Naar hoofdinhoud Naar hoofdnavigatiemenu
T01912

Toezegging Geuite kritiek op toepassing voorlopige hechtenis meenemen in het kader van VPS-traject en modernisering Wetboek van Strafvordering (33.360)



De Minister van Veiligheid en Justitie zegt de Kamer, naar aanleiding van opmerkingen van de leden Lokin-Sassen (CDA), Swagerman (VVD), Quik-Schuijt (SP) en Beuving (PvdA), toe de kritiek die de Rotterdamse rechters, Buruma en anderen hebben geuit op de wijze waarop de voorlopige hechtenis thans wordt toegepast, wordt meegenomen in het kader van het programma versterking van de prestaties in de strafrechtketen (VPS) en bij de door de minister voorgenomen modernisering van het Wetboek van Strafvordering. Een voortgangsrapportage van het VPS-wetgevingstraject en een outline van de modernisering van het Wetboek van Strafvordering zullen na de zomer van 2014 naar de Kamer worden gezonden.


Kerngegevens

Nummer T01912
Status voldaan
Datum toezegging 6 mei 2014
Deadline 1 januari 2015
Verantwoordelijke(n) Minister van Veiligheid en Justitie
Kamerleden Mr.dr. J. Beuving (PvdA)
Mr. P.E.M.S. Lokin-Sassen (CDA)
mr. A.C. Quik-Schuijt (SP)
Mr. B.J. Swagerman (VVD)
Commissie commissie voor Veiligheid en Justitie (V&J)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie overig
Onderwerpen modernisering Wetboek van Strafvordering
versterking prestaties in de strafrechtketen
voorlopige hechtenis
Kamerstukken Uitbreiding gronden voor voorlopige hechtenis (33.360)


Uit de stukken

Handelingen I 2013-2014, nr. 28, item 7 − blz. 1

Mevrouw Lokin-Sassen (CDA):

Dat er een toename heeft plaatsgevonden van het aantal ten onrechte in voorlopige hechtenis gestelde personen, staat intussen buiten kijf. Mr. Yvo Buruma, thans lid van de Hoge Raad der Nederlanden, wijst in het NJB van 13 september 2013 in "Vooraf" erop dat het aantal personen dat ten onrechte in voorlopige hechtenis heeft gezeten, in de afgelopen tien jaar meer dan verdrievoudigd is. Het aantal gevallen waarin schadevergoeding is betaald, is in de afgelopen jaren eveneens sterk toegenomen, aldus Buruma.

Handelingen I 2013-2014, nr. 28, item 7 − blz. 3

De heer Swagerman (VVD):

Het EHRM accepteert grofweg vier redenen om de verdachte in voorarrest te houden. Hier gaat het om de reden dat vrijlating kan leiden tot public disorder. De grond voor continued detention moet corresponderen met een genuine requirement of public interest. Het EHRM stelt aldus de eis van noodzakelijkheid en legt daarmee een proportionaliteitstoets aan. Het Hof stelt ook de eis van subsidiariteit. Het vraagt relevant and sufficient reasons. Het Hof geeft de nationale rechter de opdracht om te bezien of het met de voorlopige hechtenis te dienen doel ook kan worden bereikt door middel van een alternatief voor vrijheidsberoving. Ik wijs in dit verband op een interview met de president van de rechtbank Rotterdam, mr. De Lange, in het Algemeen Politieblad van een paar weken geleden, waarin zij stelt dat het opleggen van voorlopige hechtenis geen automatisme mag worden. Eerder heeft ook mr. Buruma, lid van de Hoge Raad, zich in een reactie in dezelfde zin uitgelaten. Collega Lokin heeft daar ook al op gewezen. Mr. De Lange zegt dit in reactie op een pleidooi van enkele rechters in haar rechtbank om in het kader van een heroriëntatie op de voorlopige hechtenis, meer te kijken naar mogelijkheden van schorsing met specifieke voorwaarden, bijvoorbeeld onder storting van een borgsom. Is dat niet een nieuwe ontwikkeling waarmee rekening zou moeten worden gehouden?

Handelingen I 2013-2014, nr. 28, item 7 − blz. 4

Mevrouw Quik-Schuijt (SP):

Ik kom bij de adviezen. Ik zou hier het liefst de column van Buruma in zijn geheel voorlezen die ook al eerder is genoemd. Buruma verzucht dat wij iets moeten gaan doen als alternatief voor voorlopige hechtenis. En dat "we kunnen spreken van een diepgewortelde gewoonte, bijna een vanzelfsprekendheid. En dat is precies wat vrijheidsbeneming niet mag zijn", aldus Buruma. De Raad van State betwijfelt nut, noodzaak en proportionaliteit en wijst er tevens op dat enkele elementen van het strafbare feit te onbepaald zijn. Het Nederlands Juristen Comité voor de Mensenrechten is tegen omdat het in strijd is met internationale verplichtingen, de NVvR ziet geen meerwaarde, de Raad voor de rechtspraak acht de noodzaak onvoldoende onderbouwd en er ontbreekt een duidelijk aanwijsbaar legitiem doel. De NOvA acht het wetsvoorstel onnodig, in strijd met het anticipatieverbod en in strijd met het EVRM, en gebaseerd op niet-onderzochte veronderstellingen en aannames. Al deze adviesinstanties hebben zich er niet gemakkelijk vanaf gemaakt: al hun stellingen zijn deugdelijk gemotiveerd en onderbouwd. Dat zou toch te denken moeten geven. Kan de minister duidelijk maken welke dringende argumenten hij ziet om het wetsvoorstel onveranderd door te zetten? Wat gaat er mis in de samenleving als dit wetsvoorstel niet zou doorgaan? Welke doemscenario's ziet hij dan voor zich?

