Plenair De Graaf bij Algemene politieke beschouwingen



Verslag van de vergadering van 4 december 2017 (2017/2018 nr. 10)

Status: gecorrigeerd

Aanvang: 21.44 uur


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer De Graaf i (D66):

Dank u wel, voorzitter. Laat ik beginnen met de minister-president te complimenteren met zijn nieuwe, derde kabinet, waarvan ik alle leden graag begroet. Ik zie uit naar de samenwerking met u allen. Het heeft lang geduurd, maar dan krijg je ook wat: interessante benoemingen op soms verrassend gecomponeerde portefeuilles in een aardig uitgebalanceerd geheel van vier partijen die een jaar geleden nauwelijks konden bevroeden dat zij in een langgerekte formatie toch zouden worden samengebracht. Een "kunstig gesiceleerde vaas" om met Romme over het eerste kabinet-Drees te spreken. Aan die vaas is voorlopig nog geen barstje of breuklijntje te zien. Laten wij hopen dat dit de komende drieënhalf jaar zo blijft.

Ik ben blij dat mijn partij is toegetreden en niet aan de zijlijn staat in deze spannende tijden, waarin de internationale rechtsorde, de nationale democratie en rechtsstaat en het klimaat onder druk staan ... dat is wel heel snel.

De heer Kox i (SP):

Ik sta hier om één opmerking te maken. Tot voor kort zat D66 niet in het kabinet. Voelde u zich toen aan de zijlijn staan, of vond u zich een functionerend deel van de nationale democratie, omdat een coalitie niet zonder een oppositie kan? Als u in uw eerste zinnen nu al zegt "wij staan niet aan de zijlijn", dan zegt u eigenlijk tegen de rest van de Kamer, die niet in dit gelukzalige kabinet zit, dat ze aan de zijlijn staan. Van bepaalde fracties kan ik zo'n aanduiding begrijpen, maar van D66 eigenlijk niet.

De heer De Graaf (D66):

Ik weet dat voor de SP de zijlijn de place to be is. Dat blijft de komende decennia waarschijnlijk zo. Ik vind de oppositie belangrijk. Ik zal dat in mijn tekst nog een paar keer zeggen, maar ik vind het nog mooier als een partij in staat is om ook daadwerkelijk aan de macht en de machtuitoefening deel te nemen.

De heer Kox (SP):

Laten we dan toch nog even dieper gaan. Is er in de visie van D66 een speelveld en is er een zijlijn? Bij de zijlijn begrijp ik dat je aan de andere kant van de zijlijn staat; dan doe je niet mee. Is dat de visie van D66, van Democraten 66 op het functioneren van de parlementaire democratie? Ik kan het mij niet voorstellen. Ik feliciteer D66 met de deelname aan dit kabinet. Mijn partij had graag aan een kabinet deelgenomen, niet aan dit kabinet. Ik heb al gezegd dat dat nog wel een keer komt. Daar maak ik mij geen zorgen over. Misschien zit ik dan wel samen met u of zitten onze partijen in zo'n kabinet. Maar de rol van de oppositie duiden als de partijen die aan de zijlijn staan, klinkt populistisch en opportunistisch. Het klinkt eigenlijk helemaal niet D66-achtig. Daarom reageer ik daar nogal snel op. Ik voel mij als fractievoorzitter van de grootste linkse partij in deze Kamer helemaal niet aan de zijlijn staan. Ik doe mee met alle andere spelers hier op het veld. Ik hoop dat dat onze verhouding zal zijn in de toekomst. Die kwalificatie "zijlijn" laten we aan anderen over.

De heer De Graaf (D66):

In de naam van mijn partij zit de democratie. Dat kan ik niet van de SP zeggen, maar wel van D66. Democratie vinden wij belangrijk. En ja, bij democratie hoort oppositie en hoort ook coalitie. Een coalitie heeft de mogelijkheid om heel direct, met de handen aan de ploeg iets te veranderen. Die heeft een oppositie niet. Die kan aan de zijlijn wel invloed uitoefenen en kan ook toejuichen — graag, meneer Kox — maar kan niet zelf de hand aan de ploeg zetten. Dat is toch een verschil. Verder vind ik het, met alle respect voor uw over het algemeen interessante bijdragen, echt spijkers op laag water zoeken.

De voorzitter:

Meneer Kox, tot slot op dit punt.

De heer Kox (SP):

Wie strooide de spijkers? Wie begon er met een diskwalificatie van pakweg de helft min één van deze Kamer die niet in de coalitie zit? Dat is niet nodig, collega De Graaf. Dat hoeft u niet te doen. We spelen allemaal mee. Mijn partij regeert in zes van de twaalf provincies en in vier van de zes grootste steden, waaronder de hoofdstad met uw partij. We zijn in 30 van de 60 grootste gemeenten vertegenwoordigd in het lokale bestuur. Dus wij spelen aan die kant van het veld ook mee. We moeten ervan af om de oppositie te diskwalificeren ten opzichte van de coalitie. Dat is niet met u gebeurd toen u in de oppositie zat met ons. Dat moet u ook niet doen nu uw partij in de coalitie zit. Ik wens u wel in die coalitie, maar het is niet nodig om die verdeeldheid te zaaien. Dat is een andere tendens in de politiek. Ik dacht dat Democraten 66 daar verre van zou blijven.

De heer De Graaf (D66):

Ik blijf bij mijn kwalificatie dat de heer Kox spijkers op laag water zoekt en dat hij zijn energie beter aan andere doeleinden kan besteden.

Mevrouw Barth i (PvdA):

Ik gun de heer De Graaf van harte zijn wittebroodsweken.

De heer De Graaf (D66):

Nou, niet die van mij hoor. Daar zit het kabinet.

Mevrouw Barth (PvdA):

Ik weet maar al te goed hoezeer u de komende jaren nog gaat terugverlangen naar die eerste paar weken, waarin het alleen maar heerlijk lijkt om aan de knoppen te zitten. Maar ik had een andere vraag, omdat ik het gevoel had dat het betoog van de heer De Graaf eigenlijk naadloos overging in dat van mij. Ik wilde u niet onderbreken, omdat u net begonnen was. Maar nu dat toch gebeurd is, grijp ik mijn kans. U zegt dat de taakverdeling in het nieuwe kabinet zo'n fijn bewerkte vaas is. U straalt daar kennelijk grote tevredenheid mee uit, terwijl ik toch verwacht zou hebben dat u heel ontevreden zou zijn over het feit dat uw motie niet is uitgevoerd en dat de nationale politie niet terug overgedragen is naar het ministerie van Binnenlandse Zaken. Ik heb net in mijn eigen verhaal al aangegeven dat het een uitstekende motie was. Willem Witteveen had het voor u geprobeerd. Die lukte het niet, u lukte het wel. Die motie werd hier aangenomen. Excuus, voorzitter. Ik spreek u aan, maar het was de motie van de heer De Graaf.

