Plenair Van Ballekom bij Algemene financiële beschouwingen



Verslag van de vergadering van 17 november 2020 (2020/2021 nr. 10)

Status: gecorrigeerd

Aanvang: 9.33 uur


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Van Ballekom (VVD):

Voorzitter. In de stellige wetenschap dat u en vele collega's, niet in de laatste plaats de leden van mijn fractie maar ook ikzelf, met weemoed terugdenken aan de degelijke, onderbouwde en gebalanceerde inbreng van oud-senator Roel Wever tijdens de Algemene Financiële Beschouwingen, moet u het dit jaar met mij doen. Het combineren van het Kamerlidmaatschap en het burgemeesterschap van Heerlen werd te gecompliceerd gevonden. Met respect voor ieders afwegingen, het is jammer voor hem, het is jammer voor ons, maar het is ook jammer voor de stad Heerlen. Ik doe mijn uiterste best om dit gemis zo goed mogelijk te compenseren.

Als debutant bij de Algemene Financiële Beschouwingen heb ik natuurlijk met veel belangstelling de discussies aan de overkant gevolgd en de antwoorden op tal van vragen van de zijde van de regering tot mij laten doordringen. Het is in elk geval duidelijk dat je belezen moet zijn. Augustinus, Seneca, de Bijbelse Job en zelfs Von Clausewitz, ze passeren allemaal de revue.

Voorzitter. Die tak van sport ga ik niet beoefenen, want dan staan we hier morgenochtend nog. De coronacrisis laat diepe sporen na in alle geledingen van de samenleving en de persoonlijke drama's zijn het meest ingrijpend. Financieel zware tijden en economische turbulenties zijn daarmee niet te vergelijken. En toch moeten we het hebben over de financiën en de economie om te proberen het niet nog erger te maken dan het al is. De reden waarom ik direct na mijn studie ben gaan werken bij de Inspectie der Rijksfinanciën is niet alleen omdat ik het vak openbare financiën interessant vond, maar ook omdat mij dat werd aangeraden. Want, zo stelde mijn hoogleraar, ga je over geld, dan ga je over alles. En dat was ook mijn ervaring. Gevolg is wel dat je samen met je fractie tot een selectie van onderwerpen moet komen omdat je maar 24 minuten hebt.

Wij zijn gekomen tot de volgende selectie, zonder overigens afbreuk te willen doen aan de andere onderwerpen. Ik zal kort ingaan op het begrotingsbeleid, inclusief de zorg, het economische beleid en daarna nog enkele diverse onderwerpen aanstippen.

Allereerst het begrotingsbeleid. Mag ik u meenemen naar de vorige Algemene Financiële Beschouwingen? Via het doorvoeren van hervormingen en het handhaven van een rigoureuze begrotingsdiscipline als antwoord op de vorige crisis had Nederland robuuste reserves opgebouwd. Een begrotingsoverschot, een relatief lage staatsschuld, gecombineerd met een lage werkloosheid, en de hoogste bnp-groeicijfers in Europa. Nederland stond en staat overigens nog steeds in de top van alle lijstjes, en niet alleen de financiële. Niemand speculeerde over het einde van de vrijemarkteconomie. Dat is ook moeilijk, gezien de genoemde resultaten in een van de meest competitieve economieën van de wereld.

En nu zitten we middenin de coronacrisis. Ik lees dan tot mijn grote verbazing dat gepleit wordt dat het tijd is voor een fundamentele politieke, economische herijking van het maatschappelijk bestel: "Het streven naar de groei van het Nederlandse bnp is echt niet meer van deze tijd, minister." Hierbij past slechts een meewarig hoofdschudden. Alsof de vrijemarkteconomie het virus heeft geactiveerd. Alsof al die noodzakelijke uitgaven structureel op te brengen zijn bij een voortdurende krimp van het bnp.

Verbazing werd ook uitgesproken over het gemak waarmee deze regering nu de budgettaire teugels laat vieren, en zonder blikken of blozen een tekort presenteert van ruim 60 miljard euro en een negatief saldo van 5,5% in 2021. Is dit niet indirect een schuldbekentenis over het feit dat de reactie op de vorige crisis een verkeerde was, een beleid van kapotbezuinigen?

Nee, voorzitter. Ik mag hopen dat dit geen schuldbekentenis is. Ik denk dat zowel de reactie van deze regering als die van de vorige de juiste was. De beleidsmaatregelen verschillen natuurlijk, want deze crisis is van een totaal andere orde, en laten we hopen van een incidentele en exogene aard. Mij lijkt dat mag worden vastgesteld dat de fundamentals van de Nederlandse economie goed zijn.

Dat blijkt ook wel uit de cijfers van het derde kwartaal, vorige week uitgebracht door het Centraal Bureau voor de Statistiek. De veerkracht van de Nederlandse economie heeft daarin gezorgd voor een groei van het bnp van 7,7%. Kortom, dat is goed nieuws in deze sombere tijden.

In deze context spijt het de VVD-fractie dat niet altijd duidelijk is welke uitgaven kunnen worden gekwalificeerd als gewone, reguliere uitgaven. De overzichtstabellen in de Miljoenennota lossen dat probleem niet op. Zelfs de Raad van State stelt dat via talloze suppletoire begrotingen het zicht is vertroebeld. Waarom spijt ons dat? Omdat dat de terugkeer naar de normaliteit helderder en inzichtelijker zou hebben gemaakt. Daar verlangt mijn partij naar: terug naar het reguliere begrotingsbeleid, met duidelijke uitgangspunten voor het begrotingssaldo en de schuld van 3% en 60%. Dat is niet omdat wij fetisjisten zijn, maar omdat de luxe van een regulier begrotingsbeleid impliciet betekent dat we de crisis onder de knie hebben, en dus weer robuuste reserves kunnen opbouwen voor de volgende tegenwind, die vast uit een geheel andere hoek komt dan deze en de vorige. En dat is omdat wij bij de VVD niet graag schulden bij een volgende generatie leggen, in de wetenschap dat schulden, met of zonder rente, altijd moeten worden terugbetaald.

Het is natuurlijk wat moeilijk om zo kort voor de verkiezingen de visie van de regering te vragen en te vragen inzicht te verschaffen in een duidelijk beleidskader voor de inkomsten en de uitgaven op middellange termijn. Maar dat daaraan gewerkt moet worden, is duidelijk. In dit verband zou ik de noodzaak willen noemen een duidelijk kader overeen te komen voor de ontwikkeling van de zorguitgaven in de toekomst. Het plafond voor de rijksbegroting en de sociale uitgaven is min of meer stabiel of beheersbaar. Echter, zonder beleidsmaatregelen stijgen de zorguitgaven volgens de Studiegroep Begrotingsruimte in de komende kabinetsperiode met naar verwachting 13 miljard euro. Alle reden om daaraan bijzondere aandacht te besteden. Dat is in lijn met de aanbeveling van de Raad van State. Ik meen ook te mogen vaststellen, de Miljoenennota lezend, dat deze zorgen door de regering worden gedeeld.

De vraag is of er al concreet wordt nagedacht over beleidsinitiatieven om hierop op termijn antwoord te geven. Wordt daarbij overwogen om de automatische stijging van de uitgaven vanwege kwaliteitsverbetering in de zorg te heroverwegen? Overigens is dit geen kritiek op de voorstellen die tot nu toe zijn gedaan. Daarmee bedoel ik dat de VVD de structurele verhoging van 1 miljard voor de sector in deze moeilijke tijden accepteert, en de ruim 2 miljard voor de zorgbonus verwelkomt, evenals de maatregelen die worden genomen om het werken in deze vitale sector aantrekkelijker te maken.

Nu het economische beleid, voorzitter. Laten we beginnen bij het Groeifonds. De doelstellingen van het fonds worden van harte door de VVD ondersteund. Het is goed om in de concurrentiekracht van Nederland te investeren via onderzoek, ontwikkeling, innovatie en verbetering van de infrastructuur, inclusief de digitale infrastructuur. Maar zou de regering nogmaals willen uitleggen waarom dat fonds niet verwerkt wordt in een departementale begroting? In antwoord op vragen stelt de regering dat gekozen is voor een aparte niet-departementale begroting omdat, wanneer het fonds via reguliere begrotingen zou lopen, de gelden voor andere doeleinden zouden kunnen worden ingezet. Met andere woorden: het is een soort zelfbescherming voor bewindspersonen met eurotekens in hun ogen en het beschermt de regering en de samenleving tevens tegen leden van het parlement die het in hun botte hersens halen een alternatieve besteding te suggereren. Ik hoop niet dat dat het enige argument is.

De heer Van Apeldoorn (SP):

Ik wil terugkomen op het eerste blokje van de heer Van Ballekom, die uitgebreid heeft stilgestaan bij het begrotingsbeleid. Hij heeft gezegd dat de VVD het liefst ziet dat we snel teruggaan naar de normen van 3% en 60% staatsschuld. Daarmee verwijst hij ook naar het begrotingsbeleid van de afgelopen kabinetten. Hij spreekt uit dat het oplopen van het huidige begrotingstekort geen schuldbekentenis is ten aanzien van het eerdere begrotingsbeleid. Betekent dat dat de VVD-fractie erop inzet dat er volgend jaar of het jaar daarop grootschalig bezuinigd moet worden om aan die 3% te gaan voldoen of weer richting die 60% te gaan? Ik vraag me af wat dat concreet inhoudt. Bij de vorige crisis hebben we gezien dat opeenvolgende kabinetten, Rutte II bijvoorbeeld, heel snel gingen bezuinigen, wat volgens vele economen, bijvoorbeeld van de ING, heeft geleid tot honderdduizenden banen extra en een recessie die zich tot driemaal toe herhaalde. Is dat ook het recept waar de VVD-fractie nu op inzet?

De heer Van Ballekom (VVD):

Nee, zoals ik al gezegd heb, is deze crisis een totaal andere crisis dan de vorige. Het hervormingsbeleid van het vorige kabinet heeft er wel voor gezorgd dat Nederland een van de meest competitieve economieën is in de wereld, met de hoogste groeicijfers. Wat dat betreft kun je niet spreken van kapotbezuinigen. Ik denk dat de regering, zoals dat ook in de Miljoenennota vastligt, zeer prudent omgaat met de huidige crisis. We moeten kijken hoe zich dat ontwikkelt, want we zitten er nog middenin. Het zou te voorbarig zijn om in 2021 terug te keren naar het normale begrotingsbeleid, maar dat het een keer moet gebeuren, staat voor mij vast. Ik heb in mijn inbreng ook aangegeven dat we ons moeten voorbereiden op een volgende crisis. Dat zal dan geen coronacrisis of financiële crisis zijn, maar een andere crisis. Ik hoop dat we dan voldoende tijd hebben gehad om zo veel reserves op te bouwen, dat we ook die crisis makkelijk kunnen weerstaan.

De heer Van Apeldoorn (SP):

Ik ben in ieder geval blij om te horen dat de VVD-fractie er nu niet voor pleit om volgend jaar of het jaar daarop terug te gaan naar de 3%. Maar ik probeer toch de aard van de analyse te begrijpen als de heer Van Ballekom zegt dat deze crisis een totaal andere crisis is dan de vorige. Dat is natuurlijk zo, want de oorzaken en de vorm ervan zijn anders, maar de overeenkomst is dat we toen te maken hadden met de diepste recessie sinds de jaren dertig en dat we daar nu opnieuw mee te maken hebben, alleen is de recessie nog dieper. Door de regering wordt gezegd dat bezuinigen nu en ook volgend jaar niet verstandig is, omdat je de economie dan wel degelijk kapotmaakt en omdat je dan het herstel in de weg zit. Destijds werd gezegd dat we ons moesten houden aan de begrotingsnormen van Brussel, dat we het huishoudboekje op orde moesten brengen en dat we terug moesten naar die 3% en daaronder. De VVD stond toen voor die analyse en de VVD staat daar nog steeds voor. Maar wat is dan het verschil? Waarom was bezuinigen op grote schaal, 50 miljard, toen wel verstandig en waarom is dat nu niet verstandig?

De heer Van Ballekom (VVD):

Tijdens de vorige crisis hadden we te maken met een Stabiliteits- en Groeipact met duidelijke regels. Ik heb altijd geleerd dat je regels moet naleven. Dat hebben we ook gedaan en dat heeft de Nederlandse economie geen windeieren gelegd. Op het ogenblik is vanuit Brussel gezegd dat het Stabiliteits- en Groeipact, het teruggaan naar een begrotingsoverschot en de 60% op een pragmatische manier geïnterpreteerd mogen worden om te kijken welk beleid het beste bij deze crisis past.

De voorzitter:

De heer Van Apeldoorn tot slot. Een korte vraag, graag.

De heer Van Apeldoorn (SP):

Omdat Brussel destijds zei "het mag niet en jullie moeten je aan de regels houden", ongeacht of die regels verstandig waren en of ze goed uitpakten — ik zei net al dat volgens onder anderen Nederlandse economen van de ING het honderdduizenden banen heeft gekost — was de VVD ervoor om wel te bezuinigen, ongeacht of het verstandig was of niet, maar nu het wel mag van Brussel, nu je je niet hoeft te houden aan de regels, zegt de VVD: dan houden we ons ook niet aan de regels. Daar komt het op neer.

De voorzitter:

Tot slot, meneer Van Ballekom, en vervolgt u dan uw betoog.

De heer Van Ballekom (VVD):

Nee, dat is toch een misverstand en in zekere zin een verdraaiing van mijn woorden. Die 60% en die 3% zijn niet uit de blauwe hemel komen vallen. De VVD vindt dat nog steeds verstandige besluiten. Daar moet je naar streven. Maar in deze omstandigheden zijn er redenen om dat even niet te doen in 2021 en wellicht 2022. Maar laten we hopen dat het zo kort mogelijk mag duren. Dat wil niet zeggen dat we daarmee deze begrotingsankers permanent overboord willen zetten, absoluut niet.

De voorzitter:

Dank u wel. Mag ik de leden eraan herinneren dat we vandaag echt korte vragen en ook korte antwoorden proberen na te streven? We hebben een lang debat voor de boeg, dus korte vragen en korte antwoorden; dat is de bedoeling. Anders zijn we de hele dag bezig om elkaar daaraan te herinneren en misschien is het het beste om dat nu even te doen. De heer Vendrik namens GroenLinks.

De heer Vendrik (GroenLinks):

De heer Van Ballekom zei zojuist: de regels zijn niet uit de blauwe lucht komen vallen. Dat is nou toeval, dat is namelijk wel het geval: in de jaren tachtig. Later is er een rationalisatie bij verzonnen over hoe die 3% en 60% zich tot elkaar verhouden, met een groeivoet van reëel 3%, een inflatie van 2% enzovoorts. Maar strikt genomen ligt er geen enkele economische onderbouwing achter de ratio van 60% als maatstaf voor een gezonde staatsschuld. Dat zeggen economen ook al jaren, dat weten we ook allang.

De voorzitter:

Dus uw vraag is?

De heer Vendrik (GroenLinks):

Mijn vraag is dus: nu de VVD opnieuw nadenkt over hoe zij tegen de wereld aankijkt — we hebben het VVD-verkiezingsprogramma gezien — hoort daar dan niet een frisse blik bij op wat nou eigenlijk gezonde financiën zijn en hoe je op een goede manier met de overheidsbegroting omgaat in het licht van bijvoorbeeld alle transities die we in de economie moeten gaan realiseren? Hoort daar niet ook een nieuw geluid bij?

De heer Van Ballekom (VVD):

Het beste geluid is het geluid van een fatsoenlijk begrotingsbeleid. Ik kan de heer Vendrik tot in detail uitleggen hoe die 3% en die 60% in het Verdrag van Maastricht terecht zijn gekomen, want ik was er zelf bij. Daarover wil ik nog weleens met hem van gedachten wisselen, dat is geen enkel probleem. Nogmaals, ik denk dat die 60% en die 3% inderdaad niet uit de lucht zijn komen vallen destijds en dat het een goed kader is voor het inrichten van je begrotingsbeleid. Als je zelf je niet aan de regels houdt, wat is dan je argument tegenover lidstaten die dat evenmin doen om te zeggen: u zou uw beleid moeten herinrichten? Wat zou ons verhaal moeten zijn richting Italië of Frankrijk, waar de hervormingsprogramma's nauwelijks van de grond komen? Als je zelf je regels niet handhaaft, denk ik dat je met veel minder gezag over zulk soort onderwerpen kunt spreken dan wanneer je dat wel doet.

De heer Vendrik (GroenLinks):

Stel dat een Italiaan hier komt die tegen de heer Van Ballekom zegt: allemaal prima, die publieke schulden, maar zullen we het eens even hebben over de private schulden? Want dat was het probleem van de financiële crisis in 2008. Dat was geen publiekeschuldencrisis, maar een privateschuldencrisis. Die begon in Noord-Europa, bij onze banken. Dat was de lont in het kruitvat van toen en dat heeft een geweldige economische ravage veroorzaakt. Moeten we het perspectief niet veel breder trekken? Hoort dat ook niet bij het nieuwe geluid waar de VVD de kiezers nu mee benadert? Daar mag ik eerlijk gezegd op hopen.

De heer Van Ballekom (VVD):

Het nieuwe beleid van de VVD? Als u het programma leest, dan ziet u dat het een zeer pragmatisch en inhoudelijk prima programma is. Ik denk ook dat het de kiezers zal overtuigen, dus wat dat betreft zien we met veel vertrouwen 17 maart tegemoet. Ik denk dat er voldoende nieuwe elementen in zitten om op een fatsoenlijke manier het begrotingsbeleid in de toekomst in te richten voor de volgende kabinetsperiode.

De voorzitter:

U vervolgt uw betoog.

De heer Van Ballekom (VVD):

Zal ik niet even wachten, voorzitter, want de heer Crone ...

De voorzitter:

De heer Crone is geen woordvoerder, maar hij treedt nu in de plaats van mevrouw Sent, neem ik aan?

De heer Crone (PvdA):

Ja, dank u wel, voorzitter, dat is omdat mevrouw Sent in de file staat. Wij zijn toch een fractie waarin we dezelfde opvattingen hebben.

U zei: we moeten die schuld ooit terugbetalen.

De heer Van Ballekom (VVD):

Ja.

De heer Crone (PvdA):

Dat is niet het geval. We moeten de schuld herfinancieren. Zolang Nederland een staatsschuld heeft onder het Europees gemiddelde, maar zelfs als het iets erboven zou zijn, is herfinanciering geen probleem en is het zelfs noodzakelijk omdat mensen het particuliere spaaroverschot ergens moeten kunnen beleggen, rechtstreeks persoonlijk of via pensioenfondsen. Dat is de ratio waarom economen ook zeggen, 94% in de enquêtes: doe het alsjeblieft niet, nu snel bezuinigen en snel schuld aflossen. De vraag is of u snelt wilt bezuinigen of dat u wilt herfinancieren.

De heer Van Ballekom (VVD):

Zoals gezegd: in de Miljoenennota staat dat we niet snel willen bezuinigen. Ik denk dat de VVD-fractie daarin meegaat, maar herfinancieren is natuurlijk geen enkel probleem, als de schuld 0% is of minder dan 0%. Maar het is natuurlijk wel een probleem als de rente gaat oplopen. Ik hoop dat de rente enigszins gaat oplopen, want dat betekent dat meer geïnvesteerd wordt en dat er een krapte is aan gelden zodat de economie zich via investeringen uit de crisis kan investeren.

De heer Crone (PvdA):

Dat is echt een omkering van alle waarden als de VVD nu zegt dat de rente omhoog moet omdat er dan meer geïnvesteerd wordt. Meestal wordt er minder geïnvesteerd als ondernemers een hogere rente moeten betalen. Maar het kernpunt blijft — ik zit op dat punt heel erg op één lijn met de minister van Financiën — dat we makkelijk kunnen herfinancieren. Als je te snel gaat bezuinigen of lasten gaat verzwaren draai je de economie de nek om. Dat moet dus niet gebeuren. De norm van 60%, zoals net is gezegd, is een toevalstreffer geweest bij de toenmalige groei- en inflatieverwachtingen. Als we nu andere groei- en inflatieverwachtingen hebben en ook nog andere spaaroverschotten, moeten we een andere norm hebben. Dat zeg ik niet politiek, maar puur economisch. Dus laat de politiek los en wees een verstandig econoom.

De heer Van Ballekom (VVD):

Ja, natuurlijk. Als, als, als ... en dan moet er misschien een ander beleid komen, maar daar heb ik het nu even niet over. Ik heb het erover dat wanneer we op een gegeven moment in 2021 en in 2022 de crisis overwonnen hebben, we er verstandig aan doen om nu reserves op te bouwen om een volgende crisis te weerstaan. Als de regering daar anders over denkt, hoor ik dat graag van de minister van Financiën.

De heer Otten (Fractie-Otten):

Ik moet toch wel de vorige sprekers bijvallen, want de rigide 60%-norm waar de VVD nu in één keer over begint, slaat inderdaad economisch gezien helemaal nergens op. Daarin moet ik de heer Crone en anderen gelijk geven. Als het geld gratis is, moet je juist geld gaan lenen en niet gaan terugbetalen, zoals de afgelopen jaren is gebeurd. Nu wordt er natuurlijk wel meer geleend door de coronacrisis, maar er is geen enkel land in de eurozone dat zich aan die 60% heeft gehouden, behalve Nederland.

De heer Van Ballekom (VVD):

Dat is helemaal niet waar.

De heer Otten (Fractie-Otten):

Dus er zijn maar heel weinig landen die daaronder komen. Dat is helemaal niet relevant.

De voorzitter:

Wat is uw vraag, meneer Otten?

De heer Otten (Fractie-Otten):

Waarom houdt de VVD ... Ik moest bijna lachen, meneer Van Ballekom, toen u zei dat we het goede voorbeeld moeten geven voor Zuid-Europa. Nou, dat blijkt heel duidelijk niet. Waarom houdt u zo vast aan dergelijke rigide eisen waar niemand anders verder boodschap aan heeft?

De heer Van Ballekom (VVD):

Het is niet rigide en ik ben het ook niet met de heer Otten eens dat Nederland het enige land is dat aan de verplichtingen voldoet. Je ziet het in Duitsland en Ierland, die een enorme crisis hebben overwonnen en zich ook naar de regels gedragen hebben. Ook daar is de economische groei gemiddeld hoger dan elders in Europa. Ik denk dus niet dat dit rigide is. Dat is gewoon fatsoenlijk beleid waarmee je een samenleving kunt beschermen wanneer er op een gegeven moment tegenwind komt.

De heer Otten (Fractie-Otten):

Ik weet niet waar u die enorme groei in Nederland vandaan haalt, maar wij hebben natuurlijk na de vorige crisis een enorme dubbele dip gehad. We zijn pas een aantal jaren geleden weer op het niveau van 2008 uitgekomen. Dat wil niet zeggen dat ander beleid niet beter was geweest. Maar ik wil nog even een andere vraag stellen aan de heer Van Ballekom. Hij had het net over investeren en zei dat je meer gaat investeren als de rente omhooggaat. Daar werden al wat opmerkingen over gemaakt. Ik weet niet of het zo is. Ik denk het niet, maar de investeringen gaan vooral omhoog als ondernemers de vraag zien toenemen. Dat is nu natuurlijk helemaal niet het geval in de huidige crisis, want in heel veel sectoren is er een enorme vraaguitval. Zou het dan niet veel beter zijn om in plaats van op een rigide schuldquote te fixeren, te zorgen voor lastenverlichting, zodat de vraag toeneemt, op die manier de investeringen omhooggaan en misschien de door de heer Van Ballekom gewenste rentestijging er komt?

De heer Van Ballekom (VVD):

Ik wil eerst nog terugkomen op de eerste opmerking van de heer Otten dat het niet het geval is dat de Nederlandse economie voor de coronacrisis niet tot de meest competitieve behoort. Dat was wel zo. Ik kan de heer Otten lijstjes overhandigen waarin staat dat de groeipercentages van de Nederlandse economie groter en hoger zijn dan van andere lidstaten. Het is ook niet rigide wat we op het ogenblik doen. We zijn redelijk flexibel om deze crisis te overwinnen. Ik heb ook gezegd in mijn interventie ... U vindt u e-mails interessanter dan mijn antwoord?

De voorzitter:

Nee, nee, nee, wacht even. Bent u klaar met uw antwoord, meneer Van Ballekom?

De heer Van Ballekom (VVD):

Ja, ik ben klaar met mijn antwoord.

De voorzitter:

Dan meneer Otten, de derde, gaat uw gang.

De heer Otten (Fractie-Otten):

Ik was niet mijn e-mails aan het checken, voorzitter. Ik had nog een derde vraag, over het Groeifonds, waar de heer Van Ballekom net over begon. Ik was even de notulen van de Algemene Politieke Beschouwingen aan het checken, waar mevrouw Jorritsma over dit onderwerp sprak. Ik hoorde u net zeggen "waarom kan dat niet via de begrotingen, waarom moet dat via een commissie?". Dat ben ik helemaal met u eens. Dat heb ik ook gezegd, tegen mevrouw Jorritsma: wat is dit voor opstelling, van "bind me vast, ik kan het zelf niet"? Mevrouw Jorritsma zei toen: "Je moet goede criteria vaststellen…"

De voorzitter:

Spannend.

De heer Otten (Fractie-Otten):

"… en daar moeten de Eerste en Tweede Kamer met 75 Eerste Kamerleden en 150 Tweede Kamerleden zich maar niet te veel mee bemoeien." Hoe verhoudt die uitspraak van mevrouw Jorritsma tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen zich tot uw standpunt, waar ik meer logica in zie, dat je dat gewoon via de begroting moet doen, met democratische zeggenschap van het parlement? Daar ben ik in geïnteresseerd.

De voorzitter:

Het woord is aan de heer Van Ballekom, daarna de heer Van Strien en dan gaan we u eerst uw verhaal laten afmaken. Gaat uw gang.

De heer Van Ballekom (VVD):

Voorzitter. Als de heer Otten het geduld had gehad om mij mijn verhaal te laten afmaken, was ik automatisch bij mevrouw Jorritsma terechtgekomen en had ik het in perspectief geplaatst.

De voorzitter:

Dan stel ik voor dat we u eerst dat verhaal laten afmaken, want dan horen we dat.

De heer Van Ballekom (VVD):

Dan mag de heer Otten daarna de vragen stellen die hij wilde stellen.

De voorzitter:

Ja, als er tijd is mag dat zeker. De heer Van Strien.

De heer Van Strien (PVV):

Dank u wel, voorzitter. Ik begrijp de zorgen van de heer Van Ballekom over het enorme financieringstekort dat we nu hebben en hoe we dat in de toekomst gaan oplossen. Ik begrijp die zorgen eigenlijk alleen als je praat over het land Nederland met een eigen munt. Maar dat is niet geval. Voorlopig zitten we nog steeds in die euro. Binnen de euro worden tekorten al jaren gefinancierd met de geldpers in Frankfurt. Dan gaat uw verhaal helemaal niet op. Of moet ik constateren dat de heer Van Ballekom ergens in zijn achterhoofd al heeft gekozen voor het uittreden uit die EU?

De heer Van Ballekom (VVD):

Dat zou het laatste moeten zijn, meneer Van Strien, wat wij moeten nastreven. Ik denk dat de eurozone voor Nederland een goede manier is om in gezamenlijkheid — maar dan ook gezamenlijk regels naleven die we met elkaar afgesproken hebben — de crisis te kunnen overwinnen.

De heer Van Strien (PVV):

Dat zijn mooie woorden, maar het kan toch niet zo zijn dat de heer Van Ballekom ernaar streeft dat wij hier straks de problemen gaan zitten oplossen met die enorme schuldenberg, terwijl ze in Zuid-Europa gewoon doorgaan met het maken van die schulden en gewoon gefinancierd worden met de geldpers in Frankfurt? Dat kan toch zo niet zijn?

De heer Van Ballekom (VVD):

Nee, vandaar ook dat ik bij de Europese Beschouwingen zo de nadruk heb gelegd op de hervormingen die lidstaten moeten overeenkomen voordat ze van het herstelfonds gebruik kunnen maken. Want de enige weg naar voren is via hervormingen in de economie. Dat heeft de vorige regering aangetoond. Ik had gehoopt dat elke lidstaat daar akte van genomen zou hebben en had gezegd: goh, dat bezuinigingen heeft toch een doel, kijk eens wat Nederland heeft gepresteerd. Dat zou een voorbeeld kunnen zijn voor andere lidstaten. Jammer genoeg is dat niet zo, maar bij de overeenkomst in juli bij de Europese Raad is er wel degelijk een directe band gelegd tussen hervormingen en het herstelfonds.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Van Ballekom. Meneer Van Strien, tot slot.

De heer Van Strien (PVV):

Eén vraagje nog aan de heer Van Ballekom: gelooft hij daar zelf aan, dat de zuidelijke lidstaten zich nu gaan houden aan de hervormingen?

De voorzitter:

Meneer Van Ballekom, en vervolgt u dan uw betoog.

De heer Van Ballekom (VVD):

Het is misschien naïef, voorzitter, zeker wanneer je 64 bent, maar ik mag het hopen van wel. En ik mag hopen dat we de andere lidstaten kunnen overtuigen dat je alleen met hervormingen de economische groei terugkrijgt.

De voorzitter:

Dan stel ik voor dat wij de heer Van Ballekom zijn betoog eerst laten afmaken.

De heer Van Ballekom (VVD):

Ja, want anders kom ik niet bij het antwoord dat ik de heer Otten nog schuldig ben.

In antwoord op vragen stelt de regering dat gekozen is voor een aparte, niet-departementale begroting. Kan de regering ook aangeven waarom gekozen is voor een zogenaamde onafhankelijke commissie ter beoordeling van de projecten? Er zijn in mijn beleving voldoende instanties die potentiële projecten kunnen beoordelen op hun financiële haalbaarheid. Als die projecten niet door een dergelijke test komen, rest een politieke appreciatie door de regering en uiteindelijk een besluit, te nemen door het parlement. Dat geldt overigens ook voor de projecten die wél door een dergelijke screening komen. Maar daarover verwacht ik weinig of minder verhitte discussies. Kan de regering aangeven waarom niet voor deze koninklijke weg is gekozen en hoe, in de visie van de regering, het parlement bij de uiteindelijke bestemming van de gelden betrokken wordt?

Ik heb gelezen dat het parlement betrokken wordt bij de verdeling tussen de pijlers waarvoor voorafgaande toestemming wordt verleend. Blijft het daarbij, vraag ik mij af. Het is toch moeilijk voor te stellen dat wanneer de commissie uiteindelijk tot het oordeel komt dat de Lelylijn moet worden aangelegd, om maar eens een voorbeeld te noemen, het parlement het nakijken heeft. Dit alles neemt niet weg dat het gezamenlijke doel moet zijn, zoals ook mijn fractievoorzitter tijdens de Politieke Beschouwingen heeft gezegd, dat het proces zo veel mogelijk van emoties moet worden ontdaan en dat de potentiële investeringen zo rationeel mogelijk moeten worden benaderd.

Een tweede aandachtspunt. Onder het economische beleid valt de Baangerelateerde Investeringskorting, de BIK. Hierop zal onze fractie uitgebreid ingaan bij de wijziging van enkele belastingwetten in de context van het Belastingplan 2021. Maar ik kan u wel verklappen dat de grondhouding van mijn fractie en van collega Paulien Geerlink, die hierover het debat zal voeren, positief is. Dit ook omdat het instrument voor een belangrijk deel het mkb bedient. In discussies hierover komt regelmatig de term terug dat het een cadeautje zou zijn voor het bedrijfsleven, een alternatief voor het uitblijven van de afschaffing van de dividendbelasting. Ik erger me daaraan. Laten we inhoudelijk spreken over het voorgestelde instrument en wanneer dit direct of indirect kan zorgen voor meer banen en meer innovatie, dan spreekt mijn fractie niet over een cadeautje aan het bedrijfsleven, maar over een cadeautje aan de Nederlandse economie en het herstelbeleid in Nederland.

Het is een instrument dat hard nodig is als we moeten constateren dat de bedrijfsinvesteringen met 9% teruglopen in 2020 en naar verwachting met 7% in 2021. Natuurlijk heb ik de bevindingen van het Centraal Planbureau tot mij genomen. Een belangrijke constatering is dat er veeleer sprake zou zijn van een verschuiving van voorgenomen investeringen. Ze worden naar voren gehaald en nu gedaan in 2021 en 2022. Daarmee heb ik geen enkele moeite, omdat de belangrijkste economische coronaklappen in deze jaren moeten worden opgevangen, is de verwachting.

Een ander punt van kritiek is dat het investeringen kan betreffen die een arbeidsplaats overbodig maken. Ook daarvan ben ik weinig onder de indruk. Het stimuleert de bedrijfsinnovaties en zonder in te zetten op innovatie zullen we het nooit redden. Maar het is misschien wel toepasselijk om de regering te vragen om een reactie op dit instrument.

Voor het herstelbeleid is overigens meer nodig dan een investeringsfonds, namelijk het verbeteren van het investeringsklimaat. Kan de regering daarop wat dieper ingaan en daarbij aangeven of er nog initiatieven zijn te verwachten ter vermindering van, bijvoorbeeld, de administratievelastendruk?

Wat de VVD in geen geval verstaat onder een verbetering van het investeringsklimaat is dat beursgenoteerde multinationals bij de grens worden opgewacht om een finale klap te incasseren. Het met terugwerkende kracht invoeren van een exitbelasting is een flagrante schending van de rechtszekerheid. Het is een initiatief dat jarenlang juridische strijd oplevert en niet alleen met de bedrijven in kwestie, maar met andere partijen eveneens. Én het is een initiatief dat het imago van Nederland als aantrekkelijk investeringsland aan gruzelementen slaat. De weg die de regering bewandelt, is veel prudenter en wordt door de VVD verwelkomd.

Hierbij wil ik wijzen op het gegeven dat in de afgelopen jaren de lasten op de bedrijven al met 5 miljard zijn toegenomen, terwijl die op de particuliere inkomens dienovereenkomstig zijn afgenomen. Aanvullend: er komt een ondergrens voor de vennootschapsbelasting om de verliesverrekening af te romen. Dat is een extra lastenverzwaring van 700 miljoen. Een verdere verhoging van de lasten voor het bedrijfsleven van meer dan 4 miljard via een verhoging van de vennootschapsbelasting naar 30%, bovenop de kosten die gepaard gaan met een eventuele invoering van de CO2-belasting, lijkt de VVD dan ook niet de juiste weg.

Voorzitter. Nu we het toch over het grootbedrijf hebben, of de beursgenoteerde bedrijven, zou ik de regering op het hart willen drukken om het belang van deze sector niet te onderschatten. Die is essentieel voor de werkgelegenheid en de innovatiekracht van Nederland. Hij stimuleert het midden- en kleinbedrijf ook in deze richting. Kijk maar eens wat er gebeurt bij Brainport Eindhoven en bij Chemelot in Geleen. Dat is een perfecte samenwerking tussen het kleinbedrijf en het grootbedrijf. Het voortdurend fulmineren tegen het grootbedrijf als een van de uitwassen van het vermaledijde kapitalisme komt Nederland uiteindelijk duur te staan. Voor alle duidelijkheid: de hardwerkende Nederlander en de belastingbetaler draaien op voor deze schade. Vandaar dat ik met verbazing heb gelezen dat sommige partijen ertoe oproepen te investeren in mensen, en niet in multinationals. Alsof we met een tegenstelling te maken hebben.

In de derde plaats het Solvabiliteitsfonds. De VVD complimenteert de particuliere sector met het initiatief om te zoeken naar tijdelijke, op maat gesneden maatregelen voor het crisisbeleid ter ondersteuning van bedrijven, en daarmee ook de economie. Het is goed dat de regering zulk soort initiatieven ondersteunt en hiervoor op voorhand 300 miljoen euro reserveert. Dat past in het pallet van de vele maatregelen die dit jaar zijn afgekondigd en in werking zijn getreden. Ik neem aan dat we over dat fonds in een later stadium meer in detail zullen spreken.

Tot zover het economische beleid, voorzitter. Staat u mij toe nog enige specifieke onderwerpen te noemen.

Enkele woorden over de koopkracht. Dat is altijd een zeer ongewisse discussie. Alle goede bedoelingen ten spijt gaat het daarbij altijd over gemiddelden waaraan niemand voldoet. Zeker in deze tijd is het alle hens aan dek om bij de mensen zo veel mogelijk zorgen weg te nemen. De richting waarvoor gekozen is, is volgens de VVD de juiste. Onder de voorspelbare omstandigheden, afgezien van de mogelijke effecten van de coronagolf, zouden de middeninkomens sterker stijgen dan de hoge inkomens. Het stoppen van de verdere erosie van de inkomenspositie van deze groep is een goede zaak.

Voorzitter. Voorts heb ik mijn bedenkingen bij voorstellen die zijn gedaan — gelukkig niet door deze regering — over verhoging van de inkomstenbelasting naar 60% voor inkomens boven de €150.000 en over de forfaitaire verhoging van belasting op vermogens van pakweg €100.000, zonder daarbij rekening te houden met de werkelijk gemaakte rendementen. Mijn collega Paulien Geerdink zal aan dit laatste punt zeker aandacht besteden bij de bespreking van het belastingpakket.

Voorzitter. Terecht vestigen de Studiegroep Begrotingsruimte en de Raad van State de aandacht op de houdbaarheid van de overheidsfinanciën.

De voorzitter:

Een ogenblikje, meneer Van Rooijen. Ik had voorgesteld om de heer Van Ballekom zijn verhaal te laten afmaken, maar dat was denk ik voordat u binnenkwam. We hebben al vijftien vragen gehad. We kijken daarna even of er interrupties zijn. Is dat akkoord?

De heer Van Ballekom (VVD):

Er is sprake van een houdbaarheidstekort. Dat tekort loopt op. Vandaar dat het ons in deze onzekere omstandigheden logisch lijkt om zo terughoudend mogelijk te zijn met structurele uitgavenverhogingen. De vraag is wat de visie van de regering hierop is. Worden deze adviezen van de studiegroep en de Raad van State bekrachtigd?

Voorzitter. Nu kom ik op een ander, laatste onderwerp. Dat zijn de gemeentefinanciën.

De voorzitter:

Als u uw verhaal kort afmaakt, kijken we daarna welke interrupties er zijn.

De heer Van Ballekom (VVD):

Voorzitter, ten slotte. Als we het over de overheidsfinanciën in z'n algemeenheid hebben, mag een korte reflectie op de gemeentefinanciën niet achterwege blijven. De filosofie dat het beleid zo dicht mogelijk bij de burger moet worden vormgegeven en geëffectueerd, houdt in dat de rijksoverheid dat ook moet faciliteren. Het is in de visie van de VVD dan ook goed dat de gemeenten met 1,5 miljard deels worden gecompenseerd voor noodzakelijk te nemen coronamaatregelen om de gederfde inkomsten mee op te vangen. Ook steunt de VVD het tijdelijk laten vervallen van de opschalingskorting voor gemeenten, zoals voorgesteld voor de jaren 2021 en 2022.

Voor de komende regeerperiode kan het volgens ons geen kwaad om nog eens fundamenteel te kijken naar de financiële verhoudingen tussen het Rijk en de lagere overheden. Mijn vraag is of er al contouren in deze richting worden geschetst.

Voorzitter. Wij zien met belangstelling uit naar de beantwoording van de vragen door de regering.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Van Ballekom. Dan is het woord aan de heer Van Rooijen namens 50PLUS.

De heer Van Rooijen (50PLUS):

De heer Van Ballekom sprak over koopkracht. Die is heel belangrijk, ook voor de middeninkomens. Dat vinden wij ook. Wat vindt u ervan dat voor 3 miljoen gepensioneerden de pensioenen volgend jaar niet worden verhoogd, net als in de afgelopen tien jaar? En wat vindt u ervan dat bij ABP en Pensioenfonds Zorg en Welzijn, dus voor zorgmedewerkers die met pensioen zijn, de pensioenen waarschijnlijk — maar dat weten we pas op oudejaarsavond — met 5% worden gekort, of anders in de komende jaren met 5% tot 10% vanwege het nieuwe stelsel?

De heer Van Ballekom (VVD):

Zoals de heer Van Rooijen al aangeeft, weten we dat pas aan het eind van het jaar. Ik weet niet of het 5% zal zijn. Als dat op een gegeven moment gerealiseerd wordt, laten we er dan over spreken. Laten we niet spreken over dingen die mogelijk zullen gaan gebeuren.

De heer Van Rooijen (50PLUS):

Maar we spreken er uiteraard vandaag over, en bij het Belastingplan. Bent u bereid om, gegeven het feit dat de arbeidskorting volgend jaar met honderden euro's omhooggaat, de ouderenkorting niet met enkele tientjes maar met veel meer te verhogen, om de koopkracht voor de ouderen volgend jaar te verbeteren? Wat u zei over de dagkoers op 31 december is waar, maar het ziet ernaar uit dat de grootste twee pensioenfondsen zullen moeten korten, wat het percentage ook zal zijn. Vindt u dat uit te leggen? Vandaag werd bekend dat Pensioenfonds Zorg en Welzijn de laatste tien jaar gemiddeld 8% rendement heeft gemaakt. Juist dat zorgpensioenfonds voor de gepensioneerde zorgmedewerkers moet dadelijk gaan korten.

De heer Van Ballekom (VVD):

Dat is een van de redenen dat ik zo'n groot voorstander ben van het gesloten pensioenakkoord. Daarin wordt op een heel andere manier gerekend. Ik neem aan dat de regering op deze vraag een goed antwoord weet. Mocht dat niet zo zijn, dan kunnen we hier in tweede termijn op terugkomen.

De voorzitter:

Dank u wel. Meneer Van Rooijen, tot slot.

De heer Van Rooijen (50PLUS):

Het pensioenakkoord gaat pas over zeven jaar in. Dat betekent dat de gepensioneerden in de komende zeven jaar geen indexatie krijgen en dat zij 10% of 15% korting voor de kiezen krijgen als de rekenrente zo laag blijft. Wat wilt u nu doen? De verkiezingen komen eraan. 3 miljoen gepensioneerden en 6 miljoen mensen van boven de 50 hebben geen uitzicht op een fatsoenlijk pensioen. Wat gaat u daaraan doen?

De heer Van Ballekom (VVD):

Zoals al gezegd, moet ik met de heer Van Rooijen nog zien of de pensioenen van het ABP met 5% gekort worden.

De heer Vendrik (GroenLinks):

Ook inzake fiscale politiek ben ik nieuwsgierig naar het nieuwe verhaal van de VVD. Dat lukte net volgens mij nog niet helemaal. Ik heb dus nog even een vraag daarover als het gaat over het grootbedrijf. Is de heer Van Ballekom het eens met velen, zoals ook deze staatssecretaris van Financiën, dat een bedrijf gewoon netjes zijn belasting moet betalen in het land waarin het onderneemt? Is dat ook voor de VVD het uitgangspunt?

De heer Van Ballekom (VVD):

Ja, natuurlijk moeten ze dat doen. Daar kunnen we de wetgeving op aanpassen. Dat gebeurt overigens ook al. We kunnen er met elkaar van gedachten over wisselen of dat in voldoende mate gebeurt. Zoals ik al gezegd heb, heeft al een verschuiving plaatsgevonden van de particuliere inkomens naar de bedrijfsinkomens. De particuliere inkomens hebben 5 miljard lasten minder en de bedrijfswinst 5 miljard meer. Als we op die weg doorgaan, denk ik dat we een ander evenwicht zullen krijgen. Bovendien kunnen we de wetgeving aanpassen. Iedereen moet hier in Nederland fatsoenlijk zijn belasting betalen. Niet alleen ambtenaren, werkgevers en werknemers, maar ook grootbedrijven.

De voorzitter:

De heer Vendrik, tot slot.

De heer Vendrik (GroenLinks):

Voorzitter. Dat is goed om te horen, want zojuist suggereerde de heer Van Ballekom iets anders, namelijk dat we, omdat het grootbedrijf zo belangrijk is, moeten doorgaan met wat we decennialang in Nederland hebben gedaan: het faciliteren van belastingontwijking. Dat is natuurlijk volstrekt uit de hand gelopen. De OESO heeft tien jaar geleden ingegrepen. Deze staatssecretaris gaat daarmee door. Er liggen goede voorstellen, ook aan de overkant.

De voorzitter:

En uw vraag is?

De heer Vendrik (GroenLinks):

De vraag is of de VVD niet wat ruimhartiger het idee kan omarmen, juist in het belang van die hardwerkende en wel belastingbetalende burger, dat ook het grootbedrijf gewoon zijn fair share pakt.

De heer Van Ballekom (VVD):

Ik heb in mijn inbreng absoluut niet gesproken over het niet-inbrengen van een fair share. Ik heb alleen maar over het belang van het grootbedrijf gesproken en daarbij gewezen op Brainport Eindhoven en Camelot, waar een perfecte samenwerking bestaat tussen het middenbedrijf, het kleinbedrijf en het grootbedrijf en waar de innovatie indrukwekkend is, wat wordt aangezwengeld door multinationals. Dat belang mag je niet onderschatten. Dat staat los van hoe je multinationals een fair share laat betalen, want dat kan je repareren met wetgeving.

De voorzitter:

Dank u wel. Gezien de tijd ga ik meneer Van Apeldoorn nog één vraag laten stellen en dan gaan we echt door naar de volgende spreker.

De heer Van Apeldoorn (SP):

Over mensen en multinationals zou ik ook nog wat kunnen zeggen. Het probleem is namelijk dat multinationals vooral veel geld hebben verdiend voor hun aandeelhouders en weinig banen hebben gecreëerd. Wat betreft banencreatie wilde ik nog een vraag stellen over de BIK, de Baangerichte Investeringskorting. De heer Van Ballekom zegt — ik kan daar best wel in meegaan — dat we niet moet roepen dat het een cadeau is voor het bedrijfsleven, maar dat we het op zijn merites moeten beoordelen want — ik citeer de heer Van Ballekom — "als het direct of indirect banen creëert, zijn we daar voor". Maar uit de CPB-analyse, die de heer Van Ballekom zelf ook aanhaalt, blijkt dat de BIK geen banen creëert, noch direct noch indirect. Wat is de inhoudelijke argumentatie van de VVD-fractie om zo enthousiast te zijn over de BIK?

De heer Van Ballekom (VVD):

Als er in innovatie geïnvesteerd wordt, zal dat de werkgelegenheid en ook de concurrentiekracht van Nederland geen kwaad doen.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Van Ballekom. Ik zie de heer Frentrop nog niet. Dan geef ik de heer Vendrik het woord namens de fractie van GroenLinks.