T01188

Toezegging Staat van de Unie (32.125 en 32.123 V)



De minister van Buitenlandse Zaken zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag/opmerking van het lid Kuiper, toe dat hij met de Kamer zal bezien welke aanvullende informatie nodig is om een volwaardig Europees debat te voeren en daarbij de laatste informatie te betrekken, inclusief de opvattingen van de regering over wetgevings- en werkprogramma’s en ontwikkelingen binnen de Europese Unie.


Kerngegevens

Nummer T01188
Status voldaan
Datum toezegging 20 april 2010
Deadline 1 juli 2011
Verantwoordelijke(n) Minister van Buitenlandse Zaken
Kamerleden prof. dr. R. Kuiper (ChristenUnie)
Commissie commissie voor Europese Samenwerkingsorganisaties (ESO)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie overig
Onderwerpen Staat van de Unie
Kamerstukken Staat van de Europese Unie 2009-2010 (32.125)
Begrotingsstaten Buitenlandse Zaken 2010 (32.123 V)


Uit de stukken

Handelingen I 2009-2010, nr. 26 – blz. 1123

De heer Kuiper (ChristenUnie): Tegen de achtergrond van deze beschouwing wil ik een suggestie doen voor het jaarlijkse document dat wij in september ontvangen, de Staat van de Europese Unie. Elke keer bij het lezen van dat document valt het me op hoe weinig houvast we aan dat document hebben als nationale parlementariërs. Dat komt omdat het de Europese voorstellen op de voet volgt en er in vrij globale zin een waardering over uitspreekt. Het gaat vaak over beschrijvingen, intenties en wenselijkheden. Daarbij lijkt de Staat van de Europese Unie dus meer gericht aan de Europese Commissie dan aan het nationale parlement. Wij hebben als nationale parlementariërs behoefte aan een document waarin de Nederlandse opstelling in Europa, verspreid over de verschillende beleidsterreinen, in samenhang inzichtelijk wordt gemaakt. Daarin kan ook de appreciatie worden gevoegd van het Europese wetgevings- en werkprogramma. Ik zou het heel wenselijk vinden als die zaken in elkaar zouden worden geschoven en wij het standpunt van het kabinet over dat Europese wetgevings- en werkprogramma op de een of andere manier kunnen combineren met de Staat van de Europese Unie. Mijn voorstel is dus gericht op een wat andere opzet van het document de Staat van de Europese Unie. Ik krijg daarop graag een reactie van de regering.

Handelingen I 2009-2010, nr. 26 – blz. 1123

Minister Verhagen: Tot slot kom ik op de Staat van de Unie zelf. De heer Kuiper heeft de opzet van de jaarlijkse Staat van de Unie aan de orde gesteld. Hij wil deze eigenlijk nadrukkelijker in verband brengen met het wetgevingsprogramma. Ik zie de Staat van deUnie in de eerste plaats als een document dat terugblikt op en vooruitkijkt naar de Nederlandse inzet in Brussel in brede zin, alsmede de algemene visie van Nederland weergeeft op Europese samenwerking. Omdat Europees beleid naar onze mening vervlochten is met nationaal beleid, kiest de regering er nu al elf jaar voor om de Staat van de Unie tegelijkertijd uit te brengen met de memorie van toelichting op de begroting in september. Daarna komt het wetgevings- en werkprogramma van de Europese Commissie. Als wij daarop wachten, doen wij op een andere wijze geen recht aan het feit dat Europees beleid vervlochten is met nationaal beleid en dus eigenlijk bij de begrotingshoofdstukken thuishoort. Ik adviseer de leden echter om de Staat van de Unie te lezen in combinatie met de kabinetsreactie op het wetgevingsprogramma van de Europese commissie. Deze keer kwam dat laat, wegens het feit dat er een nieuwe commissie was, maar wij hebben ons ervoor ingespannen om, ondanks het feit dat het op 31 maart verscheen en ondanks het feit dat er coördinatie en afstemming met andere departementen nodig was om tot die kabinetsreactie te komen, de Kamer twee weken geleden al de reactie op het wetgevings- en werkprogramma te sturen, met daarin de prioriteiten, zodat de Kamer in staat was om een en ander in combinatie met elkaar te lezen.

Handelingen I 2009-2010, nr. 26 – blz. 1123

De heer Kuiper (ChristenUnie): De Staat van de Unie is het belangrijkste document in een jaar. Het is formeel een aanknopingspunt voor deze discussie. Het zou kunnen zijn dat de Eerste Kamer dit eerder zou moeten doen; dat ben ik eigenlijk ook wel van mening. Het document is echter dun en het biedt weinig aanknopingspunten, zeker als de opstelling van de regering met betrekking tot het programma van de Commissie daarin niet goed verwerkt is. In de appreciatie van het wetgevings- en werkprogramma van de Europese Commissie staat dat het ook nog een voorlopig oordeel is. Waarom zouden wij niet alsnog in september alsnog een soort overzicht kunnen krijgen van de stand van zaken met betrekking tot het wetgevings- en werkprogramma van de Europese commissie? Laten wij dat integreren, want nu krijgen wij eigenlijk niet een samenhangend overzicht van de opstelling van de regering met betrekking tot Europees beleid. U zei dat er altijd wel een minister van Landbouw en een minister van Buitenlandse Zaken zal blijven. Ja, maar wat doen zij? Zij vertegenwoordigen een Nederlands standpunt in het Europese beleid. Dat willen wij allemaal bij elkaar hebben in dat ene document. Dat moet voor ons het handvat zijn voor het gesprek met de regering.

Handelingen I 2009-2010, nr. 26 – blz. 1123-1124

Minister Verhagen: Als de Kamer een andere opzet wenst, valt er altijd te discussiëren over de wijze waarop wij daaraan vorm zouden kunnen geven. Ik denk echter dat het het handigst is om dit vorm te geven in het nadere overleg, ook als er nadere informatie gewenst is van de zijde van de regering voorafgaande aan het debat. Als ik nu een onderdeel uit de memorie van toelichting bij de begroting van Buitenlandse Zaken eruit haal, denk ik dat daarmee de begroting onvolledig is. Anders krijgt de Kamer het Europese deel weer geïntegreerd in de begroting en niet als aparte Staat van de Unie. U zegt dat er slechts een voorlopige reactie is op het werkprogramma, maar het werkprogramma is op 31 maart gekomen. Binnen twee weken wordt dit besproken met alle departementen. Daarbij is het zo dat een deel van de voorstellen van de Europese Commissie nog niet volledig is uitgewerkt of bekend is. Het kan dus niet anders dan een voorlopig standpunt zijn. Als het een definitief standpunt was en er nieuwe ontwikkelingen zouden zijn, zou de Kamer mij terecht verwijten dat wij ons al hebben vastgelegd. Gelet op het feit dat de Kamer zelf over haar werkwijze gaat, zouden wij kunnen bezien welke aanvullende informatie nodig is om hier een volwaardig Europees debat te voeren, op het tijdstip dat het de Kamer goeddunkt, en daar de laatste informatie bij te betrekken, inclusief onze opvattingen over wetgevings- en werkprogramma's en ontwikkelingen binnen de Europese Unie.


Brondocumenten


Historie