Engels, Duits of Frans in het primair onderwijs: zegen of zorg?

25 september 2015

De Eerste Kamer heeft dinsdag met staatssecretaris Dekker (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) gedebatteerd over een wetsvoorstel om een deel van het primair onderwijs in het Engels, Duits of Frans te mogen geven. Scholen kunnen hun leerlingen zo al op jonge leeftijd een vreemde taal leren. Het debat in de Eerste Kamer spitste zich toe op de mate waarin zo'n vreemde taal mag worden aangeboden en of de kwaliteit van het onderwijs in de vreemde taal wel verzekerd is. Sommige senatoren uitten de vrees voor een (verdere) tweedeling, anderen zagen juist de gelijke kansen hiermee bevorderd.

Kamerleden dienden drie moties in, te weten over: wettelijke kwaliteitscriteria voor leraren die lesgeven in een vreemde taal, het voorkomen van negatieve effecten op de toegankelijkheid van het onderwijs en een integrale visie op het gebruik van het Engels in het onderwijs.

Senator Van Bijsterveld (CDA) sprak van een sympathiek doel van het wetsvoorstel, maar stelde dat zo'n invoering goed moet gebeuren of anders helemaal niet. Ze was er nog niet van overtuigd dat de kwaliteit van het onderwijs in de vreemde taal voldoende geborgd is. Zeker als je er bij jonge kinderen mee begint, moet de kwaliteit van het onderwijs van het hoogst mogelijke niveau zijn, zo stelde zij. Ze verweet de staatssecretaris daar met een grote boog omheen te lopen. Zonder bevoegdheids- en bekwaamheidseisen voor dit onderwijs kan de inspectie volgens haar hier ook niet veel aan doen. Ze wees erop dat in het voortgezet onderwijs voor het doceren in een vreemde taal dergelijke eisen wel gelden. Senator Van Bijsterveld bepleitte een minimaal beheersingsniveau van de te doceren vreemde taal. Het zelfreguleringssysteem van de scholen kan in aanvulling daarop ervoor zorgen dat de kwaliteit op peil blijft.

Verder vroeg Van Bijsterveld van de staatssecretaris de toezegging dat de onderwijstijd in vreemde talen niet zomaar per AMvB van 15% naar bijvoorbeeld 50% verhoogd wordt, maar dat dit voornemen eerst aan het parlement wordt voorgelegd. Ook vroeg zij aandacht voor de aansluiting op het voortgezet onderwijs als er straks duidelijke verschillen ontstaan tussen scholen die wel en niet gebruikmaken van dit wetsvoorstel.

Senator Bruijn (VVD) toonde zich positief over het wetsvoorstel. Hij memoreerde dat onderzoek nu - in tegenstelling tot vroeger - positieve gevolgen aan tweetalig onderwijs toeschrijft, zowel voor de beheersing van het Nederlands als voor de zakelijke vakken. Leren van twee talen is volgens hem dus geen kwestie van of/of, maar er moet wel aandacht zijn voor de positie van leerlingen met achterstanden en zwaktalige kinderen.

Hij stelde voor van 15% onderwijs in een vreemde taal in het primair onderwijs een minimumpercentage te maken en geen richtpercentage. Ook vond hij dat eerder moet worden begonnen dan in groep zeven - de zogenoemde onderdompelingsmethode: meteen beginnen met de vreemde taal - waarbij goed gelet moet worden op groepen kinderen met grote achterstand. Volgens senator Bruijn hoeft het onderwijs in een vreemde taal in het primair onderwijs geen extra geld en tijd te kosten, maar hij pleitte wel voor aandacht voor goede docenten. Op de lange termijn zal het versterken van het onderwijs in vreemde talen alleen maar opbrengsten geven, zo verwachtte hij.

Senator Nooren (PvdA) zei in haar maidenspeech dat het van groot belang is te investeren in de ontwikkelingsmogelijkheden van kinderen. Zij noemde de extra aandacht voor alfavakken, in het bijzonder ook taal, een verrijking. Dit kan het beste bovenhalen uit docenten en kinderen, en ook ruimte geven aan onderwijsinstellingen. De overheid moet zich meer richten op haar kerntaak: het zekerstellen van de kwaliteit van het onderwijs. Zij vroeg zich wel af waarom de keuze van de tweede taal wordt beperkt tot Engels, Frans en Duits en niet wordt overgelaten aan de school en de ouders. De wereld is groter dan Europa en Spaans is wereldwijd gezien bijvoorbeeld een snel groeiende taal, aldus senator Nooren.

Zij vroeg de staatssecretaris wanneer hij kan ingrijpen als de kwaliteit niet voldoende zou zijn. Voorkomen moet worden dat dit alleen wordt voorbehouden aan slimme of rustige kinderen. Ze was bezorgd dat er sluipend een situatie ontstaat waarbij kwetsbare kinderen uiteindelijk geen gelijkwaardig curriculum kan worden aangeboden. Ze vroeg de staatssecretaris de meerwaarde en toegankelijkheid van tweetaligheid op alle kinderen te onderzoeken. Goed en uitdagend onderwijs is een mooie basis voor het verdere leven, dit wetsvoorstel kan daar een bijdrage aan leveren mits goed van kwaliteit en dat iedereen ervan kan profiteren, zo concludeerde Nooren.

Senator Gerkens (SP) verklaarde geen tegenstander te zijn van vreemde taalonderwijs maar uitte de zorg dat vreemde talen de voertalen gaan worden op scholen. Zij vreesde dan vooral voor de gevolgen voor kinderen met ernstige taalproblemen. Dat zijn niet alleen allochtone kinderen, maar ook kinderen die het Nederlands als moedertaal hebben. Kinderen met achterstanden sluiten de basisschool nu af met een woordenschat van 10.000 woorden, terwijl andere kinderen dan al 17.000 woorden kennen.

Ook toonde zij zich bezorgd dat het wetsvoorstel leidt tot selectie bij de poort van de scholen en het met zachte hand doorsturen van kinderen naar een andere school. De SP is meer voor diversiteit binnen de scholen, niet tussen scholen, aldus Gerkens, die ook vreesde dat de hogere ouderbijdrage tot gedwongen andere schoolkeuze kan leiden. Volgens Gerkens is Nederland nu al koploper in de beheersing van een tweede taal. "Welk probleem lossen we hier eigenlijk mee op?", zo vroeg zij zich af. Zij concludeerde daarom dat het zeer twijfelachtig is of dit wetsontwerp een positieve bijdrage levert aan het onderwijs.

Senator Ganzevoort (GL) sprak van een dilemma omdat we niet goed weten wat de consequenties van het wetsvoorstel zijn. Dat geldt in de eerste plaats voor de vraag of dit beter of slechter is voor de taalontwikkeling. Ook bij een eventuele tweedeling zijn geen dwingende conclusies te trekken en spelen ook andere factoren een rol. Maar, zo zei de senator, het vergroten van kansen voor iedereen en ruimte laten voor talenten bereik je niet door iedereen in gelijke mate te beperken, maar door ruimte te bieden voor differentiatie. De gedachte om tegen het wetsvoorstel te zijn, omdat er geen geld zou zijn, noemde hij niet aanvaardbaar.

Concluderend zag senator Ganzevoort aanwijzingen dat het wetsvoorstel de taalontwikkeling van leerlingen verbetert en hun kansen vergroot, maar hij herkende wel risico's. Daarom vroeg hij om goede en goed gedifferentieerde monitoring. "De vrijheid die scholen krijgen moet uiteindelijk de leerlingen ten goede komen", aldus Ganzevoort.

Senator Pijlman (D66) steunde het wetsvoorstel maar uitte zijn zorgen over de kwaliteit van het onderwijs in vreemde talen als er geen eisen aan de leraren worden gesteld. Hij gaf aan dat 40% van de net afgestudeerde leerkrachten slecht is in Engels en dat de opleidingen "verwaarloosbare eisen" stellen aan het beheersen van het Engels. Waarom niet die kwaliteit meer waarborgen, we verwachten nu teveel, zo hield hij de staatssecretaris voor. Hij vroeg daarbij extra aandacht voor goede didactiek op de tweetalige scholen.

Ook senator Pijlman uitte zorg over de achterstandsleerlingen. Zij durven er wellicht niet aan te beginnen omdat de voorbereidingen te moeilijk zijn. Verder constateerde hij dat de positie van het Engels in het onderwijs steeds sterker wordt, na het universitaire en het voortgezet onderwijs nu dus ook in het basisonderwijs. Hij wilde van de staatssecretaris weten wat dit betekent voor de positie van de Nederlandse taal en vroeg om een kabinetsvisie op de kwaliteit van de leraren en hoe het Nederlands als cultuurtaal in stand te houden.

Senator Ten Hoeve (OSF) zei vanuit zijn Friese achtergrond en ervaringen dat het waarschijnlijk zinvol en goed is om met een tweede taal te beginnen, maar ook hij vroeg aandacht voor de kwaliteit van het lesgeven. Hij vroeg zich af of het zo erg is dat een andere taal de dominante taal wordt. Wel vond hij dat het effect van de maatregelen heel goed moet worden afgewogen en niet van modegrillen mag afhangen.

Hij vond het geen bezwaar kinderen van heel jong af aan een andere taal bij te brengen, maar wel met behoud van respect voor de eigen taal. Onderdompeling in Engels past bij de uitgangspunten, maar moet wel begrensd worden. Bij 40-50% van de tijd lesgeven in bijvoorbeeld het Engels wordt die taal dominant en zal het Nederlands als zwakke cultuurtaal in alle domeinen zijn functie snel verliezen, zo voorspelde hij. Een maximum van 15% achtte hij geen bezwaar. Ten Hoeve toonde zich voorstander van een duidelijke bovengrens in de wet, niet de grens steeds verhogen per AMvB.

Senator Kops (PVV) vroeg zich af of de invoering van tweetalig onderwijs wel goed uitvoerbaar is. Met bijvoorbeeld de verengelsing van het onderwijs zal al snel de wens opkomen dat onderwijs alleen in die taal te geven en dan wordt het Nederlands uiteindelijk gedegradeerd tot een taal die alleen nog maar aan de keukentafel gesproken wordt, zo vreesde hij, onder verwijzing naar de ontwikkelingen in Vlaanderen, waar de elite Frans spreekt en de gewone burger zich redt met het Vlaams. Het Engels wordt hier dan de taal van de elite, het Nederlands de taal van de straat, zo vreesde hij.

Ook senator Kops vroeg zich af of het verstandig is, nu studenten het Nederlands al slecht beheersen, de koers te verleggen naar het Engels. Hij betwijfelde ook of er leerkrachten in staat zijn voldoende goed kwalitatief onderwijs te geven. Concluderend zei hij dat de PVV kritisch is over het wetsvoorstel en tegen het wetsvoorstel zal stemmen; de aandacht dient vooral uit te gaan naar het leren van het Nederlands, aldus senator Kops.

Staatssecretaris Dekker gaf aan dat het goed is om nu verdere stappen te zetten met tweetalig onderwijs, na de ervaringen ook in het voortgezet onderwijs waar dit al veel langer gebeurt. Hij zei dat het voor leerkrachten geen verplichting is om les te geven in een vreemde taal; er komt ook geen wettelijke bevoegdheid voor. Scholen die er bewust voor kiezen conformeren zich aan de eisen die andere scholen nu al stellen, zo verwachtte hij. Er zit al zelfselectie in de scholen die ervoor kiezen, die hebben al expertise in huis, aldus Dekker. Scholen werken bovendien aan een keurmerk, met ook eisen aan de docenten. De inspectie kan daar ook op toezien.

Het maximumpercentage aan onderwijs in een vreemde taal wordt in een AMvB vastgesteld, niet in de wet zelf. Daarvoor is gekozen om het stelsel toekomstbestendig te maken, aldus de staatssecretaris. Als de Eerste Kamer het wetsvoorstel aanneemt, wordt de komende tijd gewerkt met een percentage van maximaal 15%. De staatssecretaris zegde de Kamer toe dat zij altijd eerst de resultaten van de evaluatie zou krijgen en zou kunnen bespreken voordat tot een eventuele verhoging van dat percentage wordt besloten. Bovendien bepaalt de wet momenteel dat het Nederland de dominante voertaal in het onderwijs is, zodat een percentage van meer dan 50% sowieso een wetswijziging vergt, waarover het parlement zich dan zal moeten uitspreken. De staatssecretaris stelde overigens dat naast geografische, economische en culturele redenen ook voor Engels, Duits en Frans wordt gekozen omdat dit de drie wettelijk doeltalen in het primair onderwijs zijn. Verder zijn er praktische redenen als beschikbaarheid van lesmateriaal.

Senator Van Bijsterveld was er in tweede termijn niet gerust op dat de staatssecretaris bovenop de kwaliteit zit. Het voorgestelde toezicht door de inspectie noemde zij een zeer indirecte weg. Ze hield vast aan een andere manier om de kwaliteit van tweetalig onderwijs te toetsen. Wel toonde zij zich verheugd met de toezegging van de staatssecretaris dat een eventuele verhoging van het percentage eerst aan het parlement zal worden voorgelegd.

Senator Bruijn wilde de kwaliteit van de docent meer borgen door scholen actief te stimuleren het keurmerk aan te vragen, waarmee het benodigde opleidingsniveau wordt verzekerd. Hij diende een motie in waarin de regering wordt verzocht - nu niet is voorzien in wettelijke kwaliteitscriteria voor leraren die in een vreemde taal onderwijzen - ernaar te streven dat scholen een keurmerk aanvragen. De motie vraagt ook om onderzoek naar het taalbeheersingsniveau van docenten om te zien of aanvullende maatregelen nodig zijn. De staatssecretaris liet het oordeel over de motie aan de Kamer over.

Senator Nooren eiste in tweede termijn meer zekerheid dat docenten vooraf gekwalificeerd zijn. De inspectie moet daar beter op toezien. Zij diende een motie in om het effect van tweetalig onderwijs te monitoren, met name om te bezien of het kwetsbare kinderen niet op achterstand kan zetten en de toegankelijkheid kan beperken vanwege de hogere ouderbijdrage, waardoor een verkapte selectie aan de poort van het basisonderwijs gelijke kansen voor alle kinderen belemmert. Ze vroeg de staatssecretaris in de motie hierover voor 1 januari 2018 te berichten. De staatssecretaris zegde toe de effecten op toegankelijkheid mee te nemen in het onderzoek.

Senator Gerkens toonde zich ook in tweede termijn niet overtuigd van het wetsvoorstel en zou liever minstens zoveel extra aandacht aan de Nederlandse taal geven. De SP zal tegen het wetsvoorstel stemmen.

Senator Ganzevoort verklaarde dat zijn fractie het wetsvoorstel met meer toezeggingen over de kwaliteit van de docenten kan steunen.

Senator Pijlman vond in tweede termijn dat er een fundamenteel debat moet komen over het gebruik van vreemde talen in het onderwijs en nadere eisen voor de kwaliteit van het lesgeven daarin, omdat het fundamentele gevolgen heeft voor de opleidingen. Hij diende een motie in die de regering verzoekt om een integrale visie op het gebruik van het Engels in het onderwijs en daarbij de kwaliteit van de opleidingen te betrekken. De staatssecretaris liet het oordeel daarover aan de Kamer.

Senator Ten Hoeve schetste in tweede termijn het vergezicht dat er straks meer mensen zijn die goed Engels spreken dan goed Nederlands. Dan zal het Nederlands slechter worden en uiteindelijk volledig door het Engels worden vervangen, zo verwachtte hij. Daarom bleef hij bezwaar houden tegen de mogelijkheid het tweetalig onderwijs via een AMvB uit te breiden.