De voorzitter:

Kunt u het ook nog even kort houden, ja?

Mevrouw Barth (PvdA):

Zeker, voorzitter! Het was een uitstekende motie. We hebben die van harte gesteund. Dan is het zo vreemd om de heer De Graaf nu te horen zeggen dat hij vindt dat de taakverdeling van het nieuwe kabinet lijkt op een fijn bewerkte vaas.

De heer De Graaf (D66):

Volgens mij moet mevrouw Barth in de eerste plaats beter citeren. In de tweede plaats moet ze zelf ook wel vinden dat het wel erg vroeg is in het debat. Ik kom nog te spreken over de nationale politie en over de motie. Het is een beetje raar om daar nu al, na drie zinnen geloof ik, zo'n expliciete vraag over te stellen. Ik zal die graag beantwoorden op het moment dat ik in mijn tekst daar ben.

Ik zei dat er voldoende reden is om in een kabinet te gaan zitten. Rutte III heeft een stevige opdracht. Ik zou ook kunnen zeggen "het kabinet-Rutte/De Jonge/Ollongren/Schouten", maar dat is misschien wat overdreven. Of "het kabinet-Rutte/Buma/Pechtold/Segers", want drie van de vier politieke voormannen blijven weliswaar in de Tweede Kamer achter, maar vormen toch evenzovele buitenboordmotoren van het kabinet, zij het met ieder een ander vermogen en een al dan niet opgevoerde snelheid. Dat is overigens nog een extra reden om het kabinet veel succes én sterkte toe te wensen.

In het bijzonder de minister-president krijgt er een behoorlijke klus bij: coalitieoverleg op maandag, kabinetspresidium op dinsdag, donderdag bewindsliedenoverleg en de rest van de week ervoor zorgen dat events gewoon events blijven en niet uitmonden in disasters. Het is een wonder dat er nog tijd overblijft voor de koning, voor Macron en voor Merkel, laat staan voor de klas op het Johan de Witt College. De premier krijgt overigens ook een nogal grote klas in de Trêveszaal: zestien ministers en er komen nog eens acht staatssecretarissen bij, een stuk meer dan onder Rutte I en II. Daar zit natuurlijk een vierpartijenconstructie achter, dat begrijp ik, maar hopelijk ook het besef dat bewindslieden die te veel op hun bord hebben niet per se de meeste effectieve bestuurders zijn. Niet iedereen is een Duracellkonijn, zoals de premier weleens oneerbiedig is omschreven. Overigens zijn er in onze parlementaire geschiedenis kabinetten geweest met veel meer ministers en staatssecretarissen. Wat dacht de minister-president bijvoorbeeld van het kabinet-Den Uyl met liefst achtentwintig bewindslieden? Nou geloof ik dat Mark Rutte überhaupt liever niet denkt aan het kabinet-Den Uyl, maar hij kan dus gerust zijn: qua omvang heeft hij een gemiddeld kabinet.

Ik kan de premier ook feliciteren met het record van zijn vorige kabinet: de langstzittende ploeg van na de oorlog, liefst 1.815 dagen. De credits voor dit record moet hij echter delen met heel wat partijen, natuurlijk met de Partij van de Arbeid van Diederik Samsom. Samen hielden ze Rutte II al die jaren overeind, al kostte het de kleur op de wangen van beide partijen en uiteindelijk ook de politieke loopbaan van Samsom, een politicus waar ik overigens groot respect voor heb.

Ook de constructieve oppositie droeg bij aan het succes van het vorige kabinet, in beide Kamers. Je zou elk kabinet zo'n constructieve oppositie toewensen: waar het kan, steunen en waar het nodig is, zoeken naar goede en houdbare compromissen. Ik kijk even rond, maar ik zie nog geen evident enthousiaste kandidaten zich aanmelden voor deze karakterrol in de nieuwe episode.

Dat het vorige kabinet zo lang heeft gezeten, komt echter ook door partijen die juist niet of bij nader inzien toch maar niet verantwoordelijkheid wilden dragen. Die partijen hebben ook bijgedragen aan de lange duur van de formatie, niet door de ambities die ze hadden, maar je zou kunnen zeggen juist door het gebrek daaraan. Om uiteenlopende redenen zijn de SP, GroenLinks en de Partij van de Arbeid afgehaakt en dus niet aan tafel gekomen. Alleen van de Partij van de Arbeid heb ik dat kunnen begrijpen. De electorale oorwassing was gewoon te groot en dan rest maar één optie: wonden likken, aansterken en — ik zeg het nu in bijzonder ook tegen de heer Kox — de democratie dienen in de oppositie. Mijn eigen partij heeft dat bij herhaling mogen meemaken en het bleek elke keer weer louterend. Al weet ik niet zeker of dat voor Lodewijk Asscher of Marleen Barth tot troost kan dienen.

Als partijen zich bij voorbaat buiten het politieke discours plaatsen of aan de formatietafel terugdeinzen om compromissen te sluiten die niet woordelijk overeenkomen met het eigen programma, dan is dat in mijn ogen een vorm van regeerangst. Ik kan het niet anders zien. Regeren betekent vaak electoraal betalen, dat klopt. Zelfs de premierpartij verliest. Oppositie loont in onze huidige samenleving. Het politieke spectrum is helaas inmiddels versterkt met partijen die vooral daarop gericht zijn, die de vergaderzaal van ons parlement gebruiken als de arena om standpunten uit te dragen en te bestrijden, maar niet als de agora waar compromissen worden gesloten en aan de man worden gebracht. Als het aantal partijen dat daar niet bovenuit weet te stijgen steeds groter wordt, komt de regeerbaarheid van ons land in gevaar.

Een belangrijk leitmotiv in deze bijna eeuwigdurende formatie was de omzichtigheid waarmee werd onderhandeld. Egels hadden daar een voorbeeld aan kunnen nemen. In een politiek versplinterd landschap zonder helder eenduidig mandaat van de kiezers is het extreem ingewikkeld om niettemin een stabiele coalitie te smeden, al helemaal wanneer alle vleugels en staartveren van alle fracties nodig zijn voor de meerderheid. Zoiets kost ausdauer en vakmanschap, naar het woord van Bas de Gaay Fortman: "de kunst van het ivoordraaien". Het is een compliment waard aan de onderhandelaars en aan de informateurs en formateur dat dit uiteindelijk gelukt is in de vorm van een gewoon parlementair meerderheidskabinet. De premier noemde het in de regeringsverklaring een zoektocht naar de kwadratuur van de cirkel. Dat is volgens een hooggeleerde collega in mijn fractie nu juist het prototypisch voorbeeld van een fundamenteel onoplosbaar probleem, maar het ging de premier natuurlijk om de intentie, denk ik.

Voorzitter. Ondertussen moeten we ons wel zorgen maken. Het vertrouwen in de parlementaire democratie hangt onder meer samen met de slagvaardigheid die ons stelsel weet op te brengen. Die loopt risico's door de electorale versplintering en door het onvermogen van partijen om brede allianties aan te gaan. En door het beeld, dat deels terecht is maar deels ook overdreven, dat de politiek een gesloten, in zichzelf gekeerde en moeilijk toegankelijke kaste is.

100 jaar geleden werd de eerste stap in het algemeen kiesrecht gezet — alleen voor mannen, het actief vrouwenkiesrecht volgde pas twee jaar later. Misschien reden om het glas te heffen. Maar volgend jaar is het ook 100 jaar geleden dat Troelstra een poging deed om de democratische staat omver te werpen. Een stabiele parlementaire democratie is nooit vanzelfsprekend en de steun daarvoor onder de bevolking ook niet. In die 100 jaar is het niet gelukt om binnen de parlementaire democratie nieuwe wegen te bewandelen om burgers en politieke macht aan elkaar te verbinden, bijvoorbeeld door na een aantal decennia toch eens op zoek te gaan naar een kiesstelsel dat beter beantwoordde aan de wensen van kiezers. Of door in de Grondwet een beslissend correctief referendum op te nemen. Of kiezers een direct mandaat aan de macht te laten geven. Wat dat beslissend correctief referendum betreft: de eerste poging daartoe faalde in 1921, dus ook al bijna een eeuw geleden. Politieke partijen op brede grondslag slagen er bovendien steeds minder in om maatschappelijke bewegingen te kanaliseren en te vertalen in effectieve representatie. Het schiet dus nog niet op.

De heer Schalk i (SGP):

Ik heb een vraag over het correctief referendum dat nu wordt ingevoerd door collega De Graaf. Ik heb begrepen, en ik juich dat ten zeerste toe, dat het huidige raadgevend referendum juist wordt afgeschaft omdat dat het vertrouwen in de politiek niet heeft versterkt. Wat zou het correctief referendum daar wel aan kunnen doen? In vervolg op die vraag: wat zou er nou echt moeten gebeuren om het vertrouwen van de burger in de politiek te versterken? Zijn dat allerlei vernieuwingen, of zijn er andere dingen die u voor zich ziet, meneer De Graaf?

De heer De Graaf (D66):

Die laatste vraag is de duizenddollarvraag, als je hem goed beantwoordt. Dat is ons probleem waarvoor we de hele tijd een oplossing zoeken. Het is niet alleen maar de formele structuur, het gaat ook om alle andere mogelijkheden om de politiek ruimte te laten bieden aan burgers en de politiek vertrouwen te laten winnen onder burgers in hun rol van afnemer van overheidsdiensten en van betrokkene bij de inrichting van onze samenleving. En ja, dat kunnen structuuroplossingen zijn, maar het hoeven niet alleen structuuroplossingen te zijn. Het kunnen ook nieuwe vormen van democratie zijn. Daar zoeken we gezamenlijk naar. Wat mij betreft is dat niet alleen de opdracht van een staatscommissie maar een opdracht van ons allemaal.

Wat dat eerste betreft, het correctief, decisief referendum dat meerdere malen helaas niet de Grondwet heeft weten te halen: het is geen reëel toekomstperspectief omdat het geen meerderheid in deze Kamer zal krijgen. Om die reden is de behandeling ook niet doorgezet in de Tweede Kamer. Dan rest de vraag: vind je een raadgevend referendum zoals dat nu nog bestaat en waar de nodige problemen over zijn gerezen, een volwaardig alternatief, of wordt het steeds meer gezien als een surrogaatoplossing die in de praktijk misschien meer problemen oproept dan oplost? Ik vind dat een discussie met het kabinet waard. Ik wil dus ook van het kabinet weten waarom het de wet over het raadgevend referendum intrekt voordat er een evaluatie heeft plaatsgevonden. Ik wil ook weten waarom het op een zo bruuske manier die wet intrekt. Ik ga daar pas inhoudelijk met het kabinet over praten als het wetsvoorstel bij ons ligt.

De heer Schalk (SGP):

Dat lijkt mij een logische volgorde. Blijft die duizenddollarvraag over. Daarover wil ik graag nog iets meer duiding hebben. Die stelsels? Ik denk dat dat het niet is. Hoe komen we aan vertrouwen onder mensen? Moet dat niet beginnen met betrouwbaarheid, een vaste lijn en dergelijke?

De heer De Graaf (D66):

De heer Schalk zal ongetwijfeld weten dat ik enige geschiedenis heb als het gaat om het doen van voorstellen om onze democratie te verbeteren. Ik heb er ook enige krassen bij opgelopen in deze Kamer, tijdens de nacht van de een en het avondje van de ander. Ik blijf zoeken. Ik heb ook altijd gezegd dat het niet zo is dat de voorstellen die ik heb gedaan of die mijn partij in het verleden heeft gedaan, de beste en enig zaligmakende oplossingen zijn. Het gaat erom of we draagvlak kunnen krijgen voor vernieuwingen. Want als je een democratie niet onderhoudt, wordt die sleets. Ik heb zelf het gevoel dat we nu in die sleetse periode zijn aangeland.

De heer Koffeman i (PvdD):

Ik wil graag een verheldering van collega De Graaf op het punt van het referendum dat wordt afgeschaft. Het referendum is nog nooit eerder ergens afgeschaft, anders dan in Oost-Duitsland. Dat moet D66 toch pijn doen in dit land, de nummer twee, zeker omdat het referendum voor D66 zo'n groot goed was. Collega De Graaf zegt "ik ga nog niet praten over de wijze waarop dat referendum afgeschaft moet worden", maar zijn minister in het kabinet, althans zijn partijgenoot in het kabinet …

De heer De Graaf (D66):

Niemand is mijn minister.

De heer Koffeman (PvdD):

Nee, ik zei: althans zijn partijgenoot in het kabinet. Die heeft er alvast wel een voorschot op genomen. Die heeft gezegd: deze wet wordt niet referendabel. Zou collega De Graaf zich kunnen voorstellen dat bijvoorbeeld de grondwetswijzigingen waarop hij eerder doelde, een minder omslachtige werkwijze kennen? Zo'n grondwetswijziging is immers een hoop gedoe, "dus dat gaan we eventjes sneller doen, zonder dat er allerlei bijzondere meerderheden in beide Kamers nodig zijn". Zou dat kunnen en zou dit kunnen?

De heer De Graaf (D66):

Eerlijk gezegd kan ik er geen touw meer aan vastknopen, zeg ik tegen de heer Koffeman. U haalt er nu de grondwetsherzieningsprocedure bij. Die heeft echt niks te maken met de vraag wat er gebeurt met de Wet raadgevend referendum. Ik zou die dingen ook niet door elkaar willen halen. Ik zou u ook aanraden om dat niet te doen.

De heer Koffeman (PvdD):

Ik haal dingen geenszins door elkaar. Maar de Raad van State heeft gezegd dat de intrekking van de referendumwet referendabel zou moeten zijn, dat je daar niet een shortcut voor kunt nemen, dat je niet tijdens de wedstrijd de spelregels kunt wijzigen. Ik vergelijk dat met een wijziging van de Grondwet, waarbij je de spelregels wel wijzigt. Ik vind het jammer dat u daar geen touw aan vast kunt knopen; u hebt ervoor doorgeleerd.

De heer De Graaf (D66):

Juist daarom, waarschijnlijk.

De heer Koffeman (PvdD):

Nu ja, ik weet het niet, hoor. Dat zou niet nodig hoeven zijn. Maar kunt u toch eens aangeven waarom u niks wil zeggen over het feit dat een partijgenoot van u in het kabinet nu al aankondigt de spelregels te willen wijzigen, tijdens de wedstrijd?

De heer De Graaf (D66):

Ik ben juist voldoende duidelijk geweest, dacht ik. Bovendien refereert de heer Koffeman nu aan een advies van de Raad van State dat ik niet ken, tenzij hij een advies uit naar ik meen het jaar 2003 bedoelt, dat over heel iets anders ging en over een andere wet. Ik weet niet anders dan dat het kabinet, ik meen jongstleden vrijdag, heeft besloten tot het aan de Raad van State aanbieden van een wet om de referendumwet in te trekken. Wij kennen geen advies van de Raad van State, maar als u dat wel kent, betekent dat twee dingen, namelijk dat u toegang heeft tot dossiers die ik niet heb en ten tweede dat de Raad van State ongelooflijk snel werkt.

De heer Koffeman (PvdD):

Dan gaan we dat even afwachten. Maar ik vind het jammer dat u niet vanuit uw partijachtergrond wilt reageren op de vraag waarom de spelregels tijdens de wedstrijd gewijzigd worden.

De heer De Graaf (D66):

Ik ga niet steeds herhalen wat ik net heb gezegd. Ik heb ook in mijn tekst de vraag opgenomen die relevant is, namelijk waarom het kabinet heeft besloten tot een intrekkingswet in plaats van eerst de evaluatie af te wachten. Ik heb daar ook nog een kwalificatie aan toegevoegd. Ik wil dus ook goede en overtuigende antwoorden hebben van de regering. Zo hoort dat. In deze Kamer komt dat debat op het moment dat het wetsvoorstel ons bereikt.

Mevrouw Faber-van de Klashorst i (PVV):

Meneer De Graaf heeft het over vertrouwen, maar is het niet zo dat het vertrouwen juist geschaad wordt omdat de regering de uitslag van het referendum naast zich neerlegt? Erger nog: ook door politieke partijen wordt gezegd dat zij de uitslag van het referendum zullen respecteren, maar vervolgens doen zij toch iets anders.

De heer De Graaf (D66):

Volgens mij zit er nog een referendum in de pijplijn, het referendum over de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Wat mij betreft geldt daar wat altijd bij de wet heeft gegolden, namelijk dat de uitslag serieus moet worden overwogen. Ik vind dat dat gold voor het referendum dat er is geweest en dat geldt ook voor het referendum dat er nog aan komt.

Mevrouw Faber-van de Klashorst (PVV):

Dat is geen antwoord op mijn vraag. Ik vroeg of het vertrouwen niet wordt geschonden omdat de regering de uitslag van het referendum naast zich neerlegt. Erger nog …

De heer De Graaf (D66):

Heeft u een uitspraak van de regering gehoord waarin dat letterlijk staat?

Mevrouw Faber-van de Klashorst (PVV):

Dat is natuurlijk een beetje flauw. Nou, het is natuurlijk wel zo dat de regeringspartijen voor de instellingswet van het referendum hebben gestemd. Dit is dus een beetje flauw; u gaat nu een spel doen met woorden, maar mijn vraag is gewoon of het niet zo is dat het vertrouwen wordt geschaad omdat de mensen eerst wijs wordt gemaakt dat men de uitslag van het referendum zal respecteren en men vervolgens iets anders doet.

De heer De Graaf (D66):

Nee, mevrouw Faber zou als eerste moeten weten dat politiek inderdaad over woorden en de betekenis van woorden gaat. U heeft vandaag weer laten blijken dat u het toch wat minder relevant vindt dat woorden enorme betekenis kunnen hebben. Ik kies mijn woorden zorgvuldig. Bij mijn weten is niet door een lid van het kabinet of namens de regering gezegd dat de uitslag van een referendum per definitie aan de laars wordt gelapt. Als u bedoelt dat iemand in de Tweede Kamer heeft gezegd dat hij denkt dat hij de uitslag minder serieus vindt, is dat voor rekening van dat Kamerlid in de Tweede Kamer en niet voor mijn rekening.

De voorzitter:

Helemaal tot slot op dit punt, mevrouw Faber, en kort.

Mevrouw Faber-van de Klashorst (PVV):

Ik hou het kort. Uit de beantwoording door meneer De Graaf blijkt wel dat hij gewoon weigert de vraag te beantwoorden, omdat hij gewoon weet dat dit een gevoelig punt is.

De heer De Graaf (D66):

Volgens mij heb ik de vraag meer dan beantwoord en heb ik daar nog een paar dingen aan toegevoegd die u ook niet leuk vond.

De heer Kox (SP):

Collega De Graaf memoreert terecht dat hem niet verweten kan worden dat hij niet heeft geprobeerd om de democratie te vernieuwen, onder andere door referenda toe te voegen aan onze democratie. Ik zal dat zeker niet bestrijden, maar hoe duidt hij nu de beslissing van het kabinet om het raadgevend referendum weg te doen en het correctief referendum niet te krijgen? Dat moet toch pijn doen? Ik herinner me het debat dat we hier hebben gehad over die twee referenda. Ik herinner me ook hoe collega De Graaf het aan de andere collega's uitlegde: wees nou niet zo bang; dit is geen aantasting van de parlementaire democratie maar een aanvulling op de parlementaire democratie. Volgens mij heeft u dat ook altijd consistent zo gezegd. Deze Kamer heeft niet altijd meegewerkt; laten we het zo maar zeggen, maar het moet collega De Graaf toch ook pijn doen dat we die twee dingen nu allebei wegdoen en dat we nota bene tegen een D66-minister zeggen: u moet dat gaan doen. Ik heb gezegd dat dit een beetje op een ontgroeningsritueel lijkt. Dat was een beetje cynisch bedoeld, maar ik vind het nogal wat als D66 en u nu verplicht worden om afstand te nemen van zaken waar D66 en u zo voor hebben gestaan.

De heer De Graaf (D66):

In de eerste plaats weet de heer Kox als geen ander dat het niet zo is dat hier in deze Kamer een lid of een fractie verplicht wordt om ergens afstand van te doen. Ik vind het ook raar dat juist hij, die zo hecht aan de spelregels en de posities van beide Kamers, dat soort woorden in de mond neemt.

De heer Kox (SP):

Mijn excuses daarvoor. Op dat punt heb ik inderdaad af te wachten wat de fractie van D66 gaat doen, maar u kunt wel reageren op het feit dat het niet in het regeerakkoord staat; nog sterker: dat het regeerakkoord ermee afrekent.

De heer De Graaf (D66):

Ja, en het regeerakkoord heb ik niet gesloten, kan ik u vertellen. Dat wil niet zeggen dat ik niet heel loyaal ben aan mijn partij, maar ik heb niet aan tafel gezeten. Als u vervolgens vraagt naar mijn emoties, stel ik voor dat wij over emoties altijd een biertje drinken. Hier gaat het over de zaken.

De voorzitter:

Tot slot op dit punt, meneer Kox.

De heer Kox (SP):

Dat biertje drinken doen we.

De heer De Graaf (D66):

Dat doen we. Goed, dat is dan de winst van dit debat.

De heer Kox (SP):

Ja, de Irish pub is vanavond nog heel laat open. Daar kunnen we dus terecht, maar ik vraag niet naar de emoties van de heer De Graaf. Als je zo consistent hebt gestaan voor democratische vernieuwing en als je ziet dat dit kabinet eerder kiest voor de democratische vernieling van de toegevoegde instrumenten die we hadden en hadden kunnen krijgen, mag van een coalitiefractie die volop meedoet aan het spel en die niet aan de zijlijn staat, toch ook wel een punt van kritiek naar voren komen? De heer De Graaf heeft kritiek geleverd op de manier waarop de regering met de zaak omgaat, maar de essentie is dat er, als het aan deze regering ligt, geen raadgevend en geen correctief referendum meer zal zijn. Dat kan D66 in deze Kamer toch niet een goede zaak vinden?

De heer De Graaf (D66):

Ik geloof dat de laatste zin van de heer Kox ook wel een beetje vragen naar de bekende weg is. In een coalitieakkoord is niet alles rozengeur en maneschijn. Tegelijkertijd zijn er ook argumenten waarom mensen, ook uit volle overtuiging, menen dat je met het raadgevend referendum op deze wijze en in deze vorm niet door moet gaan. Ik wil die argumenten ook kunnen wegen. Daarom wacht ik dus ook het antwoord van de regering af, het wetsvoorstel per definitie, de toelichting en het debat dat in de Tweede Kamer maar zeker ook hier zal plaatsvinden. Niets is voor mijn fractie een uitgemaakte zaak en al helemaal niet een verplichting.

Voorzitter. Ik wilde net zeggen dat onze politieke democratie echt te belangrijk is om aan de grillen van zelfbenoemde redders van het vaderland over te laten. Modernisering van het politieke bestel is noodzakelijk om het vertrouwen erin te bewaren en terug te winnen. Dat kunnen we niet alleen maar aan de staatscommissie-Remkes uitbesteden, maar zullen we ook als een opdracht aan onszelf moeten zien. Overigens zeg ik over uw hoofd heen tegen de heer Kox dat deze Kamer al in de opdracht had opgenomen dat men naar het kiesstelsel zou kijken. Wat dat betreft is dat element, dat zinnetje in het regeerakkoord, eigenlijk een beetje overbodig, want ik neem aan dat daar al naar wordt gekeken, omdat wij dat hebben gevraagd. We zullen het, zoals gezegd, ook als een opdracht aan onszelf moeten zien. Het slechtst denkbare antwoord op de systeemcrisis is het zoveelste rapport van een staatscommissie dat in een la verdwijnt. Het gaat ook niet alleen over structuuroplossingen; meneer Schalk, daar is-ie dan! Democratie is meer dan alleen de formele verhoudingen tussen burgers en overheid. Het gaat ook om het vertrouwen van mensen in de kracht van het politieke bestuur, in de responsiviteit en in de toegankelijkheid en om het vertrouwen dat het politieke bestuur zelf in mensen stelt.

Wat dit betreft biedt de in het regeerakkoord opgenomen steun aan de deconstitutionalisering van de aanstellingswijze van de burgemeester misschien kansen. U zult begrijpen dat ik juist op dit punt enige voorzichtigheid in mijn optimisme betracht. De premier sprak in de regeringsverklaring over de taak van zijn kabinet om de urgentie van deze tijd te snappen. Ik ben dat zeer met hem eens. Dit is een belangrijke taak. Ik ga ervan uit, zeg ik tegen hem, dat hij ook de modernisering van onze democratie daaronder rekent.

Voorzitter. Of Rutte III een heel gewoon kabinet is, zoals de premier zei, zullen we moeten afwachten. Ik hoop in ieder geval dat van scherpe en harde tegenstellingen tussen coalitie en oppositie in deze Kamer niet vaak sprake zal zijn en dat de stemverhoudingen hier niet steeds op de laatste man of vrouw zullen hangen. Dat vereist bereidheid en vertrouwen van alle kanten. Mijn fractie zal zich daar ook voor inzetten. Het regeerakkoord van Rutte III is voor ons natuurlijk een relevante leidraad, al was het maar omdat een niet onbelangrijk deel van ons partijprogramma daarin is opgenomen, maar het is voor ons geen wet van Meden en Perzen.

Waar mijn fractie natuurlijk wel rekening mee wil houden, is dat een regeerakkoord altijd een onderhandelingsresultaat is, een compromis tussen partijen die verantwoordelijkheid nemen maar dan ook willen en moeten accepteren dat niet alleen zijzelf maar ook de anderen er voldoende van hun gading in kunnen vinden. Wie te gemakkelijk andermans steen uit de muur wil halen —dat zeg ik in het algemeen — houdt geen bouwwerk meer over. Dat bouwwerk oogt wat ons betreft stevig. Waar extra middelen voorhanden zijn, worden die voor de juiste prioriteiten ingezet. Waar hervormingen nodig zijn, worden die aangekondigd. Innovatie door wetenschap en techniek wordt gestimuleerd en op medisch-ethisch vlak in ieder geval niet op voorhand geblokkeerd, maar dat wil natuurlijk niet zeggen dat elke steen van het bouwwerk er even fraai uitziet. Ik denk bijvoorbeeld aan de afschaffing van de dividendbelasting. Het kabinet zal, als het wetsontwerp deze Kamer bereikt, nog wel wat overredingskracht nodig hebben om mijn fractie te overtuigen. Hetzelfde geldt voor het voornemen om de Wet raadgevend referendum in te trekken.

Kortingen in het onderwijs om doelmatigheid te bevorderen terwijl er tegelijkertijd moet worden geïnvesteerd, zijn voor mijn fractie eerder een vlek op het blazoen van het vorige kabinet die de onderhandelaars vergaten weg te poetsen dan een noodzakelijke maatregel. Vindt de premier dat zelf eigenlijk ook niet?

Mijn fractie zal wetgeving die voortvloeit uit het regeerakkoord zoals altijd toetsen op kwaliteit, uitvoerbaarheid en rechtsstatelijkheid. Aan de hand van de concrete wetsvoorstellen zullen wij beoordelen of het kabinet het vertrouwen dat het zelf in de toekomst heeft ook aan de samenleving en aan de instellingen van die samenleving wil schenken. Dat betekent in veel gevallen dat de politiek op afstand moet blijven in plaats van overal alles voor te schrijven, te toetsen en af te rekenen.

Enige afstand mag het kabinet wat mij betreft bijvoorbeeld houden ten opzichte van de instituties van de rechtsstaat. Te veel politieke bemoeienis is zelden goed, behalve als daardoor wordt verzekerd dat de rechtsbijstand goed kan blijven functioneren. Mijn fractie vindt de tekst in het regeerakkoord op dit punt wel wat zuinig. Voor het evenwicht van de diensten die essentieel zijn in onze rechtsstaat had ik voorts liever gezien dat het beheer van de politie was teruggebracht naar Binnenlandse Zaken. Mevrouw Barth liep daarop al wel heel ver vooruit. Een uitspraak daarover van deze Kamer is helaas door het oude maar ook door het nieuwe kabinet genegeerd. De nationale politie is wat mij betreft nog wel een apart debat waard; sterker nog: een parlementair onderzoek. Het lijkt op een typisch geval van te veel willen en te weinig kunnen. Daar zijn lessen uit te trekken.

In plaats van evenwicht tussen de klassieke rechtsstaatministeries hebben we nu op het overbelaste mega-departement van Justitie en Veiligheid twee ministers met een meer dan opmerkelijke portefeuilleverdeling. De zittende en staande magistratuur zijn uit elkaar getrokken, rechtspleging en rechtshandhaving zijn geknipt en als kers op de taart zitten alle juridische onderwerpen bij de bestuurskundige minister en alle bestuurlijke zaken bij de topjurist. De wegen van de formateur zijn soms ondoorgrondelijk. Maar ik wens de beide ministers en de staatssecretaris op dit lastige ministerie natuurlijk alle succes en vooral een langer verblijf dan verschillende van hun voorgangers was gegeven.

Voorzitter, het kabinet gaat regeren in economisch gunstige tijden. Dat schept de gelegenheid maar ook de verplichting om dat tij verder te stimuleren en te gebruiken om noodzakelijke hervormingen door te voeren.

Een buitengewoon belangrijke opdracht van dit kabinet is wat D66 betreft een urgent en ambitieus klimaatbeleid, dat rigoureus moet zijn maar ook draagvlak in de samenleving vereist. Een lastige klus. Alleen al om deze reden betreur ik nog steeds dat GroenLinks ervoor koos om het gelijk aan de zijlijn uit te venten.

Mevrouw Strik i (GroenLinks):

Meneer De Graaf is bezig met provoceren en diskwalificeren en ondertussen verzoekt hij in één adem door voortdurend om constructieve samenwerking. Misschien helpt een andere toon daarbij toch beter. Hij heeft het over geen ambitie, regeerangst en kiezen voor de zijlijn. Hij was er behoorlijk dichtbij toen wij in dat proces bezig waren om te proberen tot een regeerakkoord te komen. Wij blaakten van ambitie en wij deden onze best. Wij hebben een beoordeling gemaakt op basis van inhoud. Misschien denkt de partij van de heer De Graaf meer in strategieën. Dat weet ik niet. Maar ik zou toch willen dat de heer De Graaf er op een bepaald moment enig respect voor opbrengt dat een inhoudelijke beoordeling bepaalde grenzen kent en dat je daar soms tegenaan kunt lopen.

De heer De Graaf (D66):

Ik respecteer dat zeer, ik begrijp het alleen niet en ik vind het buitengewoon jammer. Het is echt te betreuren dat de kans die er bestond om zeker het klimaatbeleid van een groot draagvlak te voorzien en misschien ook nog scherper te maken als GroenLinks aan die tafel was blijven zitten, niet genomen is door GroenLinks. Dat zeg ik heel eerlijk. Daar zit geen gebrek aan respect achter. Het is gewoon een feitelijke constatering van mijn teleurstelling.

Mevrouw Strik (GroenLinks):

Dat hoor ik graag, want ik deel die teleurstelling. Dat weet de heer De Graaf. Maar de woorden die hij in deze hele termijn al heeft gebruikt, komen op mij eerder over als een diskwalificatie dan als het jammer vinden dat het niet is doorgegaan.

De heer De Graaf (D66):

Ik kan niet anders zien dan dat uit de beslissingen van partijen om van die tafel weg te blijven of weg te gaan ook een element sprak van de mogelijke electorale gevolgen en de positie van partijen niet onder ogen willen zien. Dat zou ik zeer betreuren. Als dat niet zo is, hoop ik dat overigens graag te horen.

Ik zei al: een belangrijke opdracht is het klimaatbeleid. Ik spreek niettemin de hoop uit dat een nieuwe klimaatwet bijvoorbeeld toch een gezamenlijk project kan zijn. Ik zeg dat in het bijzonder tegen mevrouw Strik. Een nieuwe klimaatwet is belangrijk. Het kabinet zet in op een nationaal klimaat- en energieakkoord en op samenwerking met het bedrijfsleven en instellingen om Parijs te halen en liefst te passeren: 49% CO2-reductie in 2030 en als het mogelijk is 55% in Europees verband. Dat zijn mooie voornemens, die mijn fractie van harte onderschrijft, maar hoe gaat het kabinet dat bewerkstelligen? Er zullen meer maatregelen nodig zijn dan nu voorzien. Waarom in dit verband niet inzetten op bijvoorbeeld eerdere sluiting van een of meer kolencentrales, bijvoorbeeld al in deze kabinetsperiode? Het motto van de premier op het punt van het klimaatbeleid is, zo heb ik begrepen, langetermijndenken en kortetermijndoen. Dat laatste zou ik dan ook graag zien. Ook vraagt mijn fractie zich af hoe grondig — vergeef mij de woordspeling — het voornemen van de ondergrondse CO2-opslag is doordacht. Is dat daadwerkelijk op deze schaal realiseerbaar en waarop baseert het kabinet deze aanname?

Wij zien uit naar de maatregelen die in de zorg worden genomen, in het bijzonder de ouderenzorg en de preventie. Ook hier wordt overigens veel verwacht van akkoorden en nog eens akkoorden. Die kunnen natuurlijk voor draagvlak zorgen, maar nooit de verantwoordelijkheid van regering en parlement overstijgen.

Dat geldt uiteindelijk ook voor de aangekondigde hervormingen van de arbeidsmarkt en het pensioenstelsel. Minister Koolmees als de nieuwe polderpaus, het is even wennen, maar wij hebben er wel groot vertrouwen in. Mijn collega Alexander Rinnooy Kan heeft de afgelopen jaren het verzet tegen de onmogelijke Wet DBA aangevoerd en wij zien met tevredenheid dat het kabinet voor een ander systeem kiest om schijnzelfstandigheid tegen te gaan maar echte zzp'ers niet in de weg te lopen. Ook hier zal goed gelet moeten worden op de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid, precies die criteria waar de nu in te trekken wet niet aan wist te voldoen.

De op zichzelf bescheiden herziening van het belastingstelsel heeft al veel discussie losgewoeld. Mijn fractie steunt de vergroening en de verschuiving van belasten van arbeid naar belasten van consumptie. Ik vind het zelf een grote stap voorwaarts dat de vier coalitiepartijen erin zijn geslaagd om elkaar te vinden in een versnelde afbouw van de hypotheekrenteaftrek. Het is in de ogen van mijn fractie niet onrechtvaardig dat dan ook het element van de woonsubsidie voor huiseigenaren die geen hypotheek meer hebben stap voor stap wordt verminderd.

Het is jammer dat het kabinet geen plannen heeft om het lokale belastinggebied te vergroten, vanzelfsprekend op neutrale wijze. Zeker de grote decentralisaties van de afgelopen jaren konden als evenzovele argumenten hebben gediend om wel tot die stap over te gaan. Het zou ook een principiële keuze zijn geweest om inhoud te geven aan het belang van democratische keuzes op het niveau waar de diensten aan burgers worden verricht, dicht bij de burger. Ook het decentralisatiedebat zal om een vervolg vragen, des te urgenter als aan gemeenten nog meer landelijke verantwoordelijkheden worden overgedragen. In dat kader verwachten wij ook de nodige ambitie van het kabinet om de bestuurskracht in het decentraal bestuur te versterken en bestuurlijke drukte te verminderen.

Voorzitter, vorig jaar noemde ik gelijke kansen voor iedereen als een toetssteen voor een nieuw kabinet. Sociaal beleid en integratie dragen daar natuurlijk aan bij, maar onderwijs raakt de kern van die opdracht. Het regeerakkoord besteedt daar gelukkig aandacht aan, bijvoorbeeld door stapelen aan te moedigen in plaats van af te remmen. Ik roep de onderwijsministers wel op om meer te doen aan achterstandsonderwijs, zo ongelofelijk nodig in ons land met een groeiend aantal leerlingen van niet-Nederlandse achtergrond en met meer dan 2 miljoen laaggeletterden.

De forse investeringen in met name het primair onderwijs bieden meer ruimte voor de leraren en meer ruimte letterlijk in de klas. Ik realiseer mij dat het niet snel genoeg is en dat minister Slob er nog een hele kluif aan zal hebben om de leraren in het funderend onderwijs ervan te overtuigen dat daadwerkelijk grote stappen voorwaarts worden gezet.

Het hoger onderwijs is in Nederland excellent en behoort tot de top van Europa. Studenten zijn tevreden en de arbeidsmarktperspectieven zijn uitstekend. De minister-president zei in de regeringsverklaring te streven naar meer vrijheid van onderwijs in plaats van minder. Ik ben het er van harte mee eens. Laat het kabinet dan een begin maken door te vertrouwen op de kwaliteit en maatschappelijke kracht van die instellingen van het hoger onderwijs in plaats van nieuwe voorwaarden te verbinden aan de bekostiging. Mijn fractie is overigens blij met de 400 miljoen structurele intensivering in fundamenteel, toegepast en praktijkgericht onderzoek, waardoor de in de wereld unieke Nationale Wetenschapsagenda in uitvoering kan worden genomen en de kennisinfrastructuur eindelijk weer kan worden versterkt. Mag ik ervan uitgaan, vraag ik de premier, dat de ministers van OCW en EZK — ik moet nog wel wennen aan die afkorting — dit als een gezamenlijk project beschouwen en dat een stammenstrijd op dit punt kan worden voorkomen?

Mevrouw Strik (GroenLinks):

Misschien kan de heer De Graaf zich nog herinneren dat wij, toen wij samen aan de zijlijn stonden, het kabinet hebben geholpen bij de invoering van het sociaal leenstelsel. Dat ging gepaard met een lage rente — dat was het sociale van het leenstelsel — bij de afbetaling van die leningen. Nu wordt die verhoogd. Er staat een instaptarief in, met een lager collegegeld voor het eerste jaar. Feitelijk zal de student die ouders heeft die weinig verdienen, daar het meest de dupe van worden, omdat die uiteindelijk die rente moet gaan betalen. Hoe kijkt u daar tegenaan? Vindt u het leenstelsel nog sociaal? Is dit niet het minder toegankelijk maken voor eerstegeneratiestudenten?

De heer De Graaf (D66):

Ik heb zelf de afgelopen jaren met belangstelling en soms met enige zorg gekeken of de toegankelijkheid niet onder druk kwam te staan door het leenstelsel. Ik ben tot de conclusie gekomen dat dit gelukkig de afgelopen jaren niet gebeurd is. Ik ga er vanuit dat dit ook niet zal gebeuren. Ik denk wel dat de middelen die door de afschaffing van de basisbeurs beschikbaar zullen komen, ook goed moeten worden besteed aan de kwaliteit van het onderwijs, dus een directe bijdrage aan de kwaliteit van onderwijs voor de studenten die daarvoor iets hebben moeten prijsgeven. Ik heb ook dat zinnetje in het regeerakkoord gezien over de tienjaarsrente, zoals dat heet. Ik weet niet of dat zo'n ongelofelijk effect heeft op de toegankelijkheid, maar laten we het vooral gezamenlijk monitoren. Als dat wel zo is, zult u mij aan uw zijde vinden om daartegen op te treden.

Mevrouw Strik (GroenLinks):

Dat spreken we af, dat is heel goed, want de vrees bestaat nu al dat die hogere rente inderdaad meer studenten ervan af gaat houden om te gaan studeren en dat moeten we zien te voorkomen.

De heer De Graaf (D66):

Vrees is nog geen werkelijkheid. Toen het studievoorschot werd ingevoerd, waarover ik zelf ook lang twijfels had, net als mijn fractie, was dat ook een enorme vrees, maar die is gelukkig ook niet bewaarheid. We zullen afwachten.

Mevrouw Strik (GroenLinks):

Maar het is wel minder sociaal geworden.

De heer De Graaf (D66):

Ik weet niet waar die term "sociaal" eigenlijk vandaan komt.

Mevrouw Strik (GroenLinks):

Sociaal was het nou juist omdat die lening zonder veel rente kon worden terugbetaald, waardoor je toch geen drempel had om te gaan lenen. Op het moment dat je wel hoge rente moet gaan betalen, wordt het natuurlijk een heel ander verhaal. Dan moet je echt gaan opbrengen als student en dan wordt de drempel hoger.

De heer De Graaf (D66):

Ik zei al: laten we gezamenlijk de vinger aan de pols houden, als het gaat om toegankelijkheid. Maar ik vind dat ook het voordeel van het leenstelsel moet worden genoemd, namelijk meer middelen en mogelijkheden om de kwaliteit van het hoger onderwijs te verbeteren en te versterken. Dat is, denk ik, ook in het belang van toekomstige generaties van studenten.

Voorzitter. Ik wil afronden met een enkele opmerking over de internationale rechtsorde. In deze hoogst onzekere wereld passen een wederopbouw van onze defensieorganisatie en een verdere intensivering van de internationale samenwerking via ontwikkelingsbeleid en buitenlandse handel. Wat betreft dat laatste vraag ik expliciet aandacht voor kennis als grondstof voor internationale relaties, de WTI-diplomatie, zoals dat tegenwoordig in het jargon wordt genoemd: wetenschap, technologie en innovatie.

De plek van Nederland in het internationale discours zal opnieuw moeten worden gedefinieerd. Komend jaar zal ons land in de Veiligheidsraad een wezenlijke bijdrage kunnen leveren aan het gezag en de rol van de VN in internationale conflicten en spanningen. Daarom is het ook wijs dat de regering, blijkens een brief van vandaag, de onverstandige plannen om uit een van de VN-instellingen te stappen inmiddels heeft ingetrokken. Er zijn grotere belangen te verdedigen.

Mijn fractie verwacht veel van de ministers Zijlstra en Kaag, die elkaar naar het mij voorkomt, perfect aanvullen en in ieder geval veel van elkaar kunnen opsteken. Samen met de minister-president vormen zij een geducht buitenlandtrio. In het internationaal veiligheidsbeleid ga ik er voorts vanuit dat minister Bijleveld voluit wil inzetten op een Europese dimensie van de krijgsmacht. De eerste stappen op weg naar een gecoördineerde en geïntegreerde Europese defensie-inspanning zijn gezet en wat mijn fractie betreft wordt daar krachtig op doorgepakt.

Zowel hiervoor als wat betreft de verdere ontwikkeling van de Europese Unie als waardengemeenschap, als economische, monetaire en politieke eenheid, is Nederland sterk afhankelijk van de Franse en Duitse inzet, tenzij de Britten zich niet langer als lemmingen gedragen en terugkeren van de rand van hun eigen afgrond. De Europese Unie bevindt zich opnieuw in een ietwat onzekere ontwerpfase, waarin oude stramienen en taboes ter discussie staan. Nederland heeft wat mij betreft geen andere keuze dan te investeren in de Frans-Duitse as en een betekenisvolle partner te zijn in het toekomstdebat. We weten inmiddels dat ook een voldragen en gedragen immigratiebeleid toch alleen in Europees verband gestalte kan krijgen. Graag vraag ik een reactie van de minister-president.

De heer Kox (SP):

Ik ga het debat niet openen over de Europese Unie, want dat doen we ook op een ander moment. Collega De Graaf wees wel op de bijzondere positie die we volgend jaar hebben, want we zijn lid van de Veiligheidsraad. Dan kun je zeggen: wat is dat nou, een jaar, we hebben een halfjaar aan de Italianen gedeald. Je kunt niet alles krijgen, maar ik vind wel dat we dat ene jaar zo effectief mogelijk moeten gebruiken. We hebben in ieder geval een heel deskundige minister die dat zou kunnen doen. Ik heb in mijn bijdrage aan de regering gevraagd: kunnen we dat jaar niet vooral gebruiken om door te gaan met te ijveren voor iets wat ook regeringsbeleid is, namelijk kernwapens de wereld uit? We hebben als eerste onze nek uitgestoken door deel te nemen aan die onderhandelingen over een antikernwapenverdrag. Kunnen we hier over die grens van één zetel meerderheid of minderheid samenwerken en de regering samen oproepen om het komend jaar te gebruiken om als Nederland voorop te lopen om dat antikernwapenverdrag, dat de Nobelprijs voor de Vrede heeft gekregen, althans de initiatiefnemers, nog een extra steuntje in de rug te geven?

De heer De Graaf (D66):

Ik geloof dat wij kunnen afspreken dat wij gezamenlijk pal zullen staan voor de internationale rechtsorde. Voordat ik op uw vraag een antwoord kan geven, ben ik erg benieuwd naar de reactie van het kabinet op uw vragen. Ik vind niet dat ik in de plaats moet treden van de regering om de vragen die u stelt te beantwoorden.

Voorzitter. Nederland heeft geen andere keus dan te investeren in de Frans-Duitse as en een betekenisvolle partner te zijn in het toekomstdebat. Naar mijn vaste overtuiging zijn wij het stadium voorbij dat het Nederlandse EU-beleid moet worden bepaald door euroscepsis. Die scepsis was en is een overschatting van de angst en de weerzin die er over Europa zouden bestaan. Zonder Europa gaat het niet. Wie vol voor Europa gaat en daar ook voor uitkomt, en de noodzaak ervan aantoont voor onze welvaart, onze rechtsorde en onze vrede, krijgt uiteindelijk natuurlijk ook de mensen mee.

Een sterk land nog beter maken voor iedereen, dat zei de premier in de regeringsverklaring. En iedereen betekent alle mensen die hier mogen zijn, met en zonder beperkingen, met of zonder dubbele paspoorten, met of zonder een kleurtje, met of zonder werk. Een kabinet dat van al die markten thuis is, dat kabinet verwelkomen wij graag! Ik wacht met belangstelling de beantwoording van de premier af.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer De Graaf. Ik geef het woord aan mevrouw Strik.