Buruma toont zich bezorgd over het feit dat het aantal mensen dat onterecht in hechtenis heeft gezeten, de afgelopen jaren explosief is gestegen, met het gevolg dat Nederland op dat gebied koploper is in Europa. Dat is niet iets om trots op te zijn. De minister meent dit te kunnen relativeren met het feit dat wij een gemiddelde gedetineerdenratio kennen en dat veelal korte gevangenisstraffen worden opgelegd. Wat daarvan ook zij — vaststaat dat korte gevangenisstraffen weinig effectief zijn vanuit het oogpunt van recidivevermindering, maar dat terzijde —20.000 preventief gedetineerden per jaar is veel te veel.

Bijzonder zorgelijk is dat er sprake is van een verdrievoudiging in tien jaar van ten onrechte van hun vrijheid beroofde mensen, en wel tot 5.000 gevallen in 2012. Ik houd de cijfers van Buruma aan, want ik neem aan dat hij het goed heeft uitgezocht. De minister sluit zich daar ook bij aan. Dit kostte de Staat in 2012 12 miljoen aan schadevergoeding voor ten onrechte ondergane hechtenis. De minister lijkt hier niet warm of koud van te worden. Hij heeft het gewoon ingecalculeerd. Deze attitude miskent ten enenmale dat voor betrokkenen het leed niet geleden is door de ontvangen schadevergoeding. De persoonlijke schade omvat uiteraard veel meer, wat niet met geld is goed te maken.

Vindt de minister het met ons niet gênant dat wij koploper opsluiting niet-veroordeelde mensen zijn? Is de minister het met ons eens dat respecteren van aloude grondbeginselen, zoals de praesumptio innocentiae, een kwestie van beschaving is? Maar goed, alle adviezen worden genegeerd; de minister zet gewoon door. Er komt wat hem betreft een extra mogelijkheid om verdachten voorlopig vast te zetten.

Handelingen I 2013-2014, nr. 28, item 7 − blz. 7

Mevrouw Beuving (PvdA):

De PvdA-fractie heeft gemengde gevoelens ten aanzien van dit wetsvoorstel. Enerzijds steunen wij het doel om geweld in de publieke ruimte en/of tegen personen met een publieke taak tegen te gaan en realiseren wij ons terdege dat voor overheidsdienaren die slachtoffer zijn geweest van geweld, het feit dat de verdachte de volgende dag weer op straat rondloopt, onbegrijpelijk of mogelijk zelfs traumatisch kan zijn. Anderzijds maken wij ons zorgen over het hoge percentage voorlopig gehechten in ons land. In het decembernummer van Strafblad schreven drie Rotterdamse rechters: "De praktijk van de voorlopige hechtenis is een efficiënte koekjesfabriek. Ongeacht bij welke rechter de voorlopige hechtenis wordt gevorderd of door welke deze wordt getoetst en ogenschijnlijk bijna los van de hem of haar voorgelegde casus, lijkt het resultaat steeds hetzelfde: vasthouden!" Enkele maanden eerder schreef redacteur Buruma in het Nederlands Juristenblad al over het gemak waarmee voorlopige hechtenis wordt opgelegd: "We kunnen spreken van een diep gewortelde gewoonte, bijna een vanzelfsprekendheid." Het resultaat is dat Nederland in Europa koploper is qua percentage voorlopig gehechten op de totale gedetineerdenbevolking in ons land. Een ander gevolg is dat in de afgelopen tien jaar het aantal toegekende verzoeken van ex-verdachten om schadevergoeding wegens onterechte voorlopige hechtenis is verdrievoudigd. De PvdA-fractie wenst van de minister te vernemen of hij met ons van mening is dat het uitgangspunt moet zijn dat vrijheidsstraffen dienen te worden uitgezeten in de fase van executie. Moet voorlopige hechtenis niet de uitzondering zijn in plaats van de regel?

Handelingen I 2013-2014, nr. 28, item 7 − blz. 15

Minister Opstelten:

Dan kom ik op het punt dat een aantal Kamerleden heeft genoemd: de adviezen. Zo hebben de heer Swagerman en mevrouw Quik aangegeven dat rechters kritiek hebben. Allereerst ga ik in op de voorlopige hechtenis in het algemeen. Ik heb het artikel van de drie Rotterdamse rechters, althans de op Rotterdam georiënteerde rechters, met veel belangstelling gelezen. Rechters zijn niet vaak bereid zo grondig naar hun eigen uitvoeringspraktijk te kijken en met serieuze alternatieven te komen. Ik waardeer dat zeer. Ik meen dat echt en ik heb daar veel complimenten voor. In het kader van het programma versterking van de prestaties in de strafrechtketen zullen deze suggesties goed worden bekeken bij het onderdeel dat gaat over de herziening van de voorlopige hechtenis. Dat zal ook moeten tegen de achtergrond van de mogelijkheden tot aanpassing van het bestaande vorderingenbeleid van het Openbaar Ministerie en de beschikbare mogelijkheden voor de tenuitvoerlegging. Dat is dus een belangrijk punt en ik kom daarop terug in het kader van de versterking van de prestaties in de strafrechtketen. Na de zomervakantie zullen wij de stand van zaken rond het project geven. Dan zal ik ook de hoofdlijnen aangeven van de modernisering van het Wetboek van Strafvordering — wat mijn levenswerk moet worden — en waarvan dit ook een belangrijk onderdeel zal worden. Wij zullen de geuite kritiek die door alle Kamerleden is aangegeven, daarin meenemen. Ik acht allen die dat hebben gedaan hoog en ik neem hen ook buitengewoon serieus. Wij zullen hen, voor zover dat relevant is, bij de voorbereiding betrekken en wij zullen gesprekken voeren, want hieraan zal natuurlijk ook een groot consultatietraject ten grondslag liggen.

Handelingen I 2013-2014, nr. 28, item 7 − blz. 17

Mevrouw Beuving (PvdA):

Ik wilde het einde van de zin van de minister afwachten, maar het duurde lang voordat de punt gezet werd. Ik meende te begrijpen dat de minister toe wilde naar het relativeren van de door mij en andere woordvoerders naar voren gebrachte indruk —of meer dan dat — dat er in Nederland toch wel heel gemakkelijk en heel veel voorlopige hechtenis wordt opgelegd. Begrijp ik goed dat de minister dan vooral de bedragen en de aantallen in verhouding tot de gehele gedetineerdenpopulatie relativeert? Ik heb niet voor niets een aantal gerenommeerde juristen aangehaald. Ik denk ook aan de drie Rotterdamse rechters die letterlijk hebben gezegd dat het een koekjesfabriek is. Ik meen dat een van hen de oud-voorzitter van de Raad voor de rechtspraak is. Het lijkt mij dat deze kritiek in samenhang met al die cijfers maakt dat je dat toch niet zo gemakkelijk kunt wegwuiven.

Minister Opstelten:

Ik ben erkentelijk voor de interruptie. Ik heb gezegd dat ik de opmerkingen van de drie Rotterdamse rechters, maar ook die van Buruma en anderen die daarover hebben gesproken, heel serieus neem. Ik heb ze geprezen voor het schrijven van het artikel. Ze hebben eigenlijk geschreven over het eigen functioneren. Dat vind ik knap. Ik zal dat ook meenemen. Ik wil alleen wel een nuance aanbrengen bij de cijfers. Ik neem het echter wel serieus en wij komen daarop terug bij twee trajecten, waarin wij ook druk bezig zijn om deze elementen aan de orde te stellen. Dat is allereerst het VPS-traject, waarbij ik na de zomer met een voortgangsrapportage kom. Dat is belangrijk. En misschien nog belangrijker is mijn levenswerk dat eraan komt, of u het nu wilt of niet. Dat is de hele modernisering van het Wetboek van Strafvordering waar we in de outline de hoofdlijnen, waarbij dit een heel belangrijk onderwerp is, meenemen. Ook dat zal na de zomervakantie naar de Kamer worden gestuurd.

Mevrouw Beuving heeft het in haar betoog heel kernachtig naar voren gebracht. Ik zeg toe dat ik al deze zaken zorgvuldig meeweeg en bij voorbaat niets terzijde schuif.

Handelingen I 2013-2014, nr. 28, item 7 − blz. 17

De heer Swagerman (VVD):

Een levenswerk van deze minister — ik denk dat het zijn tweede levenswerk is na de introductie van de nieuwe Politiewet — is de modernisering van het Wetboek van Strafvordering, een megaoperatie. Het is goed dat wij gehoord hebben dat ook daarin, of misschien juist daarin, de voorlopige hechtenis aan de orde zal komen, onder andere in het licht van de zorg die in deze Kamer breed is geuit dat voorlopige hechtenis geen stempel of automatisme moet worden. Ik vraag me overigens af of dit goed gestroomlijnd zal worden met de evaluatie van deze wet. Misschien wil de minister daarover toch iets zeggen. Het zou natuurlijk jammer zijn als wij in de moderniseringsoperatie niet ook al vruchten kunnen plukken van een stukje evaluatie van de wet die wij hier vandaag behandelen.

Handelingen I 2013-2014, nr. 28, item 7 − blz. 23

Minister Opstelten:

De heer Swagerman kan ik zeggen dat wij de evaluatie in de wet meenemen en die in een ordelijk proces laten verlopen.


Brondocumenten


Historie