Debat strafbaarstelling voorbereiding illegale hennepteelt



4 november 2014

De Eerste Kamer heeft dinsdag 4 november 2014 gedebatteerd met minister Opstelten van Veiligheid en Justitie over een wetsvoorstel voor de strafbaarstelling van voorbereiding van illegale hennepteelt. Dit wetsvoorstel maakt via een wijziging van de Opiumwet alle handelingen die illegale hennepteelt voorbereiden en bevorderen strafbaar met een gevangenisstraf tot 3 jaar of een geldboete. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om growshops , transport- en distributiebedrijven, verhuurders van loodsen en schuren, elektriciens die illegale elektrische installaties aanleggen of de handel in kant-en-klaar ingerichte kasten voor de illegale hennepteelt. In het debat werd door diverse woordvoerders vragen gesteld over de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van het wetsvoorstel. Het ging daarbij met name om de vraag hoe er vastgesteld wordt dat een leverancier een ernstige reden had om te vermoeden dat er illegale hennepteelt plaatsvond. Ook werd gevraagd hoe het wetsvoorstel zich verhoudt tot het bredere softdrugsbeleid, dat de verkoop van cannabis in coffeeshops gedoogt. 

Senator Ter Horst (PvdA) diende een motie in die de regering verzoekt om een commissie in te stellen om haar te adviseren over het toekomstige softdrugsbeleid in Nederland dat effectief de criminaliteit bestrijdt en de volksgezondheid dient. Minister Opstelten ontraadde de motie en betoogde dat het huidige softdrugsbeleid wel degelijk hennepteelt aanpakt. Het beleid moet juist (eventueel aangescherpt) worden voorgezet om resultaten te behalen. De minister benadrukte dat de Tweede Kamer zich bovendien in meerderheid achter het huidige beleid heeft geschaard. Opstelten: "Ik heb geen behoefte aan een commissie." De minister zegde wel toe aan senator Ter Horst dat er jaarlijks gerapporteerd wordt aan het parlement over de effectiviteit van het wetsvoorstel. Op dinsdag 11 november 2014 wordt hoofdelijk over het wetsvoorstel en de motie gestemd.  

Strafbaar stellen versus gedogen

Senator Swagerman (VVD) betoogde dat het niet fraai is dat enerzijds de (voorbereiding van) hennepteelt strafbaar is en anderzijds de verkoop gedoogd wordt. Volgens Swagerman dwingen internationale verdragen tot strafbaarstelling en kan Nederland daar niet aan ontsnappen. Het uitbreiden van het gedoogbeleid biedt volgens Swagerman geen oplossing, aangezien het merendeel van de productie bestemd is voor export. De senator merkte op dat er in het strafrecht pas sprake is van strafbaarstelling als er een 'aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid' is. In het wetsvoorstel wordt echter gesproken van een 'ernstige reden om te vermoeden', waardoor onduidelijk is wanneer sprake is van schuld. Swagerman vroeg in hoeverre er bijvoorbeeld van een verhuurder verwacht dat hij onderzoekt of er hennepteelt plaatsvindt in zijn pand.

Onterechte veronderstellingen van de minister

Volgens senator Ruers (SP) gaat de minister er onterecht vanuit dat de discussie over regulering en bevoorrading van de achterdeur van coffeeshops los staat van de discussie over de strafbaarstelling van voorbereidende handelingen. Ook gaat de minister er onterecht vanuit dat het wetsvoorstel ervoor zorgt dat voorbereidingshandelingen "als vanzelf zullen teruglopen". Ruers vroeg hoe het wetsvoorstel zich verhoudt tot de Aanwijzing Opiumwet van het College van Procureurs-Generaal, waarin staat dat het hogere algemeen belang van volksgezondheid noopt tot een lage opsporingsprioriteit. De senator vroeg ook hoe de verkoop van cannabis kan worden gedoogd als de voorbereiding strafbaar is en waarom de strafmaat aanzienlijk verzwaard wordt. Ruers pleitte voor meer preventie van cannabis roken en een proef met regulering van hennepteelt. Om dit laatste mogelijk te maken, moet er worden ingezet op het wijzigen van internationale verdragen.         

Verwijtbare naïviteit

Volgens senator De Boer (GroenLinks) stelt het wetsvoorstel 'verwijtbare naïviteit' van leveranciers strafbaar. Volgens de senator dient de minister een onderscheid te maken tussen bonafide teelt voor verantwoord gebruik en malafide teelt voor de export. De Boer vroeg hoe er wordt gezorgd dat bonafide teelt in de toekomst niet aangepakt wordt. Door het moeilijk te maken om op bonafide manier hennep te telen, wordt het nog verder de criminaliteit in gedrukt. Volgens de senator moet er een geloofwaardig achterdeur-beleid worden ontwikkeld met toezicht op kwaliteit en hoeveelheid. Zo niet, dan moet de algehele visie op het drugsbeleid worden aangepast. De Boer betoogde dat er weinig draagvlak is voor de strafbaarstelling van voorbereidingshandelingen en dat er door diverse burgemeesters juist aangedrongen wordt op het experimenteren met gereguleerde teelt. Internationale verdragen en Europese kaderbesluiten maken dit volgens De Boer omwille van de volksgezondheid wel degelijk mogelijk.                         

Bestrijding georganiseerde misdaad

Senator Hoekstra (CDA) gaf aan dat zijn fractie voorstander is van effectieve bestrijding van georganiseerde misdaad en degelijke wetgeving. Het brede debat over Nederlandse softdrugsbeleid moet volgens Hoekstra in de Tweede Kamer gevoerd worden. De georganiseerde misdaad ontwikkelt zich steeds meer rondom de illegale hennepteelt en moet hard aangepakt worden. Hoekstra: "Het is een naïeve veronderstelling om te geloven dat wat bij Nederlandse coffeeshops geleverd wordt, afkomstig is uit bonafide hennepteelt." Het bewijzen van 'een redelijk vermoeden van voorbereidingshandelingen' is volgens de senator moeilijk en vereist een aanwijzing van de minister aan het Openbaar Ministerie.

Zinnig en succesvol gedogen

Senator De Graaf (D66) stelde dat de regering onvoldoende onderbouwt waarom optreden tegen growshops en leveranciers van materialen een substantiële bijdrage levert aan de bestrijding van illegale hennepteelt. De Graaf vroeg of het niet realistischer is om te veronderstellen dat de markt in groeimaterialen straks volledig wordt overgenomen door het criminele circuit. De senator vreest dat het wetsvoorstel alleen maar meer werk betekent voor politie en justitie. De invulling van het begrip 'ernstige reden om te vermoeden' achtte hij hoogst problematisch. De Graaf: "Hoe ignorant mogen mensen zijn in dit land?"

Ook vroeg De Graaf in hoeverre van bijvoorbeeld van een meststof-transportbedrijf mag worden verwacht dat de chauffeur informeert waar de meststof voor wordt gebruikt. Volgens de senator is het gedogen van het in bezit hebben en verkopen van hennep "zinnig en vanuit het oogpunt van de volksgezondheid succesvol". De Graaf pleitte voor een all -party herbezinning op Nederlandse drugsbeleid: zonder vooringenomenheid en zonder taboes.

Nieuw softdrugsbeleid

Senator Ter Horst (PvdA) gaf aan dat haar fractie het van groot belang vindt om illegale hennepteelt aan te pakken, maar dat dit wetsvoorstel hier onvoldoende effectief op inzet. Ter Horst vroeg of minister bereid is om de Kamer te laten weten hoeveel zaken er over één jaar zijn afgehandeld. De senator betoogde dat het huidige softdrugsbeleid zijn functie heeft gehad, maar is vastgelopen omdat het teveel negatieve kanten kent. De visie van de minister op dit punt achtte de senator nog onvoldoende. Een verwijzing naar het advies van de commissie Van der Donk gaat niet op, want dit dateert uit 2009 ging uit van het huidige softdrugsbeleid.

Inconsistent en onbegrijpelijk beleid

Senator De Lange (OSF) stelde dat er in Nederland een breed gedeeld gevoel bestaat dat het gedoogbeleid een lichtend voorbeeld is voor de rest van de wereld, maar dat daar behoorlijk wat op af te dingen valt. Het softdrugsbeleid is volgens De Lange inconsistent en onbegrijpelijk. Bovendien leidt het in grensstreken tot grote problemen. Volgens De Lange verdient het wetsvoorstel steun omdat het de georganiseerde misdaad strafrechtelijk tracht aan te pakken. Het is echter niet duidelijk hoe groot de onderzoekplicht is van leveranciers van artikelen of diensten. De uitspraak van de Rechtbank Groningen waarin wiettelers geen straf kregen opgelegd omdat ze zouden handelen in lijn met het softdrugsbeleid, maakt het beleid nog onduidelijker. Ook De Lange pleitte voor een fundamentele bezinning op het softdrugsbeleid.

Keiharde aanpak

Senator Kops (PVV), die zijn maidenspeech hield, betoogde dat "onfrisse figuren die hun zakken vullen met illegale hennepteelt moeten worden aangepakt." Volgens Kops is het beschamend dat Nederland een handelscentrum is geworden van waaruit de hele wereld wordt bevoorraad in hennep. Illegale hennepteelt is volgens Kops grote criminaliteit die keihard moet worden aangepakt. Het huidige gedoogbeleid werd door de senator gekenmerkt als "ronduit krom" en heeft slechts geleid tot grootschalige illegale handel, verloederde straten en burgers die in angst leven. Kops vroeg wat het concrete actieplan is van de minister rondom growshops en hoe wordt voorkomen dat de huidige organisaties zich versplinteren en verplaatsen naar de straat.

Experimenteren met reguleren

Senator Nagel (50PLUS) stelde dat de 'Haagse politiek' al ruim veertig jaar achterloopt in de discussie over drugsbeleid. Het wetsvoorstel zal de problemen volgens Nagel niet oplossen, maar juist vergroten. De senator vroeg of er extra inzet van politiemensen zal komen om drugsbendes effectief aan te pakken en haalde aan dat burgemeesters van gemeenten in grensstreken grote problemen ondervinden met het huidige beleid. Nagel betoogde dat er geëxperimenteerd moet worden met het reguleren van teelt en inkoop.

Grootscheepse, zware criminaliteit

Minister Opstelten van Veiligheid en Justitie betoogde dat er einde moet worden gemaakt aan de industrie die is ontstaan rondom het faciliteren van illegale hennepteelt. De minister stelde dat er momenteel een hoger beroep loopt tegen de uitspraak van de Rechtbank Groningen over de wiettelers en dat hij daar dus geen uitspraak over kan doen. Opstelten stelde dat het kabinet bezig is met het implementeren van door de commissie Van der Donk voorgestelde maatregelen. Het certificeren van hennepteelt maakt het bestrijden van de grootscheepse zware criminaliteit alleen maar moeilijker, aldus de minister. Volgens Opstelten dringen politie en justitie al jaren aan op de strafbaarstelling van voorbereiding van illegale hennepteelt.

'Ernstige reden om te vermoeden'

De vereiste 'ernstige reden om te vermoeden' dat er illegale hennepteelt plaatsvindt houdt in: verwijtbaar wegkijken of er onterecht er vanuit gaan dat er geen illegale teelt plaatsvindt. Opstelten gaf aan dat het geen algemene onderzoekplicht inhoudt voor bijvoorbeeld tuincentra. "Onachtzaamheid leidt niet tot strafbaarheid." Zo kan het bijvoorbeeld gaan om een loodgieter die wordt gevraagd om 'zwart' in een woning een irrigatiesysteem aan te leggen dat vaak gebruikt wordt voor hennepteelt. Opstelten stelde dat het gaat om situaties waarin "elk weldenkend mensen het dan achterwege had gelaten". Over de invulling van het begrip 'ernstige reden om te vermoeden' is reeds overlegd met het College van Procureurs-Generaal. In combinatie met de wetsgeschiedenis en een aanwijzing van de minister biedt dit voldoende informatie voor justitie om het begrip in te vullen.

Teelt voor eigen gebruik is volgens de minister illegaal, maar wordt onder omstandigheden gedoogd. Teelt is alleen legaal als er een ontheffing is vanwege medicinaal gebruik van cannabis. Growshops zijn betrokken bij het voorbereiden van illegale hennepteelt en zijn onder het wetsvoorstel derhalve mogelijk strafbaar. Als het wetsvoorstel wordt aangenomen, worden growshops door justitie gewezen op mogelijke strafbaarheid en zullen zij volgens de minister hopelijk eieren voor hun geld kiezen.  

Sociale media menu


Deel dit item: