Debat over invoering lerarenregister en het registervoorportaal

14 februari 2017

De Eerste Kamer heeft dinsdag 14 februari 2017 gedebatteerd met staatssecretaris Dekker (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) over een wetsvoorstel voor de invoering van een lerarenregister en het registervoorportaal. Het voorstel houdt in dat iedere leraar die op basis van een relevant hoger onderwijs-getuigschrift (bewijs van bevoegdheid) onderwijs geeft, zich moet registreren. Om voor herregistratie in aanmerking te komen moet deze leraar elke vier jaar aantonen dat hij zijn bekwaamheid heeft onderhouden. Lukt dat niet, dan mag hij geen onderwijs meer geven tot hij alsnog aan deze criteria voldoet. In het registervoorportaal worden de leraren geregistreerd die (nog) niet aan de bevoegdheidseisen voldoen. Op dinsdag 21 februari 2017 wordt over het wetsvoorstel gestemd.

Eens bevoegd is niet altijd bekwaam

Senator De Vries-Leggedoor (CDA) merkte op dat er al sinds de jaren negentig wordt geprobeerd om een lerarenregister van de grond te krijgen. Dit alles onder het credo: "eens bevoegd is niet altijd bekwaam". De Vries-Leggedoor stelde dat het beter zou zijn om dit register vrijwillig te houden. Maar nu blijkt dat dat niet werkt, ligt verplichtstellen voor de hand. De senator gaf aan dat haar fractie de opvatting onderschrijft dat de kwaliteit van onderwijs mede afhankelijk is van de opleiding van de leraar. De Vries-Leggedoor merkte op dat het niet zo mag zijn dat leraren en scholen door dit wetsvoorstel recht tegenover elkaar komen te staan. Veel leraren lijken moeite te hebben met het voorstel. Eén van de bezwaren is dat leraren geen inspraak zouden hebben in de nascholingsactiviteiten De senator vroeg de staatssecretaris om te bevestigen dat dit niet het geval is. De senator vroeg ook naar de haalbaarheid van de invoering per 1 augustus 2017 en naar de juridische gevolgen van het niet-herregistreren.            

Nog niet rijp

Senator Pijlman (D66) betoogde dat de OESO recentelijk in een rapport over het Nederlandse onderwijs heeft gewezen op de risico's van te veel onbevoegde leraren in de klas. De OESO beveelt aan om de vrijblijvendheid van de professionalisering los te laten. Pijlman merkte op dat draagvlak van groot belang is voor een goede invoering van het register. Ook is het essentieel dat er goede gevalideerde opleidingen zijn. De senator acht het niet geruststellend dat nu al wordt aangegeven dat de invoering één jaar wordt opgeschoven. Ook is er onduidelijkheid over de uitvoeringsonderdelen die per AMvB worden geregeld. Daarnaast is het volgens Pijlman onevenwichtig dat de Onderwijscoöperatie de uitwerking gaan opzetten, terwijl de schoolbesturen het gaan implementeren. Verder is het nog niet zeker dat leraren genoeg tijd hebben om scholingsactiviteiten te ontplooien naast het reguliere werk. Het mag niet aan de rechter worden over gelaten om te bepalen wat de arbeidsrechtelijke gevolgen hiervan zijn. Het wetsvoorstel is volgens de senator nog niet rijp voor afhandeling.

Beroepstrots

Senator Bruijn (VVD) betoogde dat er onvoldoende structuur zit in het huidige systeem van bekwaamheidsonderhoud. Leraren ervaren in de praktijk problemen om gericht aan bekwaamheid te werken. Een beroepsregistratie is volgens Bruijn niets nieuws en kan zelfs bijdragen aan de beroepstrots. Het geeft beroepsbeoefenaren een positie in de dialoog met bestuurders over het beschikbaar stellen van middelen en tijd. In de praktijk zullen werkgevers altijd werknemers aanmoedigen en ondersteunen om alsnog aan de voorwaarden voor herregistratie te voldoen. Het blijft volgens de senator aan de school en aan het lerarenteam zelf om te bepalen welke activiteiten worden gekozen. De betrokkenheid van de beroepsgroep bij het bepalen van de kwaliteit van de activiteit moet niet worden gezien als inmenging, maar als toegevoegde waarde. Over het registervoorportaal merkte de senator op dat zelfs de minister-president (zelf deeltijd-docent zonder onderwijsbevoegdheid) hier voorstander van is.  

Erkenning van het vak

Senator Kops (PVV) merkte op dat beroepsregisters in diverse sectoren voorkomen, bijvoorbeeld in de zorg of advocatuur. De senator merkte op dat 23,6 procent van de lessen worden gegeven door leraren die (vooralsnog) geen onderwijsbevoegdheid hebben. Een register zou dus van toegevoegde waarde kunnen zijn. De senator vroeg de staatssecretaris om dit te bevestigen. Dit wetsvoorstel heeft volgens Kops niet alleen voor leerlingen en ouders, maar ook voor leraren toegevoegde waarde.  Kops: "Het is een erkenning van het vak leraar". Kops vroeg hoe het draagvlak voor de registercriteria wordt getoetst. Leraren kunnen volgens senator Kops het beste zelf beoordelen welke vorm van nascholing van belang is. Kops vroeg wat de staatssecretaris vindt van bezwaren uit de onderwijssector tegen dit wetsvoorstel.       

Sterke beroepsgroep

Senator Sent (PvdA) gaf aan dat haar fractie in beginsel voorstander is van een lerarenregister, aangezien het bekwaamheidsonderhoud stimuleert en bijdraagt aan een sterke beroepsgroep. Draagvlak voor het register is volgens de senator essentieel, maar daarvan is vooralsnog geen sprake. Sent vroeg de staatssecretaris om toe te zeggen dat hij bij elke nieuwe fase de Eerste Kamer zal informeren over de aanwezigheid van draagvlak. Over de invoering van het registervoorportaal is nog veel onduidelijk volgens senator Sent. Zij vroeg of de staatssecretaris cijfermatig kan onderbouwen dat er voldoende tijd en middelen beschikbaar zijn. Ook vroeg de senator de staatssecretaris om toe te zeggen dat teamleren onderdeel zal uitmaken van de registratiecriteria.

Omwille van de uitvoerbaarheid van het wetsvoorstel kan de beoogde inwerkingtreding op 1 augustus 2017 beter verschoven kan worden naar 1 december 2017, aldus de senator. Sent vroeg ook naar de mogelijkheid van een gefaseerde invoering van het register. Daarnaast vroeg zij de staatssecretaris om te garanderen dat het voorstel voor herregistratiecriteria en valideringsregels voor het zomerreces 2017 gereed is. Verder vroeg de senator aan de staatssecretaris om een juridische toets van de houdbaarheid van een ontslag wegens gebrek aan bekwaamheidsonderhoud. Tot slot vroeg de senator de staatssecretaris om het koninklijk besluit voor de inwerkingtreding van de tweede periode van herregistratie ter goedkeuring voor te leggen aan de Staten-Generaal.

Geen uitstel, maar afstel

Senator Gerkens (SP) betoogde dat leraren die zich keihard inzetten voor leerlingen door dit register onvoldoende op waarde worden geschat. Zij worden zelfs onevenredig zwaar belast door de verplichte activiteiten. Gerkens: "Het vak docent behelst zoveel meer dan bijscholingsactiviteiten alleen." De senator haalde aan dat zowel leraren als de Raad van State pleiten voor extra tijd om de kwaliteit van onderwijs op orde te krijgen, voordat er weer nieuwe verplichtingen worden opgelegd. De kwaliteit van de docent is volgens Gerkens iets wat bij uitstek door de school kan worden beoordeeld. Onder het wetsvoorstel kan de vreemde situatie ontstaan dat een ervaren leraar niet meer mag lesgeven en wordt vervangen door een zij-instromer zonder lesbevoegdheid. Gerkens vroeg wat er precies mis gaat als het wetsvoorstel niet wordt aangenomen.

Van, voor en door de leraren

Senator Ten Hoeve (OSF) merkte op dat medewerkers in het onderwijs het gevoel hebben dat er door het ministerie voortdurend ingrijpende beslissingen worden genomen waar zij zelf geen invloed op hebben. De senator vroeg in hoeverre het register echt 'van, voor en door' de leraren is en hoe de regering het draagvlak voor het wetsvoorstel inschat. Het lerarenregister is niet één op één vergelijkbaar met bijvoorbeeld het BIG-register voor de zorg, aldus de senator. Voorkomen moet worden dat er verplicht tijd moet worden besteed aan activiteiten die de kwaliteit van onderwijs niet ten goede komen. Er is volgens Ten Hoeve nog weinig zicht op de invoering van het register. Bovendien is de controle op nascholing volgens de Wet op de beroepen in het onderwijs eigenlijk al de verantwoordelijkheid van de werkgever. Het is volgens Ten Hoeve onvermijdelijk dat scholen ook in de toekomst gebruikmaken van leraren zonder onderwijsbevoegdheid.

Positie en gezag van de leraar        

Senator Schalk (SGP) merkte op dat er ondanks herhaaldelijk aandringen nog geen duidelijkheid is over de gevolgen van het niet voldoen aan de criteria voor onderhoudsbekwaamheid. De regering heeft alleen aangegeven dat ze het mogelijk acht dat cao-partijen tot de conclusie komen dat dit voor werkgevers een grond voor ontslag mag zijn. Wel kan de wetgever, vanuit diens verantwoordelijkheid voor onderwijskwaliteit, bepalen dat leraren bevoegd moeten zijn om les te geven. Schalk vroeg wat dit betekent voor de leraar en het bevoegd gezag. De senator vroeg ook of het gezag van leraren niet enorm benadeeld wordt door het feit dat ouders en leerlingen inzicht hebben in hun (gebrek aan) professionalisering. Dit is volgens de senator een zaak van werkgever en werknemer. Schalk stelde dat er sterke bedenkingen zijn vanuit het voortgezet onderwijs. Er wordt met name gewaarschuwd voor de administratieve last, onduidelijkheid over arbeidsrechtelijke verhoudingen en onhaalbare invoeringsdatum. Ook stelde hij dat het aantal onbevoegd gegeven lessen voor meerdere interpretaties vatbaar is. Zo kan het voorkomen dat een hoogleraar natuurkunde wel bevoegd is om op een middelbare school natuurkunde te geven en geen scheikunde; terwijl hij in beide vakken overduidelijk bekwaam is.  

Draagvlak     

Senator Ganzevoort (GroenLinks) merkte op dat het vak van leraar voortdurende ontwikkeling en bijscholing vereist. Dit wetsvoorstel is weliswaar bedoeld om dat te ondersteunen, maar kan volgens Ganzevoort niet rekenen op steun van de leraren zelf. Ganzevoort haalde aan dat er op de dag van het debat twee petities zijn aangeboden aan de Eerste Kamer, waarin leraren aangeven dat zij niet willen dat hun keuzevrijheid wordt ingeperkt en waarin sectorraden aangeven dat zij het register niet willen invoeren als er geen draagvlak is onder leraren. Ganzevoort vroeg wat de staatssecretaris heeft gedaan om brede steun onder leraren te krijgen.

Verandering, discussie en emotie

Staatssecretaris Dekker (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) gaf aan dat het moeilijk is om per leraar een maatstaf van professionaliteit te bepalen. Wel kunnen er voor de beroepsgroep als geheel standaarden worden gehanteerd. Hij merkte op dat verandering altijd gepaard gaat met discussie en emotie. De essentie van het wetsvoorstel is volgens de staatssecretaris dat leraren zelf bepalen hoe zij hun onderhoudsbekwaamheid op peil houden. Het moet volgens Dekker "de normaalste zaak van de wereld" worden dat een leraar bevoegd is, dan wel bezig is om zijn bevoegdheid te halen. Bevoegde leraren zijn volgens de staatssecretaris beter in staat om les te geven dan onbevoegde leraren.

De staatssecretaris gaf aan dat er in elke fase van de invoering wordt bekeken of het verantwoord is om tot de volgende fase over te gaan. Om te voorkomen dat er een valse start wordt gemaakt, gaan alle fases in elk geval één jaar later in dan gepland. De Staten-Generaal worden hier telkens tussentijds over geïnformeerd.

De sectorraden  hebben volgens de staatssecretaris weliswaar geen instemmingsrecht over het lerarenregister, maar zijn wel geraadpleegd. De leraren zullen in overleg met de school  een set aan scholingsactiviteiten bepalen. De inhoudelijke eisen die het register aan de leraar stelt worden door de beroepsgroep bepaald. Ook teamleren vallen hier onder. De leraren bepalen zelf of informeel leren er onder valt. Iedere leraar die in de Deelnemersvergadering zit, mag hierover stemmen. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om bekwaamheidseisen, beroepsethische codes of herregistratiecriteria.

Als een leraar niet voldoet aan de criteria mag dat niet automatisch leiden tot ontslag. Soms is de leraar immers simpelweg niet in staat om extra activiteiten te ontplooien of geeft de school de leraar hiervoor onvoldoende ruimte. Echter, als het herhaaldelijk door de werkgever is aangekaart en er voldoende ruimte wordt geboden; dan kan ontslag wel aan de orde zijn. Ook kan het zo zijn dat een leraar op de loonlijst blijft staan maar geen les meer mag geven. De arbeidsrechtelijke gevolgen van het wetsvoorstel worden volgens de staatssecretaris meegenomen in de evaluatie van het wetsvoorstel in 2023.

Als iemand is opgenomen in het voorportaal, dan is het de bedoeling dat diegene ofwel doorstroomt naar het lerarenregister ofwel stopt met lesgeven. De staatssecretaris gaf aan dat hij het fundamenteel oneens is met de Raad van State dat het lerarenregister pas mag worden ingevoerd als alle problemen in het onderwijs zijn opgelost.

Over het draagvlak onder leraren merkte de staatssecretaris op dat het belangrijk is dat dat groeit. Hij noemde het positief dat en aantal vakbonden en lerarenorganisaties achter dit wetsvoorstel staan. De administratieve lasten van het wetsvoorstel zullen volgens Dekker ongeveer één uur per jaar, per leraar kosten.