van godsdienst mag worden verwacht. Dit heeft niet tot doel om het publieke debat te beperken, maar om bescherming te bieden tegen zwaar kwetsende aantijgingen. Kuiper betwistte dat geloofsovertuigingen en -gevoelens slechts meningen zijn en dat er met het verbod een privilege voor gelovigen wordt geschapen.

Senator Holdijk (SGP) vroeg waarom de initiatiefnemers de vrees hebben dat dit verbod zou gaan herleven, aangezien uit de rechtspraak blijkt dat er een zware bewijslast op het artikel ligt. Volgens de senator is er geen sprake van extra bescherming of bevoorrechting van gelovigen, aangezien zij juist een specifieke, passende bescherming verdienen die gelijkwaardig is aan de bescherming van niet-gelovigen. Holdijk betoogde dat behalve fatsoensnormen ook de wet een instrument kan zijn om als laatste redmiddel zeer onbeschaafde toestanden binnen de publieke sfeer tegen te gaan. De senator stelde dat het zeer te betreuren zou zijn als door schappen van het verbod de opvatting zou ontstaan dat godslastering mág, omdat het niet strafbaar is. Volgens Holdijk is gezien de verruwing van het openbare debat dit verbod niet overbodig.

Bescherming van minderheden

Senator Schrijver (PvdA) was bezorgd dat de initiatiefnemers te weinig aandacht hebben geschonken aan de bescherming van minderheden. Volgens Schrijver verdienen minderheden in een democratische samenleving verdergaande bescherming dan die alleen uit het beginsel van gelijke behandeling voortvloeit.  De senator vroeg de minister van Veiligheid en Justitie of het verbod op discriminatoire beledigingen (artikel 137 Wetboek van Strafrecht) voldoende dekking biedt voor het bestrijden van grove spot en beschimping van minderheden in Nederland en het onnodig grieven van godsdienstige gevoelens. Schrijver haalde aan dat de discussie over het verbod op godslastering in nogal wat landen speelt en vroeg of de indieners de ambitie hebben om met het schrappen van het verbod een mondiaal voorbeeld te stellen.

Senator Dupuis (VVD) gaf aan dat de staat ruimte moet geven om godsdienst vrij te beoefenen en dat ook burgers elkaar onderling hiertoe op een respectvolle manier de ruimte moeten geven. Dupuis stelde dat de argumenten van de diverse christelijke politieke partijen serieus dienen te worden genomen. De senator stelde dat er een zekere preventieve werking uitgaat van het verbod die men niet mag negeren. Dat er niet veroordeeld wordt, doet niet af aan de normatieve werking. Als het schrappen van het verbod (een gevoel van) onveiligheid creëert voor geloofsgemeenschappen dan moet daar rekening mee worden gehouden. Ook gaf de senator aan dat zij geen dringende noodzaak ziet voor het vergroten van de vrijheid van meningsuiting.

Nut en noodzaak

Senator Reynaers (PVV) merkte op dat het verbod op godslastering pas in 1931 is opgenomen in het Wetboek van Strafrecht en dat er bovendien sindsdien zelden iemand hiervoor is vervolgd. Volgens de senator is nut en noodzaak van het verbod dus zeer beperkt en dient deze 'dode letter' te worden geschrapt. Ook is volgens Reynaers de openbare orde niet in het geding als het om godslastering gaat. Wel is het volgens de senator van groot belang dat er in het publieke debat kritiek mag worden geuit op religies. Het verbod op godslastering past volgens de PVV-senator niet bij een zo groot mogelijke vrijheid van meningsuiting en hoort bovendien niet thuis in het strafrecht. Dat hiermee een fatsoensnorm uit het strafrecht wordt gehaald vormt voor Reynaers geen bezwaar, omdat fatsoensnormen hier volgens hem geen plaats dienen te hebben.

Slapend bestaan

Senator Vliegenthart (SP) stelde dat het wetsartikel een slapend bestaan leidt en dus beter geschrapt kan worden. In dit verband vroeg Vliegenthart de minister van Veiligheid en Justitie om aan te geven in hoeverre zijn ministerie op regelmatige basis nagaat welke artikelen geschrapt zouden kunnen worden. Het schrappen van het verbod vereist volgens de senator wel dat er volle aandacht wordt gegeven aan het tegengaan van het moedwillig beledigen van mensen met religieuze opvattingen. Dit dient volgens Vliegenthart met name gebeuren in het onderwijs en de opvoeding. Verder betoogde de senator dat het schrappen van het verbod de ruimte voor vrijheid van meningsuiting vergroot.

Scheiding van kerk en staat

Senator De Lange (OSF) betoogde dat de beleving van welke godsdienst of levensovertuiging dan ook een strikt individuele aangelegenheid is, die volkomen buiten het domein van de staat valt. De Lange ziet het wetsvoorstel als een belangrijke stap in de juiste reguliere richting. Bovendien is volgens de Lange met de opkomst van de moderne natuurwetenschappen het actief praktiseren van een geloof sterk afgenomen en ligt het voor de hand om de wetgeving hierop aan te passen. Het extra beschermen van religieuze overtuigingen is volgens de senator onwenselijk.

Senator Engels (D66) betoogde dat de vrijheid van godsdienst niet het recht omvat op een geprivilegieerde positie van religie en religieuze opvattingen. Volgens Engels impliceert de scheiding van kerk en staat een neutrale overheid. Engels merkte op dat noch de Hoge Raad, noch het Europees Hof voor de Rechten van de Mens snel overgaan tot het beperken van het maatschappelijke debat, ook als dit kwetsend is voor gelovigen. Bovendien biedt het verbod op discriminerende, haat zaaiende en tot geweld oproepende uitingen voldoende bescherming tegen onnodig grievende uitingen. 

Ruimte voor kritiek

Senator Strik(GL) haalde, net als diverse woordvoerders, aan dat minister Donner in 2004 na de moord op Theo van Gogh opriep om het verbod op godslastering nieuw leven in te blazen. Volgens Strik beweerde Donner hiermee impliciet dat opiniemakers zoals Van Gogh beperkt moeten worden in hun uitingsvrijheid. De grens ligt volgens de senator echter bij het aanzetten tot haat, ongerechtvaardigd onderscheid en geweld. Strik vroeg of de regering erkent dat er van het verbod - ook in slapende toestand- een verkeerd signaal uit gaat. Strik benadrukte dat religie en samenleving alleen maar kunnen bloeien als er ook ruimte is voor kritiek op religie. Strik: "Een beroep op godsdienstvrijheid om blasfemie te verbieden, is een perverse poging om via de wet de strijd tussen de 'goden' te beslechten."

Dreiging van ontwaken

De initiatiefnemers van het wetsvoorstel betoogden dat het verbod op godslastering onnodig de vrijheid van meningsuiting beperkt en dat het bovendien rechtsongelijkheid schept omdat het gelovigen extra beschermt. Niet-gelovigen kunnen zich immers niet beroepen op het verbod. De vrijheid van godsdienst behelst volgens de initiatiefnemers ook de vrijheid om niet godsdienstig te zijn; ook andere levensovertuigingen moeten een plek krijgen.   

Volgens Schouw en de Wit heeft het verbod een zeer beperkte symbolische en/of preventieve werking, omdat weinig mensen zich bewust zijn van dit verbod en het bovendien in een rechtszaak zeer moeilijk te bewijzen is. Daarnaast stelden zij dat het verbod weliswaar een slapend bestaan leidt, maar dat er een dreiging van ontwaken bestaat. Wanneer het wetsartikel weer actief in gebruik zou worden genomen, vormt dit volgens de initiatiefnemers een te sterke beperking van de vrijheid van meningsuiting. Ook betoogden zij dat het niet de taak is van de overheid om bepaalde heilige of diepgevoelde overtuigingen te beschermen, aangezien in strijd is met de scheiding van kerk en staat.

De initiatiefnemers verwachten niet dat het schrappen van het verbod lijdt tot commotie of tot een toenemend aantal kwetsende aantijgingen. Mocht dit wel het geval zijn, dan kunnen geloven die zich hierdoor geraakt voelen zich nog altijd beroepen op het verbod op discriminatoire beledigingen uit artikel 137 van het Wetboek van Strafrecht. Senatoren Kuiper (CU) en Franken (CDA) betoogden echter dat dit wetsartikel nooit specifiek is bedoeld om gelovigen hiertegen te beschermen.

Motie Schrijver c.s.

Senator Schrijver (PvdA) diende hierop in tweede termijn een motie in die de regering verzoekt te onderzoeken of een mogelijke aanpassing van artikel 137 voor voldoende bescherming kan zorgen tegen als ernstig ervaren belediging van burgers door belediging van hun geloof en geloofsbeleving, zonder de werking van vrijheid van meningsuiting onnodig te beperken. De motie verzoekt de regering de Kamer hierover voor 1 juli 2014 te berichten.

De initiatiefnemers gaven aan dat zij niet op voorhand een dergelijk onderzoek afwijzen, maar dat over een mogelijk aanpassing opnieuw een afweging moet worden gemaakt door de wetgever. Minister Opstelten gaf aan dat artikel 137 op zich voldoende bescherming biedt tegen beschimping van minderheden liet het oordeel over de motie aan de Kamer. Hij gaf aan dat het kabinet neutraal staat ten opzichte van het wetsvoorstel. Het kabinet heeft enerzijds veel respect voor de gevoelen van religieuze politieke partijen, maar onderstreept ook dat de vrijheid van godsdienst ook de vrijheid om niet godsdienstig te zijn omvat.

Wel merkte Opstelten op dat er geen rangorde is in de Grondwet tussen grondrechten en dat de scheiding van kerk en staat niet in alle opzichten een neutrale overheid impliceert. Als de rechten van minderheidsgroepen beschermd moeten worden dan moet de overheid dat doen. Aan senator Vliegenthart zei Opstelten dat er inderdaad regelmatig wordt nagegaan welke wetsartikelen een slapend bestaan leiden en dat het een ambitie van het kabinet is om wetgeving hiervan te zuiveren.


Sociale media menu


Deel dit item: