Naar hoofdinhoud Naar hoofdnavigatiemenu

Debat over verruiming mogelijkheden ontnemen van het Nederlanderschap bij terroristische misdrijven



16 februari 2016

De Eerste Kamer heeft dinsdag 16 februari 2016 gedebatteerd met minister Van der Steur (Veiligheid en Justitie) over de Verruiming mogelijkheden ontnemen van het Nederlanderschap bij terroristische misdrijven. Dit wetsvoorstel maakt een uitbreiding mogelijk tot het ontnemen van het Nederlanderschap in gevallen waarin sprake is van hulp bij het plegen van terroristische activiteiten of bij de voorbereiding van dergelijke activiteiten. Op dinsdag 1 maart 2016 wordt over het wetsvoorstel gestemd.

Terughoudendheid

Senator Schrijver (PvdA) vroeg de minister om uiteen te zetten wat de meerwaarde van de nieuwe bepaling is ten opzichte van de reeds bestaande gronden voor ontneming. Schrijver haalde aan dat tijdens de Tweede Kamerbehandeling naar voren kwam dat een veroordeling van personen met een meervoudige nationaliteit op grond van art 134a nog nauwelijks heeft plaatsgevonden. De senator betoogde dat deze zeer vergaande maatregel met de uiterste terughoudendheid moet worden toegepast. Hij vroeg de minister om te bevestigen dat de intrekking van het staatsburgerschap niet automatisch gebeurt en dat de minister bij een beslissing daarover een ruime discretionaire bevoegdheid heeft. Verder vroeg de senator in welke omstandigheden aan een minderjarige het Nederlanderschap wordt ontnomen. Ook vroeg hij of het niet meer voor de hand zou liggen dat de strafrechter en niet de minister de maatregel oplegt. Tot slot haalde Schrijver aan dat er een rechtsongelijkheid ontstaat tussen personen met uitsluitend de Nederlandse nationaliteit en personen met een meervoudige nationaliteit. De inhoudelijke grondslag voor het wetsvoorstel dient volgens Schrijver in lijn te zijn met het Unierecht.

Terugdringing  van jihadisme

Senator Engels (D66) sprak zijn bijdrage mede namens de fractie van de OSF uit. Hij noemde het "redelijk en begrijpelijk" dat het Nederlanderschap niet op enigerlei wijze faciliterend mag zijn om in den vreemde terroristische misdrijven te plegen of om personen daarop voor te bereiden. Engels betoogde dat zijn fractie zich niet geheel aan de indruk kan onttrekken dat het voorstel een bijdrage beoogt leveren aan de terugdringing van jihadisme en het voorkomen van het uitreizen van Nederlandse jongeren naar Syrië. Engels vroeg de minister om te bevestigen dat het aandeel in een delict, de ernst van een delict en de feitelijke strafoplegging geen reden kan zijn om via het nemen van een bestuurlijke maatregel tot een verschil in de toepassing van dit wetsvoorstel te komen waar het Nederlanders met een dubbele nationaliteit betreft.

Hij merkte op dat zijn fractie er nog niet van overtuigd is dat een zo zware maatregel als de intrekking van het Nederlanderschap - hoewel qua intentie niet punitief van aard en ook geen automatisme in een strafrechtelijke procedure - door het EHRM niet onder het begrip 'penalty' wordt geschaard. In dat geval zou het in strijd zijn met artikel 7 EVRM.

Individuele beoordeling

Senator Strik (GroenLinks) betoogde dat het wetsvoorstel de kloof vergroot tussen Nederlanders met één en Nederlanders met meerdere nationaliteiten. Met het uitbreiden van de intrekkingsgronden wordt ook de perceptie van het Nederlanderschap anders. Strik: "Wij moeten geen eerste- en tweederangsburgers creëren." Als er werkelijk essentiële nationale belangen worden geschaad zou het immers ook noodzakelijk zijn om Nederlanders met één nationaliteit hun nationaliteit te ontnemen. De senator vroeg waarom bij de beslissing tot intrekking de mate van verwijtbaarheid of ernst geen rol spelen. Ook vroeg zij wat de individuele beoordeling precies behelst en in hoeverre het een rol speelt hoe oud veroordeelde is en waar hij/zij geboren is. Ten aanzien van het overgangsrecht vroeg de senator om het wetsvoorstel niet van toepassing te laten zijn op misdrijven die al zijn gepleegd.

Aanpassen aan de tijd

Senator Van Dijk (SGP) betoogde dat ook verdragen soms aangepast moeten worden aan de tijd. De senator vroeg of de regering informatie heeft ontvangen van de Raad van Europa over de visie en werkwijze van andere verdragsstaten en of zij een voortrekkersrol gaat vervullen om dergelijke verdragen bij de tijd te brengen. Van Dijk betoogde dat staatloosheid op basis van de huidige verdragen niet absoluut verwerpelijk is. Van Dijk stelde dat het in de rede ligt om deelname aan IS-troepen zou moeten leiden tot het automatisch vervallen van de Nederlandse nationaliteit. Het is volgens de senator echter "moeilijk te verteren" dat een terrorist met alleen de Nederlandse nationaliteit beter af is dan een terrorist met een dubbele nationaliteit die niet uitgezet kan worden. Tot slot vroeg de senator of er een mogelijkheid is om het uitleveringsbeleid te wijzigen ten aanzien van landen waar de doodstraf geldt.

In strijd met (inter-)nationale regelgeving

Senator Wezel (SP) stelde dat het wetsvoorstel naar de mening van de SP-fractie strijdig is met het Europees Nationaliteitsverdrag, artikel 1 van de Grondwet en het proportionaliteitsbeginsel. In de visie van de SP-fractie is het met een overtreding van art. 134a Sr niet altijd per definitie zo dat de betreffende handeling leidt tot ernstige schade aan de essentiële belangen van het Koninkrijk. De optie om af te zien van het intrekken van het Nederlanderschap en vooral het strafrecht en preventie hun werk te laten doen bij terroristische gedragingen, verdient volgens Wezel de voorkeur boven discriminatie bij het intrekken van het Nederlanderschap. Het wetsvoorstel is naar de mening van de SP-fractie tevens in strijd met het gelijkheidsbeginsel omdat Nederlanders met een dubbele nationaliteit zwaarder worden gestraft als zij veroordeeld worden op grond van art. 134a Sr. Tot slot vroeg de senator in hoeverre het opleggen van een bestuursrechtelijke maatregel naast een strafrechtelijke vervolging nog proportioneel is.

Wisselend kader

Senator Bikker (ChristenUnie) betoogde dat het ministerie van Veiligheid en Justitie de afgelopen jaren een wisselend verdragsrechtelijk kader heeft gehanteerd. In het verleden werd het ontnemen van het Nederlanderschap immers erg complex en onhaalbaar geacht. De senator vroeg de minister om toe te lichten hoe het Nederlanderschap faciliterend is voor de personen die onder de werking van dit wetsvoorstel vallen en waarom de strafmaat van 8 jaar gevangenschap voldoende is om aan te tonen dat de essentiële belangen van de Staat zijn geschaad. Senator Bikker beoordeelde de procedure rond het wetsvoorstel als rommelig en gehaast. Zij vroeg in hoeverre de minister inzet op het aangaan van de ideeënstrijd, stevige deradicaliseringstrajecten en effectieve strafrechtelijke vervolging bij misdaden. Verspreiding van haatdragende ideologie die oproept tot geweld mag volgens Bikker geen genade krijgen.  

Kleine aanvulling

Senator Rombouts (CDA) betoogde dat de Tweede Kamer de politieke wenselijkheid van het wetsvoorstel heeft vastgesteld en de Raad van State de juridische haalbaarheid. De senator noemde het wetsvoorstel een kleine aanvulling op de tientallen gronden die er al zijn om het Nederlanderschap te laten vervallen. Rombouts vroeg de minister om te bevestigen in dat er vooral moet worden ingezet op maatregelen in de sfeer van preventie en betoogde dat er haast wordt gemaakt met het uitvoeren van het wetsvoorstel.

Sneller en strenger

Senator Markuszower (PVV) stelde dat Nederland een inhaalslag moet maken voor wat betreft het creëren van de juiste anti terreur maatregelen. De wetgeving die daarbij hoort moet volgens de senator sneller worden ingevoerd en strengere maatregelen bevatten. Dit wetsvoorstel is volgens de senator slechts een marginale verruiming van bestaande mogelijkheden om het Nederlanderschap te ontnemen. Hij noemde de radicalisering onder immigranten alarmerend: "De terrorist anno 2016, leunt op internationale netwerken waardoor de slagkracht van de lokale terrorist spectaculair toeneemt." Markuszower betoogde dat Nederland verdragen moet wijzigen of opzeggen zodra zij door die verdragen beperkt wordt in de strijd tegen het terrorisme.

Criteria voor ontneming

Senator Duthler (VVD)  gaf aan dat haar fractie het doel van het wetsvoorstel van harte onderschrijft. Deelname aan voorbereiding van terroristische aanslagen worden hier sterk mee ontmoedigd. Duthler juichte toe dat de uiteindelijke bevoegdheid tot het ontnemen bij de minister ligt en dat het van rechtswege laten vervallen van het Nederlanderschap uit het wetsvoorstel is geschrapt. De senator vroeg welke criteria bij deze individuele belangenafweging en proportionaliteitstoets gelden en hoe de minister ermee omgaat dat de besluiten die hij neemt mogelijk discriminerend zijn.

Bescheiden uitbreiding

Minister Van der Steur (Veiligheid en Justitie) stelde dat het wetsvoorstel een bescheiden uitbreiding biedt van de bestaande gronden voor het ontnemen van Nederlanderschap. Van der Steur: "Geen nieuwe principes worden gecreëerd en geen grenzen worden verlegd." Het wetsvoorstel is volgens de minister nodig omdat de aard van de betrokkenheid bij terroristische misdrijven is veranderd. Van der Steur betoogde dat het hier gaat om mensen die de fundamenten van de Nederlandse samenleving niet wensen te accepteren. De aard van het misdrijf dermate ernstig dat het in de rede ligt om ook bij voorbereidende handelingen het Nederlanderschap te ontnemen. Het Nederlanderschap brengt immers rechten met zich mee, zoals het vrij kunnen reizen in de Schengen-zone.

Over de proportionaliteit van het wetsvoorstel merkte de minister op dat er telkens een individuele afweging wordt gemaakt en dat er in bijzondere gevallen kan worden afgezien van het ontnemen van het Nederlanderschap. Daarbij geldt het principe: ja, tenzij. Het minderjarig zijn van de veroordeelde speelt in die afweging mee, maar minderjarigen worden niet op voorhand uitgesloten van het ontnemen van de nationaliteit. Het ontnemen van de nationaliteit is volgens de minister weliswaar niet punitief van aard, maar wel een zwaar middel. Dit kan alleen na een onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling.

Het Nederlanderschap is volgens de minister meer een bestuurlijke dan een strafrechtelijke kwestie. Om die reden is het goed dat de bevoegdheid hiertoe bij de minister ligt. Het onderscheid tussen personen met één nationaliteit en personen met meerdere nationaliteiten wordt volgens Van der Steur gerechtvaardigd door het verbod op staatloosheid. Bovendien is er strikt genomen geen sprake van gelijke gevallen.


Sociale media menu


Deel dit item: